Borneo van Zuid naar Noord

Part 32

Chapter 323,641 wordsPublic domain

„Als je die woorden nog eens spreekt, dan smijt ik je met mijn mandauw naar het hoofd!” was het driftige antwoord van den speacher.

„Je kunt toch niet veronderstellen, dat we ons hoofd en onzen gast in handen van de blanken zullen stellen?”

„Stil, je laat me niet uitspreken. Ik herhaal, de Hollanders zullen alleen de uitlevering van Harimaoung Boekit en Amai Kotong eischen en....”

„Maar dat willen we juist niet!” brulde de troep.

„Ik herhaal het, dat weet ik wel, ik weet dat een Dajak niet in staat is de wetten der gastvrijheid te schenden of zijn hoofd uit te leveren. Niettegenstaande de groote geldsommen, die voor zulk een schanddaad uitgeloofd werden door de Hollanders, heeft nog geen Dajak dat bloedgeld trachten te verdienen. Geen uwer zal ook zijn leven daarmee willen koopen.”

„Neen! neen!!” was het geestdriftvol geschreeuw.

„Goed zoo! zoo hoor ik het gaarne. Die uitlevering zal ook niet noodig zijn. Harimaoung Boekit zal wel maken, dat hij met zijn Poenans weg zal zijn, voor dat de Hollanders terug komen en Amai Kotong zal met hem mede gaan; want hij heeft mij verzekerd dat, om alle oorzaak van onheil weg te nemen, hij voornemens is naar het landschap Miri, van waar hij geboortig is, terug te keeren.”

Sprakeloos hoorde de menigte die verklaring aan. Aller oogen wendden zich naar het kottahoofd als om de bevestiging van het gehoorde te erlangen. Deze knikte met het hoofd:

„Ik trek met mijn gansche familie af!” riep hij uit.

„Bij die beslissing wordt de oplossing van de gerezen moeielijkheid gemakkelijk,” voer Johannes voort. „Gij kiest een nieuw hoofd en de nieuw gekozene zendt een deputatie naar Bandjermasin om aan den Grooten Heer der Hollanders zijn leedwezen over het gebeurde te kennen te geven en zijn onderwerping en die van de bewoners van kotta Djankang aan te bieden. De afgezanten vertellen dan met veel omhaal, dat, na het vertrek der Kwala Kapoeassers, de bevolking van kotta Djankang met behulp van de mannen van soengei Mawat, haar hoofd Amai Kotong vervallen verklaard heeft en dat deze zich met Harimaoung Boekit uit vrees voor erger, door de vlucht gered heeft.”

„Maar dat zal toch een onwaarheid zijn!” riep de stem van straks.

„Nu, wilt ge de waarheid gaan zeggen en den Hollanders gaan vertellen, dat gij allen er even lustig op losgehouwen hebt en dat het u spijt, het nog niet beter gedaan te hebben, ga je gang! mij wel!” grinnikte Johannes sarrend; „maar....” liet hij er meer ernstig op volgen: „bedenkt u wel, handelt gij niet volgens mijn raad, dan hebt gij over een paar weken een geheele vloot stoomschepen hier voor de kotta met vele soldaten, en wat nog meer zegt, met vele en groote kanonnen aan boord, die in een half uur tijd de kotta zoo plat als een koek zullen geschoten hebben. Neen, gelooft me, en doet wat ik zeg; het is goede raad, dien ik u geef. Die kleine onschuldige leugen zal Mahatara niet vertoornen; en wanneer gij in uw leven nooit erger leugen zult verteld hebben dan dezen, die niemand schaadt, maar veel onheil zal voorkomen, dan mogen uwe zielen wanneer Tempon Telon [101] ze door de „kiham apoei” (vuurwaterval) naar de „Lewoe liau” (zielen land) zal voeren, zich gelukkig achten; want dan zullen ze maar een ellendig klein beetje geroosterd worden, waarachtig niet de moeite waard, om er over te spreken.”

Spottend en snijdend sprak Johannes. Maar hij had nog zeer lang kunnen praten, zonder dat iemand hem in de rede gevallen zoude zijn. De vergaderden verdrongen zich om Amai Kotong en toen deze de verklaring had afgelegd, dat het reeds lang zijn wensch was geweest om het laatste gedeelte zijns levens te gaan doorbrengen in het land zijner vaderen, in het land waar hij geboren was; en dat hij nu de gelegenheid aangreep, om zijn heengaan tot heil van de bewoners van kotta Djankang te doen strekken.

