Borneo van Zuid naar Noord

Part 35

Chapter 353,889 wordsPublic domain

„Ja en neen. De vorming der steenkolen is eigenlijk een langdurige scheikundige bewerking, een soort van distillatieproces. De in de voortijden vernielde en het onderste boven gekeerde wouden stonden, onder den invloed van een warmtegraad, waarvan we ons moeielijk een denkbeeld kunnen maken, hun rijkdom aan koolstof, waarvan de steenkool gevormd werd, in gasvormigen toestand af. Dit vervluchtigde product evenwel, door een ontzaglijke drukking bewerkt, ging tot vloeibaren, vervolgens bij afkoeling tot deegachtigen en vasten toestand over. Als zoodanig is er aan geen versteening te denken en toch is men geneigd, het er wel voor aan te nemen, als men er op let, dat onder die onweerstaanbare bewerking de plantenstof tot een delfstof, de organische schepping tot een anorganische is overgegaan, waarbij niet zelden de vorm, of beter uitgedrukt, de afdruk van het oorspronkelijke lichaam bewaard is gebleven.”

La Cueille trappelde van ongeduld bij die uitlegging, die hem te geleerd was.

„Ik heb nog meer gedaan,” ging hij opgetogen voort, zijn gedachtenloop volgende, alsof de anderen niet gesproken hadden. „Ziet, ’k heb cokes gebrand. Ik heb dien ouden roestigen ketel, die daar ginds in den hoek stond, genomen; ik heb hem met twintig K.G. steenkolen gevuld, nauwkeurig gewogen; ik heb er het deksel opgedaan en dat slechts op een kiertje opengelaten, om de gassen te laten vervliegen. Daarna heb ik er een vuurtje rondom gestookt en dat onderhouden, totdat de rook, die zich door de reet een uitweg baande, niet meer te ontvlammen was. Toen heb ik het vuur uitgedoofd en den ketel goed gesloten. Komt, helpt mij dien ketel omwerpen en de verkregen cokes wegen; ze zullen nu wel genoegzaam afgekoeld zijn.”

In een oogwenk lag de inhoud op den grond uitgespreid. Aan de verrukking van den Waal scheen geen einde te komen. Hij liep rondom den hoop als een kat om een pot heete brij. Niemand mocht er aan komen.

„Ziet! ziet!” riep hij zegevierende uit, „ziet hoe die rommel flink aan elkaar gebakken is! En wat hebben die stukken een fraaie kleur, als van mat zilver, die vooral op de breuk goed uitkomt. Ik ben nieuwsgierig wat die cokes wegen.”

En met behulp zijner makkers was snel een korf gevonden en werd die, nauwkeurig met de geheele brandstof gevuld, aan den unster gehangen. De Waal trok een bedenkelijk gezicht.

„Dat valt tegen,” riep hij, „slechts 10.4 K.G. Maar.... wacht, daar ligt nog een flink brok, dat moet ook meedoen en dat zal het evenwicht wel herstellen.... Toch nog weinig, saperlotte! slechts 11.52 K.G.”

Eens rondkijkende, of nog niet een klompje vergeten was, mompelde hij: „Neen, alles is er. Laat zien, dat is 57.60% cokes van de gebezigde 20 K.G. steenkolen. Het overtreft nog altijd iedere Duitsche, Fransche of Belgische soort. De Ruhrortkolen geven maar 50.50%; de beste Luiker slechts 54.72%. Toch had ik gedacht dat deze kolen vetter waren; ze zagen er zoo prachtig uit en brandden zoo flink.”

„Maar mij dunkt”, sprak Wienersdorf om iets te zeggen, „als die kolen bijna drie percent meer cokes geven dan de beste Luiker, het al wel is. Wat kan ’t je schelen?”

De Waal snoof eens en streek zich met de zwarte hand over het gelaat.

