Bravo, Bob! De padvinder uit Canada
Part 11
"En toen?" vroeg ik.
"Je dacht natuurlijk dat je terug zwom naar de plek waar je hadt gedoken, want toen Kitsjin tegen je stond te roepen, begon je nog harder uit te slaan."
Ik vroeg me een oogenblik af, of ik hun alles zou vertellen.
"Maar je zag al gauw in dat je je had vergist," hernam Stenford; "toen wilde je omkeeren, maar de stroom had je al te pakken en greep je zijdelings mee."
"Dat herinner ik me," zei ik.
"M-maar K-Kitsjin was al in het w-water g-gesprongen," viel Burns in.
"Hij zwom zoo hard als ie kon," zei Stenford; "hoorde je hem schreeuwen dat je op je rug moest gaan liggen?"
"Dat kan ik me niet meer herinneren," antwoordde ik.
"Het was natuurlijk voor hem gemakkelijker om je er uit te halen, als je dreef."
"H-hij was z-zeker b-bang dat je je aan hem z-zou v-vastklampen," zei Burns.
"De stroom had je heelemaal te pakken en sleurde je mee tot onder de rots," hernam Stenford, "en--"
Kien viel hem nu in de rede. "Wat voelde je?" vroeg hij ernstig. "Was de atmosferische druk krachtig? Was het een gewaarwording of--"
"Leuter toch niet kerel!" riep Stenford. "Hoe kon hij dat nu weten? Waar waren we gebleven?"
"Ik was meegesleurd tot onder de rots," zei ik.
"O ja! Voor dien tijd hadt je al begrepen dat je er bij was, want je gilde moord en brand. Maar toen verdween je in de tunnel; geen steek was meer van je te zien, geen steek."
"Maar K-Kitsjin zwom achter j-je aan," zei Burns, die nu en dan ook een woordje wilde meepraten.
"De jongens stonden nu allemaal klaar om jullie de hand toe te steken als je weer boven kwam," zei Stenford. "Het was een vreeselijk oogenblik toen we niets meer van jullie zagen, terwijl we wisten dat jullie daar ergens onder de rotsen moesten zijn."
"T-toen s-sprong J-Juniper erin," zei Burns.
"Ja," hernam Stenford; "Jim had zijn kleeren uitgegooid en zwom van den anderen kant naar de tunnel toe. Kitsjin kwam nu te voorschijn."
"W-wat zag d-die er akelig uit!" zei Burns.
"Ja, hij zag er ellendig uit!" verklaarde Stenford. "Hij was maar even boven gekomen om adem te scheppen terwijl hij water trapte."
"Ik dacht dat hij iets tegen Jim riep."
"Ja, dat deed hij ook; we gilden het nu allemaal uit, omdat we dachten dat hij je hadt kunnen grijpen, maar ineens hielden we onzen mond toen we zagen dat dit niet het geval was. Juniper was nu vlak bij hem, Bob schreeuwde hem toe: ""Terug, terug, de stroom!"" of iets dergelijks."
"Ik geloof zelfs dat ie tegen Jim vloekte," zei Kien.
"Kitsjin is een kraan," zei Stenford, wien het moeite kostte zijn aandoening te bedwingen. "Hij wou niet dat iemand zou verdrinken om hem te redden."
"M-maar Jim gr-greep zich v-vast aan het v-vooruitstekende g-gedeelte van de rots..." zei Burns.
"Dat wou ik je nu juist gaan vertellen," zei Stenford. "Hij hield één hand gereed om die te kunnen toesteken zoodra Kitsjin weer te voorschijn kwam, want we hadden alle hoop opgegeven dat jij nog in leven was."
Burns knikte met het roode hoofd om deze verklaring te beamen.
"Toen scheen een heele groote golf van de eene kom door de tunnel naar het andere bassin te stroomen. Kitsjin kwam nu te voorschijn die jou vasthield; in een oogwenk was Juniper in het water; met één hand duwde hij, terwijl hij met de andere zwom."
"Jullie dreef nog mee met de golf," zei Kien.
