Boschgeheimen

Part 2

Chapter 24,105 wordsPublic domain

Bij deze kolonie, wier leden me alle vreemd waren, leerde ik op een eigenaardige manier de gewoonte van de boschmuizen kennen om bezoeken af te leggen, en tegelijkertijd kreeg ik nog een les, die ik niet gauw vergeten zal. Dagenlang had ik op elke geoorloofde manier tevergeefs gepoogd een groote forel te vangen, een monster in haar soort, die in een draaikolk achter een rots hoogerop, waar 't water het meer instroomde, woonde. Forellen waren schaarsch in dat meer en 's zomers zijn de groote visschen altijd lui en moeilijk te snappen. Ik had het grootste deel van den tijd zin in forel, want de visch die ik gevangen had was klein en 't was niet veel, en het ging met lange tusschenpoozen. Maar verscheiden keer als ik van den oever af, daar waar 't andere water binnenstroomde, ingooide om vischjes te vangen, had ik wielingen in een groote draaikolk dicht bij den tegenovergelegen oever gezien, die me duidelijk groote visch daaronder verrieden; en eens, toen een reusachtige forel over haar halve lengte boven water achter mijn vlieg aanschoot, verloor de katvisch alle bekoring en beloofde ik mezelf het genot, dat 'k mijn hengel zou voelen buigen en sidderen onder het voortjagen van die groote forel, al moest de heele zomer er mee gaan.

Vliegen gaven niets. Ik bood er haar een boekvol van aan in alle verscheidenheid van vorm en kleur, bij 't uchtendkrieken en in de schemering, zonder haar in verzoeking te brengen. Ik probeerde larven, waar baars van houdt, een kikkerpoot, dien geen snoek kan weerstaan, en kikkertjes, zulke waarop groote forellen tusschen licht en donker te midden der leliebladen jagen--maar niets kon haar bekoren. En toen watertorren en 't staartpuntje van een rooden eekhoorn, wat 't beste vischaas ter wereld is, en spartelende sprinkhanen en een "zilveren-lepel" [5] met een leelijk "stel" haken, die ik verafschuw, en ik herinner me dankbaar dat de forellen die ook verafschuwden. Daar lagen ze in hun groote, koele draaikolk en namen lui wat de stroom hun aan voedsel toevoerde en hadden geen aandacht voor eenigerlei list. Daarop ving ik stroomop een roodvin [6], haakte haar zorgvuldig aan, legde haar op een grooten houtspaander, wikkelde mijn snoer er omheen en liet dien stroomaf drijven, terwijl het snoer zachtjes naar achteren afwikkelde bij 't wegdrijven. Toen hij de draaikolk bereikt had, beurde ik het tipje van mijn hengel op; het snoer ging strak staan; de roodvin sprong overboord en een forel van twee pond, die zeker dacht dat het kleine ding verscholen had gezeten onder den spaander, dook op en slikte het in. Dat was de eenige die ik ving. Haar worsteling had het diepe water in beroering gebracht en de andere forellen gaven verder niet meer om roodvinnen.

Later, terwijl ik eens bij dageraad op een groot rotsblok zat te prakkizeeren over nieuwe lokmiddelen en krijgslisten, trof een beweging in een elzestruik aan den overkant van den stroom mijn oog. Daar glipte Tookhees de boschmuis langs de takjes; 't was haar klaarblijkelijk om de zwarte katjes te doen, die nog aan de uiteinden hingen. Terwijl ik naar haar stond te kijken, viel of sprong zij van haar twijgje in het stille water onder zich en nadat zij een oogenblik rondgekringd had, begon zij dapper den stroom over te zwemmen. Ik kon haar neus niet zien terwijl zij zwom, een rimpelende wig tegen het zwarte water, die een steeds wijder wordende V als een sleep achter zich liet. De trek duwde haar stroomaf; zij raakte den rand van de groote draaikolk; een wieling, een harde plons van onder op, en Tookhees was verdwenen zonder een spoor achter te laten, behalve een snellen kring van rimpels, die verzwolgen werden door de draaiingen en kolken achter de groote rots.--Ik had ontdekt welk aas de groote forel graag had.

Terwijl 'k me naar het kamp terughaastte, laadde ik een patroon luchtig met wat fijnen hagel, strooide een paar kruimeltjes in de buurt van den dikken stam achter mijn tent, piepte een paar keer den lokroep en ging zitten wachten. "Die muizen zijn eigenlijk vreemdelingen voor me," vertelde ik mijn geweten, dat een beetje protesteerde, "en de bosschen zijn er vol van en ik wou die forel graag hebben."

