Part 4
In dit geval was er geen sprake van indringerigheid, wat Keeonekh betreft. Hij was waarschijnlijk aangevallen, toen hij vreedzaam zijns weegs ging door het meer. Het is echter heel goed mogelijk, dat er een oude grief bestond van den kant van de bevers, die ze zochten te vereffenen toen ze Keeonekh in het meer snapten. Als bevers hun hutten aan den oever van een meer bouwen, zonder dat 't noodig is om een dam te maken, graven ze gewoonlijk een tunnel schuin van den bodem van het meer naar hun hol of hut op den oever. Nu vischt Keeonekh 's winters vaker onder het ijs, dan gewoonlijk aangenomen wordt. Daar hij na elke jacht moet ademhalen, is het noodig dat hij alle luchtgaten en holen op 't heele meer kent. Het doet er niet toe, hoe hij ook keert en wendt op jacht achter een forel, hij verliest nooit zijn oriënteeringsvermogen, vergeet nooit waar de plaatsen om uit te blazen zijn. Wanneer hij zijn visch gepakt heeft, neemt hij den kortsten weg onder het ijs naar de naaste plek waar hij adem kan scheppen en eten. Soms brengt hem dit buiten adem in den tunnel van den bever te land; en de bever moet zich boven in zijn eigen huis van woede zitten verknijpen, terwijl Keeonekh visch eet in zijn gang, want voor beiden tegelijk is er geen plaats in den tunnel en een gevecht daar of onder het ijs is buitengesloten. Daar de bever slechts bast eet--de witte binnenste laag van peppelbast is zijn voornaamste lekkernij--kan hij dezen barbaar, die rauwe visch eet en graten en vinnen, en den geur van slijm in zijn gang achterlaat, niet begrijpen en niet uitstaan. De bever is voorbeeldig in zijn netheid, heeft een afkeer van al wat stinkt en vuil is; en dit geeft misschien gedeeltelijk een verklaring voor zijn vijandigheid en zijn kwaadaardige aanvallen op Keeonekh, als hij hem op een geschikte plaats te pakken krijgt.
Niet de minst merkwaardige van Keeonekhs eigenaardigheden is zijn gewoonte om van een heuvel af te glijden; dat legt een band van sympathie tusschen hem en wie hem kennen, en brengt hem dicht bij de herinneringen uit hun jongenstijd.
Ik herinner me hoe een paar otters, die ik het grootste deel van een zonnigen middag bespiedde, met een pret zonder einde een kleiigen oever afgleden. De baan was klaarblijkelijk met veel zorg aangelegd aan den steilen kant van een kleine kaap, die in de rivier vooruitsprong. Ze was heel steil, ongeveer twintig voet hoog en was prachtig glad geworden door veel naar beneden glijden en glibberen. Een otter verscheen boven op den oever, gooide zich op zijn buik vooruit, schoot bliksemsnel naar beneden, dook diep onder water en kwam dan weer op eenigen afstand van den voet der baan te voorschijn. En dat alles onder een merkwaardige stilte, alsof de bosschen zelf ooren hadden en luisterden om de schuwe dieren bij hun pret te betrappen. Want het was een echte, onschuldige pret, een pret waar fut in zat, en van een opwinding waar geen eind aankwam, vooral wanneer de een den ander trachtte te krijgen en 't water inschoot hem vlak op de hielen.
Deze glijbaan was in uitstekenden staat en de otters waakten er voor haar niet ruw te maken. Ze krabbelden er nooit over naar boven, maar gingen den hoek om en klommen tegen den anderen kant op; of anders klauterden ze evenwijdig met de baan omhoog, een eindje verder, waar de bestijging makkelijker was en geen gevaar bestond van steenen of takken op het glijvlak te storten, die de gladheid zouden bederven.
's Winters op sneeuw gaat 't glijden nog beter dan op klei. Daarenboven wordt die gauw hard en glazig, doordat het water bevriest, dat 't lichaam van den otter achterlaat, en na een paar dagen is de baan spiegelglad. Dan gaat het glijden volmaakt en iedere otter, oud of jong, heeft zijn geliefkoosde glijbaan en brengt een deel van elken heerlijken dag door met van die pret te genieten.
