Boschgeheimen

Part 1

Chapter 13,841 wordsPublic domain

BOSCHGEHEIMEN

MET TOESTEMMING VAN DEN SCHRIJVER WILLIAM J. LONG UIT HET ENGELSCH VERTAALD DOOR CILIA STOFFEL TEEKENINGEN VAN CHARLES COPELAND

ROTTERDAM MCMXXI W. L. & J. BRUSSE'S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ

VAN WILLIAM J. LONG VERSCHIJNEN IN DE VERTALING VAN CILIA STOFFEL MET TEEKENINGEN VAN CHARLES COPELAND:

1 DIERENLEVEN IN DE WILDERNIS (3de druk) 2 KIJKJES IN HET DIERENLEVEN (2de druk) 3 HET BOSCHVOLKJE 4 OP EENZAME ZWERFTOCHTEN 5 BOSCHGEHEIMEN 6 EEN BROERTJE VAN DEN BEER 7 OP HERTEN UIT 8 ZONDER GEWEER OP JACHT 9 DE WITTE WOLF 10 LANGS DIERENPADEN IN HET HOOGE NOORDEN

INHOUD

Inleiding Bladz. 7 De Boschmuis ,, 11 Een Verborgen Paadje in de Wildernis ,, 31 Keeonekh, de Visscher ,, 37 Koskomenos, de Verstooteling ,, 61 De oude Beukenpatrijs ,, 80 Wolkvleugel, de Adelaar ,, 107 De Indiaansche Namen ,, 129

AAN CH'GEEGEE-LOKH-SIS, "MIJN VRIENDJE CH'GEEGEE", WIENS KOMST DEN WINTER BLIJ MAAKT.

INLEIDING.

Dit boekje is slechts een nieuw hoofdstuk uit het schuwe, wilde leven in bosch en veld, waarvan "Het Boschvolkje", "Op Eenzame zwerftochten", "Dierenleven in de Wildernis", "Kijkjes in het Dierenleven" het begin vormden. Het wordt gaarne gegeven als antwoord op dien roep om meer van hen, die de vorige deeltjes gelezen hebben en wier brieven vol vriendelijkheid en waardeering waren.

Allerlei vragen zijn in den laatsten tijd in diezelfde brieven opgeworpen; van welke de voornaamste deze is: Hoe kan men zulke dingen zelf ontdekken? Hoe kunnen ook wij de geheimen ontcijferen van het Boschvolkje?

Er is hier geen plaats om te antwoorden, om den langen oefentijd te beschrijven, zelfs al zou ik precies kunnen verklaren wat min of meer onbewust geschiedt. Ik wilde slechts vragen of de ware oorzaak, waardoor wij zoo weinig in de bosschen zien, misschien ook schuilt in de wijze, waarop wij er ons gedragen--wij praten, lachen, ritselen, trappen takjes kapot, verstoren den vrede der eenzaamheid door wat de kleine, wilde wezentjes wonderlijke en barbaarsche geluiden moeten toeschijnen. Zij, aan den anderen kant, glippen met geruischloozen gang door de dichte dekking, waar ze thuis zijn, schuw, zwijgend, luisterend, er meer op uit te hooren dan gehoord te worden; zij houden van de stilte, haten gerucht en zijn er bang voor, evenals ze hun natuurlijke vijanden vreezen en haten.

Wij zouden niet op ons gemak zijn, als een groote wildeman in ons vreedzame huis kwam, de deur inrammeide, met zijn strijdknots op meubels hieuw en zijn strijdkreet galmde. We zouden onder die omstandigheden niet heel natuurlijk zijn. We zouden onze eigenlijke gezindheid verbergen. Het zou zelfs wel eens kunnen wezen dat we het huis maar uittrokken. Zoo doet het Boschvolkje ook. Slechts als we hun gewoonten aannemen, kunnen we verwachten in hun leven en geheimen te deelen. En het is om verbaasd over te zijn, hoe weinig bang de schuwste van hen voor ons is, als we maar stil blijven en alle opwinding vermijden, zelfs van ons gevoel; want ze begrijpen ons gevoel evenzeer als onze handelingen.