"Toen jullie zoowat in het midden waren, begon het water terug te trekken," zei Stenford; "dat was vreeselijk om te zien."
"We zagen dat het jullie w-wilde meesleuren!" verklaarde Burns.
"Juniper was onvermoeid," zei Stenford; "hij duwde uit al zijn macht en heel langzaam naderden jullie de plek waar wij stonden om te helpen."
"Jij was n-net een l-lijk," zei Burns.
"Je zag donkerblauw," verklaarde Kien; "dat kwam omdat het bloed--"
"Scheid uit met je wijsheid, kerel!" riep Stenford; "anders kom ik nooit klaar met m'n verhaal--We dachten niet anders of je hadt al den laatsten adem uitgeblazen. Kitsjin viel flauw zoodra we hem naar boven hadden gesleurd. Juniper zei dat dit kwam door te groote inspanning van zijn hart."
"We lieten hem liggen en begonnen te p-probeeren of w-we je n-nog bij konden krijgen," zei Burns.
"Ja," zei Stenford; "eerst moest je al het water kwijt raken dat je binnen hadt gekregen, en toen pasten we de kunstmatige ademhaling toe, je weet wel uit "Eerste Hulp bij Ongelukken", en toen begonnen we je te wrijven en zoowat meer."
"We w-wreven t-tot w-we niet m-meer konden," zei Burns.
"Kitsjin was ook weer in orde--hij kon ten minste weer praten, al zag hij er nog ellendig uit. "Is hij goed?" vroeg hij. "Gek dat hij niet eens scheen te weten dat hij er je uit had gekregen. Hij kon zich al gauw weer overeind richten en zijn eerste vraag was hoe het met je was."
"We hadden hem nog niet verteld dat we dachten dat je dood was," zei Kien.
"We zeiden dat we ons best deden je bij te krijgen," hernam Stenford, "en toen stond hij op; de jongens hadden hem afgedroogd en hem geholpen met wat kleeren aan te schieten; toen liep hij naar de plek waar jij lag; zoodra hij je zag riep hij: "Groote hemel," en werd hij lijkwit.
"Probeer de andere manier, zei hij," viel Kien in; "hoe die heet ben ik vergeten. We moesten je omdraaien en je rug wrijven; Juniper en hij deden hun uiterste best, maar Kitsjin moest uitscheiden omdat hij heelemaal op was."
"Toen die andere methode ruim twintig minuten was toegepast begon je bij te komen," verklaarde de wetenschappelijke Kien.
"Op die eerste manier zou het ook wel zijn gegaan," hernam Stenford. "We kunnen er nu kalm en rustig over praten, Ellinghem, maar toen we met je bezig waren was het vreeselijk; die spanning of je dood was of levend, dat was ontzettend."
"Maar hoe wist je of," begon ik.
"We keerden je nu en dan om," viel Stenford in; "eindelijk zagen we je de oogleden even trillen. Juniper lei zijn hoofd tegen je aan en riep: ""Hij ademt.""
"Ja, zoo is het gegaan," zei Kien.
"En weet je wat het gekst was," hernam Stenford op peinzenden toon; "je zou denken dat de jongens nu zouden hebben gejuicht van pleizier, maar niemand zei een woord, en de lui die met je bezig waren geweest stonden gewoon te huilen. En Kitsjin had moeite zijn tranen in te houden; hij keerde zich naar Juniper en zei: ""Het spijt me dat ik straks tegen je vloekte, maar je hadt het niet moeten doen; je waagde je leven, beste kerel."" En toen droegen we je naar huis."
"De lui zeiden d-dat je z-zoo z-zwaar was," merkte Burns op.
"Thuis werdt je dadelijk in een warm bad gestopt en toen werdt je naar bed gebracht."
"Nu weet je alles," zei Kien; "ik wou alleen maar dat je me kon vertellen of de luchtdruk krachtig was in die tunnel."
"Was het geen vreeselijk gevoel?" vroeg Stenford.
"Ja vreeselijk," antwoordde ik.
