Bravo, Bob! De padvinder uit Canada

Part 1

Chapter 13,990 wordsPublic domain

BRAVO, BOB!

DE PADVINDER UIT CANADA

VAN ANDREW HOME

Schrijver van: "Tom en Jack", "De Spion op School", "Jaap en Ben", "Het Geheim van een Schooljongen", "Dick en zijn Vrienden", "Jakob de Vondeling", "Door dik en dun", "Jacob Rensum"

DOOR A. DE GRAAFF

MET PLATEN

TWEEDE DRUK

AMSTERDAM

H. J. W. BECHT

INHOUD.

Hoofdstuk. Bladz.

I. Ik kom aan 1 II. Bob 7 III. Nadere kennismaking met Bob 13 IV. Ik vertel 18 V. Het spookhuis 27 VI. Onze tocht 33 VII. Wat heeft Bob gezien? 39 VIII. Ik ga naar school 42 IX. Het geval met Burns 49 X. Hoe ik begon 60 XI. Wij maken kennis met Stenford, Kien en Compagnie 67 XII. Mijn verder optreden als nieuweling 80 XIII. Ik maak kennis met Brunton 88 XIV. De studeerkamer van Norman 95 XV. De padvinders aan 't werk 103 XVI. De toren 114 XVII. Het klokketouw 124 XVIII. Wat ik vernam 132 XIX. Zwemmen en duiken 139 XX. Jim Juniper zegt me de waarheid 151 XXI. Het vuurwerk van Kien 161 XXII. Het slachtoffer der wetenschap 173 XXIII. Ik ga naar Bob 186 XXIV. Ik leid den opstand 195 XXV. Het legaat van Brunton 204 XXVI. In de ziekenzaal 214 XXVII. De specialiteit 222 XXVIII. Gered 230 XXIX. Slot 242

HOOFDSTUK I.

IK KOM AAN.

Toen de trein stil stond met dien bekenden ruk die zoo'n aangename gewaarwording geeft en ik "Ootlie! Ootlie!" op het perron hoorde roepen, toen wist ik dat ik moest uitstappen. Ik deed mijn best om alle sombere gedachten van me af te zetten, nam mijn boeltje bij elkaar en stapte uit.

Ik bleek de eenige reiziger voor Ootlie te zijn. Ik was hier geheel vreemd; mijn blik ontmoette slechts één ouden kennis waarop ik me terstond in die richting begaf. De bewuste kennis was mijn koffer die uit den goederenwagen was gezet; in mijn neerslachtige stemming bleef ik er naast staan alsof het een vriend was bij wien ik troost zocht, al was het een vriend aan wiens gezelschap ik bedroefd weinig had.

Het was een avond in September; over een uur zou de zon ondergaan. De kleine trein stoomde weg na even te hebben gestopt; de laatste zonnestralen beschenen het bruine houtwerk en deden het koper van de locomotief glinsteren; de trein zag er dan ook zoo aardig en vriendelijk uit, zooals hij daar wegstoomde langs den dijk door het dal, dat een gevoel van spijt bij me opwelde toen hij door een kromming van den weg aan het oog werd onttrokken.

Juist was de laatste waggon in de verte verdwenen toen ik een man gewaar werd met een boersch uiterlijk die met zijn zware laarzen langzaam naar me toeliep over het perron. Het was een groote bejaarde kerel met een ernstig gezicht en een baard die begon te grijzen; hij kon een tuinman zijn, of een landbouwer, of een schaapherder, of iets dergelijks.

Hij deed alles even lijzig en toen hij eindelijk vóór me stond kneep hij zijn oogen dicht en stak hij zijn gezicht vooruit alsof hij nog nooit een jongen van veertien jaar had gezien--het zeldzame avontuur dat hem op dezen dag overkwam. Hij keek nu eens naar mij en dan naar mijn koffer; eindelijk bleef zijn blik rusten op het adres dat op zijde aan het handvat was gebonden.

In plaats dat hij zich bukte om het adres te lezen wat blijkbaar de bedoeling was, greep hij den koffer--een geducht zwaar vrachtje--sjouwde dien mee tot de omheining van het perron waar hij hem overeind zette en met één hand liet draaien, terwijl hij langzaam spelde: M-a-r, mar; t-i-n, tin; Martin; E-l, el; l-i-n-g, ling; h-e-m, hem--Ellinghem.

"Ben jij dat?" vroeg hij.

