Part 9
»Meen je het wezenlijk, Gus?«
Arm, lief kind! hij moet haar eens meer een pleizier doen. Maar als ze wist dat hij de beide laatste nachten aan zijn schrijftafel doorbracht, om eens één dag vrij te zijn—zou het dan nog een pleizier voor haar wezen?
XIII
AAN HET STATION.
’t Is op den morgen van den achttienden Februari aan het station te Buitenzorg ongewoon vol en druk. Tevens ongewoon deftig, zooals blijkt uit het gelegenheidsgezicht der spoorbeambten met hun nieuwste petten op en hun mooiste jassen aan.
Maar hoewel de gouverneur-generaal, vergezeld van familie en gevolg, hoewel nog verscheidene andere dames en heeren dien morgen naar Batavia vertrekken, zouden de reizigers alleen niet zooveel geloop en geschreeuw veroorzaken: ’t zijn hun koffers en kisten.
Het aantal daarvan schijnt legio. En toch zijn het alleen de koelies, die zich verbazen over de massa bagage; ieder ander kent de oorzaak van het verschijnsel: er worden feesten voorbereid op Batavia.
En welke feesten! Dezen zelfden avond zal er galavoorstelling zijn in de opera: morgen zal ’s Konings verjaardag gevierd worden met de gebruikelijke plechtigheden: groote parade, groote officieele ochtendreceptie, groot vuurwerk op het Koningsplein, groot diner ten paleize!
Maar dit is niet alles.
Gertrude Hagen viert op den avond na het koningsfeest haar twintigsten verjaardag met een comedievoorstelling en bal; en de invitaties, reeds veertien dagen geleden rondgezonden, wekken bij het pretlievend publiek de beste verwachtingen.
Daareven hebben drie equipages de paleisbewoners gebracht: intendant en adjudanten zijn reeds ter plaatse, met hunne vrouwen en dochters, voorzoover ze die bezitten.
In de gereserveerde wachtkamer troont de barones op de ottomane, geflankeerd door haar beide zonen, die bij hooge uitzondering het reisje mogen mede maken, om morgen de parade en het vuurwerk te zien. Ze zitten op heete kolen, de arme jongens, want daar buiten spelen drie jeugdige Bruinings haasje over. Hun vader, die in druk gesprek met Zijne Excellentie de salon op en neer loopt, ziet het gevaar, waarin ze verkeeren van door handkarren te worden overreden of door vallende kisten verpletterd te worden misschien wel, maar is te zeer gewoon zijn zonen in gevaar te zien om zich daarvan veel aan te trekken; hij brengt al gestikuleerend zijn kuif tot een ongekende hoogte, pluist al redeneerend zijn bakkebaarden uit tot een verbazende breedte en windt zich zoo verschrikkelijk op over een vrij onbeteekenende zaak, dat de landvoogd hem van ter zijde met bezorgdheid gadeslaat en zich afvraagt hoe lang het nog duren kan vóór de reactie op ’s mans overspannen toestand volgt en een verblijf in Europa noodzakelijk wordt.
Toen freule Clotilde uit haar poneywagen sprong en mama zoo deftig zag zitten op de ottomane, heeft ze dadelijk aan den gouverneur van haar broers gevraagd, of hij óók niet vond dat de lucht drukkend was in de wachtkamer. Nu trippelt ze in haar kort, vlug reistoilet met hem het perron op en neer; en terwijl ze links en rechts groet, als wilde zij vergoeden wat mama in vriendelijkheid te kort schiet, volgt menig waardeerend woord het aardig persoontje, rust menig welwillende blik op het blozende gezichtje, dat zoo guitig onder den grooten stroohoed uitkijkt.