„Wat het me schelen kan? Niet veel, dat beken ik. Maar ik ben hier op mijn terrein en weet je, alles wat het mijnwezen betreft, boezemt mij belang in. Daarenboven ik ben in mijn eer getast; ik heb mij door het uiterlijk dier kolen laten misleiden. Slechts 57.60%; terwijl de beste Newcastle kolen 65.67% opleveren. Van die zouden 13.13 K.G. cokes overgebleven zijn.”

„Toch heb je redenen van tevredenheid, dunkt me.”

„In aanmerking genomen, dat die kolen dicht aan de oppervlakte der aarde gelegen hebben en dus nog altijd van de inwerking van weer en wind zullen geleden hebben, moet ik dat toegeven. En daarom kan men verzekerd zijn, dat bij het aanbreken van dieper liggende lagen, die cokes-verhouding zich aanmerkelijk zal wijzigen en meer gunstige resultaten zal opleveren. Ik wou nu wel eens weten, hoe die kolen zich in de praktijk houden.”

„In de praktijk? me dunkt, je hebt vuurtjes genoeg gestookt, om dienaangaande gesticht te zijn.”

„Ik meen bij hoogovens of bij machineovens.”

„Ah zoo! noem je dat in de praktijk? Als we langer hier bleven, dan zou het niet onmogelijk zijn je een hoogoven te construeeren,” lachte Johannes en zich naar Wienersdorf keerende, „natuurlijk met behulp van mijnheer den professor in de natuur- en scheikunde. Wij zouden de industrie in dit land tot een aardige hoogte kunnen voeren.”

„Hoe zoo?” vroeg deze.

„In de bovenlanden is het ijzererts niet zeldzaam, vooral niet in de boven Roengan, boven Kahajan en boven Doesson.”

„IJzererts?” vroeg La Cueille driftig, „ook ijzererts? maar dan zijn alle rijkdommen in dit land vereenigd.”

„Hier in de Kapoeas,” ging Johannes voort, „komt dat erts minder voor, ofschoon het niet geheel afwezig is.”

„Maar trekt de bevolking daar partij van?” vroeg Wienersdorf.

„De Dajaks weten het aardig uit te smelten. Bij mijn omzwervingen hier ter kust, heb ik eens zoo’n ijzersmelterij bezocht.”

„Toe, verhaal ons daar wat van,” vleide La Cueille.

„Straks, in de avonduren zal ik dat misschien doen. Laat u thans de mededeeling genoeg zijn, dat de Dajaks bij die smelting geen steenkolen maar houtskolen bezigen. ’k Herhaal het, bleven we hier, dan konden we het droombeeld van La Cueille verwezenlijken en hem laten zien hoe zijn steenkolen zich zouden houden en de bevolking aantoonen, dat het gebruik van deze brandstof oneindig voordeeliger is bij het ijzersmelten dan dat van houtskolen.”

„Maar.... bij een machineoven?....” bracht de Waal er aarzelend uit.

„Als men in de boven Dajaklanden is, kan men zoo maar niet alles tot zijn beschikking hebben,” lachte Schlickeisen. „Of wou je ook, dat wij een machine construeerden? Je hebt maar te bevelen.”

„Toch kan ik onze weetgierigen daaromtrent eenigszins inlichten,” viel Johannes in. „Bij gelegenheid eener inspectie door den kommandant van Kwala Kapoeas in deze bovenlanden gehouden, is het stoomschip Boni tot Batoe Sambong, dus nog een eind voorbij kotta Djankang gestoomd. Bij die gelegenheid werd bij de steenkolenlaag, in het oevertalud zichtbaar, geankerd en een geheele lading van die brandstof ingenomen. Men was zeer gebrekkig van gereedschappen voorzien, zoodat de ader niet volkomen aangebroken kon worden en men zich vergenoegen moest met de klompen, die van zelf losgeraakt op den oever verspreid lagen, te laden. Om met die kolen een proef te nemen, had men de vuren sedert tweemaal vier en twintig uren laten uitgaan en had men den ketel herhaaldelijk gespuid, om hem behoorlijk af te koelen. Welnu, in veertig minuten tijds, met het horloge in de hand, was stoom gestookt.”

