Part 8
Na een poosje kwam ze terug; zonder voedsel dezen keer, en zweefde boven het nest, terwijl ze het jong op alle manieren probeerde te bewegen er uit te komen. Ze slaagde eindelijk, toen het met een wanhopige poging opsprong en naar de richel er boven klapwiekte, waar ik hem met den ouden Witkop had zitten bekijken. Toen, nadat hij de wereld ernstig van zijn nieuwe plaats had overzien, flodderde hij weer naar het nest terug en hield zich doof voor alle verzekeringen van zijn moeder, dat hij net zoo gemakkelijk naar de boomtoppen beneden kon vliegen, als hij maar wilde.
Plotseling, alsof ze ontmoedigd was, steeg ze hoog boven hem op. Ik hield mijn adem in, want ik wist wat er zou gebeuren. Het kleine ding stond op den rand van het nest den sprong te overwegen, dien hij niet nemen dorst. Achter hem klonk een scherpe kreet, die maakte dat hij op zijn hoede was, in de grootste spanning. Het volgende oogenblik was de moeder-adelaar neergeschoten en had het nest bij zijn pooten een klap gegeven, zoodat hij met zijn steunpunt van takken samen de lucht invloog.
Nu dreef hij, dreef hij in de blauwe lucht, ondanks zichzelf, en klapwiekte zoo hard hij kon om zich 't leven te redden. Boven hem, onder hem, naast hem zweefde de moeder op onvermoeide wieken, terwijl ze hem zachtjes toeriep dat ze daar was. Maar de vreeselijke angst voor de diepten en de speertoppen van de sparren had het jonge dier bevangen; zijn wiekgeklepper werd hoe langer hoe wilder; al sneller en sneller viel hij. Plotseling--meer uit angst leek het mij, dan dat zijn kracht ten einde was--verloor hij zijn evenwicht en keukelde halsoverkop de ruimte in. Nu scheen het wel dat 't met hem gedaan was; hij vouwde zijn vleugels op om tusschen de boomen te pletter te vallen. Toen schoot de oude moeder-adelaar als een bliksemschicht onder hem; zijn radelooze pooten raakten haar breede schouders tusschen haar wieken. Hij richtte zich op, rustte een poosje, kwam weer tot bezinning; daarna schoot ze plotseling onder hem weg en liet hem op zijn eigen vlerken neerkomen. Een handvol veeren, door zijn klauwen er uitgerukt, zegen langzaam achter hem neer.
Het was alles het werk van een oogenblik, eer ik ze tusschen de boomen heel in de diepte uit 't oog verloor; als ik ze weer in mijn kijker kreeg, zat het adelaarsjong in den top van een grooten den en was de moeder hem aan 't voeren.
En toen ik daar alleen in de groote wildernis stond, drong het plotseling voor het eerst duidelijk tot me door, wat de wijze, oude profeet bedoelde; ofschoon hij het langgeleden schreef, in een ver verwijderd land en een ander dan Wolkvleugel haar jongen geleerd had, geheel onbewust van de welgezinde oogen, die het uit een boschje gadesloegen: "Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijne jongen zweeft, zijne vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijne vlerken--zoo de Heere."
DE INDIAANSCHE NAMEN.
Cheokhes, kie-ok-ez', de Amerikaansche "mink", een ottersoort.
Cheplahgan, tsjep-la'-guan, de Canadeesche arend.
Ch'geegee-lokh-sis, tsj-dsjie-dsjie'-lok-siz, de zwartkopmees: parus atricapillus.
Chigwooltz, tsjigg-woelts', de stierkikvorsch.
Clote Scarpe, Kloot Skaarp, een fabelachtige held van de Noordelijke Indianen, zooals Hiawatha.
Commoossie, kom-moe-sie', een kleine schuilplaats of hut van bast en takken gemaakt.
Deedeeaskh, die-die'-ask, de Vlaamsche gaai.
Eleemos, el-ie'mos, de vos.
Hawahak, ha-wa-hek', de havik.
Hukweem, huk-wiem', de groote Noordelijke duiker, of ijsduiker.
Ismaques, is-ma-kwez', de vischarend.
Kagax, ke'-guaks, de wezel.
Kakagos, ka-ka-guoz, de raaf.
K'dunk, k'dunk', de pad.
Keeokuskh, kie-o-kusk', de muskusrat.
Keeonekh, kie'-o-nek, de otter.
Killoleet, kil'-loe-liet, de witkeel-musch.
Kookooskoos, koe-koes-koes', de groote oehoe.
Koskomenos, kos'-kom-ie-nos', de ijsvogel.
Kupkawis, kup-kee'-wiz, syrnium nebulosum, een gestreepte uil.
Kwaseekho, kwa-ziek'o, de bergeend.
Lhoks, loks, de panter.
Malsun, mel'-sun, de wolf.
Meeko, mie'-ko, de roode eekhoorn.
Megaleep, meg'-a-liep, de caribou of 't N.-Amerikaansche rendier.
Milicete, mil'-i-siet, de naam van een Indiaanschen stam, ook Malicete geschreven.
Mitches, mit'-sjes, het gekraagde hazelhoen, een soort "grouse": bonasia umbellis of Amerikaansche patrijs.
Moktaques, mok-ta'-kwes, de haas.
Mooween, moe-wien', de zwarte beer.
Masquash, mus'kwosj, de muskusrat.
Nemox, nem'-moks, } } de vischmarter uit N.-Amer. Pekquam, pek-wem, }
Quoskh, kwosk, de blauwe reiger.
Seksagadagee, sek'-sa-guee-da'-guie, het Canadeesche hazelhoen, ook een soort "grouse".
Skooktum, skoek'-tum, de forel.
Tookhees, tok'-ies, de boschmuis.
Umquenawis, um-kwie-na'-wiz, de eland.
Unkwunk, unk'-wunk, het stekelvarken.
Upweekis, up-wiek'-is, de Canadeesche lynx.
AANTEEKENINGEN
[1] Hesperomys Leucopus.
[2] Corvus Corax Principalis.
[3] Een ottersoort.
[4] Linnaea Borealis.
[5] Een vischtuig, waarbij een glimmend, lepelvormig voorwerp achter de haken is bevestigd.
[6] Notropis Cornutus.
[7] Aix Sponsa.
[8] Mephitis Mephitis.
[9] Marmota Monax.
[10] Ceryle Alcyon.
[11] Astur Atricapillus.
[12] Tecoma Radicans.
[13] Felis Concolor.
[14] Smilax.
[15] Gewestelijk voor klem.
[16] Genus Catostomidae.