Part 5
Een groote stierkikker vertoonde zijn kop tusschen de waterleliebladen, en mijn buks, die zich niet bekommerde om de vreugden van een zorgeloos bestaan, rees langzaam naar haar plaats. Mijn oog loerde langs de korrel, toen een plotselinge beweging in de elzen aan den oever stroomop en achter zijn niets kwaads vermoedenden kop, Chigwooltz, den kikker, nog een poosje spaarde voor zijn leliebladen en zijn voornvisscherij. Op 't zelfde oogenblik kwam er een ijsvogel ratelend voorbij en vloog naar zijn ouden uitkijktak boven 't diepe water van de voorntjes. Weer zwaaiden de elzen, alsof er tegen geslagen werd; een reusachtige beer kwam er uitsjokken, den oever op, met een knorrig: woef! naar een takje, dat hem te hard tegen zijn oor gezwiept was.
Ik liet me dieper in de kano glijden, tot alleen mijn hoofd en schouder zichtbaar waren. Mooween liep langs den oever te snuffelen, tot iets--een doode visch of een mosselbank--zijn eetlust wekte, waarop hij stilstond en begon te eten, op een afstand van nog geen tweehonderd meters. Ik reikte eerst naar mijn zware geweer, toen naar mijn pagaai en "waaierde" de kano behoedzaam naar den oever, tot een oude boomstomp op een vooruitstekende landtong mijn nadering dekte. Toen schoot het bootje vooruit, alsof 't leefde. Maar ik was nauwelijks op weg, of--klrrr! klrrr! ik-ik-ik! Boven mijn hoofd zwierde Koskomenos met een wiekgeruisch en een noodkreet, die slechts van haast en gevaar getuigden. Ik ving nog net iets van den beer op, toen hij de elzen inschoot, alsof hij er met een katapult gegooid was; de ijsvogel draaide in een grooten, ratelenden kring om de kano, eer hij op de oude boomstomp ging zitten, met wippenden staart en ratelend in de grootste opgewondenheid.
Ik zwenkte geruischloos het meer in, waar ik de elzen kon bespieden. Ze bleven tien minuten lang doodstil; maar Mooween stond daar, dat wist ik, te snuffelen en te luisteren. Toen leek het, alsof een groote slang zich door de boschjes kronkelde, zonder geluid te geven, maar al gaande vertoonde ze een golvende lijn van trillende toppen.
Een eindje stroomaf was er een hooger punt aan den oever met een omgevallen boom, die uitzicht op het halve meer gaf. Ik had daar een paar dagen te voren staan turen om de luchtpaden en lijnen te bepalen, die zaagbekken in 't vliegen gebruiken, als ze boven het meer op en neer vliegen; want vogels hebben vaste paden, net als vossen. Mooween kende de plek klaarblijkelijk; de elzen toonden dat hij er recht op aantrok, om uit te kijken over het meer en te zien waar dat alarm voor noodig was. Hij had er tot nog toe geen denkbeeld van, wat voor gevaar hem bedreigd had; ofschoon hij, als alle in 't wild levende dieren, onmiddellijk gehoorzaamd had aan den eersten klank van een noodsignaal. Er leeft geen dier in de bosschen, van Mooween af tot Tookhees de boschmuis toe, of het heeft uit ervaring geleerd, dat het, in gevallen als dit, goed is eerst naar een schuilplaats te springen en daarna te onderzoeken.
Ik pagaaide haastig naar de landtong, ging aan wal en kroop naar een rots, vanwaar ik juist den gevallen boom kon zien. Mooween kwam aan. "Nu is 't mijn beer," dacht ik, toen er zachtjes een takje knapte. Daar kwam Koskomenos het bosch inzwieren, terwijl hij over het kreupelhout aan den voet van den ouden boom, naar beneden zag en ratelde--klrrr-ik, ruk in! klrrr-ik, ruk in! Er was een zwaar geruisch van iets dat wegliep, zooals een beer altijd veroorzaakt, als hij opgeschrikt wordt; Koskomenos zwierde naar zijn tronk terug; en ik zocht den oever op, half en half geneigd om de kansen een volgend keer dat ik jaagde, meer gelijk te maken door een bemoeierigen factor te verwijderen. "Jou akelige, lawaaierige, ratelende bemoeial!" mompelde ik, terwijl de korrel van mijn buks als 't ware vlak op den blauwen rug van Koskomenos rustte, "dat is de derde keer dat je mijn schot bedorven hebt, en je zult de kans niet weer hebben.... Maar wacht eens; wie is hier de bemoeial?"