Van de zes juffers d’Hannecour zullen niet minder dan vijf door hare tegenwoordigheid de feestelijkheden opluisteren, een voornemen dat al weer niet genoeg op prijs wordt gesteld: immers geen van de jongelui voegt zich bij het belangwekkend groepje dat ze met haar vijven vormen. Als eindelijk Van Suylichem haar zijn diensten gaat aanbieden bij het bezorgen der dertien valiezen, koffers en doozen, die ze met zich voeren, dan is dit alleen omdat zijn nichtje hem, half lachend, half knorrig, gevraagd heeft waarom hij toch niet naar de jonge meisjes ging, in plaats van altijd de oude getrouwde dames op te zoeken.
De andere »oude getrouwde« dame, wier gezelschap Van Suylichem boven dat der jonge meisjes verkoos, is Amalia Te Leurse, een schoonheid, die heden blijkt beter te voldoen bij gaslicht dan in den schellen gloed van een indischen morgen. De mooie luitenantsche schijnt zich hiervan bewust en heeft haar gezicht niet alleen bedekt met veel poudre de riz en een weinig rouge, maar nog daarenboven met een coquet voiletje.
De heer Te Leurse vertoonde zich even aan het station: dienstzaken houden hem terug te Buitenzorg. Maar, zooals Amalia reeds meer dan tienmalen aan de heeren, die haar kwamen groeten, verzekerd heeft,—hij hoopt voor de soirée bij de Hagens over te komen; ze kan ook moeilijk bekennen wat de waarheid is: dat ze geen geld genoeg in huis hadden om voor beiden de reis te betalen!
»Vier koffers?« vraagt Nita, die in haar eenvoudig blauw kleedje aan een vergeet-me-niet doet denken, zooals ze daar staat en, geheel op den achtergrond, door weinigen wordt opgemerkt, sedert Verschuere haar verliet om mevrouw Van Waliënhove goeden morgen te gaan wenschen. »Vier koffers? Voor u alleen?«
Mevrouw Te Leurse legt haar uit, dat ze het onmogelijk met minder doen kan. »Rekent u zelve maar eens na. Twee toiletjes alleen voor het comediestuk. Eén voor het bal. Eén voor de opera...«
Agnita luistert maar half toe; ze herinnert zich hoe eenvoudig mevrouw Te Leurse gekleed ging toen ze pas op Buitenzorg kwam; hoe stil ze leefden in hun kleine woning; hoe geheel anders Te Leurse er uit zag dan nu heden morgen met dat strakke gezicht en die treurige vermoeide oogen.
Mevrouw Heijlerts, alleen bestand tegen het klimaat van Batavia wanneer er op Batavia een pretje is, geeft, zooals ze daar staat onder haar donkerroode parasol, het schitterend bewijs, dat ze gedurende een tweejarig verblijf in de wereldstad der parisienne »le talent d’accommoder les restes« moet hebben afgezien. Gisteravond laat kwam ze van Soekaboemi, in gezelschap van den heer Van Sonnefelt, die gaarne enkele dagen der week dáár doorbrengt; en zooals gewoonlijk is ze ook nu het middelpunt van een kring van heeren.
Men amuseert zich in dien kring, want zij plaagt den adjudant van Zijne Excellentie, die aan zijn betrekking verschuldigd meent te zijn, nooit uit de plooi te geraken, met een voorval, dat zijn reputatie van deftigheid in groot gevaar brengt, ja, de getrouwde heeren noopt om zich meesmuilend een weinig van den armen doodverlegen Hooglaan af te wenden, dan vraagt ze den heer Paerel met het vriendelijkste gezicht ter wereld, of ze eens een enkele alinea zou mogen schrijven in de »Annales du jardin botanique«; en als deze, niets kwaads vermoedend, gaarne daarin toestemt, begint ze: »Il fleurit au Jardin botanique une fleur aussi rare que belle, désirée par toutes les dames, destinée à une seule...«
Paerel wordt boos, vooral om de hilariteit die er op volgt. Immers ieder weet welke de prachtige nieuwe bloem is, in de kassen getrokken en bij geheime dagorder onbereikbaar gesteld voor alle plantlievende dames, behalve mevrouw Van Waliënhove.