Allen drukten hem met innigheid de hand en betuigden hun instemming met een beslissing, die de moeielijkheid volkomen oploste.

Een paar uur later, toen de Mawatters binnen de versterking waren aangekomen, werd, nadat die op de hoogte der omstandigheden gebracht waren, onmiddellijk tot de verkiezing van een nieuw hoofd overgegaan. De volkskeus vestigde zich op een jeugdig man met name Njawong, die zich, hoewel tegenspartelende, den titel en de betrekking van Amai liet welgevallen. Onder den aandrang van Johannes benoemde het nieuwe hoofd een gezantschap, bestaande uit twee voorname Djankangers en twee voorname Mawatters, om de onderwerping van kotta Djankang aan den Toean Besar te gaan aanbieden. Johannes met Amai Kotong en Amai Njawong drongen er op aan, dat de gezanten onmiddellijk zouden vertrekken, om door hun verschijning en onderwerping het nemen van maatregelen en het volvoeren van krijgstoerustingen overbodig te maken. Zij mochten evenwel de afgetrokken aanvallers van kotta Djankang niet inhalen, maar moesten hen op een eerbiedigen afstand volgen om geen oorzaak te zijn, dat de kommandant van Kwala Kapoeas door die preliminairen verlokt, het voornemen zoude kunnen opvatten, ontijdig naar kotta Djankang terug te keeren. Ook moesten zij trachten goed op de hoogte te blijven en dadelijk bericht zenden, wanneer zij hetzij ter hoofdplaats, hetzij te Kwala Kapoeas, iets van krijgstoerustingen tegen kotta Djankang zouden vernemen.

Johannes als degelijk aanvoerder dacht aan alles.

De zon was de westerkim nog niet genaderd, toen de afgezanten de reis reeds aanvaardden.

Den volgenden morgen zouden de Mawatters vertrekken, om naar hun haardsteden terug te keeren. Een hunner prauwen werd feestelijk uitgedost met festoenen van rood linnen strooken en van jonge klapperbladeren, die de Dajaks zoo bevallig kunnen bewerken en rangschikken. Daarin was de raoeng van den gesneuvelde, nadat het deksel daarop bevestigd en de naden behoorlijk waren gedicht met „katipei” [102], op de „menggatil raoeng”, een stellage van zwaar en kostbaar hout, gewoonlijk van „kajoen pamala” [103] vervaardigd en behoorlijk gedrapeerd, gesteld. Fier woei de Nederlandsche vlag in breede plooien boven die prauw en daar de overledene tot de aanzienlijken zijner streek behoorde, werd het vaartuig door twee en veertig [104] roeiers gevoerd. Achter die lijkprauw zouden twee andere vaartuigen volgen, ook even bont, maar toch smaakvol met festoenen en vlaggen versierd. In de eerste zagen onze Europeanen vier „karandah’s” overbrengen. In ieder dier kooien zat een levende pandeling opgesloten; en er was zich geen hersenschim te vormen, die arme wezens waren bestemd, om bij het te houden „tiwah” (lijkfeest) omgebracht te worden. Wienersdorf keek scherp toe, of ook de door hem geredde vrouw zich onder die slachtoffers bevond, maar hij zag ze niet. Harimaoung Boekit verhaalde hem, dat deze offers een hulde waren van de kotta Djankangers aan den moed van hem, die voor hun belangen bezweken was. Bij die vier zouden te kotta Mawat nog een drietal gevoegd worden om den gesneuvelde een hem waardige bediening in de „Lewoe liau” te geven.

In de derde versierde prauw zaten een aantal van een en twintig Balians, die de lucht van hare gezangen deden weergalmen en die formulieren op de maat met hare katambong’s begeleidden. Achter de prauw der priesteressen kwamen de overige vaartuigen der Mawatters, die zich volgens de voornaamheid harer eigenaars in een lange rij achter elkander schaarden.

Toen de stoet van wal stak, brandden al de kanonnen der kotta los en verhief zich een oorverdoovend en langgerekt: lēēēēēēh lèlèlèlèlèlelele ooouiiiit! als om den gevallene voor het laatst te groeten en eer te bewijzen.