"Hoe staat het met onzen meerman?" hoorden we nu zeggen. We keken om en zagen Jim Juniper die ongemerkt was binnengekomen en glimlachend naderde. Zonder antwoord af te wachten op zijn vraag voegde hij er bij: "En Burns, jij hebt het heele geval zeker op rijm staan te vertellen is het niet?"
Ik wilde hem nu danken voor hetgeen hij had gedaan. "Ik heb alles gehoord," bracht ik stotterend uit, "en ik dank je hartelijk voor..."
"Och, ik heb bijna niets kunnen doen," viel Juniper me in de rede. "Ik kon alleen maar als ceremonie-meester optreden door jullie in de goede richting te duwen, waardoor de dappere meermannen het land konden bereiken. Aan wal is het toch maar het best, vindt je ook niet?"
Ik gaf dit onmiddellijk toe.
"Maar als Kitsjin zich geen Hercules had getoond, dan zou je nu zeker op den bodem van de zee liggen, waarde heer," hernam hij.
Op dit oogenblik keerde hij zich geheel naar mij en een andere uitdrukking verscheen in zijn oogen toen hij zei: "Ik moet je ronduit zeggen dat je gisteren bij het zwemmen een geduchte lastpost bent geweest."
"Ja, dat is zoo," gaf ik toe, terwijl ik een kleur kreeg.
"Het is niet mijn gewoonte om krachtige, gekruide taal te gebruiken zooals vriend Burns," zei Juniper; "maar toch geloof ik ditmaal wel reden te hebben om je een geduchten lastpost te mogen noemen."
Ik beaamde dit wederom.
"Wat voor plaats je zelf in de jongenswereld inneemt, dat weet ik nog niet," hernam Juniper. "Maar wel weet ik dat ik het je hoogst kwalijk neem, dat we door jouw schuld bijna onzen Kitsjin kwijt zijn geweest, die wel tienmaal zooveel waard is als jij. Ik hoop dat je me wilt vergeven, dat ik dit ronduit zeg in je gezicht."
"Daarin heb je gelijk," zei ik met nadruk.
"Ik vond het mijn plicht, zie je, om je dit openlijk mede te deelen, omdat het hoogst onwaarschijnlijk is dat Kitsjin je zelf deze waarheden onder het oog zal brengen. Laat ik je ten slotte vertellen, waarde heer," voegde hij er bij, terwijl hij zich met sierlijke gebaren in de richting begaf van de deur, "dat Kitsjin de beste vent is dien je ooit in dit tranendal zal ontmoeten."
Met een zwaai van zijn arm wuifde hij ons toe om afscheid te nemen en verdween. De andere drie werden door juffrouw Geebel weggejaagd, daar ze eigenlijk al veel te lang waren gebleven.
Blijkbaar had ze het heele gesprek verstaan, want toen we wederom alleen waren zei ze:
"Het zal me benieuwen of jij ooit weer in zee durft, al ben jij zeker niet voorbestemd om te verdrinken."
's Middags kwam Bob me een bezoek brengen. Hij liep naar me toe en zei:
"Ik ben hier al geweest, maar toen sliep je. Hoe is het met je?"
"Heel goed," antwoordde ik. "De dokter zegt dat ik morgen mag opstaan."
"Je bent dus weer beter?" vroeg Bob lachend.
"Ja," antwoordde ik. Ik kreeg een kleur en zei: "Bob, hoe zal ik ooit--"
Hij ging vlak voor me staan en strekte de hand uit om mij het zwijgen op te leggen. "Ik begrijp wel wat je wilt zeggen, maar dat hoeft niet, kerel."
"O Bob," riep ik uit, terwijl de tranen me over de wangen stroomden toen ik zijn hand greep, "je bent een kraan."
HOOFDSTUK XXI.
HET VUURWERK VAN KIEN.
Na mijn avontuur ging het leven op school eenige weken lang geregeld voort. Mijn werk bracht ik er tamelijk goed af, hoewel we altijd volop te doen hadden en nooit klaar dachten te komen voor de heeren Kijkers en Wilson. We speelden verbazend veel voetbal, een spel waar ik weinig om gaf, al durfde ik dit niet bekennen. Ik sloeg hierbij dan ook een tamelijk slecht figuur.