Rustig en genoeglijk wordt de komst van den trein afgewacht; alleen de heer d’Hannecour agiteert zich; hij wenkt den stationschef, die wel andere dingen te doen heeft dan zich te laten wenken, en als deze eindelijk nader komt, bijt hij hem toe, dat men Zijne Excellentie niet wachten laat, waarop de man naar de klok wijst en verzoekt, den intendant te mogen doen opmerken dat niet de trein te laat, maar de landvoogd te vroeg is. Toch blijf de kolonel zich warm maken. ’t Is dan ook zoo’n gewichtige morgen in zijn gewichtige betrekking, die morgen waarop het hof naar Batavia gaat! ’t Is dan ook zoo’n zware taak, die rust op de schouders van hem, den intendant der gouvernementshôtels! En niemand schijnt het te willen gelooven of begrijpen. Zelfs de adjudanten niet! Zie hen eens aan! Zou men niet meenen dat ze voor hun pleizier meegingen? ’t Was om dol te worden.
De rit van de residentie naar de hoofdplaats in de geurige frissche morgenlucht, is een waar pleiziertochtje. Slechts wanneer men Batavia nadert en de warmte de bezoekers als het ware tegenkomt, beginnen de dames meer werk te maken van waaiers en flacons dan van het gesprek; vooral mevrouw Heylerts is veel minder opgewekt dan daareven. Maar algemeen vermoedt men dat dit slechts ten deele aan de warmte moet worden toegeschreven; een naderende ontmoeting met mijnheer Heylerts maakt haar altijd stil. Er zijn verscheidene heeren aan den trein in de zwarte jas en met den hoogen hoed, die in dit klimaat altijd, maar vooral ’s morgens om tien uur, een krankzinnigen indruk maken. Ook de heer Heylerts bevindt zich onder hen, maar hij toont zeer weinig haast om zijne wederhelft met zich te voeren.
Wie onder al de dames en heeren heden het meest de aandacht trekt, is Gertrude Hagen, die haar logées, de Verschuere’s en mevrouw Te Leurse, kwam afhalen, en er zoo ongewoon lief uitziet, zoo geheel blosjes en lachjes schijnt, dat men zich afvraagt of ze misschien heden jarig is; maar in den datum van een feest vergist men zich te Buitenzorg niet! Clotilde neemt haar een oogenblik ter zijde en de vriendinnen hebben het zoo druk te zamen, dat ze vergeten hoe het rijtuig wacht—in dat rijtuig de barones! Juist op het oogenblik als deze een adjudant zendt, slaat de freule Van Waliënhove beide armen om juffrouw Hagen’s hals en, ten aanschouwe van het geheele publiek, kust ze haar dat het klapt.
»Zul je je dan nooit leeren gedragen!« roept de barones, zoodra haar dochter tegenover haar zit.
»Ik vrees van niet, mama,« zegt Clotilde. Maar meteen buigt ze zich over naar haar vader en fluistert hem iets in het oor, om dan in de kussens terug te zinken met de vermaning: »Aan niemand vertellen, hoor!«
XIV
IN DE LOOFHUT.
De Hagens wonen op het Koningsplein en ze wonen daar heerlijk. Dames, wier echtgenooten lid zijn in den Raad van Indië, hebben onder de vele voorrechten, die haar door haar zusteren vaak zuchtend worden benijd, dit: ze kunnen haar huis inrichten zooals ze dat wenschen; ze kunnen er alle moeite en zorg aan besteden, zelfs veel geld er voor uitgeven, zonder dat telkens als een dreigend spooksel de vraag bij haar oprijst: voor hoe lang?
Mijnheer Hagen—want hij is het die deze villa uit vele andere koos, die den tuin opnieuw aanlegde, hier wat bijbouwde, daar wat afnam, hij is het die Jakatra afliep, om op de zolders der Chineezen het oud porselein te vinden, waarvoor hij bekend werd; die teekeningen maakte van ameublementen en ideeën aangaf van versieringen—mijnheer Hagen heeft ruim gebruik gemaakt van dit voorrecht.
