Part 7
Onder de genoodigden van dien avond werd, behalve de Verschueres, het meest opgemerkt een jong officier, niet om zijn buitengewone persoonlijkheid echter—hij was een officier als een ander—maar omdat men niet gewoon was de gastvrouw beleefdheden te zien bewijzen aan een tweede-luitenant van administratie.
Het raadsel zou echter spoedig worden opgelost.
Er was een huit-mains gespeeld, een bravourstuk, zooals de intendant er altijd gereed moest houden, meer om de gasten tot zitten en de gesprekken tot zwijgen dan om muzikale zielen in verrukking te brengen.
Natuurlijk luisterde niemand.
Toch had het zware werk meer toejuiching verdiend, maar misschien werd de opgewondenheid getemperd door medelijden, medelijden met de instrumenten, die—nog lang nadat het slotakkoord had weerklonken—stonden te trillen en te zuchten van uitputting; medelijden ook met de beploegers daarvan: ze maakten den indruk van nog maar één begeerte te hebben op aarde: »hun rok uit te gooien« en ieder wist dat die begeerte niet vervuld mocht worden.
Op de huit-mains was een duet gevolgd, een duet van den heer en mevrouw Paerel; ze deden in menig welmeenend gemoed den wensch opkomen, dat ze in andere zaken eenstemmiger mochten wezen.
En nu zou het raadsel van den tweede-luitenant worden opgelost: de man was niet alleen tweede luitenant, hij was ook echtgenoot en wel echtgenoot van een mooie jonge vrouw, in een misschien wat opvallend, maar zeer smaakvol toilet, gekapt op een bijzondere manier, en in dit gezelschap—anders wel geschikt om een nieuwelinge te intimideeren—zoo volkomen op haar gemak alsof al die vreemden goede kennissen waren. Deze jonge vrouw viel de eer te beurt zich op een wenk der barones aan hare zijde te mogen nederzetten.
»Wel, mevrouw te Leurse, hoe gaat het?« vraagt ze vriendelijk. »Reeds uitgerust van de vermoeienis der reis?«
»Dank u, mevrouw. Niet alleen uitgerust, maar ik verbeeld me dat ik me nooit zoo wel, zoo frisch en vroolijk gevoeld heb als hier op dit heerlijke Buitenzorg.«
»Zoo, dat doet me genoegen. Dus ook zeker goed gedisponeerd?«
»Wie zou niet goed gedisponeerd zijn in zulk aangenaam gezelschap? En met het vooruitzicht op zooveel muzikaal genot?«
»Niet alleen muzikaal genot, willen we hopen. Er zal toch ook wel iets op ander gebied worden geleverd?«
»Zoo waarlijk? Dat is nog een verrassing.«
»Een verrassing? Voor u? Komaan, mevrouwtje, houd u zoo onwetend niet. Of wilt u zich misschien eerst wat laten bidden?«
»Ik mevrouw?«
»Ja, u; er wordt stellig op u gerekend. Mijnheer d’Hannecour heeft het u immers gevraagd?«
»Dat heeft hij. Maar ik heb geweigerd,« spreekt de jonge vrouw, nu met hooger blos en op vrij beslisten toon.
Mevrouw Van Waliënhove richt zich op in haar causeuse, ze ziet de spreekster zwijgend aan met haar doordringenden blik.
»Maar heeft de kolonel u mijn antwoord niet overgebracht?« vraagt deze zonder de oogen neer te slaan, zonder ook zelfs de minste verlegenheid te doen blijken. De barones is niet gewoon dat men haar blijft weerstreven, ook als ze iemand heeft aangezien met dien blik.
»U is nog te kort in Indië, mevrouw, dan dat men u een onhandigheid ten kwade zou mogen duiden...«
»Het zou mij zeer spijten, mevrouw, wanneer ik een onhandigheid beging...«
»Waarlijk? Dan raad ik u aan toe te geven.«
»Dat mag ik niet.«
»Komaan, iedereen weet dat we een der eerste sterren van het hollandsch tooneel in ons midden hebben, iedereen rekent er op, dat u ons het genot niet zult onthouden—een genot zoo dikwerf aan het publiek geschonken—van uwe gaven te bewonderen.«
»Wezenlijk, mevrouw,« en er speelt een spottend lachje om den fraaien mond, »wezenlijk, ik had niet durven hopen dat iedereen zoo volkomen omtrent mij op de hoogte zou wezen.«
»O, in Indië weet men alles. U moet denken, de kring van Europeanen waarin wij leven is zoo klein.«
»Dat blijkt;—maar hoe goed men overigens ook moge zijn ingelicht, op één punt schijnt men nog in onwetendheid te verkeeren. En dat is nu ongelukkig in deze het kardinale punt. ’t Is dat, toen ik het tooneel verliet, ik mijn echtgenoot beloofde nooit weer in het publiek op te treden.«
»Ja, ieder onzer doet wel eens van die onvoorzichtige beloften,« zegt mevrouw Van Waliënhove koeltjes.