Ik zag Bob veel te weinig naar mijn zin en dit zei ik eens tegen Stenford.
"Dat is nog al glad," antwoordde hij; "hij is een van de hooge lui, een prefekt nog wel en jij bent maar een van de kleine jongens en nog niet eens zoo'n schitterend exemplaar," voegde hij er lachend bij.
"Hij was vroeger toch heel wat vriendelijker tegen me dan nu," hield ik vol.
"Zeur toch niet, kerel!" riep Stenford kregelig; "een jongen uit de zesde kan niet zulke dikke maatjes zijn met een van de kleinere; hij heeft warempel wel wat anders te doen."
"Ja, dat merk ik ook," zei ik schamper.
"Kitsjin is heel dik met Norman en Juniper, omdat hij die lui den heelen dag ziet," hernam Stenford; "hij werkt met ze en voetbalt met hen, en zoo wat meer."
"Als ik in de kamer van Norman ben en als Bob binnen komt, dan ziet ie ternauwernood naar me om," zei ik.
"Waarom zou hij zich zoo druk met je bemoeien?" antwoordde Stenford. "Hij vind het natuurlijk veel beter dat je er jezelf alleen doorheen slaat; als ie zoo druk met je was, dan zou je misschien te veel idee van je persoontje krijgen; daarvoor zal hij bang zijn."
"Het is mogelijk dat je gelijk hebt," zei ik.
"Heb je je er op de een of andere manier ingewerkt?" vroeg Stenford.
"Nee," antwoordde ik.
"Maar wat wou je dan van hem? Als je een moeilijkheid had, dan zou je naar hem toe kunnen gaan om zijn hulp te vragen; nu dit niet het geval is, laat je hem maar met rust. Ik kan niet uitstaan als kleine jongens als klissen aan de grooten hangen."
"Ik ben ook niet van plan om als een klis aan Kitsjin te hangen," wiep ik tegen.
"Daar heb je nou b. v. die Dester en Brunton," hernam Stenford. "Dester moet al de gemeenste karweitjes voor dien vent doen, en nu en dan krijgt ie een pak ransel van Brunton, maar toch loopt Dester achter hem aan, kwispelstaartend als een geslagen hond, en de kleinere jongens plaagt en sart ie weer op zijn beurt. Juniper noemt hem den "Jakhals van Brunton"."
"Brunton heeft anders niet veel van een leeuw," zei ik.
"Zeg dat wel! Ik snap dan ook niet dat iemand als Kitsjin met dien man staat te praten, en dat doet hij toch."
"Heusch?" vroeg ik en spitste de ooren.
"Ja, ze zijn wel in dezelfde club, dus het kan wezen dat ze spreken over dingen die het voetbal betreffen."
"Misschien hebben ze ook nog wel andere onderwerpen waarover ze samen praten," zei ik, daar het gesprek me te binnen schoot dat ik op dien avond had afgeluisterd.
"Verleden zag ik ze ten minste bij elkaar staan, alsof het heel dik tusschen ze aan was," hernam Stenford.
Ik haalde nu een couvert uit mijn zak dat ik hem liet zien. "Van wien is die poot?" vroeg ik.
Stenford bekeek de enveloppe van alle kanten en keerde die om en om; toen zei hij: "Dat is geschreven door iemand die zijn hand wil verdraaien."
"En wie heeft dat geschreven?"
"Dester."
"Dat dacht ik ook," riep ik uit, "Maar hoe weet je dat?"
"Ik zie het aan zijn g; daar maakt ie altijd zoo'n haal aan."
"Maar z'n hoofdletters A en M schrijft ie toch heel anders," zei ik.
"Dat is juist z'n slimheid; hij wil je van de wijs brengen, maar die haal van zijn g's heeft ie laten staan. Je kunt ervan op aan dat die brief van Dester afkomstig is. Wat staat er in?"
"O niets bijzonders," antwoordde ik, terwijl ik het couvert weer in mijn zak liet glijden. "Ik wou alleen maar weten of jij ook Dester voor den schrijver hieldt."