Langzaam ontspande zich de gebogen vinger om den haan. Een duikereend dreef de landtong voorbij, zich van geen gevaar bewust, met een rimpelend spoor, dat een zilveren weerschijn sparkelen liet over het diepe blauw van het meer. Hoog in de lucht wiekte een adelaar op de bries gedragen in wijde kringen en keek neer op zijn eigen uitgestrekt gebied, zonder er acht op te slaan dat er een mensch was binnengedrongen.
Dichterbij zat een roode eekhoorn zijn verbolgenheid uit te snateren in een reusachtigen sparretronk. Stroomaf aan mijn linkerhand verried een zwaar geplas en een wild, vrij gekwaak de plaats waar de zwarte eenden neerstreken, zooals ze ongestoord geslachten lang gedaan hadden. Achter me weerschalde een lang geroffel door de bosschen--een jong patrijzenmannetje, door de warme zon verlokt zijn lente-minnezang te "trommelen". Van de berghelling liet een wijfjeseland een schrikaanjagend antwoord terugbolderen. Vlakbij, en toch leek het mijlen ver weg, zat een aardeekhoorn slaperig te tsjunken in den zonneschijn, terwijl een nest jonge boschmuizen om haar moeder riepen in het gras aan mijn voeten. En elk natuurlijk geluid maakte de wijde, wonderbaarlijke stilte van de wildernis des te dieper.
"Welbeschouwd, wat heeft 't knallen van een geweer of de lucht van kruit te midden van deze gezegende rust rondom hier te maken?" vroeg ik een beetje treurig. Als tot antwoord liet de ijsvogel zich vallen met zijn welluidend geklater en zwierde met zegevierend geratel naar zijn uitkijktoren terug.--"Ratel en visch jij maar door. "De wildernis zal zich nog verheugen" voor jou en Mooween, en het forellenwater zou eenzaam zijn zonder je. Maar ik wou dat je wist, hoe je leven een oogenblik geleden in de kromming van mijn vinger lag, en dat er nog iemand anders dan de beer je kranige waarschuwing op prijs stelt."
Toen ging ik naar de landtong terug om de prenten te meten, en te schatten hoe groot de beer wel was, en om mezelf met de gedachte te troosten dat ik hem vast en zeker gehad zou hebben, als er niet wat tusschenbeide gekomen was--zooals alle jagers van Ezau af filosofeeren.
Het was een paar dagen later, dat de kans zich voordeed om het Koskomenos met kolen vuurs te vergelden. De oppervlakte van 't meer was nog warm; stormen noch vorst hadden ze afgekoeld. De groote forellen waren uit de diepe plaatsen opgestegen, maar waren nog niet levendig genoeg om mijn vliegen aan te nemen; daarom was ik met een voorn naar ze gaan hengelen, belust op forel. Ik had twee mooie visschen gevangen en voer langzaam bij de monding van den inham, met Simmo aan de pagaai, toen een verdachte beweging aan den oever mijn aandacht trok. Ik gaf Simmo het snoer over om mijn kijker beter te kunnen hanteeren en zocht scherp de elzen af, toen de Indiaan een kreet van verbazing uitte. "O, sapperloot, kijk eens. Da's tweede keer ik vangen Koskomenos." En daar, een twintig voet boven het meer, spartelde wild een jonge ijsvogel--een van Koskomenos' ragebollige, wildoogige zonen--aan het eind van mijn lijn. Hij had de voorn een honderd voet achter de boot aan zien slepen en was er met meer honger dan overleg onmiddellijk op neergeschoten. Toen Simmo den ruk voelde, maar niets achter zich zag, had hij dadelijk opgehaald en de angel was vastgeslagen.