»’t Was geen onvoorzichtige belofte, mevrouw,« spreekt de ex-actrice ernstig, »’t was een vast voornemen. En u zult mij zeker niet van dat voornemen willen afbrengen?«
»O neen, u hebt volkomen gelijk. Het is heel verstandig van u.«
»Niet waar? Om een gelukkige vrouw te wezen moet men wat opofferen.«
»Zeker, zeker. En dus, Buitenzorg bevalt u wel? Beter dan uw vorige standplaats? U komt van Solo, meen ik?«
»Ja, mevrouw.«
»Dat is geen prettige plaats, is ’t wel?«
»O neen! ik voor mij vond het een waar verbanningsoord. Allereerst ontbreekt er, wat nu eenmaal bij Indië behoort, natuurschoon.«
»En de conversatie?«
»Och, om u de waarheid te zeggen, geloof ik dat men in de Vorstenlanden geboren moet zijn om er smaak in te vinden.«
»En—denkt u dat het u op Atjeh nog al bevallen zal?«
»Op Atjeh?« herhaalt mevrouw te Leurse... »Op Atjeh?«
»Ja, daar moet mijnheer immers binnenkort heen?«
»Binnenkort? Ik dacht...«
»Dat u altijd op Buitenzorg blijven zoudt?«
»Niet altijd, maar toch...«
»Nog heel lang. Ja.. ziet u... dat zou ook niet geheel onmogelijk geweest zijn. U moet weten, de legercommandant vertelde me onlangs een en ander; hij had u gehoord in Amsterdam en ik dacht toen zoo, dat met uw talent... u een aanwinst zijn zoudt... Maar mevrouwlief, u is heelemaal bleek geworden! Wat zijn die officiersdames toch allen bang voor Atjeh! Is dat nu om de cholera? Of denkt u dat ze mijnheer zullen tjingtjangen? Of om de berri-berri misschien? Ah! daar zie ik uw man. Laat hij u een glas wijn geven en wandel de galerij eens met hem op en neer.«
Een half uur later treedt mevrouw te Leurse op. Ze boeit aller oog door den glans, die straalt van haar bezield gelaat, door den hartstocht, die gloeit in haar diepe schoone oogen; ze streelt aller oor door het zoetvloeiende harer stem: ze treft aller hart door de kracht van haar woord. En haar echtgenoot lijdt weer al de helsche kwalen dier jaloezie, die hem half krankzinnig gemaakt heeft in den tijd, toen ze niet hem, maar het publiek toebehoorde; en zij geniet weer de bedwelming, die het lang gemis dubbel bekoorlijk maakt... en de landvoogdes glimlacht met den hatelijken glimlach eener heerschzuchtige, die alles doet buigen voor haar wil.
De genoodigden ten paleize werden nooit—als te dikwerf andere genoodigden—slachtoffers van den lust om zich te laten hooren, die de menschheid bezielen kan. Het programma werd vooraf vastgesteld en telde niet meer dan vijf of zes nummers. De lange pauzes echter, tusschen die nummers gehouden, waren niet het minst prettige gedeelte van den avond: er bevonden zich in de ruime vertrekken van die zitjes voor twee of drie personen, die onwillekeurig den lust wekken tot een gezellig praatje en waar het praten bijzonder goed ging; er was een buffet, waar iemand die wist te genieten, heerlijke oogenblikken wachtten; er was een groep planten en varens, die een vriendelijke voorzienigheid scheen te hebben geplaatst om zielen, teeder gestemd door muziek en poëzie, in de gelegenheid te stellen zich uit te storten in andere zielen; voor hen die noch praten, noch drinken, noch minnekoozen wilden, waren tafels vol van het nieuwste wat de wereld biedt in plaatwerken, photo’s en aardigheden.
Wat misschien meer dan dit alles bijdroeg om de pauzes prettig te maken, was de volkomen vrijheid die op deze avonden heerschte: men werd er niet geplaatst in den traditioneelen ronden kring, dien vloek voor de gezelligheid, ieder ging zitten of staan waar hij verkoos, ieder liep rond zoolang en met wie hij wilde; de gastheer eischte bij deze gelegenheid niets dan dat men zich amuseeren zou; de gastvrouw was vriendelijk—iets zoo ongewoons, dat het alleen reeds in staat geweest zou zijn om de stemming te verhoogen.