Als Keeonekh door de bosschen trekt in de dikke sneeuw, maakt hij gebruik van zijn glijkunst om hem voort te helpen, vooral wanneer 't de helling afgaat. Hij loopt een eindje hard en gooit zich vooruit op zijn buik, terwijl hij verscheiden voet door de sneeuw glijdt, eer hij weer hard loopt. Deze manier van zich voort te bewegen is een onophoudelijk baantje-glijden, dat veel heeft van de manier, waarop een mensch zich voorthaast met gladdigheid.
Ik heb over de zilveren bellen gesproken, die het eerst mijn aandacht vestigden op de visschende otters, op zekeren dag in de wildernis. Van de enkele zeldzame gelegenheden, die ik gehad heb, om ze te bespieden, komt het mij voor, dat die bellen alleen te zien zijn, nadat Keeonekh snel den stroom is ingeschoten. De lucht hecht zich aan de buitenste ruige haren van zijn vacht en wordt er afgeveegd, als hij door het water schiet. Wie hem zoo gadeslaat, als hij de lange glijbaan afsuist halsoverkop het zwarte winterwater in, met een keten van zilveren bellen, die boven hem breken en tinkelen, beseft allicht iets van de verandering in het hart van den jager door de aanraking met de natuur, die ons allen tot verwanten maakt. Na zooiets vermijdt hij 't vallen zetten--tenminste ge zult zijn stalen klem niet meer onder aan Keeonekhs glijbaan aantreffen, om de vreugde van het schuwe dier in een treurspel te veranderen--en hij wenscht zijn medevisscher hartelijk een goede vangst toe, hetzij hij hem ontmoet op de meren in de wildernis of in de rustige plaatsen aan de rivieren thuis, waar nooit iemand komt.
KOSKOMENOS, DE VERSTOOTELING.
Koskomenos, de ijsvogel [10], is eenigszins een verstooteling onder de vogels. Ik denk dat ze hem half en half als een kruipend dier beschouwen, dat nog niet hoog genoeg voor een vogel gestegen is om erkenning te verdienen. Ze laten hem dus met opzet aan zijn lot over. Zelfs de zwartkophavik [11] aarzelt eer hij op hem stoot, omdat hij niet recht weet of dat opzichtige beest ook gevaarlijk is, of alleen maar geheimzinnig. Ik zag eens een grooten havik als een bliksemflits neerstorten op een ijsvogel, die op trillende wieken zachtjes ratelend voor zijn hol in den oever hing. Maar de roover raakte van de wijs, op 't oogenblik dat hij zijn klauwen had moeten uitslaan om toe te grijpen. Hij zwenkte op zij en schoot in een lange, schuine lijn naar een dooden spar, waar hij aandachtig zat te kijken, tot de donkere bek van een broedenden ijsvogel uit het gat reikte om den visch in ontvangst te nemen, dien het mannetje gebracht had. Daarop zwierde Koskomenos naar zijn uitkijktoren boven 't water, waar de voorntjes huisden en nam de havik zijn vlucht naar de plaats, waar het water uit het meer stroomde en een broedsel jonge zaagbekken hun eerste onderricht in 't open water kregen.
Geen wonder dat de vogels Koskomenos met een schuin oogje aankijken. Zijn kop is belachelijk groot, zijn pooten zijn belachelijk klein. In de lucht is hij een gedicht van sierlijkheid; maar hij kruipt als een hagedis, of waggelt zóo, dat een eend zich over hem zou schamen, bij de zeldzame gelegenheden, dat hij zijn pooten gebruikt. Zijn bek is zoo groot dat er een heele voorn in gaat; zijn tong zoo klein dat hij geen stem heeft, maar niets dan een heesch klr-r-r-r-ik-ik-ik, als de ratel van den nachtwacht. Hij bouwt geen nest, maar maakt een soort van hol in den oever, waar hij den halven dag allervuilst huishoudt; toch is hij het verdere gedeelte een helder, mooi beestje, dat ook geen oogenblik aan de aarde doet denken, maar in zijn feestelijken tooi slechts aan den blauwen hemel omhoog en het van kleuren verzadigde water beneden. Water zal hem niet nat maken, al duikt hij ook twintig keer onder de oppervlakte. Zijn geratel is schor, lawaaierig, duivelachtig; maar zijn neerschieten in den stroom, met zijn kleurschicht, zijn zilveren schuim en zijn getinkel van 't opgezweepte water, is het welluidendste dat er in de wildernis bestaat.
Als visscher heeft hij zijnsgelijke niet. Zijn visschig oog zonder uitdrukking is toch het scherpste dat spiedend over het water gaat, en zijn stooten maakt zelfs den vischarend te schande, zóo zeker en bliksemsnel gebeurt het.