Ik knikte van ja.

"Dat dacht ik wel," zei hij, terwijl de zweem van een glimlach zijn gelaat in rimpels trok. "Je hebt zeker wel van Tetsjer gehoord?"

Ik had nooit van Tetsjer gehoord, maar hij vond dit blijkbaar een uitgemaakte zaak en wachtte niet mijn antwoord af.

"Ga maar mee," zei hij. "Ik heb wagen en paard van Wilkins geleend; in een wip zijn we thuis."

Hij nam den koffer op zijn schouder met een gemak of het een veertje was en verliet het station; buiten stond een oud voertuig op twee wielen met een paard ervoor dat uitstekend bij dit karretje paste.

Ik verbeeldde me dat de beambte die mijn kaartje afnam me eenigszins nieuwsgierig aanzag; ik dacht dat hij wat tegen me wilde zeggen, maar toen we in het karretje klommen na den koffer stevig achterop te hebben bevestigd riep hij ons alleen maar na: "Laat Dobbin er maar niet met jullie vandoor gaan, Tetsjer, anders krijg je de lui van de Weeskamer op je dak."

Ik begreep niet wat de Weeskamer met mij, of met Tetsjer, of met het oude paard had te maken; ik wist eigenlijk niet eens wat de Weeskamer was, al hoorde ik later genoeg hierover spreken. Wel begreep ik al heel gauw dat de beambte den gek had gestoken met Dobbin, want het zou misschien moeilijk zijn geweest om een tweede paard te vinden dat zoo over den weg kroop.

"Nu zijn we in een wip thuis," zei Tetsjer nog eens, terwijl hij aan de teugels rukte. "Dobbin loopt eerst altijd langzaam, maar als hij aan den gang is dan draaft ie van belang."

Dat het paard langzaam was begonnen was een feit, maar wat het draven betrof, toen we een halven kilometer hadden gereden scheen Dobbin dit nog altijd als het begin van den tocht te beschouwen.

"Hoe ver is het ook weer?" vroeg ik om maar wat te zeggen. "Dat ben ik vergeten."

"Vijf kilometer," antwoordde de heer Tetsjer. "Wacht maar tot ie eenmaal aan den gang is, dan zijn we er wel binnen het uur."

Nu volgde een lange stilte.

"Hoe maken de Horners het?" vroeg ik eindelijk.

"O heel goed," antwoordde Tetsjer tamelijk onverschillig; "ze maken het best; allebei."

Wederom een pauze; toen wierp hij me een zijdelingschen blik toe en zei: "Gesloten, hè?"

Ik keek hem vragend aan. Toen ik geen antwoord gaf, hernam Tetsjer op geheimzinnig fluisterenden toon:

"Gesloten zijn ze, of het zijn leeperds; je kan gewoon geen woord uit ze krijgen."

"Zoo," zei ik, want deze mededeeling liet me tamelijk onverschillig.

"Ja," hernam hij, "maar vertel hun niet dat ik dit heb gezegd! Al doe ik nu niet veel karweitjes voor ze, ik zou ze toch niet graag missen, zie je."

Ik verzekerde hem dat hij op mijn geheimhouding kon rekenen en toen zwegen we wederom; ik vroeg me af waarom de Horners zoo gesloten en geheimzinnig deden, terwijl Tetsjer zijn best deed om het plichtsgevoel van Dobbin aan te wakkeren door aan de teugels te rukken.

Ik verzonk in gepeins en dacht na over hetgeen in de onmiddellijke toekomst met me zou gebeuren; we sloegen nu op zijde af en reden verder langs een weg die zich lang en recht voor ons uitstrekte als een smal wit lint; het pad liep tusschen hooge heggen en struiken over den heuvel; op den stoffigen grond was geen enkel spoor te zien van wagens of voetgangers.

Ik zei tegen mezelf dat ik wel in een heel eenzame streek was beland, toen ik in de verte een zwart stipje aan den horizon gewaar werd. Zelfs op dien afstand kon ik zien dat het iets was dat met groote snelheid naderde, en toen ik nauwkeuriger keek kon ik een paard en het een of andere voertuig onderscheiden.

"Kijk 's!" riep ik tegen Tetsjer, terwijl ik met den vinger wees naar het paard dat nu den heuvel afdraafde. "Die gaat er ook vlug vandoor. Een halve minuut geleden waren ze nog op den top van den heuvel."