Ik greep de lijn en begon zachtjes op te halen. De ijsvogel kwam zeer tegen zijn zin onder een protest van voortdurend geratel, dat al gauw Koskomenos en haar mannetje en twee of drie broertjes van den gevangene in een wilden, luidruchtigen kring om de kano heenbracht. Ze toonden geen gebrek aan moed, maar stootten telkens en telkens weer naar de lijn en zelfs naar den man, die haar vasthield. Spoedig hield ik den kleinen baas in mijn hand en had den angel losgemaakt. Hij was heelemaal niet gewond, maar doodsbang; zoo hield ik hem een poosje vast en genoot van de opwinding der andere, die door het alarmgeratel van den gevangene maar wild om de kano bleven kringen. Het was opmerkelijk dat niet éen andere vogel acht sloeg op den kreet of naderbij kwam. Zelfs in nood weigerden ze den verstooteling te erkennen. Terwijl Koskomenos toen op trillende vlerken vlak boven mijn hoofd zweefde, wierp ik den gevangene dicht naast hem de lucht in.
"Daar, Koskomenos, pak aan dien kleinen domoor van je, en maak hem wijzer. Als je me den volgenden keer een beer ziet besluipen, ga dan alsjeblieft met visschen door."
Maar er klonk geen toon van dankbaarheid in het luidruchtige, verwarde getier, dat de ijsvogels achternagalmde de baai stroomop. Toen ik ze weer zag, zaten ze op een dooden tak, met z'n vijven op een rijtje, alle tegelijk te klokken en te ratelen, zonder aandacht te schenken aan de voorntjes, die onder hen speelden. Ik twijfel er niet aan of op hun manier vertelden ze er mekaar alles van.
DE OUDE BEUKENPATRIJS.
Van alle vogels, die nog veel voorkomen in wat ons van ongerepte plekjes overblijft, is het gekraagde hazelhoen--de "patrijs" uit onze jonge jaren--misschien de schuwste, de waakzaamste, doet ons het meest denken aan de oerwildernis, die we verloren hebben. Ge komt de bosschen binnen van de weide op de heuvelhelling uit en leunt even over de oude, grijze heining om naar 't spel van licht en schaduw op de berkeknoesten te kijken. Uw oogen rusten op de verrukkelijke mengeling van zachte kleuren, zooals geen penseel nog ooit nagebootst heeft: het rijke oude goud van 't najaarsbekleedsel, het schemerig grauwgroen van de vermolmde stomp, die de zwammen getint hebben. Wat een reusachtige boom moet dat geweest zijn, geslachten geleden, in zijn dagen van kracht; hoe onderkómen de berken, die nu uit zijn wortels groeien! Ge herinnert u de groote berken aan de rivier in de wildernis--waar kano's uit gemaakt worden--witter dan het tentje dat er onder nestelde, terwijl hun wijde banieren in den wind wuifden, zachter dan 't geruisch van uilevleugels, die er in de schemering als schimmen tusschen zweefden. Een vaag gevoel van verdriet besluipt u, dat uw eigen wildernis verdwenen is, en met haar de meeste van het schuwe volkje, dat hield van haar eenzaamheid. Plotseling ontstaat er geritsel in de bladeren. Er beweegt iets bij de oude stomp. Zoo pas meendet ge dat het slechts een bruine wortel was; nu snelt het heen, verstopt zich, richt zich op--kwit-kwit-kwit! en met gonzend wiekgeruisch en een warrelende wieling van dorre blaren vliegt er een hazelhoen op en schiet weg, als een stompe pijl met keisteen-punt en grijs beveerd, tusschen de verschrikte berkestammen. Wanneer ge hem stilletjes volgt om hem weer op te jagen, en te rillen en te schrikken bij zijn onverwacht wegsnorren, is er vanzelf iets Indiaansch in uw behoedzamen tred gekomen. Alle weemoed over de verloren wildernis is verdwenen; ge zijt eenvoudig blij dat er nog zooveel wildernis overblijft om welsprekend te getuigen van den goeden, ouden tijd.
Het is deze trek van onoverkomelijke schuwheid in het hazelhoen, gepaard met een zwerm van half-angstige indrukken uit mijn jeugd, die mijn hart altijd doen kloppen als op een oude wijs, elken keer dat er een patrijs aan mijn voeten opstuift. Ik herinner me goed een jongetje, dat stilletjes de rustige bosschen insloop die hem met een onweerstaanbare kracht trokken, toen hun schemerige bogen en stille paden vol geheimenis en beangstigende griezeligheden waren. Voetje voor voetje ging het kind de schaduwen binnen, behoedzaam als een boschmuis, schuw als een konijntje. Plotseling een haastig geritsel en een bolderend geweld, waarmee iets van den grond opschoot; eerst klopte het kinderhart er hevig van, daarna sloeg hem de schrik in de beenen en joeg hem het bosch uit, zoodat hij halsoverkop over de oude, grijze heining tuimelde en halverwege de wei was gerend, eer hij halt durfde houden voor dat vreeselijke achter zich. En dan, eindelijk een andere drang, die het kind altijd weer naar de bosschen deed sluipen, schuw, op zijn hoede, in spanning als een loerende vos, om te onderzoeken wat dat voor vreeselijks was, dat zoo'n beroering in de rustige bosschen te weeg kon brengen.