Agnita had groote marmeren ruimten verwacht, vol mooie meubelen, met reusachtige beelden, reusachtige spiegels en reusachtige gravures, met kostbare portières en alkatieven, alles geregeld naar traditioneele wijs: in één woord een huis zooals men er vele vindt in de Koningin van het Oosten, die er met hun pracht en weelde altijd blijven uitzien alsof ze in orde gebracht waren voor een bewoner, maar nog niet betrokken.
De Hagens zijn rijk; mevrouw heeft fortuin, mijnheer een groot inkomen. Maar ze hebben den takt gehad dit niet te toonen: de eerste indruk, door hun huis gemaakt, is die van gezelligheid, en pas als men heeft opgemerkt, hoe zacht het getemperd licht naar binnen valt, hoe kunstig de hitte is buitengesloten, hoe heerlijk rustig en kalm de omgeving is, dan pas komt men er toe te bedenken, dat er duizenden moeten besteed zijn aan de inrichting dezer woning. Mevrouw Te Leurse is het zich volkomen bewust, dat, wanneer ze niet de hoofdrol vervulde in het stukje voor Gertrude’s feest, misschien mijnheer, maar zeker niet mevrouw Hagen haar zou gevraagd hebben om hun logée te willen zijn. Dit maakt dat zij bij aankomst iets minder zeker van zichzelve blijkt dan gewoonlijk. Maar er is in de waardige beminnelijkheid der gastvrouw zooveel geruststellends, in de vroolijke zetten van Gertrude iets zoo opwekkends, dat ze zich weldra geheel op haar gemak gevoelt.
Straks keert ook de heer des huizes terug: hij is even naar het paleis gereden, om den Landvoogd te begroeten bij diens aankomst.
»Goed dat u komt, papa: mama en ik hebben het erg druk en we rekenen er op, dat u zich met de logées occupeert. U zult niet kunnen zeggen, dat we voor u de minst prettige bezigheid hebben bewaard, is ’t wel?« en ze knijpt hem in het oor met het weinige respekt en de groote liefde die indische dochters gevoelen voor indische vaders.
»Je kunt Gertrude immers wel missen vandaag?« vraagt mevrouw met een blik op de beide dames, een blik zonder eenige jaloezie echter; ze heeft te veel gezond verstand om, waar ze zichzelve nooit geheel kon geven, onverdeelde toewijding te vragen.
»Je weet, ik kan haar geen uur missen,« zegt hij met een teederen blik op het meisje, »zelfs in dit gezelschap. Maar ik weet dat je haar noodig hebt en protesteer dus niet.«
Reeds heeft hij zijn goedig, vriendelijk gelaat naar de bezoeksters gekeerd; reeds verheugt hij zich over het buitenkansje, dat hem verscheidene dagen haar gezelschap zal doen genieten; reeds vraagt hij zich af wat hij doen kan om haar die dagen aangenaam te doen doorbrengen.
De vice-president van Indië’s Raad is, meer dan iets anders, een damesheer. Zijne liefde voor het schoone, die in Europa zich zou geopenbaard hebben in kunstzin, was hier bewondering geworden voor het schoonste werk der schepping. Dankbaar erkent hij het vele goede, dat de aarde hem biedt, maar het beste is toch voor hem het samenzijn met vrouwen—zoo mogelijk jonge en mooie! Dit is echter volstrekt geen vereischte. Als ze maar aardig praten kunnen en vriendelijk lachen, als ze maar verstand genoeg hebben om te begrijpen, dat, zoo hij haar het hof maakt, dit zonder eenige bijbedoeling is; als ze maar goed—d.w.z. in overeenstemming met haar uiterlijk—gekleed zijn, dan eischt hij verder niets.