Even later ontstond er een geritsel in het mossige holletje en kwam Tookhees te voorschijn. Zij schoot over het open terrein, greep een kruimel in haar bekje, ging op haar achterpootjes zitten, nam den kruimel in haar voorpootjes en begon te eten. Ik had het geweer opgeheven in de meening dat zij wel een keer of wat zou schuilen, voordat 'k haar onder schot kreeg. Haar brutaliteit verbaasde me, maar ik herkende haar niet. Nog steeds ging mijn oog langs de loopen en over de korrel, tot waar Tookhees haar kruimel zat op te eten. Mijn vinger drukte den trekker.--"O, jou leelijke moordenaar," zei het geweten, "bedenk toch hoe klein zij is en wat een groot spektakel je geweer zal maken! Schaam je je niet?"

"Maar ik wou die forel graag hebben," wierp ik tegen.

"Vang ze dan zonder dit kleine, onschuldige ding," zei 't geweten onverbiddelijk.

"Maar zij is me heelemaal vreemd; ik heb nooit--"

"Zij eet je brood en je zout," zei het geweten. Dat gaf den doorslag; en warempel, terwijl ik nog naar haar keek over de korrel, eindigde Tookhees haar kruimel, kwam naar mijn voet toe, glipte langs mijn been op mijn schoot en keek me vol verwachting aan. Het grijze velletje en 't gespleten oor toonden de welkome gast aan mijn tafel van een week geleden. Zij was op bezoek bij de vreemde kolonie, zooals boschmuizen zoo graag doen, en trachtte ze door haar voorbeeld te overreden, dat ze me net zoo konden vertrouwen als zij. Beschaamder dan alsof 'k er op betrapt was een kwartel op den grond te schieten, gooide ik de huls weg die bijna mijn vriendinnetje gedood had, en keerde naar het kamp terug.

Daar maakte ik een muis uit een stukje vacht van een muskusrat, met een stuk van mijn leeren veter er als staart aangenaaid. Zij beantwoordde prachtig aan haar doel, want binnen het uur mocht ik grootte en pracht van een reusachtige forel, die in haar volle lengte op de rots naast me lag uitgestrekt, bewonderen. Maar toen 'k den volgenden keer ingooide, verloor 'k mijn lokmuis; ze bleef met een stuk van mijn toplijntje in den bek van een tweede forel achter, die naar boven schoot, op 't zelfde oogenblik dat zij haar draaikolk aanraakte.

Daarna waren de boschmuizen veilig, wat mij betrof. Geen forel, al was ze zoo groot als een zalm, zou ze ooit proeven, tenzij ze lust hadden om te gaan zwemmen; en ik hield hun disch beter voorzien dan vroeger. Ik heb veel van hun bezoeken heen en weer gezien, en ik heb beter begrepen wat die gangen toch te beteekenen hebben, die in 't voorjaar te zien zijn als de laatste sneeuw wegsmelt. In een hoek van het bosch, waar de driftsneeuw hoog ligt, zal men dikwijls een menigte gangen vinden, die uit alle richtingen in een kamer middenin uitmonden. Ze spreken van Tookhees' gezellige natuur, van haar lange bezoeken bij haar makkers, niet gestoord door sprong of knauw, als de opeengepakte sneeuw daarboven den angst van 's zomers heeft weggevaagd en haar beveiligt voor havik en uil en vos en wilde kat, en als geen open water haar er toe verleidt te gaan zwemmen waar Skooktum, de groote forel, hongerig op muizen onder haar draaikolk ligt te wachten.

De weken vloden maar al te snel, zooals het geval is met weken in de wildernis, en de droevige taak van ons kamp op te breken lag vlak voor ons. Eén ding baarde me echter zorg--de kleine Tookhees, die geen vrees kende, maar een nestje probeerde te maken in de mouw van mijn flanellen hemd. Haar argeloos vertrouwen trof me meer dan de eigenaardige gewoonten van alle andere muizen. Elken dag kwam zij om haar kruimeltjes te halen, niet van mijn disch, maar uit mijn hand. Zij genoot er klaarblijkelijk van de warmte onder 't eten en zij kreeg altijd de uitgezochtste beetjes. Ik wist echter dat zij, wanneer ik heengegaan was, de eerste zou zijn die door den uil werd gegrepen, want alleen de vrees redt het wilde volkje.