Behalve al deze tegenstrijdigheden is hij eenzelvig, onbekend, ongenaakbaar. Hij heeft geen jeugd, geen spel, geen vreugde dan eten; hij sluit zich bij niemand aan, zelfs niet bij zijn eigen verwanten; en als hij een visch vangt en diens kop tegen een tak slaat tot hij dood is en met zijn eigen kop achterover zijn prooi zit door te slikken, met een ratelend geklok diep onder in zijn keel, maakt hij denzelfden indruk als een papegaai, die fluisterend allergemeenst zit te vloeken, terwijl hij zijn kop krabt, en op wien ge graag met een steen zoudt mikken, als de eigenaar maar eens eventjes zijn hielen gelicht had.
Het is het onbekende, deze geheimzinnige mengeling van vogel en kruipend dier, die den ijsvogel tot een voorwerp van bijgeloof bij alle wilde volken heeft gemaakt. De legenden omtrent hem zijn legio; zijn gekuifde kop wordt door de wilden boven alle andere als toovermiddel of fetisj op prijs gesteld, en zelfs bij beschaafde volken kan men zijn gedroogde lichaam nog soms aan een stok zien hangen, in de hoop dat zijn snavel de richting uitwijst, waar de wind vandaan zal komen.
Maar Koskomenos heeft nog een anderen kant, ofschoon de wereld er tot nog toe maar weinig van bespeurd heeft. Eens in de wildernis heb ik hem, geheel zonder dat ik het wilde, toegejuicht. Het was laat op den middag; het visschen was gedaan en ik zat bij een grazige landtong in mijn kano te kijken wat er vervolgens zou gebeuren. Aan den overkant van de rivier was een kleioever, waar een paar ijsvogels heel bovenaan hun lange gang gegraven hadden. "Er is daar niets voor hen om op te staan; hoe zijn ze dat hol begonnen," soesde ik, "en hoe kunnen ze ooit jongen grootbrengen met de deur zoo maar open, dat mink en wezel binnen kunnen komen?" Dat waren weer twee nieuwe vraagstukken om bij de vele onopgeloste te voegen, die zich bij elke wending van de boschpaadjes voor ons opdoen.
Een beweging onder den oever maakte een eind aan mijn vragen, en de lange, lenige gedaante van een jagenden mink schoot snel tegen den stroom in. Onder het hol hield hij op, richtte zich met zijn voorpooten tegen den oever op, terwijl hij zijn kop links en rechts keerde en zenuwachtig snuffelde. "Wat lekkers daarboven," dacht hij en begon te klimmen. Maar de oever was steil en week; hij slipte herhaaldelijk terug zonder een paar voet hooger te komen. Toen ging hij stroomaf, naar een punt waar wat wortels hem een houvast gaven, en snelde luchtig naar boven, tot onder den donkeren, overhangenden rand, waarvan de wortels in de schaduw over den kleiigen oever staken. Daar sloop hij behoedzaam voort, tot zijn neus het nest ontdekte, en toen gleed hij naar beneden, tot zijn voorpooten op den drempel rustten. Een lang, hongerig opsnuiven van de ranzige, visschige lucht, die uit het hol van een ijsvogel stroomt, een scherpen blik om zich heen om zeker te zijn dat de oude vogels niet terugkwamen, en hij verdween als een schim.
"Dat is een broedsel ijsvogels minder," dacht ik, met mijn kijker op het gat gericht. Maar nauwelijks was die gedachte ontstaan, of een hevig rommelend geratel klonk in den oever. De mink schoot er uit met een rooden streep duidelijk over zijn bruine snuit zichtbaar. Achter hem aan kwam een ijsvogel, die een stroom van scheldwoorden uitratelde en hem voorthielp door kwaadaardige steken naar zijn achterlijf. Dien keer had hij zich misrekend; de oude vogelmoeder had hem thuis zitten afwachten en met haar krachtigen snavel naar zijn booze oog gehakt, zoodra het van binnen uit den tunnel verscheen. Dat ontnam Cheokhes den lust naar jonge ijsvogels heelendal. Hij stortte zich halsoverkop den oever af, terwijl de vogel achter hem aanschoot, telkens stootend en met een ratelend noodsignaal, dat onmiddellijk nog een ijsvogel voor den dag riep. De mink dook, maar het was nutteloos om op die manier een poging tot ontvluchting te wagen; de scherpe oogen omhoog volgden zijn vlucht geheel. Toen hij twintig voet verder aan de oppervlakte verscheen, waren beide vogels boven hem en vielen hem als lood op den kop. Zoo dreven ze hem stroomaf uit het gezicht.