En zooals nu de beide jonge vrouwen daar zitten op dat aardig canapeetje, met de granaatroode portière tot achtergrond, frisch en jeugdig, in de doorschijnende witte kabaia, waarvoor ze haar reistoilet verwisselden, vindt hij het een waar genot naar haar te kijken, met haar te praten en te schertsen.
Hij heeft van morgen reeds vroeg en buitengewoon hard gewerkt om zich ongestoord aan dat genot te kunnen wijden. Want hij heeft het altijd druk op zijn manier. Lang vóór de zon aan den hemel staat, ziet men hem in den stormpas het Koningsplein omloopen en na middernacht kan men hem nog vinden in zijn voorgalerij, verdiept in lectuur of muziek. Hij is een man van orde: klokslag zeven—wanneer hij reeds gebaad, gewandeld en ontbeten heeft—verdwijnt hij in zijn bureau en behartigt de belangen des lands tot klokslag elf, behalve des vrijdags, wanneer hij diezelfde belangen in de vergadering van den raad behandelt. Wanneer hij niet werkt moet Gertrude bij hem zijn. Gertrude is voor hem de vervulling van den wensch, die gedurende twintig jaren zijn gemoedelijk hart vervulde; den wensch naar eene gezellige vrouw.
Als zijn dochter er niet lief had uitgezien of minder talentvol geweest ware, dan zou hij dit alleen jammer gevonden hebben; was ze ongezellig geweest, hij zou het beschouwd hebben als een vreeselijke teleurstelling, als een ramp bijna.
Maar gelukkig, Gertrude aardde naar hem, en vader en dochter amuseeren zich koninklijk te zamen. ’t Is waar, ze laat hem allerlei werkjes doen, die eigenlijk beneden zijn waardigheid zijn: patronen teekenen, charades uitdenken, menu’s schrijven zelfs! Maar er komen ook dagen dat ze onder zijn leiding leert en zich inspant om te begrijpen; er komen dagen dat ze samen gaan schetsen of zich opsluiten in de zitkamer, half boudoir, half atelier.
De Hagens hebben iets uitgedacht, dat aan het meest prozaïsch gedeelte van een indische woning, de achtergalerij, een poëtisch waas schenkt en het de »loofhut« genoemd. De loofhut schijnt een prieel, maar is eigenlijk een serre, ongewoon hoog van verdieping: ze vormt den overgang van het huis naar den tuin. Daar hebben ze hun planten en vogels, hun kleine fonteinen, lieve marmergroepjes, heerlijke luierstoelen, aardige rieten tafeltjes; daar brengen papa en dochter te midden van hun bloemen al de uren door, die ze maar kunnen uitsparen op hun altijd bezetten tijd; dat noemt Hagen zijn Capua; daar beweert Gertrude dat ze verliefde denkbeelden krijgt en zich zachter gestemd gevoelt jegens haar pretendenten; daar gaat mevrouw zoeken, als ze behoefte gevoelt aan het bijzijn van haar dochter, wat zeer dikwijls, of aan dat van haar echtgenoot, wat zeer zeldzaam gebeurt; daar worden alleen enkele intiemen toegelaten, maar die er toegelaten worden vinden het de bekoorlijkste plek van geheel het fraaie huis.
Des avonds, als de familie Hagen met mevrouw te Leurse naar de opera is gegaan, na te vergeefs beproefd te hebben de Verschuere’s over te halen om hen te vergezellen, troont Agnita haar man mede naar die loofhut.
De volle maan giet haar schijnsel door het bladerdak, Nita draait de gaspitten neer en het wordt koel en stil rondom hen, terwijl de fonteinen klateren en de bloemen geuren, door het avondwindje bewogen.
»Zitten we hier nu niet oneindig prettiger dan in die volle, warme opera?« vraagt ze dan vleiend.