„Nihau jèh,” klonk daartusschen het weemoedige gezang der priesteressen: „Nihau jèh lonok batipas, ohate baringen, jèh belongkan boekit.

„Tingang jèh teseke lajang harimaoung marantong batoe, benang jèh tariop bitie ingampoh tandjoeng ambon.

„Boelau mantap tasalèh indoe tangalong enon.”

„Verloren is hij als de Lonokboom [105], wiens wortels geknakt zijn, als een Wariengien, die omgevallen is op den berg.

„Als een Tingang [106] is hij bij den terugkeer verdwaald, als een tijger afgestort van de rots, als een stuk linnen weggewaaid op den voortijlenden alles bedekkenden nevel.

„Als een stuk goud is hij weggesprongen onder de hand des goudsmids, weggesprongen om den dauw te vergulden.”

De prauwen schoten den hoek om, de soengei Mawat in en waren nu voor het oog verdwenen. De nastarenden konden het getrommel der Balians nog hooren en den gecadenceerden rythmus van het eentonige gezang nog eenigen tijd waarnemen, maar verstaan wat er gezongen werd, dat was niemand meer mogelijk.

De bewoners van kotta Djankang, zoo eensklaps uit hun gewone doen en laten gerukt, keerden na vrij rustelooze dagen doorgebracht te hebben, tot hun normalen toestand terug. Na het verdwijnen van die prauwen bleef ter herinnering aan het doorgestane beleg niets anders over dan het lijk van de arme vrouw, die het slachtoffer van den kaaiman was. Alles was nu stil en als verlaten; kalmte en ingetogenheid heerschten, waar in de vorige dagen slechts gejoel en gegil werden vernomen en alleen het weemoedige gelui der titih liet zich, zoolang het lijk in de kotta was, van tijd tot tijd hooren.

XXII.

Toebereidselen voor de reis.—Een volksverhuizing.—Het „manobah”.—Onhandigheid.—Wienersdorf te water.—La Cueille brengt het er niet beter af.—Lachbui.—Einde der vischvangst.—„Kalampies.”—Een Dajaksch tribunaal.—Beëediging.—La recherche de la paternité.—De vingerproef.—Het „hagalangang” of het bewijs met de werpspies.—Nabreeuwen.

Na die bedrijvigheid gingen een paar dagen in ongestoorde rust voorbij. Vooral de Europeanen luierden letterlijk uit van de vroeger ten toon gespreide arbeidzaamheid. Maar toen die om waren, werd het tijd aan de voorbereidingen tot het vertrek te denken.

Die voorbereidingen waren waarachtig niet onbeduidend. Het waren thans geen vier mannen slechts, die de reis zouden aanvaarden; het was een geheele kolonie, die de binnenlanden ging intrekken om zich daar metterwoon te vestigen. Het huisgezin van Amai Kotong was zeer talrijk; hij zelf had een twaalftal kinderen, waarvan de grootste helft gehuwd en op haar beurt reeds ruim gezegend was of in staat van zegening verkeerde, of de hoop op zulk een zegening koesterde. Hij bezat daarenboven een tachtigtal pandelingen van beiderlei kunne en een twintigtal kinderen van die pandelingen. Het was bijgevolg een geheele volksverhuizing, die te regelen viel. Bij die verhuizing zouden zich aansluiten Hamadoe, de zuster van Harimaoung Boekit, met een paar vriendinnetjes, onder welke laatsten de lieve Moendoet, de aanstaande mevrouw La Cueille, gerekend moest worden; verder het Poenanhoofd met zijn stamgenooten, welke laatsten wel een gewenschte toevoeging aan den tocht zouden uitmaken. Die fiere zonen der wildernis waren fiksche pootige kerels, ieder als een Hercules gebouwd, met spieren als van staal en gewoon om bij hun tochten door de bosschen de grootste hinderpalen te overwinnen en om ontberingen te lachen. Zij zouden de eigenlijke kracht van de reizende kolonie uitmaken; ja, zonder hen ware de verhuizing, althans op die schaal, wellicht onmogelijk geweest; want het waren bijna honderd vijftig menschelijke wezens, allen bewoners van kotta Djankang, waaronder vele vrouwen en kinderen, die het koppensnellersland zouden intrekken.