Jaren later loste ik het tweede vraagstuk, dat het hol van den ijsvogel had doen ontstaan, op, toen ik het geluk had eens te zien hoe een paar hun tunnel begon. Ieder, die ooit de vogels heeft gadegeslagen, heeft ongetwijfeld hun merkwaardige bedrevenheid opgemerkt, om in volle vaart plotseling op te houden en midden in de lucht te blijven hangen voor een onbepaalden tijd, terwijl zij de bewegingen bespieden van een voorn onder zich. Ze maken van deze bedrevenheid gebruik, als ze met hun nest beginnen in een oever, zoo steil dat hij geen steunpunt biedt.
Toen ik het bewuste paar gadesloeg, zweefde eerst de eene, dan de andere vogel voor het gekozen punt, zooals een kolibri zich een oogenblik voor den ingang van een trompetbloem [12] in evenwicht houdt, om er zeker van te zijn, dat niemand op hem let, eer hij binnengaat, boorde daarna zijn snavel met snelle slagen in den oever, waardoor er een voortdurende kleiregen in de rivier daalde. Als hij moe was, ging hij op een uitkijktak zitten rusten, terwijl zijn wijfje als stormram optrad en 't werk gaande hield. In een merkwaardig korten tijd hadden ze een steunpunt voor hun pootjes en gingen zich toen verder ingraven, tot ze aan 't oog waren onttrokken.
De gang van den ijsvogel is zoo nauw, dat hij er zich niet in kan omkeeren. Zijn rechte, sterke snavel werkt de aarde los; zijn kleine pootjes gooien die achter zich naar buiten. Ik zag dan een stortregen van modder en mogelijk heel even Koskomenos' staart; daarna een poosje wachten--en weer een stortregen. Dat duurde zoo, tot de tunnel misschien twee voet diep geboord was; toen maakten ze stellig een scherpe bocht, zooals hun gewoonte is. Daarna brachten ze de meeste aarde er in den bek uit. Als de eene werkte, was de ander aan 't rondspieden en visschen op de diepe plek waar de voorn zat, zoodat het voortdurend vorderde, zoolang ik ze waarnam.
Jaren lang had ik Koskomenos beschouwd, zooals de vogels en de rest van de wereld hem beschouwen: als een luidruchtig, half-duivelsch wezen, tusschen vogel en hagedis in, waar men met achterdocht aan voorbij moet gaan. Maar dat geval met den mink wijzigde mijn opvatting eenigszins. Het mocht dan zijn, dat Koskomenos' wijfje haar eieren legde als een kruipend dier, maar ze kon ze verdedigen als elke heldhaftige vogel. Ik ging dus nauwkeuriger opletten, wat de eenige manier is om iets te leeren kennen.
Het eerste wat me van de vogels trof--een waarneming, die later aan heel wat wateren bevestigd werd--was, dat elk paar ijsvogels zijn eigen watergebied heeft, waar het een onbetwiste heerschappij over voert. Er kunnen wel twaalf paar vogels op een enkele rivier zijn, maar, voor zoover ik in staat ben geweest waar te nemen, elk gezin heeft een bepaald watervak, waar 't geen andere ijsvogels geoorloofd is te visschen. Ze mogen vrij er over vliegen, stroomop en stroomaf, maar ze houden nooit stil bij de plaatsen waar voorn zit; of, als ze betrapt worden dat ze er in de buurt loeren, dan worden ze netjes door de rechtmatige eigenaars verdreven.
Hetzelfde geldt ook aan de meeroevers. Of er een geheime overeenkomst en verdeeling onder hen bestaat, of dat (wat waarschijnlijker is) hun recht geldt krachtens ontdekking of eerste aankomst, daar is onmogelijk achter te komen.
Daarom is het iets eigenaardigs, dat, terwijl een ijsvogel niemand van zijn soort toe zal staan op zijn gebied te stroopen, hij in vrede leeft met het zaagbekkengezin, dat hetzelfde riviervak bewoont. En de zaagbek eet een dozijn visschen tegen hij éen. Hetzelfde valt ook bij de zaagbekken op te merken, en wel, dat elk paar, of liever elke moeder met haar broedsel, hun eigen stuk van meer of rivier hebben, waar geen andere mogen visschen. Ondertusschen zijn de mannetjes-zaagbekken ver weg aan 't visschen in hun eigen vischwater.