Zoo nu en dan treft men dieren aan, onder allerlei soort, die het instinct van de vrees missen--een kikker, een jonge patrijs, een elandenkalf--en dan vraagt ge u verbaasd af welke gouden eeuw, die de vrees niet kende, of welk heerlijk visioen van Jesaja, waarin de leeuw bij het lam nederligt, daar werkelijkheid is geworden. Ik heb zelfs een jonge zwarte eend, wier natuurlijke geaardheid zoo wild is als de wildernis zelf, gezien, die niets van haar moeders noodsignalen en haar voortdurende lessen in 't wegschuilen had geleerd, maar op mijn kano kwam aandobberen tusschen de waterplanten van een meer in de wildernis, terwijl haar makkers onzichtbaar wegdoken in hun schuilplaatsen van overbuigend riet en haar moeder er klapwiekend van doorging met geplas en gekwaak, en een vlerk liet slepen om me van haar jongen weg te lokken.

Het jong, dat geen vrees kent, wordt gewoonlijk door zijn moeder in den steek gelaten, of wel hij zal de eerste zijn, die in den strijd tegen den sterke valt, voordat ze hem als hopeloos opgeeft. Kleine Tookhees behoorde klaarblijkelijk tot deze klasse; dus vóór mijn vertrek stelde ik het mijzelf tot taak haar de vrees te leeren kennen, wat blijkbaar voor de Natuur en voor haar eigen moeder te veel was geweest. Ik kneep haar een paar keer, en terwijl ik dat deed, kraste ik als een uil--een schrikwekkend optreden, dat de andere muizen als bruine schichten halsoverkop naar een schuilplaats joeg. Daarna zwaaide ik met een tak boven haar, alsof 't de vleugel van een havik was, terwijl 'k er haar tegelijkertijd pardoes een klap mee gaf, zoodat zij een doodschrik kreeg. En dan weer, als zij voor den dag kwam, terwijl er een nieuw licht in haar oogjes daagde: het licht van de vrees, maakte 'k met een stok een schuifelende beweging in de varens als van een sluipenden vos en gaf haar een flinken tik met een sparretwijg. Het was een harde les, maar zij kende ze na een dag of wat. En nog eer ik mijn onderwijs staakte, was er geen muis, die aan mijn disch wilde komen, hoe overredend ik ook piepte. In de schemering schoten ze rond als eertijds, maar het eerste suizen van mijn tak joeg ze in een ommezien naar haar schuilplaats terug.

Dat was haar hardhandige, maar afdoende voorbereiding tegen de rooverbende, die weldra over mijn kampplaats zou rondsluipen. Dan zou een heimelijke beweging in de varens, of een neerschietende schaduw tusschen de schaduwen der schemering heel wat anders beteekenen dan een schuifelende tak en een wuivende sparretwijg. Een hap, een greep, en tanden en klauwen--loop wat je loopen kunt en kijk pas naderhand waarom! Zoo hoort het voor een verstandige boschmuis. Ik groette ze dus en liet ze achter om op zichzelf te passen in de wildernis.

EEN VERBORGEN PAADJE IN DE WILDERNIS.

Op een dag in de wildernis, toen mijn kano een prachtig gedeelte van een rivier afgleed, merkte ik een paadje op dat door riet en biezen ging, in een rechten hoek op de richting van den stroom. Nadat ik mijn kano er heengewend had, ontdekte ik iets, dat een aanlegplaats voor het boschvolkje op hun riviertochtjes scheen te zijn. Het moerasgras, dat rondom dicht stond, was hier naar binnen gebogen en maakte een glimmend groen kanaal van de rivier uit.

Op den modderigen oever stonden veel prenten van "mink" en muskusrat en otter. Hier had een groote eland staan drinken; en daar had een bever het gras afgeknaagd en een moddertaartje gemaakt, waar middenin een beetje muskus de geheele buurt doorgeurde. Het was den vorigen avond gebeurd, want de indrukken van zijn voorpoot toonden nog duidelijk waar hij zijn taartje glad geklopt had, eer hij heenging. Maar de plek was meer dan een landingsplaats; een paadje ging den oever op, het bosch in, even vaag als het groene waterweggetje tusschen de biezen. Hooge varens bogen er zich overheen om het te verstoppen, ranke grassen, die zachtjes op zij geduwd waren, trachtten er zoo goed als 't ging natuurlijk uit te zien; de elzen wuifden hun takken dicht opeen en zeiden: "Hier is geen weg." Maar daar was hij, een pad voor 't boschvolkje. En toen ik het volgde, de schaduw en stilte der bosschen binnen, was de eerste mossige stam, die er over lag, glad gesleten door 't gaan van veel kleine pootjes.