Na de voordracht van mevrouw te Leurse volgde eene lange pauze.
Er is misschien geen land ter wereld, waar een vrouw van ontwikkeling meer wordt gezocht, een begaafde onder hare zusteren meer op de handen wordt gedragen dan Indië.
Is dit omdat talent zoo zeldzaam wordt gevonden onder indische dames—zeldzamer nog dan ontwikkeling—of misschien wijl de mensch, die beseft dat hij langzamerhand ondergaat in materialisme, zich verheugd als hij een oogenblik wordt teruggevoerd naar reiner, hooger sfeer?
Wat er van zij, mevrouw te Leurse, een paar uur geleden nog onopgemerkt, is op eens de heldin van den avond. ’t Is niet genoeg dat men haar heeft toegejuicht, men verdringt zich om haar, men overlaadt haar met complimenten, men dankt haar of ze ieder persoonlijk een weldaad had bewezen.
Schitterend van geluk en schoonheid, in het bewustzijn van haar triumf, is ze weldra het middenpunt van een grooten kring bewonderaars. Buiten dien kring staat één: hij wacht of ze er ook aan denken mocht hem te zoeken, of ze hem wellicht tot zich roepen zal met een wenk harer oogen, met een glimlach harer lippen; hij wacht te vergeefs—de bedwelming van den roem heeft hem ten tweeden male zijn geliefde ontrukt.
Mevrouw Verschuere verdiept zich nog in het genot daareven gesmaakt, als de gouvernante zich naast haar komt zetten, en niet lang zit de gouvernante naast mevrouw als zij ook mijnheer Verschuere tot zich wenkt. Hij brengt op haar verzoek de beide dames een portie ijs, laat zich neerzinken in den lagen stoel, die toevallig naast de gastvrouw openbleef en luistert met een spottend lachje naar de opmerkingen die zij maakt, opmerkingen, die veel te denken geven over de straks betoonde vriendelijkheid.
Vooral mevrouw Heijlerts, die zich in een hoek van het tweede salon heeft teruggetrokken—maar niet zoo of de heer van Sonnefelt is er haar spoedig gevolgd—moet het ontgelden, en Agnita hoort het niet zonder pijnlijke verbazing aan, hoe haar man—anders weinig kwaad sprekend—nu zijn tong gebruikt als een tweesnijdend zwaard, om de gastvrouw te amuseeren.
Gelukkig voor mevrouw Heijlerts en haar bewonderaar komt er afleiding.
De adjudant van dienst, kapitein Hausz, heeft met afgemeten pasjes de zaal doorgewandeld en met suikerzoete beleefdheid, rechts en links buigend, zijn weg gevonden naar den stoel, die een poosje geleden zoo onrustbarend kraakte onder het gewicht dat daarop neersmakte.
Men heeft zich op Buitenzorg honderde malen afgevraagd, hoe het mogelijk was dat de heer en mevrouw Hausz ooit een paar geworden waren—en toch... ’t was zoo natuurlijk. In ’t goede stedeke Hellevoetsluis had een piepjong luitenant kamers boven een bakkerswinkel: hij was een nietig mannetje en de bakkersdochter—dank zij het oude brood levenslang genoten—een groote, knappe meid. Wat kon meer voor de hand liggen dan dat de kleine luitenant de forsche bakkersdochter begeerde? Maar wat ook meer, dan dat hij nu, adjudant van Zijne Excellentie geworden, met haar in zijn maag zat als wijlen haar vader met zijn oudbakken kadetjes?
»Wat is er?« begint ze met een stem, die volkomen bij den vrouwelijken kolossus past en door het plat accent er niet liefelijker op wordt.
»Ik wou je vragen, vrouwlief, of je... je nog al amuseert?«
»Me amuseeren? Een mooie boel! met die nauwe schoenen en dat lamme kersjet! Als je hier komt om me voor den gek te houden, zeg het dan.«
»Neen, volstrekt niet, daar kom ik niet voor. Ik kwam je zeggen, Jeanne, dat het tijd wordt de njonnja besaar te gaan groeten.«
»Dacht ik het niet?« roept Jeanne op een toon alsof in zijn voorstel de vreeselijkste hoon lag besloten; »dacht ik het niet?«
»Natuurlijk dacht je het!« antwoordt hij knorrig; »je weet dat het niet anders kan.« Dan bijna smeekend: »Wees me nu eens een beetje beleefd, wil je?«
»Waarom zou ik niet?« vraagt ze, »mits zij het is? Maar dat beloof ik je, als ze weer begint met haar gewone hatelijkheden, dan zal ik ze dienen.«
De heer Hausz beproeft zelfs niet zijne Jeanne tot andere gedachten te brengen; hij weet dat haar wil dezelfde eigenschappen heeft als de krakelingen, waarvoor haar vader beroemd was: men kon ze breken, buigen niet.
