Boschgeheimen

Part 6

Chapter 64,120 wordsPublic domain

"De oude beukenpatrijs" was echter een anders geaarde vogel. Geen hond kon hem langer dan een seconde doen stilstaan; hij had maar al te goed geleerd wat dat beteekende. Zoodra hij 't trippen van een hondepoot op de blaren hoorde, snelde hij weg en verschool zich, trok zich terug en repte zich weer, zoodat hij hond en jager op de been hield, tot hij de dekking vond naar zijn gading,--dikke boomen, of een warreling van wilden wingerd--waar hij dan aan den anderen kant uit kwam breken. En geen oog, hoe scherp ook, kon méér opvangen dan een tipje van een grijzen staart, voordat hij verdwenen was. Andere patrijzen vliegen in korte, rechte einden en kunnen gevolgd worden en weergevonden, maar hij ging er altijd op krachtige vlerken vandoor, over een ongelooflijken afstand, en zwenkte een heel eind naar rechts of links af; zoodat het tijdverspillen was om achter hem aan te gaan. Eer ge hem weer hadt, zouden zijn vleugels uitgerust zijn en was hij gereed voor nog een vlucht; en als ge hem dan vondt, schoot hij als een pijl uit den boog weg uit den top van een denneboom en er was ook niets meer van hem te zien.

Hij huisde den meesten tijd op een heuvelrug achter een verlaten hoeve oostelijk van den ouden postweg. Dit was zijn middelste verblijfplaats, een plek met dicht struikgewas, doornboschjes [14] en zonnige open stukjes tusschen de rotsrichels, waar ge hem als 't u meeliep op speciale dagen in alle jaargetijden kondt vinden. Maar hij had echt het zwerversinstinct van een Newfoundlandsch rendier. 's Winters trok hij naar 't Zuiden, met twintig andere patrijzen, naar den voet van den bergrug, die uiteenviel in een reeks van heuveltjes en ravijnen en zonnige, goedbeschermde valleitjes, waar volop te eten was. Hier was vijftig jaar geleden weiland, dat bij een boerderij hoorde; maar nu was het overal volgegroeid met kreupelhout en frambozenvelden en wilde appelboomen, die de vogels er gezaaid hadden. Alle vogels waren er graag op z'n tijd; kwartels nestelden er aan de zoomen; en men kon een bruin konijn opkloppen uit bijna elk van de vergane hoopen takken of holle, met mos begroeide stammen die er lagen.

In het voorjaar stak hij den kam weer naar het Noorden over en trok de stille, donkere bosschen in, waar hij twee of drie wijfjes had met evenzooveel broedsels jonge patrijzen; die hij alle, laat me dat even zeggen, met verwonderlijke onverschilligheid beschouwde.

Door het heele gebied stroomde--stil uit de groote bosschen tevoorschijn sluipend, kabbelend langs den voet van den bergrug en zingend door de oude weide--een beek, waar de oude beukenpatrijs van scheen te houden. Wel honderd keer heb ik hem daar aan de oevers opgeschrikt. Ik hoefde er maar langs te loopen op eiken willekeurigen Novembermorgen vóor acht, en ik kon er zeker van zijn, dat ik hem vond. Maar waarom hij er altijd zat op dit bepaalde uur, in dit jaargetijde, heb ik nooit kunnen uitmaken.

Ik verwonderde me er dan soms over, waarom ik hem nooit zag drinken. Andere vogels hadden daar vaste drink- en baadplaatsen, en ik heb ze herhaaldelijk van mijn schuilhoek uit waargenomen, maar ofschoon ik hem dikwijls zag, nadat ik er achter was gekomen waar hij zat, hij raakte nooit het water aan.