Tetsjer, die met de teugels in de hand zat te knikkebollen, werd nu ineens klaar wakker en tuurde voor zich uit in de aangeduide richting. De ruk dien hij aan de leidsels had gegeven toen hij plotseling overeind rees, had tot gevolg dat Dobbin was blijven stil staan. Het hoefgetrappel en het gekraak van de wielen had opgehouden; in de stilte die nu volgde drong een ander geluid tot ons door.

"Dat is alleen maar een kar en paard," zei Tetsjer. "Je kan het wel hooren, niet?--Maar ze zetten er een geduchte vaart achter," voegde hij er bij.

"Dat dunkt me ook," hernam ik; "ze kwamen als de wind den heuvel af. We moeten ze zoo weer zien, als ze den volgenden heuvel zijn opgeklommen."

Nauwelijks had ik dit gezegd of we werden een stofwolk gewaar, terwijl we een vervaarlijk geratel van wielen vernamen en het getrappel van een paard dat in dollen galop voortrende.

Tetsjer stiet een kreet van verbazing uit. "Wel, heb ik van m'n leven," riep hij, "het is op hol! Er zit niemand in de kar; het paard is op hol geslagen! Hij zal tegen ons aanbonzen, en waar moeten we ons dan bergen?"

De weg waarop we ons bevonden was heel smal; aan weerszijden bevond zich slechts een strook gras; in gewone omstandigheden zouden twee wagens met moeite rakelings langs elkaar hebben kunnen gaan. Maar nu dat rijtuig dwars over den weg zwaaide en nu eens op het eene wiel en dan op het andere overhelde, nu zagen we beiden in hoe onmogelijk het was om een botsing te vermijden, zelfs al zouden we ons karretje in de struiken hebben gereden.

Een eind voor ons uit werd de grasstrook iets breeder waar zich aan den linkerkant een hek bevond dat toegang gaf tot een veld. Als we dit maar bijtijds konden bereiken! Maar Dobbin was geen paard dat zich tot spoed liet aanzetten; we waren nog een heel eind van het hek verwijderd, toen we begrepen dat we dit nooit bijtijds zouden kunnen bereiken.

"Willen we eruit springen?" vroeg ik.

Tetsjer schonk geen aandacht op deze woorden. "Och, lieve deugd!" zei hij met een diepen zucht; "we zullen worden vermorzeld: allemaal." Hij trok Dobbin nu heelemaal in de struiken, maar toen stond een van de wielen nog bijna midden op het pad, en een klein kind kon begrijpen wat er zou gebeuren.

Eén ding was in ons voordeel. Wij bevonden ons juist op den top van een steilen heuvel en als het hollende paard die helling was opgeklommen, dan zou het dier dat toch al zeker vermoeid was, de vaart wel verminderen.

Plotseling werd ik een gedaante gewaar die halverweg den heuvel uit de struiken te voorschijn kwam. De gestalte teekende zich scherp af tegen den witten weg; eerst dacht ik dat het een man was, maar ik kon nu duidelijk zien dat het een tamelijk lange jongen was die met de hand begon te wuiven zoodra hij ons was gewaar geworden en ons iets toeriep dat we niet konden verstaan.

Toen hij onzen plompen wagen midden op het pad had ontdekt, had hij natuurlijk terstond begrepen welk lot ons boven het hoofd hing; het drong echter in dit hachelijk oogenblik noch tot mij, noch tot Tetsjer door wat hij van plan was te doen. Alles ging zoo snel in het werk dat we ons eigenlijk van niets juist rekenschap konden geven. Toen ik hem echter den arm zag uitsteken riep ik: "Hij wil het paard tegenhouden!"

Op hetzelfde oogenblik schreeuwde Tetsjer hem toe: "Uit den weg! Hij zal je dood trappen!"

Een sekonde later zagen we hem verdwijnen in een opkronkelende stofwolk tusschen woest ronddraaiende wielen en spartelende paardenhoeven, waarop ik de oogen sloot om dit vreeselijke tooneel niet langer te aanschouwen.

HOOFDSTUK II.

BOB.

Toen ik tot het besef kwam dat het rumoer op den weg was bedaard, sloeg ik de oogen op en zag ik denzelfden jongen die in zoo hachelijk gevaar had verkeerd kaarsrecht en blijkbaar ongedeerd op eenige meters afstand van ons. Hij had het groote zwarte paard tot staan gebracht en hield het stevig bij de teugels. Het dier was hevig bezweet en met schuim bespat en stond te beven of het de koorts had, zoodat het wagentje ervan trilde.