Bij mijn terugkomst gleed Simmo's kano in 't zicht, en ik wenkte hem naar den oever. De lichte boot van berkebast kwam met een zwenk naast de mijne, met een diepe waterplooi juist onder de kromming van haar boeg en een welluidend geklater, als 't gorgelen van water tegen een mossigen steen--dat was het eenige geluid.

"Wat beteekent dit paadje, Simmo?"

Zijn scherpe oogen namen met een oogopslag alles in zich op: den wuivenden waterweg, de prenten, het vage paadje naar de elzen. Er stond verbazing op zijn gezicht te lezen, dat ik maar zoo toevallig een ontdekking had gedaan, waar hij menigmaal tevergeefs naar had uitgekeken met zijn vallen op den rug.

"Dat om af te snijden," zei hij gewoonweg.

"Om af te snijden! Maar wie moest er hier afsnijden?"

"Nou, Musquash waarschijnlijk 't eerst doen dat. Toen bever, toen otter, toen iedereen die haast, doen dat. Kijk, de rivier hier maken groote bocht. Pad rechtuit gaan, tijd sparen, net precies als Indiaan die afsnijden."

Dat was het eerste van wel twaalf zulke paden die ik sindsdien aantrof en die de bochten van rivieren in de wildernis doorsneden,--de manier die 't boschvolkje er op nahoudt om op reis tijd uit te sparen. Ik liet Simmo verder gaan, de rivier af, terwijl ik het verscholen paadje nieuwsgierig volgde. Er is niets zoo verleidelijk in de bosschen, als het wilde goedje na te prenten en te zien wat ze uitgevoerd hebben.

Maar helaas, mijn voeten waren de eerste menschelijke voeten niet, die den tocht ondernomen hadden! Halverwege, op het punt waar het pad over een beekje leidde, vond ik een val dwars over den weg van argelooze pootjes. Ze verschilde van elke andere die ik ooit gezien had en was zoo gemaakt:

Die kleine stok (trekker noemen de "trappers" hem), waarvan het eind een centimeter of vijf boven den ondersten stam in de lucht steekt, net zoo hoog dat een bever of een otter er heel gewoon zijn poot op zou zetten als hij er overheen ging, ziet er onschuldig genoeg uit. Maar als ge goed toekijkt, zult ge zien dat het, bij den minsten of geringsten druk die er op uitgeoefend werd, onmiddellijk den krommen tak, die het valblok vasthoudt, los zou maken en het doodelijke ding met verpletterend gewicht op den rug van eenig dier er onder terecht zou doen komen.

Dat zijn de valstrikken, die Keeonekh, den otter, in den weg liggen, als hij uit vrijen gaat en Musquash's dwarspad gebruikt om zijn tocht te bekorten.

Aan den anderen kant van het dwarspad wachtte ik af, tot Simmo om de bocht kwam en nam hem mee terug om het werk te bekijken, terwijl ik de hartelooze zorgeloosheid van den "trapper" veroordeelde, die in 't voorjaar weg was gegaan en een niet ontspannen val had achtergelaten als een bedreiging voor 't wilde goedje. Op 't eerste gezicht maakte hij uit dat 't een otterval was. Toen kwamen er plotseling vrees en verbazing op zijn gezicht en vragen op het mijne.

"Dat Noel Waby's val. Niemand anders valtrekker maken zoo," zei hij eindelijk.

Toen begreep ik het. Noel Waby was in 't voorjaar de rivier opgegaan om vallen te zetten en nooit teruggekomen; en niemand wist ooit te vertellen hoe hij aan zijn eind kwam.

Ik boog me neer om de val met grooter belangstelling te bekijken. Aan den onderkant van het valblok vond ik nog wat lange haren kleven in de spleten van de ruwe schors. Ze hoorden tot de buitenste waterdichte vacht, waarmee Keeonekh zijn bont droog houdt. Minstens éen otter was hier gevangen, en de val was daarna weer opgesteld. Maar een gewaarwording van gevaar, een oude geur van bloed, of een onnaspeurlijke waarschuwing hing nog aan die plek, en geen ander schepsel was over den ondersten balk gegaan, ofschoon er honderden langs dien weg moeten zijn gekomen, sinds de oude Indiaan zijn val weer opstelde en wegstapte met den dooden otter over zijn schouders.