Op een vroegen zomerochtend deed zich een aannemelijke verklaring voor. Ik zat rustig bij de beek, aan den rand van het groote bosch, te wachten tot het diepe water weer kalm zou zijn geworden, waar ik juist een forel uit had opgehaald en waar ik vermoedde dat een nog grootere zich schuilhield. Terwijl ik wachtte, kwam een patrijzenmoeder met haar broedsel--een van de tallooze gezinnen van den ouden beukenpatrijs, waar hij niet naar omkeek--langs den rand van het bosch glijden. Ze waren klaarblijkelijk komen drinken, maar niet uit de beek. Een zoeter dronk dan daaruit wachtte op hun komst. De dauw lag nog op de grassprieten; hier en daar hing een droppel aan de punt van een blad als een diamant in 't vroege licht te schitteren. En dan hieven de patrijsjes, die tjilpten en glipten en floten tusschen de neerbuigende halmen, hun bekjes op naar elken glanzenden dauwdroppel, die hen lokte, en dronken hem in en haastten zich met vroolijk gepiep en gorgelgeluidjes naar den volgenden droppel, die een uitnoodiging flonkerde van zijn neigenden grasspriet. De oude moeder wandelde bezadigd in hun midden, maakte zich nu eens druk om een achterblijver, dan weer klokte zij ze alle bij elkaar tot een begeerig, tsjilpend, hippend troepje, terwijl ieder vocht de eerste te zijn om een vette slak te dooden, die ze aan den onderkant van een blad had ontdekt; en straks rekte ze zich zelf uit naar een dauwdroppel, die voor hen te hoog hing om te drinken. Zoo trokken ze voorbij op nog geen paar meter afstands, een schuw, wild, gelukkig gezinnetje, en verdwenen in de schaduw van het groote bosch.

Misschien is dit de reden, waarom ik den ouden beukenpatrijs nooit uit de beek heb zien drinken. De natuur heeft frisscher dronk, dien ze zelf bereid heeft, en die nog meer naar zijn smaak is.

Eerder in 't seizoen had ik nog een van zijn gezinnen daar ook in de buurt gevonden. Ik sloop langs een boschpad, toen ik ze plots verraste, op een zonnig open plaatsje, waar ze uit alle macht aan 't krabbelen waren in een mierenhoop. Een wild geflodder, alsof een warrelwind over den mierenhoop gevaren was; maar het was slechts de wind der vleugels van den moedervogel, die de stof opjoegen om mijn oogen te verblinden en den haastigen terugtocht te dekken van haar donzige broedsel. Nog eens sloegen haar vlerken op den grond en joegen een warreling van dorre blaren op, temidden waarvan de patrijsjes weghipten en -scharrelden, zóo precies de bladen, dat geen oog ze van elkaar kon onderscheiden. Toen zegen de blaren langzaam neer en het broedsel was verdwenen, alsof de grond het verzwolgen had; terwijl moeder patrijs juist buiten mijn bereik wegflodderde, met een vleugel sleepte alsof die gebroken was, plat op den grond viel, klokte en kwit-kwit riep, en de blaren opjoeg om mijn aandacht te trekken, me weg te krijgen van de plaats waar de jongen zich verstopt hadden.

Ik knielde juist binnen den boschzoom neer, waar ik den achterblijver van het broedsel als een bruine schicht had zien verdwijnen en begon zorgvuldig naar ze te zoeken. Na een poosje vond ik er een. Hij zat plat op een dor eikeblad gedoken, vlak voor mijn neus, wonderlijk gedekt door zijn kleur. Er glinsterde iets in een donker wortelkluwen. Het was een oog, en weldra kon 'k daar een kopje onderscheiden. Dat was al wat ik van 't gezin vermocht te ontdekken, ofschoon er nog wel twaalf vlak bij me, de meeste onder de bladen, waren. Toen ik achteruitkroop, legde ik mijn hand er op een voordat 'k hem zag, en 't had geen haar gescheeld of 'k zou dien kleinen slimmerd bezeerd hebben, die geen vin verroerde, niet eens toen ik het blad wegnam, dat hem bedekte en 't voorzichtig weer neerlegde.

Aan den overkant van 't pad stond een dikke dwergeik, waar ik onder ging zitten loeren. Het duurde tien lange minuten, waarin zich niets verroerde, eer moeder patrijs terug kwam sluipen. Ze klokte eens--"pas op!" scheen 't wel te beteekenen, en er bewoog geen blad. Ze klokte weer--opende de grond zich? Daar had je ze, wel meer dan een dozijn, die uit het niet waren opgesprongen en haastig aankwamen om haar er met een eindeloos gepiep alles van te vertellen. Ze verzamelde ze zoo alle dicht om zich heen en ze verdwenen, door de schaduwen geholpen.