„Sacrebleu!” riep de Waal, „dat is mooi! met de beste Engelsche kolen, zal daartoe wel een uur benoodigd zijn.”

„Juist, dat verzekerde de machinist der boot ook,” ging Johannes voort. „Toen de stoom een spanning van vijf Eng. pond per vierkanten Eng. duim bereikt had, werden de werktuigen aangezet en deden die twintig omwentelingen in de minuut; waardoor een snelheid naar gissing van 6¾ mijl werd verkregen. Ik zeg naar gissing, omdat die snelheid bij den sterken en onregelmatigen stroom, voor welken men afvoer, niet te bepalen was. Maar reeds weinige minuten later was de stoomspanning, hoe zorgvuldig ook gestookt werd, tot op drie, en nog iets later tot op anderhalf pond gedaald, waardoor het getal der omwentelingen aanmerkelijk verminderde en het anker moest uitgeworpen worden, omdat het schip geen stuur hield.”

„Dat was jammer,” zuchtte La Cueille.

„Ja, zeker was dat jammer. De proef had zich anders goed ingesteld. Er bleef niets anders over, dan de vuren weder met Newcastle kolen te voeden; toen ging alles weer goed.”

„Heeft men die proef later niet herhaald, hetzij met zuivere Kapoeaskolen, hetzij vermengd met Engelsche kolen?”

„Dat weet ik niet.”

„Kun je ook iets mededeelen omtrent den inhoud van den ketel en van het stoomwerk; als ook omtrent de grootte van den vuurhaard, den afstand van de roosterstaven onderling en de hoogte en de middellijn van den schoorsteen?”

„Schei uit!” riep Schlickeisen met wanhopig gebaar. „Wou je ook weten hoeveel kookgaten de kok in zijn kombuis had en hoeveel spijkers in de schoenzolen van den koksmaat zaten?”

Allen lachten hartelijk, maar de Zwitser ging voort: „Verduiveld! ik wist niet, dat je zoo’n man van cijfers waart.”

„Zoo zie je, als de lui maar in de brij, die voor hen bestemd is, kunnen happen,” lachte Johannes.

„Nu ja! steenkolen zijn mijn brij. Maar kun je me mijn vraag beantwoorden?”

„Neen mijn waarde Waal, iets zekers kan ik je daaromtrent niet mededeelen. Ik heb in der tijd die cijfers, die je me vraagt, in mijn zakboekje opgeschreven. Ik was daartoe in staat, omdat ik op dien tocht als schrijver van den kommandant moest fungeeren en ik het rapport betrekkelijk die zaak, voor den resident te Bandjermasin in het net heb geschreven. Maar dat zakboekje ben ik kwijt; ik geloof ten naastebij, dat ik het te Kwala Kapoeas in de laatste oogenblikken heb achtergelaten.”

„Dat is wel jammer; als ik die cijfers had kunnen keuren, ware mij veel opgehelderd. Maar om het even, ’k houd me overtuigd, dat, wanneer men steenkolen uit het innerlijke der ader had gebroken, men wel stoom op had kunnen houden.”

„O! dat was ook de overtuiging van den machinist. Die prees die steenkolen zeer; vooral omdat ze niets dan fijne asch op en onder de roosterstaven achterlieten. Dat spaarde veel arbeid van schoonhouden uit, meende hij.”

„Maakt de Dajak gebruik van de steenkolen?” vroeg Wienersdorf.

„Neen, het gebruik van de „batoe kasientoe,” zooals de steenkool in de landstaal genoemd is, wordt als onreinmakend beschouwd. In sommige gevallen is het zelfs verboden een steenkolenvuur te naderen, of steenkolen aan te raken. Van waar dat bijgeloof komt, is mij niet duidelijk. Wel verhaalt een legende, dat Mahatara in een oogenblik van ontzettenden toorn geheele bosschen in den schoot der aarde bedolven en daar in steen veranderd heeft. Wellicht dat dit tot dien afkeer den grondslag gelegd heeft.”