Een hond weet het wanneer ge bang voor hem zijt, wanneer vijandig, wanneer vriendschappelijk gezind. Een beer net eender. Raak het hoofd kwijt, en het paard, waar ge op rijdt, zal er onmiddellijk vandoor gaan. Verraad eens iets van onderdrukte opwinding, en het hert, dat ginds sierlijk den oever aftript naar uw kano in 't riet, zal stampen en brieschen en wegspringen, zonder ooit te weten wat hem verschrikte. Maar wees rustig, vriendelijk, innerlijk vreedzaam in diezelfde omstandigheid, en het hert zal, zelfs als het u ontdekt heeft, nader komen en zijn nieuwsgierigheid op allerlei aardige manieren toonen, eer het wegdraaft, en nog over zijn schouder kijken of ge niets meer te zeggen hebt. Wees dan edelmoedig--laat hem 't geflonker op een kijker zien, 't wapperen van een kleurigen zakdoek, een tinnen fluitje of een ander prul, dat de herinnering aan een jongenszak u aan de hand kan doen--en ge loopt kans, dat hij terug zal komen, daar nieuwsgierigheid zoo rijkelijk beloond werd.

Dit is nog een punt om te onthouden: alle boschbewoners zijn nieuwsgieriger naar ons, dan wij naar hen. Ga eens rustig in het bosch zitten, waar ge wilt, dan zal uw komst dezelfde opschudding veroorzaken, als een vreemdeling in een stadje tusschen de heuvels van Nieuw-Engeland. Bedwing uw nieuwsgierigheid, en weldra kunnen zij de hunne niet meer bedwingen; ze moeten komen onderzoeken wie ge zijt en wat ge uitvoert. Dan is 't voordeel aan uw kant; want terwijl hun nieuwsgierigheid bevredigd wordt, vergeten ze vrees en geven u allerlei aardige kijkjes in hun leven, die ge nooit op een andere manier zult te zien krijgen.

Wat den oorsprong van deze schetsen betreft: hij is dezelfde als bij de vorige--jaren van rustige waarneming in bosschen en velden, en een paar oude opschrijfboekjes, die de verslagen bevatten van zomer- en winterkampen in de groote wildernis.

WILLIAM J. LONG.

Stamford, Connecticut, Juni 1901.

DE BOSCHMUIS.

Kleine Tookhees, de boschmuis [1]--"de bangerd", zooals Simmo haar noemt--komt altijd twee keer voor den dag, wanneer je piept om haar te voorschijn te brengen. Na een heele poos rondgegluurd te hebben schiet zij eerst haar gang uit; gaat dan op haar achterpootjes zitten; wrijft zich de oogen met haar pootjes uit; kijkt naar boven voor den uil en achter zich voor den vos, en recht voor zich naar de tent, waar de man woont; dan duikt zij weer halsoverkop haar tunnel in met bladgeritsel en een verschrikt gepiep, alsof Kupkawis, het uiltje, haar gezien had. Dat dient om zichzelf gerust te stellen. Een oogenblik later komt ze stilletjes weer voor den dag om te kijken wat voor kruimeltjes je haar gegeven hebt.

Geen wonder dat Tookhees zoo schuw is, want er bestaat geen plekje op aarde, of in de lucht, of in 't water, behalve haar eigen holletje onder den bemosten steen, waar zij veilig is. Boven haar loeren 's nachts de uilen, en de haviken overdag; in de wildernis is er rondom haar heen geen rondsluipende roover, van Mooween, den beer, langs een heele reeks van overgangen af, tot Kagax de wezel toe, of hij zal onder elken ouden tak of boomstam snuffelen in de hoop er een boschmuis te vinden; en als zij eens uit zwemmen gaat, wat zij zoo graag doet, is er geen dikke forel in de rivier, die haar draaikolk niet in den steek zal laten om op het kleine, kleine rimpeltje af te schieten, dat dapper op den overkant van den stroom aanhoudt. Met al die vijanden, die er op loeren haar te vangen, zoodra zij zich maar buiten waagt, moet ze wel eens schijnbewegingen maken als ze uitgaat, om te onderzoeken waar de kust vrij is.