Wat was dat in de lucht? Welk angstgevoel broeide hier en fluisterde in de elzebladen en tinkelde in de beek? Simmo werd onrustig en haastte zich weg. Hij was als 't boschvolkje. Maar ik ging op een dikken boomstam zitten, dien het hooge water in 't voorjaar tusschen de elzen had gedreven, om wellicht de beteekenis van die plaats te voelen en een poosje de wijde, lieflijke eenzaamheid geheel voor mezelf te hebben.

Een flauw geritsel aan mijn linkerhand, en nog weer! Toen kwam kronkelend en glijdend Keeonekh het pad op, de eerste otter dien ik ooit in de wildernis zag. Waar de zon door de elzebladen naar binnen flikkerde, glom ze vroolijk op de glanzende buitenste haren van zijn ruwe vacht. Onder 't gaan werkte zijn neus voortdurend en was zijn heldere oogjes ver vooruit, om hem te vertellen wat er zich op zijn pad bevond.

Ik zat heel stil een eind op zij en hij zag me niet. Dicht bij de val van den ouden Noel hield hij even stil met opgeheven kop, in die eigenaardige slangachtige houding, die alle wezels aannemen als ze acht geven. Daarop glipte hij om het uiteinde van de val en verdween, het pad af.

Toen hij weg was, sloop ik te voorschijn om zijn prent te onderzoeken. Daar viel het me voor 't eerst op dat het oude pad bij de val langzamerhand met mos begroeide; een flauw nieuw pad begon zich tusschen de elzen af te teekenen. Er school de een of andere waarschuwing in die val en met listig instinct waren alle boschbewoners op zij gegaan en hadden goed de ruimte gegeven aan wat ze voelden dat gevaarlijk was, maar wat ze niet konden begrijpen. Het nieuwe pad voegde zich weer bij het oude achter de beek en volgde het recht naar de rivier.

Weer onderzocht ik zorgvuldig de val, maar 'k vond natuurlijk niets. Dat is een zaak van instinct, niet van oogen of ooren, en kan niet opgelost worden. Toen ging ik voorgoed heen, nadat ik een kring van dikke staken rondom de val geslagen had, om er argelooze pootjes buiten te houden. Maar ik liet de val onaangeroerd, net zooals ze was, een ruw gedenkteeken voor Keeonekh en den verdwenen Indiaan.

KEEONEKH, DE VISSCHER.

Waar ge Keeonekh, den otter, ook aantreft, daar vindt ge nog drie andere dingen: de wildernis, schoonheid en stroomend water, dat geen winter bevriezen kan. Daar is 't ook goed om te visschen; maar 't zal u weinig baten, want als Keeonekh een water geplunderd heeft, geeft het niets daar vlieg of voorntje in te gooien. De grootste visch is verdwenen--ge zult zijn graten en een paar vinnen op het ijs of den naasten oever vinden, en de kleine vischjes houden zich nog gedekt na hun schrik.

En omgekeerd: waar ge de drie genoemde factoren aantreft, zult ge Keeonekh ook vinden, als uw oogen goed de teekens kunnen lezen. Zelfs op plaatsen bij de steden, waar heele geslachten lang geen otter gezien is, worden ze toch gespeurd, zijn ze in hun schuwe, wilde leven, zóo vertrouwd met al wat te zien is, met elk geluid van gevaar, dat geen oog van de velen die voorbijgaan hen ooit waarneemt. Er is op geen beest zoo hardnekkig jacht gemaakt, om het kostbare bont dat hij draagt, maar Keeonekh is moeilijk te krijgen en snel van begrip. Als een heele familie gepakt is, of verdreven van een geliefkoosde rivier, vindt een andere otter weldra de plek, op een van zijn wintersche zwerftochten naar beter vischwater; en daar hij uit de teekens wel begrepen heeft dat anderen van zijn ras helaas geboet hebben voor zorgeloosheid, vestigt hij er zich met grooter waakzaamheid en geniet van zijn geluk als visscher.