Het was grappig zoo ijverzuchtig als de oude beukenpatrijs over de eenzaamheid waakte, waar deze merkwaardige kleine families rondzwierven. Ofschoon het leek dat hij geen zier om ze gaf, en men hem nooit in de buurt van een zijner gezinnen waarnam, hij duldde 't niet dat een andere mannetjespatrijs in zijn bosschen kwam of ook maar binnen gehoorsafstand trommelde, 's Winters deelde hij het zuidelijke weiland vreedzaam met wel twintig andere patrijzen; en op bepaalde dagen kon men, na veel gekruip, een heel gezelschap van die dieren op een zonnige zuidelijke helling verrassen, waar ze deftig stapten en in- en uit- en rondglipten met uitgespreiden staart en hangende vlerken, alle bewegingen uitvoerend van een patrijzenmenuet. Eens, op een laten, warmen najaarsdag, was ik naar een twaalf of vijftien van die prachtige vogels toegekropen, die hun merkwaardige vertooning ten beste gaven in een kleine opening tusschen de wilde frambozen; en in hun midden--trotscher, pralender, verwaander stappend en aanmatigender klokkend dan een van de andere--was de oude beukenpatrijs.

Maar toen 't voorjaar werd en de lange, rollende trommelklanken door de uitbottende bosschen begonnen te roffelen, trok hij zich terug naar zijn middelste gebied op den bergrug en wandelde van 't eene eind naar 't andere, dreef elken anderen mannetjespatrijs uit zijn gehoor en nam hem geducht onderhanden als hij 't waagde hem te weerstaan. Dan hoorde men na een overwinning zijn luid getrommel door de Meische heerlijkheid rollen, om zooveel wijfjes als hij maar kon te verlokken zijn weelde met hem te deelen.

Hij had twee trommelstammen in zijn gebied liggen, zooals ik al spoedig ontdekte; en eens, terwijl hij op den eenen stam stond te trommelen, verschool ik me bij den anderen en bootste zijn kreet vrij goed na door met mijn handen op een met lucht gevulde blaas te slaan, die ik onder mijn jas geknoopt had. Het roffelen van een patrijzen getrommel is een eigenaardig gedempt geluid; het valt dikwijls moeilijk plaats of zelfs richting van herkomst te bepalen; en het klinkt altijd veel verder weg dan het werkelijk is. Dit heeft den ouden beukenpatrijs in 't eerst misschien misleid om te denken, dat hij een anderen vogel heel in de verte hoorde, op een heuvelkam aan den overkant van de vallei waar hij niets te maken had; want al gauw trommelde hij weer op zijn eigen stam. Ik antwoordde er onmiddellijk op, door een uitdaging terug te roffelen en vertelde zoo ook elke wijfjespatrijs in het gebied, dat er nog een candidaat was, geneigd tot pronken en zijn staart uit te spreiden en den schitterenden kraag om zijn hals op te zetten, om zich een plaatsje te veroveren in haar gunsten, als ze hem maar op zijn trommelstam wou komen kijken.

Er moet eenige argwaan, dat er een mededinger in zijn gebied gedrongen was, in den kop van den ouden patrijs zijn opgekomen, want er was een lange stilte, waarin ik me hem kon voorstellen, hoe hij recht en stijf op zijn stam aandachtig stond te luisteren om de plaats te bepalen waar die brutale indringer zat, en zijn ziedenden toorn met moeite bedwong.

Zonder te wachten tot hij weer trommelde, roffelde ik een uitdaging. Ternauwernood was 't trommelen opgehouden, of daar kwam hij den heuvel opschieten, als een bliksemschicht tusschen de dikke takken door, en plofte bij zijn eigen stam neer, waar hij zich met wonderbaarlijke gezwindheid oprichtte, om luisterend naar den indringer te spieden.

Het scheen hem te verlichten, dat de stam niet bezet was, maar hij was nog vol opgekropten toorn en achterdochtigheid. Hij gleed en dook, de heele plek over rondziend en luisterend; toen sprong hij op zijn stam en zonder als gewoonlijk den tijd te nemen om te pronken en zijn schitterende veeren uit te spreiden, liet hij den langen roffel hooren, richtte zich onmiddellijk op toen 't gebeurd was, wendde zijn kop naar alle kanten om het eerste geluid van het antwoord van zijn mededinger op te vangen,--"Kom eens voor den dag als je durft,--rrom!--als je durft. O jou, lafaard!" En hij hipte, in vijf of zes hooge, opgewonden sprongen, als een haan vóór den storm, naar 't andere einde van den stam, en weer rolde zijn snelle, kloppende trommelslag door de bosschen.