Tetsjer krabbelde nu uit ons karretje. "Bravo!" riep hij op een toon die voor hem buitengewoon geestdriftig klonk; "bravo, dat heb je kranig gedaan!"

Ik stapte nu ook uit; mijn hoofd voelde nog raar en duizelig; beiden liepen we op den jongen toe.

Tetsjer greep haastig naar de teugels, alsof hij bang was dat het paard wederom op hol zou slaan.

De jongen lachte toen hij dit zag. "Laat maar," zei hij; "hij zal zich nu wel een beetje kalm houden, want hij is op." Dit zeggend liet hij de teugels zakken en trad een paar stappen achteruit om zijn pet op te rapen die op den grond was gevallen. Het was een flinke, gespierde jongen met blond haar; hij leek me iets ouder dan ikzelf, want ik zou hem wel ruim vijftien jaar hebben gegeven. Hij had een open, eerlijken blik en een eigenaardigen trek om den mond, waardoor hij terstond den indruk maakte van groote wilskracht.

"Ik zeg maar bravo!" zei Tetsjer wederom. "Zoo'n kranig stukje heb ik van mijn leven nog niet gezien; ik zeg je dat ik het nooit zelf zou hebben durven doen, voor geen duizend gulden, want wat heb je aan duizend gulden als je onder den voet raakt en wordt dood getrapt? En ik dacht niet anders of dat was met jou het geval," voegde hij erbij, terwijl hij veelbeteekenend het hoofd schudde en den jongen aankeek. "Maar je hebt ons het leven gered, dat zeg ik!"

De jongen die het stof van zijn jas sloeg kreeg een kleur, daar hij het blijkbaar onaangenaam vond om zoo in de hoogte te worden gestoken. "Luister 's," zei hij, "als je op die manier voortgaat, dan maak ik dat ik weg kom." Zijn adem ging nog hijgend op en neer na de hevige krachtsinspanning waarmede hij het paard tot staan had gebracht, en zijn handen beefden toen hij zijn pet opzette en zijn jas recht trok.

Tot dusver had ik gezwegen, maar nu zei ik: "Ik begrijp nog niet hoe je dat hebt gedaan."

"Och, zoo moeilijk was het niet," antwoordde hij. "Ten eerste ben ik gewend om met paarden om te gaan; en hij werd wat moe, zoodat hij de vaart al wat had verminderd; en dan moest ie den heuvel op zoodat ik wel begreep dat hij stil zou staan als ik met mijn volle gewicht aan de teugels ging hangen, en zoo is het gebeurd ook. De eerste greep, die was wat lastig en daarop kwam het natuurlijk aan. Als het dan ook berg af was geweest en niet berg op--daaraan heb ik het eigenlijk te danken," voegde hij er bij terwijl hij de schouders ophaalde.

Zijn stem klonk me eenigszins vreemd in de ooren; ik was echter nog te onervaren om zijn accent terstond thuis te kunnen brengen.

Tot mijn verbazing toonde vriend Tetsjer meer doorzicht dan ik op dit punt. "Neem me niet kwalijk," begon hij, "maar het komt me voor dat je een vreemdeling bent--zeker Amerikaansch, hè?"

De jongen begon te lachen. "Ik ben een volbloed Engelschman," antwoordde hij. "Nee, een Amerikaan ben ik niet, maar ik kom uit Canada." Hij sprak dit woord uit op een toon alsof hij hierop met reden trotsch mocht zijn, terwijl hij fier het hoofd oprichtte als een soldaat die in positie gaat staan. "Ik ben naar Engeland overgestoken om daar school te gaan," hernam hij; "ik ben hier pas een jaar; daarom valt mijn accent jullie nog op. Maar ik zal het wel kwijt raken."

"Als jullie er daar nog meer dergelijke lui op nahouden, stuur ze dan maar hierheen," zei Tetsjer; "die kunnen we best gebruiken. De meeste menschen hier zouden zoo'n beest met geen hand durven aanraken. Maar jullie land is zeker niet zoo groot als bij ons, wel?"

"Nee, dat scheelt een heele boel," antwoordde de jongen, in wiens oogen nu een schalksche uitdrukking verscheen.

"Dat hindert ook eigenlijk niet," hernam Tetsjer bemoedigend; "klein of groot, dat doet er weinig toe. Alle landen kunnen toch niet even groot zijn als Engeland."