"Zonder twijfel, maar vraag het nog aan een derde. Daar komt Kien aanzetten."
"Nee, spreek er tegen niemand van," zei ik haastig; "de sop is de kool niet waard."
"Waarover hebben jullie het zoo druk?" vroeg Kien, die naar ons kwam toeloopen.
"Over iets dat niet in betrekking staat tot de wetenschap," antwoordde Stenford, "dus voor jou van geen belang. We spraken over Brunton en zijn jakhals Dester."
"Te veel eer voor dat soort lui," zei Kien. "Maar ik weet wel dat als Kolman te weten komt dat Brunton in alle gemeene kroegen in de stad bekend is en dat hij aan een massa lui geld schuldig is en dat ie zich ophoudt met race-weddingschappen en dat ie nu en dan 's nachts dronken thuis komt en dan wordt binnengelaten door Dester--"
"Is dat zoo?" vroeg Stenford.
"Ja, wist je dat niet? Als dat Kolman ter oore komt, dan snap je dat ie op staanden voet wordt weggejaagd," zei Kien.
"Ja, maar aangezien Kolman dit niet weet, zal hij hier blijven," merkte Stenford wijsgeerig op. "Ik heb je nog nooit zooveel woorden achter elkaar hooren zeggen, Kien."
"Ik kwam niet hier om mijn tijd te verleuteren," hernam Kien op wreveligen toon.
"Waarom dan? Wou je weer proeven doen? Vertel op!"
"Ik wou vuurwerk aansteken door middel van een electrische vonk," verklaarde Kien op ernstigen toon.
"Wou je zien of het daarmee afgaat?"
"Ja; ik wou het aansteken met een electrischen draad."
"En hoe lang is die draad?"
"Vijftien meter."
"Niet lang genoeg, waarde heer; het afsteken van particulier vuurwerk is niet geoorloofd in deze streken, en op vijftien meter afstand loop je groote kans te worden gesnapt."
"Ik ben niet zoo gek om het hier in de buurt af te steken," antwoordde Kien spottend; "je denkt misschien dat ik Kolman en Kijkers zal uitnoodigen om van de partij te zijn."
"Als je dat doet, dan kom ik niet," zei Stenford. "Ik houd dol van vuurwerk, maar als je den chef er bij vraagt, dan zal je mijn gezelschap moeten ontberen."
"Leuter nou niet," hernam Kien kwaad. "Ik zal je vertellen wat ik van plan ben te doen.--Jij doet zeker ook mee, is 't niet, Ellinghem?"
"Goed," antwoordde ik, "maar eerst moet ik weten hoe je het wilt aanleggen."
"Dat is gauw genoeg gezegd," zei Kien opgewekt, daar hij meende dat ik evenzeer naar wetenschappelijke proefnemingen hongerde en dorstte als hijzelf. "Je maakt het vuurwerk eerst heelemaal klaar; dan breng je het in verbinding met den electrischen draad--je weet wel hoe dat gaat."
"Dat bedoelt ie niet," viel Stenford hem in de rede. "Hij weet dat het verboden is om vuurwerk af te steken--als ie dit nog niet wist, dan vertel ik het hem bij deze--hij wou alleen maar weten hoe je het wilt aanleggen om niet te worden gesnapt."
"Ja," zei ik, "want vuurwerk is nu eenmaal een goedje dat..."
"Dat ruikt en lawaai maakt," viel Stenford in, die den zin voor mij voltooide. "Vertel op, Kien; hoe wou je het hem eigenlijk leveren?"
"Dat zal ik je zeggen als je me eindelijk eens rustig laat uitpraten," zei Kien ernstig. "Houd nu eens je mond."
"Ik zal zwijgen," hernam Stenford. "Vertel dan gauw op."
"Ik heb een stille plek gevonden die uitnemend hiervoor is geschikt."
"Waar dan?" vroeg Stenford. "Een kelder misschien?"
"De tuin van een huis dat leeg staat," zei Kien.
"Niet kwaad bedacht," riep Stenford. "De vent is practischer dan ik dacht, Ellinghem."