»O, voor mij,« antwoordt Verschuere, terwijl hij met een zucht van genot zich uitstrekt in zijn luierstoel, »voor mij is het een ware verademing na den dag die achter me ligt. Maar je hadt toch eigenlijk mee moeten gaan, Nita... Geloof me, ik zal geen amusant gezelschap voor je wezen.« Met moeite onderdrukt hij een geeuw. »En ’t kan misschien wel aardig zijn,« voegt hij er dan lusteloos bij.
»Aardig? Ja, voor anderen; maar niet voor ons. Dáárvoor hebben we diezelfde Romeo en Juliet te prachtig zien opvoeren in Parijs! Weet je nog? ’t Was den eersten avond dien we doorbrachten in de opera. Voor geen geld zou ik den indruk willen verliezen, dien ik toen heb meegebracht.«
»Daar is wel iets vóór te zeggen.«
»Mevrouw te Leurse vond het een dwaas idee van me, dat kon ik merken. Maar je bent het met me eens, niet waar? Wanneer men eenmaal het hoogste genoten heeft, dan kan het mindere niets geven dan ergernis.
»Dat is zoo. Maar kindlief, mevrouw te Leurse beschouwt het uitgaan van een geheel ander standpunt. Zij gaat niet om muziek of zang; zij gaat om te genieten van den opgang dien ze maken zal in dat prachtige gele toilet.«
»Wat stond het haar goed! Wat was ze mooi van avond!«
»Ja heel mooi!« en weer geeuwt hij.
»Me dacht, het zou zooveel prettiger zijn ons samen alles nog eens te herinneren: ’t is een van mijn gelukkigste avonden geweest.«
»Ja? Hoe dat zoo?«
Een glimlach komt om haar lippen spelen, terwijl ze zich naast hem zet op den langen stoel. »Ik was toen toch nog erg romantisch, Gus. ’k Herinner me, dat ik telkens mijn oogen toedeed om den tenor niet te zien en me te kunnen verbeelden, dat het mijn Romeo was die sprak.«
Hij antwoordt door een kus te drukken op het gelaat dat ze naar hem opheft. »Dwaas kindje,« zegt hij eindelijk na een lange pauze, nauw hoorbaar.
Het ruischen der fonteinen klinkt droomerig door de stilte, tot eindelijk de muziek van hare stem die verbreekt.
»Wanneer men zich er eens goed in wegdenkt, Gus, wat is het dan toch een vreemde wereld. Daar zaten nu in die loges honderden vrouwen, gedecolleteerd en geblanket, vrouwen voor wie het woord liefde zijn heilige beteekenis verloren heeft; daar zaten die oude heeren met hun kale hoofden, die viveurs met hun vermoeide gezichten... en hoe werden ze allen geboeid, ja, tot schreiens toe bewogen door een stuk, dat eigenlijk niets anders is dan de verheerlijking der eerste liefde!«
»Weet je nog,« vraagt ze dan en streelt de hand die zij in de hare houdt, »hoe wij onder den indruk waren, in welk een teedere stemming wij thuis kwamen? Weet je nog... den volgenden morgen zouden we naar Versailles gaan; we vergaten het. Zeg, Gustaaf? Verschuere?«
»Wat? Zei je iets? O, neem me niet kwalijk, lieve! Ja, ’t was beeldig; ze zong uitstekend en...«
»Ben je zoo moe? Zoo moe, dat je inslaapt terwijl ik...«
»Neen ik sliep niet! ’k Was maar wat aan het dommelen. Geloof me, ’k heb alles gehoord wat je zei. ’t Is zoo, de tenor was wat dik!«
»Wil je niet liever naar bed gaan, beste?«
»Neen, volstrekt niet.«
»’t Was zeker een erg vermoeiende dag.«
»Ja; je weet, ik ben vanmorgen al vroeg begonnen. We hebben tot zes uur doorgewerkt, van dat we aankwamen af, en ’t is hier zoo schrikkelijk heet op dat Batavia.«
Ze legt haar hand op zijn arm. »Kom, span je maar niet in om wakker te blijven. Je hebt de rust verdiend. Neen... ik zou nog niet kunnen slapen; ik heb niets uitgevoerd vandaag en van middag een lekker dutje gedaan.«
Ze bracht hem zelve weg naar de logeerkamer, keek zorgvuldig of de klamboe zoo goed gesloten was dat zelfs het kleinste muskietje er niet in kon doordringen, onderzocht of de deuren en ramen wel wijd genoeg openstonden om den noodigen tocht door te laten en wenschte hem goeden nacht.