En toen hij 't eindelijk ontdekte--dat was een ontdekking waar die van de panterwelpen [13] nog maar niets bij was, als ik dat zoo eens naga. Op een dag in de bosschen, dicht bij de plek waar het gewoonlijk met vreeselijk geraas wegstoof, hoorde hij een geklok en een kwit-kwit, en zag een mooien vogel in het kreupelhout wijken, glippen, stilhouden, wegschuilen en elke beweging van het kind opnemen. En toen dat vooruitschoot om zijn pet over den vogel te gooien, stoof hij weg, en toen--wirr! wirr! wirr! bruiste er een heele koppel hazelhoenders om hem heen op. De ontzetting daarover sloeg hem zoo in de beenen, dat hij in de warrelende blaren neerviel en zich de ooren bedekte. Maar dezen keer wist hij ten langen leste wat het was, en in een wip stond hij overeind en draafde niet heen, maar zoo gauw als zijn beentjes hem dragen konden achter den laatsten vogel aan, dien hij tusschen de boomen zag wegscharrelen, terwijl een berketak, waar hij met zijn vleugels tegen had gestooten, hem een goedendag naknikte.
Er is nog meer aan dienzelfden vogel verbonden, dat altijd nog iets bijzonder opwindends geeft aan het wegbruisen van zijn vleugels door de opgeschrikte bosschen. Het was in de oude school aan den viersprong, op een slaperigen Septembermiddag. Een klas aan 't spellen, groote jongens en kleine meisjes, stond met de schoenneuzen voor dezelfde reet in den vloer, in een rij tegenover den lessenaar van den meester. De rest van de school dutte onderwijl dommelig in over de opgegeven taak. De dikke jongen sliep openlijk op zijn armen; zelfs de deugniet was rustig, en dacht soezerig aan voorbije zomerdagen. Plotseling klonk er een vreeselijk gekraak, een kletterend gerinkel van gebroken glas, een gekrijsch van een jongen bij het raam. Twintig knieën stootten van onderen tegen de lessenaars, daar twintig jongens opsprongen. Toen, eer een van ons zijn zinnen weer bij elkaar had, was Jimmy Jenkins, een roodharige jongen, dien geen ramp uit zijn evenwicht kon brengen en wien nooit een gelegenheid ontging, over twee schoolbanken heengesprongen en zat in de meisjesafdeeling op den grond met iets tusschen de knieën geklemd.
"Ik heb hem," kondigde hij aan met het air van een veldheer.
"Wat heb je?" bulderde de meester.
"Een patrijs; 't is een ouwe, een kokkerd," zei Jimmy. En hij richtte zich op, terwijl hij een mooi patrijzenmannetje bij de pooten hield, wiens verstijvende vlerken nog krampachtig tegen zijn flanken sloegen. Hij was in de naburige bosschen opgejaagd, door den een of anderen jager uit zijn natuurlijke dekking verschrikt. Toen hij het onbekende open veld bereikte, was hij nog ontstelder, en daar een verschrikt hazelhoen altijd rechtuit vliegt, was hij als een kogel door het schoolraam geschoten en had zichzelf door den schok gedood.
De regel van drieën, de derdemachtswortel en de woestijn van andere rekenkundige moeilijkheden hebben maar een flauwen indruk nagelaten op minstens één van die leerlingen; maar een vogel, die een slaperige klasse kon opwekken, en een levendige les, vol pit en belangstelling en waaruit iets sprak van den onnaspeurlijk teeren lokroep der bosschen, aan een suffen leeraar kon ontlokken--een leeraar, die 's nachts de rechtswetenschap bestudeerde, maar overdag zijn jongens nooit--dat was een vogel om eerbied voor te hebben. Ik heb hem sindsdien altijd met aandachtiger belangstelling bestudeerd.