"Het is een tuin met hooge muren er omheen; hierop kunnen we al die dingen vastmaken; we hechten dan den draad eraan vast en klaar ben je."
"Je bent tenminste in den tuin," zei Stenford; "maar om zes uur is het donker, dus hoe kom je op tijd weer thuis..."
"Dat heb ik ook al bedacht," antwoordde Kien. "Je weet dat a.s. Woensdag de groote voetbal-match in Triston wordt gespeeld."
"Ja, wat zou dat?"
"We mogen thuis komen met den trein die om half acht vandaar vertrekt. Maar er is er ook een om zes uur en dien zullen wij nemen. Dan hebben we den tijd tot acht uur; we steken het vuurwerk op ons gemak af en komen gelijk met de anderen thuis."
"Ellinghem, is die vent geen listig monster?" vroeg Stenford. "Als eenige verontschuldiging kunnen we aanvoeren dat hij handelt uit liefde tot de wetenschap!"
"En je weet precies waar dat huis en die tuin ligt?" vroeg ik.
"Ja, ik heb lang naar een geschikte plek uitgekeken," antwoordde Kien. "Het moest een groote tuin zijn en een buurt waar de huizen ver van elkaar staan om in geen geval te worden gesnapt."
"Waar is het?" vroeg Stenford.
"Op den Nelson-weg."
"Daar wonen alleen deftige lui. Dat is heelemaal buiten de stad."
"Des te beter. Maar als het nu eens werd bewoond vóór aanstaanden Woensdag?"
Aan die mogelijkheid had Kien nog niet gedacht.
"Hoe kom je in dien tuin?" vroeg Stenford.
"Je denkt zeker dat ik naar den huisbewaarder trek om den sleutel te halen," antwoordde Kien op minachtenden toon. "Het is nog al glad dat je over den muur moet klimmen. Ik ben er een paar maal in geweest."
"Je bent een leperd, hoor Kien," zei Stenford.
"Nou, gaan jullie mee?"
"Ik weet het nog niet. Het lijkt mij zoo iets als een plannetje van Burns."
"Als Burns ervan hoort zal ie zeker ook mee willen," zei Kien.
"Ellinghem, hoe denk je erover?" vroeg Stenford; "zullen we meegaan of niet?"
"Mij goed," antwoordde ik. "'t Is misschien wel moppig."
"Vooruit dan maar!" riep Stenford. "En hoeveel vuurwerk heb je? Willen we er nog wat bij koopen?"
"Nou, wat graag," riep Kien verrukt; "dat is natuurlijk veel beter om de kracht van de electrische vonk te kunnen nagaan."
Ik had pas een som geld ontvangen zoodat Kien in de wolken was over het aandeel dat ik wilde bijdragen tot welslagen van de onderneming.
"Wat zullen we een pret hebben!" riep hij. "Als het huis nu maar niet in dien tijd is verhuurd."
Die mogelijkheid vervulde hem met angst en vervolgde hem als een nachtmerrie. Den volgenden dag nam hij me heelemaal naar den Nelson-weg mee om huis en tuin zoo nauwkeurig mogelijk te bespieden of we ook het een of ander gewaar werden waaruit zou kunnen blijken dat het huis binnenkort zou worden bewoond.
"Misschien zijn er nu al menschen in," zei hij angstig toen we het huis naderden.
Dit bleek niet het geval. Op de ramen waren groote papieren aangeplakt die ons gerust stelden en borden waren bij den ingang geplaatst. De omgeving zag er doodsch en tamelijk verwaarloosd uit.
"'t Lijkt wel of het huis in geen jaren is bewoond," merkte ik op. "'k Zou me dan ook maar niet ongerust maken dat voor Woensdag verandering zal komen in dezen toestand. En al werd het huis een dezer dagen verhuurd, dan kunnen de menschen er toch zoo maar niet in trekken."
"Dat weet je nog niet," zei Kien die zijn angst maar niet van zich kon afzetten, en nu begon hij alle voordeelen op te sommen die het huis bood en de tuin.
Ik geloof dat hij er in de volgende week elken dag heen trok om zich te overtuigen dat de villa nog onbewoond was; het was dan ook een opluchting voor hem toen de gewichtige Woensdag eindelijk was aangebroken.