Ofschoon ik dicht genoeg bij was om hem zonder kijker duidelijk te onderscheiden, kon ik zelfs toen niet (en andere keeren dat ik een patrijs heb zien trommelen evenmin) precies nagaan hoe dat geluid gemaakt wordt. Na een poosje bedaarde de opwinding over een vermoedelijken mededinger, en werd hij verrukt, omdat hij meende den schelm uit zijn bosch te hebben verdreven. Hij wandelde statig op den stam heen en weer, liet zijn vleugels slepen, spreidde zijn prachtigen staart wijd uit, zette zijn borst en zijn schitterenden kraag op. Plotseling richtte hij zich dan in de hoogte; een zwiepen van zijn vleugels op en neer, dat geen oog kon volgen, en ik hoorde een enkelen slag van zijn roffel. Weer een zwiepen en weer een slag; dan hoe langer hoe gauwer, tot het leek alsof hij twee of drie paar vlerken had, die suisden en wentelden beide als de spaken van een sneldraaiend wiel, en de trommelslagen rolden samen tot een langen roffel en verstierven in de bosschen.

Gewoonlijk stond hij op zijn teenen, zooals een haan doet, wanneer hij met zijn vleugels klept eer hij kraait; zelden dook hij op den stam neer; maar ik twijfel er aan of hij met zijn vlerken op 't hout slaat, zooals dikwijls beweerd wordt. Toch verschilden de beide stammen van elkaar; de eene was droog en hard, de andere vermolmd en bemost; en de roffels waren even verschillend als de beide stammen. Na een tijdje kon ik na den eersten wiekslag aan 't geluid zeggen, welken stam hij gebruikte; maar dat was dunkt mij een quaestie van weerklank, de uitwerking van een soort klankbord, en niet doordat ze beide verschillend klonken als hij er op sloeg. Het getrommel wordt ongetwijfeld veroorzaakt, of doordat hij de vlerken boven zijn rug samenslaat, of, zooals ik geneigd ben te gelooven, doordat hij ze bij 't neergaan tegen zijn eigen flanken klapt.

Eens hoorde ik een gewonden vogel drie of vier slagen van zijn roffel geven en toen ik het wingerdboschje inging, waar hij neergestort was, vond ik hem plat op zijn rug liggen, terwijl hij zich met zijn vleugels op de flanken sloeg.

Altijd als hij trommelt stapt hij eerst als een pauw, omdat hij niet weet hoeveel heldere oogen hem schuw uit het struikgewas bespieden. Eens toen ik hem een paar keer statig had zien wandelen en trommelen, ritselde 't in de bladeren en verschenen er twee wijfjespatrijzen van weerskanten op de open plek waar zijn stam zich bevond. Toen paradeerde hij met nog grooter ijdelheid dan tevoren, terwijl de twee wijfjespatrijzen over de plek gleden: naar den schijn zochten ze zaadjes, maar in werkelijkheid bespiedden ze elke van zijn bewegingen met een schuin oogje en bewonderden hem, tot zijn innige voldoening.

's Winters volgde ik zijn spoor gewoonlijk in de sneeuw, om er achter te komen wat hij uitgevoerd had en wat voor voedsel hij gevonden had, als er schaarschte in de natuur was. Voor zijn ergste vijanden, den mensch en zijn hond, hoefde hij niet bang meer te zijn, want ze werden in bedwang gehouden door de wet, en hij zwierf nog vrijer door de bosschen dan ooit. Hij scheen te weten dat hij veilig was gedurende dezen tijd, en meer dan eens speurde ik hem na tot in zijn schuilplaats en zag hem wegfladderen door de open bosschen, terwijl hij een regen van sneeuw achter zich neerjoeg, alsof hij het op die eigenaardige wijze deed, om de richting van zijn vlucht voor mijn oogen te verbergen.

Er waren echter andere vijanden, door geen wet in bedwang gehouden, behalve de algemeene boschwetten van vrees en honger. Dikwijls vond ik het spoor van een vos, dat het zijne in de sneeuw kruiste, en eens volgde ik een dubbel spoor, den vos een patrijs naspeurend, bijna wel een halve mijl ver. De vos was hem laat in den vorigen middag op 't spoor gekomen en was hem naar een doornboschje gevolgd, waar middenin een groote ceder stond waarin de oude beukenpatrijs op stok ging. De vos was twee keer om den boom heengegaan, had stilgestaan en opgekeken en zich toen regelrecht naar 't moeras begeven, alsof hij wel wist, dat 't nergens toe diende nog langer te loeren. Als er veel sneeuw lag, vond ik zelden de plek waar hij of een andere patrijs op den grond waren gaan slapen. Hij plofte gewoonlijk uit een boom in de zachte sneeuw neer, en dook er halsoverkop wel drie of vier voet in, keerde zich dan rond en nestelde zich in zijn witte, warme kamertje voor den nacht. Ik vond dan het holletje, waar hij 's avonds in was geschoten, en er dichtbij het groote gat, waar hij er uitgebroken was toen het licht hem wekte. Als ik mijn richting dan bepaald had naar den indruk van zijn vleugels in de sneeuw, volgde ik die, om na te gaan waar hij neergestreken was en hem op zijn vroege zwerftochten na te speuren.