In 't voorjaar brengt hij een wijfje mee om zijn rijke inkomsten te deelen. Weldra gaat een troepje jonge otters in de beste vischwaters visschen en de rivier mijlen ver stroomop en -af onderzoeken. Maar zóo schuw en wild en snel in 't wegschuilen zijn ze, dat de forellenvisschers, die de rivier volgen, en de ijsvisschers, die hun toestel in het meer stroomaf zetten, en de kinderen, die in de lente sleutelbloemen plukken, er geen vermoeden van hebben, dat de eigenlijke eigenaars van den stroom nog ter plaatse zijn, naijverig elk indringen gadeslaan en kwalijk nemen.

't Gebeurt wel, dat de houthakkers een onbekend spoor in de sneeuw kruisen, een zwaar sleepspoor, van lange, glijdende sprongen heuvelaf, die er uitzien, alsof er een blok hout voortgetrokken was. Maar zij ook gaan huns weegs, verbazen zich even over de rare beesten, die in de bosschen huizen, begrijpen echter het duidelijke getuigenis niet, dat de rare beesten achterlaten. Waren ze het maar ver genoeg gevolgd, dan zouden ze het eind van het spoor in open water gevonden hebben, en op het ijs aan den anderen kant de bewijzen van Keeonekh's vischvangst.

Ik herinner me een ottergezin, waarvan ik het hol vond, toen 'k nog een jongen was, aan een stroomend water, tusschen twee meertjes, geen drie mijlen van het stadhuis af. Toch kon de oudste jager zich nauwelijks den tijd herinneren, dat de laatste otter gevangen of gezien was in de streek.

Op een lentedag zat ik heel stil in 't kreupelhout aan den oever naar een boscheend [7] te kijken. Er zaten daar boscheenden, maar het struikgewas groeide zóo dicht, dat ik ze nooit verrassen kon. Ze hoorden me altijd komen en maakten zich uit de voeten, gaven me slechts verdwijnend een glimp tusschen de boomen, of wel ze verscholen zich kalmpjes, tot ik voorbij was. De eenige manier om ze te zien te krijgen--het was een mooi gezicht--was, stilletjes in een schuilplaats te zitten, uren lang als 't moest, tot ze daar aan kwamen glijden vlakbij, geheel onbewust van den bespieder.

Terwijl ik zat te wachten, kwam er een groot dier snel tegen den stroom op, met niets dan zijn kop zichtbaar en een langen staart, die hem nasleepte. Hij zwom krachtig, gestadig, zoo recht als een boogpees; maar, zooals ik met verbazing opmerkte, hij maakte niet het minste rimpeltje, gleed door het water, alsof hij van 't puntje van zijn neus tot dat van zijn staart was ingevet. Even stroomop van me dook hij en ik zag hem niet weer, ofschoon ik ademloos stroomop en stroomaf keek, of hij ook weer tevoorschijn kwam.

Ik had nog nooit te voren zoo'n dier gezien, maar ik wist op de een of andere manier dat het een otter was, en ik trok me nog beter verscholen terug, in de hoop het zeldzame beest weer te zien. Weldra verscheen er nog een otter, die stroomop kwam en op precies dezelfde wijze verdween als de eerste. Maar ofschoon ik den heelen middag bleef, ik zag niets meer. Na dien tijd was ik elk oogenblikje, dat 'k weg kon komen, op die plek, kroop beneden naar den rivieroever en lag uren lang aan éen stuk verscholen; want ik wist nu dat de otters daar woonden, en ze gaven me menigmaal vluchtig een blik in een leven, dat ik nooit eerder gezien had.

Weldra ontdekte ik hun hol. Het was in den hoogen oever tegenover mijn schuilplaats, en de ingang lag tusschen de wortels van een dikken boom onder water, waar niemand hem met mogelijkheid zou hebben kunnen vinden, als de otters zelf den weg niet hadden gewezen. Bij hun nadering doken ze altijd, als ze nog een goed eind weg in den stroom waren, en kwamen dus ongemerkt hun hol binnen. Als ze er uit gingen, waren ze net zoo zorgvuldig, zwommen steeds een eind onder water, voordat ze aan de oppervlakte kwamen. Het duurde verscheiden dagen, eer mijn oog met zekerheid de flauwe golving van het water boven hen kon nagaan en hun tocht naar hun ingang op die wijze volgen. Als het water niet laag was geweest, zou ik het nooit gevonden hebben, want ze zijn de wonderbaarlijkste zwemmers, veroorzaken geen plooitje aan de oppervlakte, en niet half zooveel beroering daar beneden als een visch van 't zelfde gewicht maakt.