Ik had deze quaestie van 't verdeelen der forellenwateren nog niet half opgelost, toen 'k alweer een waarneming deed, volkomen onverwacht. Koskomenos, al schijnt hij dan half en half een kruipend dier, erkent niet alleen oeverrechten, maar is ook tot vriendschap in staat--en dat nog wel voor een brompot, die in de wildernis rondzwerft en om wien niemand anders zich iets bekommert. Hier is 't bewijs. Ik was er alleen in mijn kano op uit om het nest van een duiker te vinden, op een dag midden in den zomer, toen de versche prent van een mannetjes-rendier me naar den oever lokte. Het spoor leidde recht van het water uit naar een breeden rand van elzen, waarachter ik op de heuvelhelling misschien het groote monster kon vinden, bezig zijn tijd te verbeuzelen tot het avond zou worden, en hem bespieden om te zien wat hij met zichzelf zou uitvoeren.
Toen ik naar den oever wendde, liet een ijsvogel zijn ratel hooren en kwam over de monding van de baai schieten, waar Hukweem de duiker haar twee eieren verstopt had. Ik keek naar hem, bewonderde het deinend zwieren van zijn vlucht, alsof een briesje even over een slapend meer schoot, en naar het helder blauw van zijn kuif tegen het diepere blauw van den zomerhemel. Onder hem schoot zijn spiegelbeeld in kabbelingen voort, alsof een prachtige visch door het kristalheldere water joeg. Tegenover mijn kano hield hij plotseling stil, bleef een oogenblik zoo maar in de lucht hangen, om op de voorntjes te loeren, die mijn pagaai in beroering gebracht had, en viel met den snavel vooruit--plats! met een zilverachtig getinkel in 't geluid, alsof verscholen klokjes daarbeneden tusschen de groene waterplanten door dezen geest van de lucht aan 't luiden waren gebracht. Een regen van schuim hield heel even den regenboog vast; de waterrimpels verzamelden zich en begonnen te dansen boven de plek waar Koskomenos ondergedoken was, tot ze ruw uiteengedreven werden, toen hij tusschen hen in weer met zijn visch voor den dag kwam. Hij zwierde naar de boomstomp terug vanwaar hij gekomen was, al kokkelend onderweg. Daar kwakte hij zijn visch goed tegen 't hout, gooide zijn kop achterover, en door mijn kijker zag ik den staart van een voorn langzaam den weg af kronkelen, vanwaar voor hem geen terugkeer mogelijk is. Daarna volgde ik het rendierspoor.
Ik was de elzen bijna door, de richting van het beekje houdend en geluidloos voortsluipend, toen ik achter me boven de elzen den ijsvogel hoorde komen, die als bezeten ratelde: klrrr, klrrr, klrrt-ik-ik-ik! Onmiddellijk klonk een zware sprong en hevig geplas vlak boven me, en het haastig wegsnellen van een groot dier de helling op. Boven me hing de ijsvogel, keek eerst omlaag naar mij en dan voor zich uit naar het onbekende dier, tot het gekraak in een zwak geritsel heel in de verte verstierf en hij naar zijn vischzetel terugzwierde, onder een uitbundig geklak en gegichel.
Ik drong behoedzaam voort en kwam weldra aan een mooi, diep water onder een rots, waar de helling langzaam naar de elzen opliep. Uit de tallooze sporen en het voorkomen van de plek, wist ik dadelijk dat 'k toevallig aan een badplaats van een beer was gekomen. Het water was nog troebel en modderig; reusachtige indrukken leidden sopperig en geheel afgebrokkeld in groote sprongen den heuvel op; het mos was losgescheurd, het kreupelhout met glinsterende waterdroppels bespat. "Je hoeft hier niet te twijfelen," dacht ik, "Mooween lag hier in 't water te slapen en de ijsvogel maakte hem wakker.--Maar waarom? En deed hij het met opzet?"