Dit is de reden waarom ze altijd terugschiet, wanneer ze den eersten keer te voorschijn is gekomen, waarom je wel twee- of driemaal een snellen glimp van haar opvangt, nu hier, dan daar, voordat zij in het licht verschijnt. Ze weet dat haar vijanden zoo hongerig zijn, zoo bang dat ze ontsnappen zal of dat iemand anders haar zal vangen, dat ze al op haar afspringen zoodra ze maar een snor vertoont. Zoo belust zijn ze op haar vleesch en zoo overtuigd, wanneer ze haar gemist hebben, dat het neersuizen van vlerken of het dichtklappen van roode kaken haar van schrik wel voor goed hebben doen wegschuilen, dat ze een ander spoor gaan volgen. En als een rondsluipend dier achter een boomstomp om zit te loeren en Tookhees vliegensvlug weg ziet glippen en haar verschrikt gepiep hoort, dan denkt het heel natuurlijk dat die scherpe oogjes den staart gezien hebben, dien het verzuimde om zich heen te rollen; dus druipt het af, alsof het zich schaamde. Zelfs de vos, die een onuitputtelijk geduld heeft, is niet zoo leep geworden, dat hij Tookhees' tweede verschijning leerde afwachten. En dat is 't behoud voor de kleine "bangerd".

Eén toevlucht voor al deze vijanden heeft Tookhees: het uitgeholde nestje achter het aardige holletje onder den bemosten steen. Weliswaar kunnen de meeste van haar vijanden graven, maar haar gang kronkelt zich zóo, dat ze van buiten aan den ingang nooit kunnen nagaan waar ze heenleidt, en in de wildernis zijn geen slangen om haar achterna te gaan en het te onderzoeken. Ik heb wel een paar maal de plek gezien, waar Mooween den steen omgekeerd had en de aarde er onder uitgekrabbeld, maar gewoonlijk zit er wel een taaie wortel in den weg en komt Mooween tot de slotsom, dat hij zich veel te veel moeite geeft voor zoo'n mondjevol, en hij sjokt weg naar de boomstomp, waar de roode mieren wonen.

Op haar tochten door het bosch vergeet Tookhees nooit de mogelijke gevaren. Ze beweegt zich voort in een opeenvolging van schokken, plotselinge wendingen, al springend, al wegschuilend. Na lang rondspeuren komt ze haar holletje uit en schiet als een vischje door 't mos naar een opgewipten boomwortel. Daar gaat ze overeind zitten luisteren, terwijl ze zenuwachtig over haar snorren strijkt. Dan glipt ze een paar voet langs den wortel, valt op den grond en verdwijnt. Ze verstopt zich daar onder een dor blad. Een oogenblik stilte en--ze springt op als een duiveltje-uit-een-doosje. Nu zit ze boven op het blad, dat haar bedekte, weer haar snorren te wrijven, terwijl ze omkijkt naar haar spoor, alsof ze voetstappen achter zich hoorde. Dan weer een zenuwachtig vooruitschieten, een gepiep om tegelijk haar ontvluchting en haar aankomst aan te kondigen, en ze verdwijnt onder den ouden, met mos begroeiden stam, waar haar makkers huizen, een heele kolonie.

Dit alles en nog veel meer ontdekte ik in die eerste vacantie, toen ik het wilde volkje begon te bestudeeren, dat binnen den gezichtskring van mijn tent woonde. Ik had lange tochten gemaakt achter beer en bever aan, ik had vergeefsche jachten gehouden op den ouden Witkop den adelaar, en Kakagos den uil, op de boschraaf [2], om tot de simpele ontdekking te komen, dat er zich in den warmen kring van mijn kampvuur een wild volkje schuilhield, wiens leven nog onbekender en minstens even merkwaardig was als van de grootere dieren, die ik was gevolgd.

Op een dag, toen ik bedaard naar het kamp terugkeerde, zag ik Simmo geheel verdiept in de beschouwing van iets bij mijn tent. Hij stond naast een hoogen berk met een hand tegen den bast, dien hij den komenden winter voor zijn nieuwe kano wilde nemen; de andere hand omklemde zijn bijl nog, die hij een oogenblik te voren opgeraapt had om het tempo, waarin de ketel met boonen zong, te versnellen. Zijn bruine gezicht, waar een uitdrukking van kinderlijke aandacht op te lezen stond, gluurde achter den boom. Ik sloop nader zonder dat hij me hoorde, maar ik kon niets zien. Het was doodstil in het bosch. Killooleet zat te dommelen bij zijn nest; de meesjes waren verdwenen, wel wetend dat het geen etenstijd was, en Meeko, de roode eekhoorn, had zoo dikwijls van den sparretop naar den grond moeten springen, dat hij nu mistroostig in zijn eigen spar zijn pijnlijke zolen bleef likken en als een bezetene aan 't schelden ging, zoodra ik maar naderde. Nog steeds tuurde Simmo, alsof er een beer op zijn aas afkwam, tot ik fluisterde: "Quiie, Simmo, wat is het?"