Nu ging ze terug naar de loofhut en zat op het plekje van daareven... maar hoe geheel anders!
De maan is schuilgegaan en het is er vol schaduwen. Ze beproeft zich voor te houden, dat het Gustaaf’s schuld niet is als het avondje, waarvan zij zooveel heeft gehoopt, op een teleurstelling uitliep; ze vermaant zich om het toch te waardeeren dat ze zoo’n degelijk man heeft die niets hoogers kent dan zijn werk; ze berispt zich omdat ze niet, als hij, eerzuchtig zijn kan en het goedkeuren dat hij, door zich te onderscheiden, aanspraak tracht te krijgen op promotie; ze scheldt zichzelve kinderachtig veeleischend, ondankbaar; ze tracht mevrouw De Bruining na te spreken, die betrekkelijk kalm verklaren kon: »Ja, zie je, onze mannen, dat zijn eigenlijk onze mannen niet; die zijn van de secretarie, en ze neemt zich voor, evenals zij, afstand te doen ten behoeve dier secretarie.«
Maar dan wordt het opeens kil en donker in de loofhut.
XV
HET BOERINNETJE EN HAAR SOLDAAT.
Het regende dien nacht alsof het met bakken van den hemel gegoten werd en de groote parade onderging het lot van meest alle groote parades op Batavia: ze werd afgekommandeerd wegens de drassigheid van het terrein.
Had men zoo ook de officieele gelukwenschen kunnen afkommandeeren!
Maar die moesten plaats vinden: consuls en hoofdambtenaren in hun van goud of zilver schitterende galarokken; de leden der rechterlijke macht met hun toga’s en baretten, hoofd- en subalterne officieren in hun fraaiste uniformen, referendarissen en commiezen in hun eenvoudigen zwarten rok, die allen kwamen den Landvoogd, omringd door den Raad van Nederlandsch-Indië en zijn staf, hun gelukwenschen aanbieden, »met eerbiedig verzoek ze wel te willen nederleggen aan de voeten van den troon.«
’t Mocht een buitenkansje heeten, dat de atmosfeer was verfrischt door de gevallen regens, maar toch bleef het, wat het samentreffen van veel mannen in lakensche kleeren wezen moet, als het op het heetst van den dag plaats vindt, doodsbenauwd.
Het diner was druk bezocht: men vergist zich soms in den volksgeest, vooral wanneer die zich openbaren kan in lekker eten, en bij zulke gelegenheden zijn ook de bataviasche Hollanders boven verwachting koningsgezind.
De heeren—voor dames schijnt men het minder noodig te oordeelen den verjaardag van hun vorst te vieren—de heeren kwamen op als één man.
Volgens deskundigen was de speech van den gouverneur-generaal bijna even goed als de getruffeerde kalkoen, en die kwam de volmaaktheid nabij; het vuurwerk was prachtig; er waren duizende rijtuigen en tienduizende toeschouwers verzameld op het Koningsplein, trouwens uitgebreid genoeg om het dubbele aantal te bevatten, en de geestdrift van het publiek, reeds zoozeer opgewekt door de kunstgewrochten van den grooten Gors, nam nog toe, toen de Landvoogd met zijn familie en gasten zich op het balkon voor het paleis vertoonde en zijn beide zonen telkens het sein gaven voor die bewonderende hèèèès en juichende hààààs, die nu eenmaal onmisbaar schijnen bij een vuurwerk.
Den volgenden dag had de partij bij de Hagens plaats.