De afstand, die afgelegd moest worden, was niet zoo bijzonder groot. In rechte lijn bedraagt die van kotta Djankang tot kotta Rangan Hanoengoh, verblijfplaats van Harimaoung Boekit aan de soengei Miri, nog niet volle 140 kilometer. Maar in een terrein als de boven-Dajaklanden is de rechte lijn niet denkbeeldig als bij ons, doch geheel en al onbekend; en de kronkelingen van den te volgen weg moesten zoodanig in rekening gebracht worden, dat die 140 KM. onoverdreven tot het dubbele getal uitdijden en dat langs gemeenschapswegen, die dien naam ternauwernood mochten dragen.

Johannes drong tot spoed aan. Hij bracht de wat langzame Dajaks aan het verstand, dat in de bestaande omstandigheden, tijd veel meer dan goud waard was, iets wat hun begrip geheel en al te boven ging. Men was in het land, waar het goud maar voor het rapen was; maar als men het geraapt had, och! dan had tijd hoegenaamd geen waarde meer.

„Wat de menschen toch dwaze dingen vertellen kunnen,” redeneerden de kotta Djankangers en de Poenans, „vooral wanneer zij met die inhalige blanken in aanraking zijn geweest.”

Maar zonder zijn wenkbrauwen te fronsen, maakte Johannes hun duidelijk, dat, wanneer de leden van het gezantschap niet in hun zending slaagden en de Hollanders het er op zetten naar de Boven-Kapoeas terug te komen, men ze spoediger zou zien verschijnen, dan wel gedacht werd. De beschikkingen, die voor de voorgenomen verhuizing te nemen waren, konden veelvuldig genoemd worden en de tijd was kort.

Eindelijk behaalde de redeneerkunst van den vermomden blanke de overwinning op de traagheid der inboorlingen en nu dit eenmaal het geval was, nu waren de belanghebbenden weldra in volle beslommering om zich tot het vertrek gereed te maken.

Het eerste, waaraan de aandacht gewijd moest worden, waren wel de vervoermiddelen. Men had hoegenaamd geen moeilijkheden ondervonden, om de prauw die de vluchtelingen te Kwala Kapoeas van Baba Poetjieng gekregen hadden, om de reis over zee naar Singapore te maken, tot hier voor kotta Djankang te brengen. Heeft niet al te lang droogte geheerscht, dan is de Kapoeas tot hier met gemak voor kleine stoomschepen van zes voet diepgang bevaarbaar. Dit is zelfs het geval tot Kiham Hoeras, een halve dag roeiens boven kotta Sambong. Maar daar bij dien eersten waterval of beter, bij die eerste stroomversnelling [107]—want een eigenlijke waterval is het niet—beginnen de groote moeielijkheden van een reis naar de bovenlanden; want dan heeft de reiziger een aantal van die stroomversnellingen te doorworstelen. Er valt dan ook niet aan te denken, groote prauwen daartegen op te halen; maar moet de reis met zeer lichte vaartuigen, bij voorkeur met djoekoengs of rangkans volvoerd worden. En dan nog moeten dezen met de grootste behoedzaamheid gestuurd worden, want een verkeerde beweging van den roerganger, doet het vaartuig dwars-strooms geraken en heeft omslaan tot natuurlijk gevolg.

Rangkans en djoekoengs waren in voldoende hoeveelheid te kotta Djankang voorhanden en bevonden zich goed bewaard onder de op palen gebouwde woonhuizen en magazijnen binnen de versterking. Men kon, zoo men wilde, dadelijk beginnen met die te water te brengen en haar op doelmatige wijze te beladen. Dewijl zij van wege de kihams nog al eens ontscheept zouden moeten worden, zorgde men, dat zooveel mogelijk alle mede te voeren voorwerpen tot een- of tweemans vrachten verpakt werden, waarbij niet uit het oog mocht verloren worden, dat de Dajaks zeer ongeneigd zijn, lasten op hun schouders te torschen en dat ook niet kunnen in die mate, als dat door de Javanen verricht wordt. Daarom werden dan ook de levensmiddelen en alle andere zaken, die zich daartoe eigenden, in mandjes verpakt, die van de noodige rottanlussen voorzien, als een ransel op den rug bevestigd en alzoo met gemak en behendigheid gedragen konden worden. Die mandjes in de Dajaklanden zijn van gevlochten rottan vervaardigd, hebben den vorm van een afgeknotten kegel van ongeveer 75 cM. hoog, met een bovenwijdte van ± 40 en een benedenwijdte van 25 cM., zijn van binnen met waterdichten boombast gevoerd en hebben een flink en hermetisch sluitend deksel.