Stenford, Burns en ik hielden hem ongemakkelijk voor den gek met zijn vuurwerk, doch hij ging zoo geheel op in zijn toebereidselen voor de grootsche onderneming dat geen glimlach op zijn gelaat verscheen.
Toen we eindelijk in den trein zaten die om zes uur uit Triston vertrok, zooals we hadden afgesproken, toen werd hij iets opgewekter.
"Voel je je nu wat beter?" vroeg Stenford.
Kien knikte van ja.
Stenford voelde hem den pols. "Ja," zei hij, "de pols is sterker geworden; nog is de slag niet heelemaal regelmatig, doch een merkbare vooruitgang is waar te nemen."
"Zeur toch niet," zei Kien wrevelig. "Ik wou jullie nu precies uitleggen wat we moeten doen."
Dit geschiedde met de grootste nauwkeurigheid, zoodat hij bijna uitsluitend aan het woord was tot we St. Martin bereikten.
"Nu als de wind naar Smit om de dingen te koopen," zei hij, toen we het station waren binnengestoomd.
"Moeten wij die ontplofbare stoffen in onze zakken steken?" vroeg Stenford.
"Ja, er zijn drie pakken vuurwerk," antwoordde Kien ernstig. "Ieder neemt er een voor zijn rekening."
"W-wat d-draag jij d-dan?" vroeg Burns.
"Ik neem het electrische toestel en den draad," zei Kien. "Dat zou ik niet graag aan jullie hoede toevertrouwen. Vanmiddag heb ik het eerst bij Smit gebracht."
Een paar minuten later waren we klaar met Smit--want Kien had alles met groot beleid en kennis van zaken geregeld--en klommen we den heuvel op die buiten de stad was gelegen en waar zich de meeste villa's bevonden.
"W-weet je n-nog t-toen we hier het eerst s-samen waren?" vroeg Burns aan me.
"Nou, of ik," antwoordde ik. "Ik ben blij dat Kien nu de leiding op zich neemt en niet jij."
"Vertrouw nooit op Burns," zei Stenford. "Vooronderstel eens dat Kien b.v. in de lucht vliegt met z'n vuurwerk, dan zou Burns misschien de leiding willen overnemen, maar dan verzeker ik je dat ik onmiddellijk rechtsomkeer zou maken."
Burns lachte.
"Praat nu niet zoo hard," zei Kien; "we zijn al vlak bij den weg."
In dezen tijd van het jaar was het om zes uur al heelemaal donker. Een paar armzalige gaslantarens die in den wind stonden te flikkeren, waren het eenige schijnsel dat we gewaar werden. Niemand scheen zich op den Nelson-weg te bevinden.
"'k Zou hier niet graag wonen," zei Stenford; "veel te stil en eenzaam. Die weg schijnt niet eens een dwarspad te hebben."
"Nee, daarom leek deze buurt me juist zoo geschikt. Er staan in 't geheel maar zes huizen en ons huis is het allerlaatste."
"'t Is of je het hebt gehuurd," merkte ik op. "Is het hier?"
"Ja," antwoordde Kien. "Maar maak nu zoo min mogelijk leven."
Deze aansporing tot voorzichtigheid scheen overbodig. We waren nu al de huizen langs geloopen waarvan de ramen waren verlicht, zonder dat we taal of teeken van een levend wezen hadden gezien, en nu stonden we voor een donker verlaten gebouw, het laatste van de reeks villa's.
"Een somber oord," zei Stenford die onwillekeurig de stem liet dalen.
"Welke kant?" vroeg ik. "Het is hier zoo donker."
"Hierheen," zei Kien; "ik zal je wel den weg wijzen. Ik ben hier nu al zoo dikwijls geweest."
Naast het huis bevond zich een hek van houten latten, dat toegang gaf tot den tuin.
"Hierover heen," zei Kien heel kalm.
"Dank je stichtelijk," zei Stenford; "een leuk spelletje om in het donker over een waggelend hek te klauteren met een pak dynamiet of weet ik wat in je hand."