„Zijn de steenkolen op Borneo zeer verbreid?”

„Dat is een vraag, die bij de nog heerschende onbekendheid van dat eiland niet gemakkelijk te beantwoorden is. Intusschen, voor zoover wij Borneo kennen, moet de vraag met ja beantwoord worden; want in dat gedeelte, waar de Nederlanders gevestigd zijn, komen vele en machtige steenkolengangen voor. In het zuid-oostelijk gedeelte van het eiland, meer bekend onder den naam van Tanah-laoet, maken ze in de geheele heuvelformatie een belangrijk en bijna nimmer ontbrekend gedeelte der mineralogische samenstelling uit. Alle kloven en spleten, die veroorloven een blik te werpen in het eigenaardige dier onderaardsche natuur en waarin men tot hiertoe is doorgedrongen, hebben tot kolenlagen geleid. Op Poeloe laoet, een groot eiland, dicht onder de zuidoostkust gelegen, zetten die kolenlagen zich voort en worden zeer gemakkelijk in de heuvels teruggevonden. In Koetei op de oostkust, worden onder anderen te Pelarang machtige steenkolenaderen aangetroffen en langs de boorden van de boven-Doesson, boven Moeroi en boven Kahajan zijn lagen te ontwaren, die in uitgebreidheid weinig met die hier in de Kapoeas aanwezig, verschillen. Op de westkust worden die schatten langs de boorden der Kapoeas-Bohong, der Blitang, der beneden-Melawi, der Tabon-Kanoh aangetroffen; of zij daar echter van even goede kwaliteit zijn als deze hier, waarmede onze makker zijn proeven nam, zou ik niet durven bevestigen.”

Allen, maar vooral de Waal, hadden die geologische bijzonderheden met belangstelling aangehoord en wie weet hoe lang die steenkolen-verhandeling nog zou geduurd hebben, toen Harimaoung Boekit de vrienden kwam opzoeken. Voorzichtig hield hij een „tarodjok” (kleine weegschaal) in de hand en wees Johannes lachende daarop. Deze toonde zich eenigermate ontstemd door die verschijning; maar daar er niets meer aan te doen was, verbeet hij zijn teleurstelling en stond het Poenanhoofd te woord.

„Wel, Amai hebt ge het gewogen?”

„Ja,” grinnikte de Poenan, terwijl hij de tong der weegschaal vrij balanceeren liet, „zie, het weegt juist een boea kajoe.” [121]

„En dat is voor een waarde van hoeveel?”

Ja, die vraag was te sterk voor den Poenan, een te ingewikkeld rekenkunstig vraagstuk voor dat natuurkind. Hij krabde zich achter de ooren en keek een voor een de mannen van het gezelschap aan. Eindelijk zich tot zijn aanstaanden schoonbroeder wendende, vroeg hij dien:

„Als een thaël dertig realen kost, wat is dan de waarde van een boea kajoe?”

Verbluft keek Wienersdorf hem aan, met een gezicht zoo dwaas, dat zijn makkers in een luid gelach uitbarstten. Hij begreep zelf niet waarover het gold. Harimaoung Boekit wees hem op de tarodjok; in de eene schaal daarvan lag een fijn poeder, metaalachtig grauw-geel, dat veel van vuil kopervijlsel had; in de andere een klein koperen plaatje, dat een gewicht moest verbeelden. Nog begreep hij niet, wat van hem gevorderd werd en trok dientengevolge de schouders op.

„De menschen, die te Bandjermasin geweest zijn, laten er zich altijd veel op voorstaan, dat zij meer weten dan anderen,” hernam het Poenanhoofd vrij korzelig, „en nu weet die domkop mij niet eens te zeggen, wanneer een thaël dertig realen kost, wat dan een boea kajoe waard is.”

„Maar wat kost dertig realen? wat? wat??” vroeg de Zwitser ietwat geraakt.

„Wat? hier dit „boelau oerei” (stofgoud).

„Zoo, is dat stofgoud? Moet ik daar de waarde van zeggen? Wel dat weet ik niet.”