De jongen begon nu zoo hard te lachen dat hij ternauwernood op zijn beenen kon blijven staan. Toen keek hij mij aan om te zien of ik mijn aardrijkskunde beter kende dan vriend Tetsjer.

Dit bleek het geval en we schaterden het nu beiden uit.

"Jullie land is zoo groot dat ik ben verdwaald," zei de Canadees, terwijl hij zich omkeerde tot den verbaasden Tetsjer die van die vroolijkheid niets begreep. "Den heelen dag ben ik al op 't pad. Ik ben de richting kwijt geraakt en voelde me juist wat gedrukt en moedeloos, toen ik jullie zag aankomen. Weten jullie misschien waar Màllorie ligt of Mallòrie?"

Een schok voer door me heen. Ik vond het zoo vreemd en toevallig, dat hij op weg bleek te zijn naar het huis dat mij toebehoorde.

"Wij spreken van Màllorie," antwoordde Tetsjer, "maar als je niet aan zoo'n groot land bent gewend, dan is het best te begrijpen dat je wat in de war raakt met al die namen."

"Ga met ons mee," zei ik, "want wij zijn op weg naar Mallorie. Daar wonen we--of beter gezegd, daar woon ik."

De jongen keek me nu oplettend aan, alsof hij plotseling levendig belang stelde in mijn persoon.

"Ik geloof dat het anders te laat voor me zou worden om vanavond nog terug te zijn," zei hij.

"Plaats genoeg," riep Tetsjer; "met ons drieën kunnen we er gemakkelijk in; we zijn er in een wip."

De Canadees hielp ons om een plaats beschikbaar te maken voor nummer drie; mijn koffer stond achter in het wagentje, en toen zijn blik daarop viel, of liever gezegd op het adres dat aan het handvat zat bevestigd, toen floot hij even op een eigenaardige manier--in muziek zou dit kunnen worden beschreven als van g tot c met vijf strepen.

"Zoo heet ik," zei ik, daar ik vond dat ik toch iets moest zeggen; "mijn naam staat op het adres: Martin Ellinghem."

Hij knikte mij vriendelijk toe, en toch kon ik zien dat hij zich over iets verbaasde.

"Ik heet Kitsjin," zei hij; "Bob Kitsjin. Jouw naam klinkt mooier, maar ik zal het maar met den mijne moeten doen."

Hij scheen op het punt nog iets te zeggen, nadat hij wederom een blik had geworpen op mijn koffer, doch hij scheen zich te bedenken en zweeg.

Die eigenaardige, vastberaden trek was opnieuw om zijn mond verschenen en wederom keek hij me oplettend aan. Het was zoo duidelijk dat de een of andere vraag hem op de lippen had gezweefd, dat ik lust gevoelde hem ronduit te vragen wat hij had willen zeggen. Als ik gehoor had gegeven aan die opwelling, dan zou alles zoo geheel anders zijn geloopen en dan zou ik mijzelf althans heel wat verdriet hebben bespaard.

Ik liet het oogenblik voorbij gaan om opheldering te vragen; toen werden onze gedachten afgeleid en eerst geruimen tijd later zou het geval tot klaarheid komen.

De afleiding werd veroorzaakt doordat de eigenaar van het hollende paard kwam opdagen: een opgewonden mannetje met rood haar, dat een eind had mogen mederijden in den postwagen, die ons nu was genaderd.

Tetsjer hield nog altijd de teugels van het paard vast, alsof hij degeen was die er zich op mocht verhoovaardigen het dier tot staan te hebben gebracht; het kleine, rossige mannetje scheen echter in niets belang te stellen dan in de omstandigheden die de oorzaak waren geweest dat het paard op hol was geslagen. Hij scheen te denken dat wij hierin evenzeer belang stelden en daarom haalde hij een plattengrond van den weg te voorschijn, waarop hij met een stok de plek aanwees waarop de wagen zich had bevonden en waar de straat lag en waar de brievenbus stond en waar de stoomrol--de stoomrol die al het onheil had gesticht; hij vond het blijkbaar noodzakelijk ons het heele geval tot in de kleinste bijzonderheden duidelijk te maken, zoodat hij denken deed aan een schoolmeester die de Ezelsbrug uitlegt voor een klasse die les krijgt in Euclides.