"Nodwar k'chee Toquis; ik zie de bangerd," zei hij, onbewust in zijn eigen dialect vervallend, dat de zoetste taal ter wereld is, zoo zacht, dat het wilde goedje niet verontrust wordt, wanneer het die hoort, en niet anders meent dan dat het een sterker ruischen in de dennen, of een zachter frutselen van den stroom tegen de rotsen is.--"O, sapperloot, kijk eens! Hij zijn snuit wasschen in je kopje." En toen ik op de teenen aansloop en naast hem kwam staan, zat Tookhees daar op den rand van mijn kopje, waar ik een nieuw toplijntje in had staan weeken, om 's avonds mee te visschen, ijverig bezig haar snuitje te poetsen, als een jongen met iemand achter zich om toe te kijken, dat hij ooren of nek niet overslaat.

Koude morgens uit mijn eigen jongenstijd schoten me te binnen en ik keek achter haar om te zien, of het bij haar ook gedwongen gebeurde, maar er was geen andere muis te zien. Twee handjesvol water schepte zij op, wreef ze haastig over neus en oogen en dan achter haar ooren--op de plekjes die je 't gauwst wakker maken, wanneer je slaperig bent--toen nog een handvol water en nog een flinken veeg, die net als den eersten keer achter haar oor eindigde.

Simmo was een en al verbazing, want een Indiaan merkt weinig in het bosch op, behalve wat bij zijn vallen-zetten en jagen te pas komt; en een muis haar snuitje te zien wasschen was hem even onbegrijpelijk, als mij een boek te zien lezen. Maar alle boschmuizen zijn heel zindelijk en hebben niets van die sterke luchtjes van onze huismuizen. Later, toen ik haar leerde kennen, zag ik dikwijls hoe ze zich waschte in het bord met water, dat ik voor haar holletje gezet had en steeds vol hield; zij waschte echter nooit meer dan haar snuitje en 't gevoelige plekje achter haar ooren. Als ik haar dan echter weer eens in het meer of in de rivier zag zwemmen, heb ik me soms afgevraagd of ze op reis was, of alleen baadde omdat ze 't zoo prettig vond, net als ze haar snuitje in mijn kopje waschte.

Ik liet het kopje staan waar 't stond, en strooide een feestmaaltijd voor de kleine gast: beschuitkruimels en een stuk van een kaarsstompje. Den volgenden morgen waren ze verdwenen; de sporen van verscheiden muizen verrieden duidelijk wie er aangelokt waren uit de verscholen paadjes der wildernis. Dat was de eerste kennismaking van mensch en dier. Weldra kwamen ze geregeld. Ik hoefde maar kruimeltjes te strooien en een paar keer als een muis te piepen, of schichten en glimpen verschenen op 't mos of tusschen het verbleekte goud van het tapijt der oude berkeblaren, en de schuwe wezentjes kwamen aan mijn disch, met oogjes die glommen als git, met hun fijne pootjes opgeheven om hun snorren te poetsen of om zich te beschermen tegen den angst, waarin ze voortdurend leefden.

Ze waren niet allemaal gelijk; integendeel juist. Een, dezelfde die zich in mijn kopje gewasschen had, was grauw en oud, en wijs doordat zij haar vijanden zoo dikwijls ontdoken was. Haar linkeroor was gespleten tengevolge van een vechtpartij, of door den klauw van een uil, die haar net gemist had toen zij onder een wortel ontglipte.