Ik herinnerde me plotseling een aanteekening uit een oud opschrijfboekje: "Sugarloaf Lake, 26 Juli.--Getracht van middag een beer te besluipen. Bofte niet. Hij liep langs den oever te snuffelen en ik had een prachtige kans; maar een ijsvogel maakte hem verschrikt." Ik begon me af te vragen hoe 't geratel van een ijsvogel, een van de gewoonste geluiden aan 't water in de wildernis, een beer verschrikt kon maken, die met alle geluiden daar volkomen bekend is. Misschien heeft Koskomenos een noodsein en gebruikt hij dat voor een vriend als 't noodig is, evenals zeemeeuwen van hun weg afwijken om een koppel slapende eenden te wekken, wanneer er gevaar nadert.
Dit was een nieuwe trek, iets menschelijks in dezen onbekenden, verdachten ratelaar van het vischwater. Ik besloot aandachtiger op hem te letten.
Ergens boven me, diep in de ruigte van de zomersche wildernis, stond Mooween naar zijn spoor te loeren, oogen, ooren en neus op hun hoede om uit te maken wat dat toch voor een wezen was, dat hem uit zijn middagbad had opgeschrikt. Het zou onzinnig zijn nu te trachten hem te verrassen; bovendien, ik had geenerlei wapen.--"Morgen om dezen tijd zal ik terugkomen; kijk dan goed uit, Mooween," dacht ik, terwijl 'k de plek goed in me opnam en naar mijn kano sloop.
Maar toen ik den volgenden dag naar de plek kwam gekropen langs den hoogsten rand van de elzen, om geen gerucht te maken, was 't diepe water helder en kalm, alsof er niets dan de forelletjes die zich onder de schuimblazen verstopt hielden ooit den vrede had verstoord. Koskomenos ratelde als gewoonlijk boven de baai. Niettegenstaande mijn omzichtigheid had hij me de elzen zien binnengaan, maar hij schonk niet de minste aandacht aan me. Hij ging door met zijn visscherij, alsof hij heel best wist dat de beer zijn badplaats verlaten had.
Het duurde bijna een maand, eer ik weer aan het mooie meer kampeerde. De zomer was voorbij. Al zijn warmte en meer dan zijn geurige schoonheid waarden nog over bosch en rivier; maar de loomheid was weg uit de atmosfeer en het wazige was er binnengeslopen. Hier en daar lieten berken en eschdoorns hun schitterende najaarsbanieren uitwaaien over het stille water. Er kwam iets tintelends in de avondlucht; de adem van het meer lag zwaar en wit in de stilte van de schemering; de dieren werden plotseling anders, toen ze het korte tijdperk ingingen van spel en volop eten.
Ik dreef in mijn kano over een kleine baai, waar 't vol riet stond, (dezelfde baai waar de bijna vergeten ijsvogel me beetgenomen had met dien beer, nadat hij een voorn opgegeten had, die mijn pagaai er voor hem had uitgeschept), bezig kikkers voor mijn disch te schieten met een klein geweer. Wat was het hier toch anders, peinsde ik, dan in de bosschen bij huis. Daar was het wild al schichtig; het knallen van een geweer joeg elk dier een schuilhoek in. Hier werd er op 't afgaan van mijn kleine buks niet meer gelet, dan op 't neerplonzen van een vischarend of 't kreunen van een beladen iepetak. Een koppel vette houtsnippen lag zorgeloos ginder in dat stukje elzenruigte, waar de grond doorboord was als een vergiettest, na hun nachtelijk voedsel-zoeken. Boven op de verbrande heuvelhelling zeiden de patrijzen: kwit, kwit! toen ik verscheen en sprongen naar een boom en rekten hun halzen uit om te zien wat ik was. De zwarte eenden doken weg in het riet. Ze waren nu volwassen en sterk van wiek, maar aan hun vroegere gewoonte om zich te verstoppen was nog geen einde gekomen door het schieten. Ze gleden door riet en biezen, en doorkruisten de poeltjes en doken neer in de ruigte, tot de kano bijna over hen heenvoer; dan schoten ze halsoverkop en met een verschrikt haark-aark! de lucht in en maakten dat ze wegkwamen naar de rivier. De mink was veranderd van bruin in zwart, en had het uithalen van nestjes gestaakt om fatsoenlijk te gaan jagen, zonder dat klem of val hem af konden schrikken; en waar 't water in 't meer stroomde, kon ik de grazige koepels boven het brons en goud van 't moeras zien rijzen, waar Musquash stevig en hoog, voor winterkou en voorjaarsvloeden, aan 't bouwen was. Ja, het was goed daar te zijn en een korte wijl het schuwe, wilde, maar zorgelooze leven van het boschvolkje mee te leven.