Maar toch, hoeveel werk we ook van het hazelhoen maken, we komen weinig anders te weten, dan hoe schuw hij is. Soms, als ge stil zijt in het bosch en een hazelhoen tot bij uw schuilplaats komt gewandeld, vangt ge goed wat van hem op en kunt ge u omtrent hem van sommige dingen een denkbeeld vormen; maar hij ontdekt u al gauw en richt zich op zoo recht als een paal en staart u wel vijf minuten aan zonder te bewegen of een ooglid te verroeren. Dan, overtroffen in zijn eigen kunstje, glipt hij weg. Een geritsel van kleine pootjes op bladeren, een zwak kwit-kwit met een vraag er in--en hij is verdwenen. En hij zal niet, als de vos, terugkeeren om van den anderen kant te komen kijken en te trachten gewaar te worden wat ge zijt.
De nog maar pas doorgedrongen beschaving is goed voor het hazelhoen, want ze voorziet hem van een overvloed van voedsel en verjaagt zijn vijanden. Hazelhoenders zijn altijd talrijker om de nederzettingen heen dan in de wildernis. Anders dan andere vogels echter, wordt hij hoe langer hoe schuwer, naarmate hij dichter bij de menschelijke woningen is. Ik veronderstel dat het komt, doordat de tegenwoordigheid van den mensch zoo dikwijls vergezeld gaat met een toeschietenden hond en 't knallen van een geweer, en misschien met hagel in zijn veeren, die hem kwetst en pijn doet als hij wegsnort. Eens in de wildernis, toen 'k ergen honger had, ving ik twee patrijzen door over hun kop een touwlus aan 't eind van een stok te gooien. Hier zou men even goed kunnen trachten een vleermuis in de schemering te vangen, als de hoop te koesteren een onzer patrijzen van de heuvelhellingen door zoo'n uitvinding te strikken of er ook maar dicht genoeg bij te kunnen komen om over zoo'n poging te denken.
Maar er was éen hazelhoen--en nog wel het schuwste van alle, die 'k ooit in de bosschen ontmoet heb--dat me, zonder dat hij 't wist, allerlei trekjes uit zijn leven toonde en dat ik langzamerhand goed leerde kennen, na de waarnemingen van een paar seizoenen. Alle jagers uit het dorp kenden hem best; en een stuk of wat jongens, die geweren bezaten en begeerig waren zich in de gelederen der jagers te scharen, hadden jachtavonturen met hem beleefd. Hij stond wijd en zijd bekend als "de oude beukenpatrijs." Dat hij oud was kon niemand ontkennen, van zijn doen en laten op de hoogte; en hij werd herhaaldelijk opgejaagd in een beukenbosch bij een beek, een paar mijlen buiten het dorp.
Niettegenstaande veel geleerde discussies over de vele soorten van hazelhoenders tengevolge van duidelijke kleurverschillen, geloof ik voor mij, dat we maar één soort hebben, en dat kleurverschillen grootendeels komen van de verschillende omgevingen waarin ze leven. Van alle vogels is het hazelhoen het onzichtbaarst in rust; zijn kleur is zoo volkomen in overeenstemming met de wortels en bladeren en boomstammen, waar hij zich tusschen verschuilt. Deze verwonderlijke onzichtbaarheid wordt nog verhoogd door het feit, dat hij gemakkelijk van kleur verandert. Hij is 's zomers donkerder en 's winters lichter, net als het konijn. Wanneer hij in donkere bosschen woont, wordt hij glanzend roodbruin; en als hij zijn verblijf tusschen de berken houdt, is hij vaak bepaald grijs.
Zoo was het stellig met den ouden patrijs. Als hij zijn staart wijd uitspreidde en tusschen de beuken wegschoot, was zijn kleur zoo volkomen in overeenstemming met de grijze boomstammen, dat slechts een scherp oog hem kon onderscheiden.
't Was een gladde vogel, die alle knepen kende. Als hij opvloog, had hij binnen een seconde een grooten boom tusschen ons en zich gebracht, om zijn vlucht te dekken. Ik weet niet hoe vaak er wel op hem geschoten was in de vlucht. Elke jager, dien ik ken, had het menigmaal geprobeerd; en elke jongen, die in 't najaar door de bosschen zwierf, had hem schandelijk op den grond trachten te raken. Maar hij was nooit een veer kwijtgeraakt; en hij wou nooit zoo lang stilzitten voor een staanden hond, dat de handigsten in ons gilde goed konden aanleggen.