Zij was de schuwste en tegelijk de brutaalste van het troepje. Een paar dagen lang naderde zij met wonderlijke behoedzaamheid; van elk dor blad, van elk wortelkluwen maakte zij gebruik om haar nadering te verbergen, en over de open plaatsen schoot zij zoo snel, dat je niet wist wat er gebeurd was--slechts een donker veegje, dat eindigde in niets. En het bruine blad verried niets van wat het verborg. Maar eenmaal zeker van haar zaak, kwam zij brutaal. Voor dat groote mensch-dier, met zijn gezicht dicht bij de muizentafel, doodstil, behalve zijn oogen, met een hand die voorzichtig bewoog, als ze bewoog, hoefde zij niet bang te wezen--dat voelde Tookhees instinctmatig. En dat vreemde vuur met die hongerig-makende geuren, de witte tent, het komen en gaan van menschen, die heer en meester in de bosschen waren, hielden vos en lynx en uil op een grooten afstand--dat merkte zij na een paar dagen. Alleen de "mink" [3], die 's nachts aan kwam sluipen om de visch van den man te stelen, dat was er een om bang voor te zijn. Dus gaf Tookhees voorloopig haar nachtelijke gewoonten op en kwam zij brutaal in 't zonlicht voor den dag. Gewoonlijk komen de beestjes in de schemering te voorschijn, als hun snelle bewegingen te loor gaan in de kruipende, bevende schaduwen. Maar als hun vrees gevlogen is, zijn ze maar wat blij in 't daglicht rond te kunnen draven, vooral wanneer allerlei lekker eten hen lokt.

Behalve de oudgediende was er een muizenmoedertje, wier kleine, grijze jasje toch wel groot genoeg was om een heerlijke moederliefde te bergen, zooals ik later merkte. Ze at nooit aan mijn disch, maar droeg haar deel weg om 't ergens te verstoppen, niet om 't aan haar kleintjes te voeren--daar waren ze nog te jong voor--; maar achter de heldere oogjes zeiden haar gedachten zeker onbewust, dat zij haar noodig hadden en dat ze om hunnentwil met grooter voorzorg voor haar leven moest waken. Ze sloop dus schuw naar mijn disch; altijd verscheen ze van onder een grijzen bastreep op een gevallen berk, nam denzelfden weg: eerst naar een bemosten steen, dan naar een donkere holte onder een wortel, vervolgens naar een lage varen en langs den onderkant van een stuk hout naar de muizentafel. Daar stopte ze haastig beide wangen vol, tot ze zoo dik waren alsof ze kiespijn had en glipte langs denzelfden weg weer heen, om eindelijk onder den grijzen bastflard te verdwijnen. Langen tijd was 't me een raadsel, hoe 'k haar nest moest ontdekken, dat niet ver af kon zijn, zooals ik wist. Het was niet in den berkestam, waar ze in verdween--die was hol over de heele lengte,--ook niet daar ergens onder. Op eenigen afstand lag een groote steen, half door het groene mos bedekt, dat er aan alle kanten tegen opstond. Het zorgvuldigste onderzoek had hier gefaald, geen spoor van Tookhees' holletje had ik kunnen ontdekken. Zoo nam ik op een dag, toen het een halven storm woei en ik in mijn eentje het meer op wilde, dien steen op, om hem in den boeg van mijn kano te leggen. Dat was om het bootje vaster te doen liggen; dan zakte de neus zoo ver, dat ze 't water kon pakken. Toen kwam 't geheim aan den dag; daar was het, in een koepeltje van dor gras tusschen wat dennewortels onder den steen.

De moeder was op voedsel uit, maar een zwak sissend gepiep verried me, dat de jongen thuis waren en hongerig als gewoonlijk. Terwijl ik stond te kijken, was er een snelle beweging in een gang tusschen de wortels en kwam moeder muis terugsnellen. Ze stond even stil met haar voorpootjes tegen een wortel, om lucht te nemen van 't gevaar dat er dreigde. Toen zag ze mijn gelaat over de opening gebogen--Et tu Brute!--en ze schoot het nest in. In een oogwenk was ze er weer uit en verdwenen in haar gang, terwijl de kleintjes onder 't voortsnellen aan haar flanken hingen, zoo stijf, dat ze er niet af konden vallen--allemaal, op één na, een teer, rose diertje, dat je in een vingerhoed kon verstoppen en dat zich vol vertrouwen in het donkerste hoekje van mijn hand nestelde. Het duurde tien minuten, voordat het moedertje terugkwam en angstig naar 't verloren kleintje zocht. Toen ze 't veilig in zijn eigen nest ontdekte, met dat mannengezicht, dat nog steeds keek, was ze half gerustgesteld; maar toen ze zich neerwierp en het jong begon te drinken, werd ze weer bang en draafde haar gangetje in, terwijl het kleintje zich aan haar flank vastklemde, maar dezen keer stevig.