Men zou meenen dat het een gevaarlijke manier van doen was, zoo zonder andere beschutting dan sneeuw op den grond te slapen, met allerlei hongerige vijanden, die in 't bosch rondsluipen; maar de patrijs weet wel dat als 't sneeuwt zijn vijanden stilletjes thuis blijven, omdat ze niet in staat zijn te zien of te ruiken, en dientengevolge allemaal zelf voor hun eigen vijanden bang zijn. Gedurende een sneeuwstorm is er altijd wapenstilstand in het bosch, en dat is de reden waarom een patrijs in de sneeuw dan alleen gaat slapen, als de vlokken nog neervallen. Wanneer dit ophoudt en de sneeuw een beetje bezonken is, zal de vos weer op de been zijn; en dan slaapt de patrijs in het naaldhout.

Eens echter rekende de oude beukenpatrijs buiten den waard. 't Was vroeg in den avond met sneeuwen opgehouden en de honger dreef den vos naar buiten, in een nacht, dat hij zich anders gedekt zou hebben gehouden. Om en bij 't aanbreken van den dag, voordat het licht nog was doorgedrongen tot waar de oude beukenpatrijs lag te slapen, vond de vos een gat in de sneeuw, dat hem verried hoe vlak voor zijn hongerigen neus een patrijs verscholen zat, die zich van geen gevaar bewust was. Ik vond de plek, toen ik het spoor van den vos een paar uren later volgde. Wat was hij omzichtig! Het sluwe spoor sprak boekdeelen van honger en verwachting. Een paar voet van 't veelbelovende gat af had hij stil gestaan en scherp over de sneeuw uitgekeken, om een verraderlijke ronding op de gladde oppervlakte te ontdekken. Aha! daar was ze, net aan den zoom van een boschje jeneverbessen. Hij dook neer, sloop vooruit, zoodat hij een diep spoor met zijn lichaam groef, plantte zich stevig vast en sprong toe. En daar, vlak naast het gat dat zijn pooten in de sneeuw gemaakt hadden, was nog een gat, waar de patrijs uitgebroken was, zoodat hij zijn heelen vijand, die zich een voet verrekend had, vol sneeuw gestrooid had, en met oorverdoovend lawaai naar de veilige beschutting van de dennen was gevlogen.

Er was nog een vijand, die verstandiger had moeten zijn en die den ouden beukenpatrijs een heel vroeg voorjaar lang achtervolgd had, toen er veel sneeuw lag en 't voedsel karig was. Op een dag dat ik het zuidelijk gebied van den patrijs doorkruiste, ontmoette ik een jongetje,--een pienter kereltje met het jagersinstinct van een vos. Hij had altijd wat merkwaardigs--otters, of muskusratten, of een bunzing, of een grooten uil,--zoodat ik hem met vreugde begroette.

"Hallo, Jantje! Wat speur jij vandaag--beren?"

Maar hij schudde zijn hoofd slechts--een beetje sullig, leek het mij toe--en praatte over alles behalve over datgene waaraan hij dacht; en weldra verdween hij in het oude pad. Een van zijn jaszakken puilde meer uit dan de andere en ik wist dat er een klem in zat.

Laat op dien middag stootte ik op zijn spoor en aangezien 'k niets belangrijkers te doen had, ging ik het volgen. Het leidde regelrecht naar het doornboschje waar de oude beukenpatrijs op stok ging. Ik had er dikwijls tevergeefs naar gezocht, eer de vos mij er bracht; maar Jantje had op een van zijn zwerftochten prenten en een paar veeren onder een cedertak gevonden en wist best wat dat zeggen wilde. Daar was zijn klem, precies op de plek, waar de oude patrijs den vorigen avond gestaan had, toen hij zijn sprong nam naar den ondersten tak. Er was volop koren uitgestrooid en een blauwe gaai, die Jan achterna gegaan was, zat al stevig in de klem; bij den wortel van zijn snavel net onder de oogen was hij gegrepen. Hij had de klem doen toeklappen, toen hij naar wat koren pikte, dat listig met een dun ijzerdraadje aan de pan was vastgemaakt. Toen ik de gaai zorgvuldig uit de klem nam, hield zij zich dood en slap in mijn hand, tot mijn greep ontspande en zij naar een tak boven mijn hoofd vloog, waar zij me bekeef en uitschold, omdat ik me inliet met zulke afschuwelijke uitvindingen.