„Weet je dat niet? O! mijn arme zuster! wat een domkop krijgt ze tot echtgenoot.”

Johannes schaterde het uit van het lachen; dat lachen was aanstekelijk, zoodat weldra La Cueille en Schlickeisen medededen en Wienersdorf eindelijk ook instemde.

„Maar Amai,” sprak Johannes, toen hij eindelijk zijn lachbui wat bedwongen had. „Dohong kent dat gewicht hier niet; te Bandjermasin en te Kwala Kapoeas wordt een geheel ander gebruikt. Luister,” ging hij tegen Wienersdorf voort, „een thaël weegt twee ringgit’s; een ringgit twee sadjampol; een sadjampol twee en een half sakobang; een sakobang twee boea kajoe; begrijp je nu?”

„O! nu ben ik er. Wel Amai, dan is dit voor drie gulden stofgoud. Maar,” wendde hij zich tot Johannes, „wat heeft dit alles te beduiden? ’k begrijp er niets van.”

„Och, ’k had ulieden willen verrassen en van u allemaal goudzoekers willen maken, u tot de fortuin leiden, zonder dat ge het wist. De aardigheid is er nu af. Ziet hier. De Poenan en ik zijn heden aan het goudwasschen gegaan; ik heb mijn eerste les in het edele vak willen nemen. En zietdaar het product van ongeveer twee uur arbeids, dat heb ik alleen gevonden. Het part van mijn leermeester is veel grooter.”

„In twee uur drie gulden?” vroeg Schlickeisen. „Verduiveld! tegen dien maatstaf is een prachtige daghuur te maken. Het spijt me, dat wij niet langer hier blijven kunnen; wij zouden hier een buidel maken kunnen en die zou bij onze thuiskomst niet onaardig klinken.”

„En nog zijn we niet gelukkig geweest. Niet waar Amai?”

De Poenan lachte en antwoordde:

„Dat is uw schuld geweest; je hebt een menigte verboden zaken verricht, die den „sarok boelau” [122] hebben doen vluchten. Zoo hebt ge u staan baden in de rivier en hebt daarbij je gezicht stroomopwaarts gericht; dat mag niet. Je hebt je op den rand der djoekoeng neergezet en de beenen laten afhangen, je hadt ze gekruist onder uw zitvlak moeten opvouwen. Het is een wonder dat je nog iets gevonden hebt. Maar de sarok boelau zal zich wreken; je kunt er op rekenen, dat je door heftige koortsen aangetast zult worden.”

„Och! Amai,” lachte Johannes, „de koorts heeft geen vat op mij; als die komt zal ik haar naar u zenden.”

De Poenan lachte over die aardigheid volstrekt niet; de toezegging kwam hem wat kras voor. Hij verhaalde evenwel den vrienden, dat bij hem te lande, in de soengei Miri het goud overvloediger voorkomt. Hij zou hen daar helpen wasschen, maar dan moesten zij hem beloven, dat zij zich aan alle formaliteiten van den adat stipt zouden onderwerpen. Hij vertelde hun ook nog, dat het goud der Kapoeas beter was, dan dat hetwelk in de haar schatplichtige soengei’s Koewatan, Mawat, Taren en Sirat gevonden werd, maar dat het Kapoeasgoud bij dat der Kahajan achterstond. Het goud van de soengei Miri afkomstig, was evenwel het beste van alle soorten; dat was eigenlijk „boelau batoeèh” (rijp goud), had ook een fraaie hooggele kleur, terwijl al het andere als „boelau manggor” (onrijp goud) moest beschouwd worden, dat ook door zijn bleekere kleur zijn geringer gehalte verraden werd.

De Poenan had zooveel van den rijkdom zijns lands verteld, dat de deserteurs nog lang na zijn vertrek over goud, goud en nog eens goud zaten te praten en blijken gaven door de goudkoorts aangetast te zijn.

XXIV.