Ik legde den steen weer op zijn plaats en trok er het mos zorgvuldig omheen. Een paar dagen later was de muizenmoeder weer aan mijn disch. Ik sloop weg naar den steen, hield mijn oor er dicht tegenaan en hoorde met innige voldoening kleine piepgeluidjes, die me verrieden dat het huis weer bewoond was. Daarna bleef ik spieden om te zien langs welk paadje moeder muis de haren bereikte. Toen ze haar wangen vol had, verdween ze langs haar gewonen weg onder den bastreep. Deze leidde haar naar het holle binnenste van den berkestam, dien ze ten einde toe volgde; daar hield ze even op, oogen, ooren, neusgaten in de weer. Dan sprong ze naar een wirwar van wortels en dor blad, waar beneden een gang was, die diep onder het mos recht naar haar nest onder den steen voerde.

Behalve deze oudere muizen waren er vijf of zes jongere, alle schuw, op één na, die van den beginne af niet de minste vrees toonde, maar recht op mijn hand afkwam, haar kruimeltjes opat en tegen mijn mouw opkroop, waar zij zich een warm nestje begon te maken door wol van mijn flanellen hemd af te knabbelen.

Een groote tegenstelling met dit kereltje vormde een ander, dat maar al te wel wist wat vrees beteekende. Het hoorde tot een anderen stam, die nog niet gewend was geraakt aan de menschelijke gewoonten. Ik merkte te laat hoe zorgvuldig je met die wezentjes om moet gaan, die voortdurend in 't land leven waar de vrees regeert.

Een eindje achter mijn tent lag een gevallen boomstam, vermolmd en met mos begroeid, waarover tweeling-bloemen [4] haar klokjes wiegelden over zijn heele lengte en waar een heele kolonie boschmuizen onder woonden. Ze aten de kruimels, die ik bij den boom strooide, maar ze waren nooit naar mijn disch te lokken. Was het omdat ze geen oudgediende met gespleten oor bezaten om de gewoonten van den mensch te bespieden, of omdat mijn eigen kolonie ze verjoeg? Ik heb het nooit kunnen uitmaken. Eens zag ik Tookhees onder den zwaren stam wegduiken toen ik naderde, en omdat ik niets belangrijkers te doen had, legde ik een grooten kruimel bij haar gaatje, strekte me uit op het mos, verstopte mijn hand in een dorre varen dicht bij het verleidelijke beetje en piepte den lokroep. In een oogwenk verschenen Tookhees' neus en oogen in haar deurtje, terwijl haar snorren zenuwachtig trilden toen zij het kaarsvet rook. Maar zij voelde achterdocht voor het groote ding; of misschien rook zij den mensch en was bang, want na herhaalde keeren schuilevinkje te hebben gespeeld, verdween zij heelemaal.

Ik vroeg me af hoe lang haar honger met haar voorzichtigheid zou strijden, toen ik het mos bij mijn lokaas van onderen in beweging zag komen. Een kleine golving van de mosbloemetjes, en Tookhees' neus en oogen kwamen een oogenblik uit den grond te voorschijn, terwijl zij alle richtingen uit snuffelde. Haar bedoeling was nu duidelijk genoeg; zij was bezig een gang te graven om bij het beetje te komen dat zij openlijk niet durfde te nemen. Ik zat met ademlooze belangstelling toe te kijken, toen er een zwakke trilling, dichter bij mijn lokaas, verried waar zij met haar werk vorderde. Daarna werd het mos behoedzaam bewogen, dicht bij haar doel; een holletje opende zich, het stukje viel er in en Tookhees was verdwenen met haar buit.

Ik legde nog meer kruimeltjes uit mijn zak op dezelfde plek en weldra waren drie of vier muizen bezig er aan te knabbelen. Eén zat op, vlak bij de dorre varen, met een stukje brood in haar voorpooten, als een eekhoorn. Plotseling bewoog de varen; voordat zij springen kon, sloot mijn hand zich over haar en terwijl 'k mijn andere hand onder haar liet glijden, bracht ik haar bij mijn gezicht om haar tusschen mijn vingers door gade te slaan. Zij maakte geen beweging om te ontkomen, maar trilde hevig. Haar pootjes schenen nu te zwak om haar gewicht te dragen; zij ging liggen; haar oogjes vielen toe; een stuiptrekking--en zij was dood--van angst gestorven in een hand die haar niets gedaan had.