Ik hing de klem aan een lagen tak van den ceder, met een briefje tusschen haar tanden, om Jan te vragen of hij den volgenden dag eens bij me wou komen. Hij kwam met een beschaamd gezicht toen 't donker werd, en ik nam hem onderhanden over onridderlijkheid en 't verschil tusschen een diefachtigen otter en een eerlijken patrijs. Maar hij grinnikte om de blauwe gaai en ik twijfelde er aan of zoo'n berisping alleen wel een blijvende uitwerking zou hebben. Om het hem dus wat gemakkelijker te maken, liet ik iets los over de glijbaan van een otter, die ik ontdekt had en over een gezamenlijken zwerftocht op een Zaterdagmiddag. Hij vertelde me, dat hij wel twintig keer dien ouden beukenpatrijs had trachten te verschalken. Toen hij de glijbaan van den otter zag, zwoer hij klemmen en strikken voor vogels af, en ik verliet kort daarna de streek, zeer hoopvol wat den patrijs aangaat, want ik wist dat 'k de kanonnen vernageld had van zijn gevaarlijksten vijand.

Jaren later kwam ik door de oude wei en ging regelrecht naar de wildernis van doornstruiken. Er waren prenten van een patrijs in de sneeuw,--korte sporen, die licht rustten op het zachte blank, en toonden dat de Natuur gedachtig was aan zijn behoeften en gezorgd had dat zijn nieuwe sneeuwschoenen prachtig gegroeid waren. Ik haastte me naar de beek, terwijl tallooze herinneringen aan gelukkige dagen en zeldzame ontdekkingen, als het boschvolkje me zijn kleine geheimen openbaarde, zich aan me opdrongen. Toen 'k er heelemaal in verdiept was--kwit-kwit! en met luidruchtig wiekgeruisch suisde er een patrijs weg, wild en grijs als de bijzondere vogel, die daar jaren te voren geleefd had. En toen ik er een jager naar vroeg, zei hij: "Die oude beukenpatrijs? O ja, die zit daar. Daar zal hij wel blijven ook, tot hij van ouderdom doodgaat, want, ziet u, mijnheer, d'r is hier in de buurt niemand gewikst genoeg om hem te vangen."

WOLKVLEUGEL, DE ADELAAR.

"Daar heb je hem weer! Daar is die Witkop bezig den vischarend te bestelen."

Ik schoot op uit mijn kleine commoosie achter 't vuur bij Gillie's opgewonden kreet en snelde op 't strand naar hem toe. Een blik over de Rendier-kaap heen naar de groote baai, waar ontelbare witvisschen schoolden, gaf me weer een hoofdstuk van een lange, maar altijd merkwaardige geschiedenis. Ismaques, de vischarend, was met een dikken visch uit het meer gestegen en deed zijn best om naar zijn nest te komen, waar zijn jongen om eten riepen. Boven hem zweefde de adelaar, zoo onbeweeglijk en onverbiddelijk als het noodlot, liet zich nu eens neervallen om Ismaques met een wiek in 't gezicht te flappen, raakte hem dan weer zachtjes met zijn groote klauwen aan, alsof hij wilde zeggen: "Voel je dat, Ismaques? Als ik maar éen keer goed toegrijp, zal 't uit zijn met jou èn je visch. En wat zullen de jongen dan beginnen daar boven in 't nest in den ouden den? Laat hem nu liever kalm vallen; jij kunt een anderen vangen.--Laat vallen! zeg ik."

Tot dat oogenblik had de adelaar het den grooten vischarend nog alleen wat lastig gemaakt onder 't vliegen, met af en toe een zachten wenk, dat hij geen kwaad bedoelde, maar dien visch wilde hebben, dien hij zelf niet vangen kon. Nu kwam er verandering; 's konings humeur toonde zich even. Met ruischende wieken zwierde hij als een wervelwind om den vischarend heen en hield plotseling dreigend stand midden in de lijn van zijn vlucht. Daar bleef hij op breede, donkere vlerken zweven; zijn gele oogen tuurden fel in de ineenkrimpende ziel van Ismaques, zijn klauwen waren ver teruggetrokken voor een doodelijken stoot. En Simmo, de Indiaan, die beneden naar me toe was komen draven, mompelde: "Nu Cheplahgan woedend; dat Ismaques zoo dadelijk merken."