Wanneer een broedsel jonge patrijzen een hond door de bosschen hoort rennen, fladderen zij gewoonlijk op de onderste takken van een boom en kwit-kwitten nieuwsgierig naar hem. Ze hebben het verschil tusschen hem en den vos nog niet geleerd, die de aartsvijand van hun geslacht is, en aan wien hun voorouders in de wildernis op dezelfde manier ontkwamen, dien ze net zoo tantaliseerden. Maar als 't een oude vogel is, waar uw setter 't spoor van volgt, dan is zijn handelwijze een grappige mengeling van geslepenheid en onweerstaanbare nieuwsgierigheid. Zoodra de oude Don staat, richt de patrijs zich stokstijf op bij een boomstomp en slaat den hond gade. Zoo staan ze als een paar beelden; de hond in toom gehouden door het vreemde instinct, dat hem doet "staan", weg voor gezicht, voor geluid, voor alles, behalve voor de geuren in zijn neus; de patrijs in de grootste spanning, met elken zin op den vijand gericht, dien hij meent te misleiden door zijn goed verstoppen. Gedurende een kort oogenblik zijn ze roerloos; dan deinst de patrijs achteruit en glipt weg naar een betere schuilplaats. Als de sterke geur voor Dons neus vervliegt, staat hij niet langer, maar volgt. De patrijs hoort hem en verschuilt zich weer door zich op te richten tegen een boomstomp, waar hij onzichtbaar is; weer verstijft Don en staat met een poot in de lucht, neus en staart in een rechte lijn, alsof hij versteend was en zich niet kon roeren.
Zoo gaat het voort, nu eens door de struiken glippend, dan onbeweeglijk als een steen, tot de patrijs ontdekt, dat zoolang hij zich stilhoudt de hond wel verlamd lijkt, niet in staat zich te bewegen of te voelen. Dan zet hij zich in postuur pal tegen een wortel of een boomknoest; en daar staan ze geen twintig voet van elkaar af, zonder een vin te verroeren, tot de hond uitgeput door inspanning neerzijgt, of er een eind aan maakt door vooruit te springen, of tot de stap van den jager over de bladeren den patrijs opnieuw van ontzetting vervult en hem door de Octoberbosschen wegjaagt naar eenzamer plekjes.
Op een middag zag ik den ouden Ben, een beroemden hond, prachtig "staan". Vlak vóór hem, in een ruigte van bruine varens, kon ik kop en hals van een patrijs zien, die den hond scherp gadesloeg. De baas van den ouden Ben stelde voor daar op die plaats koffie te drinken, om het meesterlijk africhten van zijn hond op de proef te stellen. We trokken ons een eindje terug en gingen op ons gemak eten, terwijl we vogel en hond gadesloegen met een belangstelling, die hoe langer hoe grooter werd, naarmate de maaltijd vorderde, terwijl de oude Ben stond als een muur en het oog van den patrijs onbeweeglijk in de varenruigte glom. En geen van beide verroerde een vin, terwijl wij aten en Bens baas in kalm vertrouwen zijn pijp rookte. Eindelijk, na een vol uur, klopte hij zijn pijp op de hak van zijn laars uit en stond op om zijn geweer te krijgen. Dat beteekende den dood voor den patrijs; maar ik dankte hem te veel echt genot om het aan te zien, dat hij in zijn snelle vlucht zou worden neergeschoten. In het oogenblik, dat de baas zich omkeerde, gooide ik een stuk hout naar de varenruigte. De patrijs stoof de lucht in en weg, en de oude Ben, door 't wiekgeruisch uit zijn bedwelming wakker geschud, liet zich gehoorzaam vallen op het sein en keerde zijn kop om, om verwijtend met zijn oogen te zeggen: "Wat ter wereld scheelt jou daar achter--heb ik hem niet lang genoeg in bedwang gehouden?"
Het brave oude beest beefde als een riet na de lange inspanning, toen ik naar hem toeging om hem op zijn kop te kloppen en zijn standvastigheid te loven, en hem 't grootste deel van mijn maaltijd te geven. Maar tot op dezen dag weet Bens baas niet wat den patrijs zoo plotseling heeft opgeschrikt; en als hij u van die gebeurtenis vertelt, zal hij er nog spijtig aan toevoegen: "Ik had net een oogenblik eerder moeten beginnen, voordat hij moe werd. Dan zou 'k hem gehad hebben."