De kanonstukjes werden nog in batterij gelaten, om bij een eventueelen terugkeer des vijands niet ongewapend overvallen te worden; evenwel werden er stevige rottanstrikken zoodanig omgelegd, dat men slechts de noodige draagstokken door de gevormde lussen te steken had om de vracht dadelijk te kunnen optillen en weg te voeren. De deserteurs belastten zich voornamelijk met het vervoer van de artillerie en munitie, waarvoor hun stevige schouders ten volle berekend waren. Wel had men er een oogenblik aan gedacht, een paar dier stukjes ter bewapening van kotta Djankang achter te laten. Maar de zeer gegronde opmerking, dat de Hollanders ze toch als hun eigendom zouden terugnemen en het ook beter was, dat de kotta bij de nieuwe phase, die haar bewoners intraden, een zeer vreedzaam uitzicht had, deed daarvan afzien. Dezelfde beweegreden gold ook ten opzichte van de buitgemaakte geweren te Kwala Hiang, die allen medegenomen werden. Van een andere zijde had ook Harimaoung Boekit zich zeer begeerig getoond die stukjes te bezitten. Wat zou hij trotsch zijn, wanneer hij zijn kotta in soengei Miri daarmede bewapend zoude zien.

Voedingsmiddelen waren in overvloed voorhanden, dat wil zeggen, men had rijst in voldoende hoeveelheid; ook had men een goede provisie „koedjang” [108], lombok en andere toespijzen. Alleen in vleeschspijzen was men niet ruim gesorteerd. Het gezouten vleesch en spek, door de deserteurs aangevoerd, waren nog slechts voor een klein gedeelte aanwezig, dewijl de Dajaks zich daaraan als aan een délicatesse hadden te goed gedaan. Amai Kotong en Harimaoung Boekit verzekerden evenwel, dat op hun reis geen dierlijk voedsel zou ontbreken; de vrienden zouden meer dan eens in de gelegenheid komen om met hun juist schot een hert neer te leggen.

Maar om toch geen teleurstelling deswege te ondervinden, werd besloten een „manobah”, dat is een vischvangst op groote schaal te doen plaats vinden, om zulk een ruime proviand op te doen. De gasten te kotta Djankang werden uitgenoodigd, die vischpartij bij te wonen. Onze reizigers zouden ervaren, dat zulk een partij een waar nationaal feest voor de Dajaks is, hetwelk voor hen uiterst belangwekkend zoude zijn.

Tot de voorbereidingen tot die vischvangst behoorde de inzameling van een aanzienlijke hoeveelheid wortels van den „tobah”-struik [109]. Daar er nog al moerasachtige plekken tusschen de omringende heuvels van kotta Djankang aangetroffen worden, baarde die inzameling niet veel moeite en was zij al zeer spoedig geschied. De ingezamelde wortels werden toen in verscheidene djoekoengs met overvloedig water geweekt en daarna met platte stukken hout zoolang geklopt, totdat het water in de djoekoengs een melkwitte kleur verkregen had. De uitgeweekte wortelvezels werden toen verwijderd en het vocht behoorlijk afgeschuimd, waarna wat levende kalk en een vrij sterk aftreksel van tabak daarin gemengd werd. Men had toen zoo wat een zestal djoekoengs met tobahwater gevuld.

Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag voeren een overgroot aantal zeer lichte vaartuigen, waaronder ook die met het mengsel gevuld, de soengei Mawat in, waarna dat riviertje met een „salambouw”, groot vierkant net met middelmatig groote mazen, zoodanig afgesloten werd, dat de onderrand van het net, op de bedding der soengei met steenen verankerd en de bovenrand zoo wat een handbreedte boven het watervlak uitstekende, geen enkele visch het riviertje kon verlaten. Twee djoekoengs, ieder met drie opvarenden bemand, vatten post bij het net om te waken dat het niet, hetzij door opkomende prauwen, hetzij door den zwaren stroom beschadigd of opgetild werd.