Belofte maakt schuld.—Een Dajaksche ijzersmelterij.—Een blaasbalg.—De sarok boelau wreekt zich.—Harimaoung Boekit heeft de koorts.—Wienersdorf dokter.—Johannes bezweerder.—Een antoeën.—Een Dajaksche legende.—Wedervaren van een vrouwelijk antoeën.—Het ombrengen van een antoeën.

Des avonds zaten de vier vrienden nog laat bij elkander en gelukkig was eindelijk het gesprek van het goudzoeken afgedwaald. La Cueille, die hoegenaamd geen slaap, maar daarentegen een goed geheugen had, herinnerde Johannes er aan, dat hij hun de belofte gedaan had, iets van een Dajaksche ijzersmelterij te vertellen.

„„Belofte maakt schuld,” is een Hollandsch spreekwoord, dat ik als Waal je niet in herinnering behoef te brengen.”

„Mij wel; we kunnen daarmede even goed een uurtje dooden, als met die goudzoekerij, die ons voorloopig maar onnoodig opwindt. Als gijlieden evenwel meent iets te zullen hooren van hoogovens en ijzersmelterijen zooals die in Europa bestaan, waarin men schildknapen stookt om Duitsche dichters gelegenheid te geven heel aardige verzen te fabriceeren die door Nederlandsche poëten heel aardig nageaapt worden, dan hebt ge ’t gloeiend mis. Zulk een Dajaksche smelterij is meer primitief, en er zou geen plaats in zijn, om een Fridolin in te stoppen, tenzij men hem eerst wilde opvouwen, alsof men hem in een linnenkast zou opbergen. Ziet hier de geheele inrichting zooals ik die bij het maken eener patrouille bevonden heb:

„Op een kleine natuurlijke of kunstmatige hoogte, in de nabijheid der plaats waar het erts opgedolven werd, hadden de Dajaksche ijzersmelters onder een zeer hoog dakwerk een bak van plastische klei vervaardigd, die, wat de buitenafmeting betreft, nagenoeg den vorm van een kubieken meter had. De wanden van dien teerling....”

„Zou je ons eerst niet iets van het erts vertellen en van de plaats waar die aangetroffen wordt?” vroeg La Cueille.

„Zoo als je wilt. Het erts, waaruit het ijzer gewonnen wordt, is steeds bijna in de nabijheid der steenkolenformatie te vinden. Schier altijd worden beide mineralogische voortbrengselen bij elkander aangetroffen, de eene laag de andere dekkende; zeer zeldzaam is het dat, waar het eene aanwezig is, het andere ontbreekt.”

„Donders! dat is buitengemeen gelukkig,” juichte de Waal.

„Het kan zijn; maar laat me nu voortgaan. De lagen, die het ijzererts bevatten, zijn langs de rivier doorsneden en gewoonlijk reeds bij middelbaren waterstand in de diepe beddingen zichtbaar. De Dajaks benutten de gelegenheid in den drogen tijd, om den noodigen voorraad erts te bemachtigen. Dit erts, in den regel met water doortrokken, is op het gevoel weekachtig. Het wordt eerst gedroogd in de zon, daarna in stukken ter grootte van een okkernoot geklopt en verder in de nabijheid onder een licht afdak opgeschuurd, tot den tijd, dat het gebruikt zal worden. Dat erts bestaat uit een mengsel van grootere of kleinere stukken van doffen ook wel glinsterenden bruin-ijzersteen en is een soort van ijzer-oxyde-hydraat met geelachtig bruine streek, voorts uit bruinen ijzer-oker, gevormd door de ontleding van het eerstgenoemde mineraal en eindelijk uit vrij harden zandsteen waarin het erts afgezet schijnt te zijn. Op 100 gram erts komen 34,6 gram zuiver ijzer voor. Dat is al wat ik er van weet en dat heb ik nog uit de rapporten gestolen.”

„Dank je voor de toelichting,” sprak de Waal, „je bent knapper beslagen dan ik wel dacht; ga nu maar voort. Je waart aan de beschrijving van dien bak van klei, die den vorm van een teerling had.”