Eerst toen hij er stellig van was overtuigd, dat we geheel op de hoogte waren van de wijze waarop de zaak zich had toegedragen, maakte hij aanstalten om zijn tocht te vervolgen. Met Tetsjer had hij heel wat moeite gehad, daar die maar niet kon vatten waar de brievenbus en de stoomrol hadden gestaan. En eigenlijk geloof ik dat het hem niet duidelijk was geworden, bij welken hoek van de straat het paard was geschrikt.

Tetsjer was het geval langzamerhand zoo hoogst belangrijk gaan vinden, dat hij gedurende den verderen rit over niets anders meer kon spreken, zoodat hij me op het laatst gruwelijk verveelde met zijn brievenbus en stoomrol en hoeken van straten. Bob Kitsjin had eerst aandachtig geluisterd naar het drukke gepraat van Tetsjer en het rossige mannetje; maar toen we eindelijk weer zouden doorrijden zag ik hem wederom een blik werpen naar het adres van mijn koffer en toen naar mij, waarop hij blijkbaar in gepeins verzonk; geen woord sprak hij meer, tot we door de poort reden van het oude landgoed en voor Mallorie stil hielden.

"Waarom komt mijn naam hem zoo vreemd voor," zei ik bij mezelf. Deze gedachte werd echter onmiddellijk afgeleid doordat de oude Horner naar buiten kwam, zoodra hij het geratel van wielen had vernomen. Hij had natuurlijk gedacht dat er maar twee menschen in het karretje zouden zitten, zoodat hij dan ook een vragenden blik wierp naar den derden man dien hij niet had verwacht. Plotseling werd hij doodsbleek, hij struikelde tegen het oude blok dat als opstap diende om te paard te stijgen en viel bewusteloos neer op de steenen treden van de stoep. Juffrouw Horner kwam gillend naar buiten loopen, en het werd nu zoo'n drukte en herrie dat ik me in mijn eigen gedachten niet meer kon verdiepen.

HOOFDSTUK III.

NADERE KENNISMAKING MET BOB.

"Hij is flauw gevallen," riep de jongen uit Canada, die in een oogwenk uit het wagentje was gesprongen.

Juffrouw Horner trachtte al gillend en jammerend haar man op te tillen.

"Leg hem plat neer," beval Bob, die de patiënt onder de schouders beet pakte--"hij moet languit op den grond liggen; dat is de manier om iemand weer bij te krijgen."

"O, o, hoe vreeselijk!" riep de juffrouw al hijgend uit.

"Weet u hoe u doen moet?" vroeg Bob.

"Nee, nee, wat moet ik doen?" zei ze.

"Wacht maar, ik zal hem wel zien bij te krijgen. Eerst heelemaal plat op den grond. Juist zoo. Nee, niets onder zijn hoofd. Trek zijn voeten wat op; juist zoo. Het zou me al heel erg verwonderen als hij niet dadelijk bij kwam. Kijk, hij slaat de oogen al op. Prachtig. Nee mijnheer--uw naam weet ik nog niet--maar u moet nog even stil blijven liggen. Dan bent u in een wip klaar. Het bloed stijgt u nu naar het hoofd met de vaart van een sneltrein.--Juist, alles gaat naar wensch," voegde hij er lachend bij, alsof het heele geval een kostelijke grap was geweest. "Hoe kwam het dat hij flauw viel?" vroeg hij toen, terwijl hij zich naar juffrouw Horner keerde.

"Dat zou ik u niet kunnen zeggen," antwoordde juffrouw Horner met een diepen zucht; "we hebben alleen paddenstoelen gegeten; misschien hebben die het hem gedaan."

"Voel je je nu wat beter, Horner," vroeg ze, terwijl ze zich over Horner heenboog. "Denk je dat het die paddenstoelen zijn geweest?" Zonder dat ze zijn antwoord afwachtte ging ze voort: "En we hebben nog niets gezegd tegen jongeheer Martin die zóó is gegroeid dat we hem niet meer zouden hebben herkend!--Tetsjer, haal den koffer eens uit den wagen. Door die flauwte van Horner ben ik heelemaal de kluts kwijt."

De heer Horner herkreeg langzamerhand het bewustzijn; hij richtte zich overeind en keek met een verwezen blik om zich heen, terwijl Bob hem allerlei raadgevingen gaf wat hij moest doen om zich nog beter te gaan gevoelen. Intusschen had ik gelegenheid om de omgeving eens goed op te nemen.