Toen men daarmede klaar was, verdeelde het mannelijk gedeelte der expeditie zich zoodanig over de aanwezige djoekoengs, dat in ieder der vaartuigen zich drie man bevonden. De dameswereld—want vele der schoonen van kotta Djankang waren mede uitgetogen om van de pret getuigen te zijn—had zich bij elkander in twee groote prauwen geschaard, terwijl een derde prauw een aantal Balians bevatte, die bij geen feestelijkheid, dus ook bij deze niet, mochten ontbreken.

Nu werd de soengei in alle stilte, maar toch krachtig en vlug, opgeroeid. Dat oproeien duurde zoo omstreeks vier uur en onderwijl werden de mondingen van een paar onaanzienlijke spruitjes, die zich in de Mawat ontlastten, ook met netten afgesloten.

Op de gewenschte plaats aangekomen, werd het tobahwater op verschillende punten tegelijk met klapperdoppen in de rivier geworpen. Terwijl de vaartuigen zachtjes en in alle stilte zich voor den stroom lieten afdrijven, was men gedurende een klein half uur nagenoeg werkeloos, om het vergiftigde water tijd te geven, zich met het rivierwater te vermengen. Intusschen maakten de visschers zich gereed den buit te kunnen bemachtigen. Van de drie opvarenden, die iedere djoekoeng bemanden, bleef hij, die aan den achtersteven gezeten was, de pagaai in handen houden om het vaartuig te besturen; de twee anderen met een harpoen of een schepnet gewapend, de een voor op de spits, de ander in het midden der djoekoeng post vatten, gereed om toe te tasten.

Men had Schlickeisen en Johannes bij elkander in een en Wienersdorf met La Cueille in een andere djoekoeng geplaatst. De Waal had bij al die voorbereidingen al schuchter uitgekeken en aan Johannes in het voorbijvaren al eens gevraagd, of hij geen verzen uit den Koran te prevelen had.

„Loop heen,” had deze geantwoord, „je bent immers geen Sjech meer; handel nu maar, zooals je je vrienden, de Dajaks, ziet doen.”

„Ik wou, dat ik aan den wal was,” prevelde de Belg, wien dat geheele spel niets beviel.

„Misschien bij moeders pappot thuis, niet waar?” lachte Johannes.

Na ongeveer een half uur begon zich de werking van het bedwelmende vocht te openbaren. Eerst kwamen de kleinste visschen aan de oppervlakte, staken de koppen boven water, zwommen in steeds kleiner en kleiner wordende kringen rond en trachtten in hun doodsbenauwdheid uit het vergiftigde vocht te springen. Met deze werd niet veel omhaal gemaakt; zij werden eenvoudig met het schepnet of met mandjes opgehaald en in de vaartuigen geworpen.

Maar later werden de visschen, die de watervlakte in beweging brachten, al grooter en grooter en ook talrijker. Nu werd naar den „salahawo” (harpoen) gegrepen; want het was totaal ondoenlijk, visschen van een à twee M. lengte met het schepnet op te halen. Nu begon een leven, een bedrijvigheid, die onze Europeanen verrukten en waaraan zij van nu af met hart en ziel deel namen. Al de aanwezige vaartuigen—wel een vijftig in getal—schoten over een oppervlakte van slechts zeer geringe uitgestrektheid als door elkander. Met de uiterste behendigheid stuurden de roergangers op de wenken en aanwijzingen der harpoeniers hun vaartuigjes. In het water beschreven de visschen groot en klein allerwege kringen, plasten en sprongen, om eindelijk aan den harpoen geregen te worden. De menigte joelde door elkander; de befaamde visschers spreidden met een soort van trots hun behendigheid ten toon. De jongere poogden die kunststukken na te doen en werden daarin aangemoedigd door de lieve toeschouwsters, die een vreugdekreet niet konden weerhouden, wanneer het een der jongelingen gelukte, een aanzienlijke vangst te doen. De Balians gilden haar gezangen, roffelden op haar trommen en wisselden haar invocatiën met de Sangiangs om den visschers een overvloedige vangst te verleenen, af met loftuitingen op hen, die zich door behendigheid en kracht onderscheidden.