„De wanden van dien teerling,” ging Johannes voort, „hadden van boven een dikte van ongeveer een dM., maar namen naar beneden loopende dermate in dikte toe, dat het grondvlak van de binnenruimte van den bak slechts 9 vierkante dM. mat. Deze bak was de eigenlijke smelttoren en werd „laboerang” geheeten. Zoo als mij verhaald werd, was die oven gedurende een veertiental dagen in de zon gedroogd, waarna men beneden, zoo wat twee dM. boven het grondvlak der binnenruimte een gat geboord had om de pijp van den blaasbalg binnen te leiden, terwijl aan de tegenovergestelde zijde een ander gat gemaakt was „alier” geheeten, dat dienen moest, om gedurende de smelting de slakken te kunnen verwijderen en later het verkregen ijzer uit den oven te halen. We kwamen met onze patrouille juist aan, toen men den oven begon te laden. Hij was vooraf met hoepels van rottan en bamboe omwoeld om het barsten en splijten te voorkomen. Eerst werd op het grondvlak van de „laboerang” een dikke laag zeer fijn houtskoolpoeder gestrooid. In die laag werd een vierkante uitholling, „kakat” genaamd, uitgespaard, waarin het vloeibare ijzer zich later zou verzamelen.

Boven die kakat werd in het daarvoor bestemde gat de buis van den blaasbalg gebracht. Die buis „boetoeng” geheeten, was van klei gebakken en reikte tot ver over het midden van de kakat. Vervolgens werd de oven, zoo wat op ¾ van zijn hoogte met houtskolen gevuld, waarop het erts gestort werd, dat vooraf in groote houtvuren geroost was, totdat het een menieachtig roode kleur had gekregen. Daarna werd de houtskool boven de kakat aangestoken en de alier met een laag natte klei gesloten. Vervolgens werd de bamboebuis van den blaasbalg in de boetoeng gebracht en het vuur eerst langzaam aangeblazen en daarna tot zijn grootste hitte gestookt.”

„Je spreekt daar van een bamboebuis; die blaasbalg zal toch wel van Europeesch maaksel geweest zijn?” vroeg La Cueille. „Zoo iets kunnen de inlanders niet vervaardigen.”

„Daar heb je weer zoo’n oordeelvelling van een Europeaan!” sprak Johannes met eene zweem van bitterheid in zijn stem. „Neen, die blaasbalg was niet van Europeesch maaksel. Luister; ’k zal je op de hoogte brengen. In een rechtstandigen houten cylinder, gewoonlijk een uitgeholden boomstam, een middellijn hebbende van ongeveer drie dM. bij een lengte van twee meter, bewoog zich een „kewoes” (zuiger), waarvan de schijf, ter bevordering van de luchtafsluiting, door middel van „djampol”, een soort van mastik van olie en hars, met donzige kippenveeren beplakt was. Onder aan den cylinder was de gemelde bamboebuis, „passiong” geheeten, bevestigd; door deze werd de lucht in de boetoeng en verder in de laboerang geperst. De zuigerstang, zes à acht meter lang, was boven aan een horizontaal geplaatste, veerkrachtige lange bamboe bevestigd, waardoor de arbeid van het op en neerhalen van dien zuiger aanmerkelijk verlicht werd. Die blaasbalg werd „bapoetang” genoemd en de arbeiders deden daarmede, tot het verkrijgen van de noodige hitte, veertig tot vijftig slagen in de minuut.”

„Drommels, dat is mooi!” betuigde de Waal.

„St! laat me voortgaan. Toen de oven geladen was, werd het vuur tot de grootst mogelijke hitte aangeblazen; en naarmate de inhoud door de verbranding zakte, werd er nieuw erts van boven ingeworpen. Om echter de laboerang steeds van de noodige brandstof te voorzien, werd toen op een deel erts tien deel houtskolen gevoegd. Om het uur werd de alier geopend, om de slakken te verwijderen, maar daarna onmiddellijk weer met natte klei gesloten.