»En hoe gaat het thuis, mevrouw Hausz?« vraagt de gouvernante niet onvriendelijk, schoon met een blik vol onverholen afschuw op de grasgroene zijde, waarin de adjudantsche heden voor het eerst ten paleize toog.
»O, heel goed,« antwoordt kapitein Hausz voor zijn gade; want niet volkomen gerust over de gedragslijn die zij denkt te volgen, heeft hij het veilig geacht in de nabijheid der beide dames te blijven.
»Heel goed?« roept nu Jeanne. »Heel goed! Heere, Hausz, hoe kun je ’t zeggen? U moet weten, mevrouw, Sijaantje leit met de koorts op bed en Allebertientje heit een steenpuist... zoo’n bommert! en dat op een heele lastige plek.«
»Dan verwondert het me, dat u niet liever thuis zijt gebleven,« spreekt de barones koel en verdwijnt achter haar waaier.
Hausz is doodelijk ontsteld; hij ziet het, Jeanne vat vuur, ze zal haar boos voornemen volvoeren, de njonnja besaar dienen.
»Als u denkt dat ik hier voor me pleizier ben,« zoo barst ze los met een verheffing van stem, die hem het angstzweet doet uitbreken; »als u denkt dat ik hier voor me plezier ben, dan hebt u het mis. Ik verzeker u—nee Hausz, laat me uitspreken!—ik zou veel liever mijn arme wurmen zijn blijven oppassen dan hier opzitten en pootjes geven. Maar Hausz beweert altijd, dat ik het niet laten kan—och, schei toch uit, je trekt me de kleêren van ’t lijf—dat ik niet gemist mag worden.«
»Dat zou anders volstrekt niet hinderen,« spreekt mevrouw Van Waliënhove snijdend. Dan maakt ze die beweging met het hoofd, waarvan ze het geheim bezit en die den ongelukkigen adjudant geen andere keus laat dan zijn wederhelft weg te voeren.
»Dat wordt nu toch wat erg! daar moet een einde aan komen,« roept de barones buiten zichzelve. En dan, na een weinig ijswater te hebben gebruikt, gaat ze kalmer voort: »Men moest eigenlijk alleen ongetrouwde adjudanten hebben. Kapitein Hausz, op zich zelf genomen, is werkelijk niet kwaad, ofschoon, ’t is waar wat de legercommandant altijd beweert, rust roest, en de heeren adjudanten moesten, welbeschouwd, nooit langer dan twee jaar op Buitenzorg blijven. Weet u niet een geschikten plaatsvervanger voor hem, mijnheer Verschuere, in geval het door de militaire autoriteiten mocht noodig geoordeeld worden mijnheer Hausz weer eens in actieven dienst te laten treden?«
»Misschien, mevrouw, ik zal...«
»Verschuere, wat zou je denken van onzen James?« roept Nita op eens.
»Uw James! Is dat een broer?«
»Pardon, een neef. Hij is pas gedecoreerd op Atjeh. En een uitstekend danseur, is ’t niet, lieve?«
»Dat is hij,« zegt Agnita met een lachje bij de herinnering aan zijn dolle galoppades en onvermoeid walsen.
»En hij speelt ook comedie, is ’t niet?« vraagt Verschuere met een onmerkbaar glimlachje.
»Zeker, we hebben menig stukje samen opgevoerd. Daarbij heeft hij een mooien bariton en... ik durf zeggen, een bijzonder innemend voorkomen.«
»En,« vraagt mevrouw Van Waliënhove, terwijl ze den blik laat rusten op het gezichtje, dat zich met hooger blos kleurde bij den lof van den beminden neef, »zoudt u wenschen dat hij hier geplaatst werd?«
»O mevrouw, natuurlijk.«
»En u, mijnheer Verschuere?« vraagt ze weer, en bij die vraag gloeit er in de zwarte oogen een vonkje, dat het jonge paar wellicht zou hebben verontrust, als ze het hadden opgemerkt.
»Ik, mevrouw? Wel, ’t was gister pas een jaar dat we trouwden—natuurlijk dat haar wenschen nog de mijne zijn!«
XI
JAMES EN NITA.
»Dus je gevoelt je gelukkig, Nita? En je bent volkomen gezond? Werkelijk?... En Indië bevalt je?«
»Maar James! Dat alles vraag je me nu zeker voor de zesde maal! Zie ik er dan uit of ik niet volkomen gezond ben? Vin je dat ik niet alle reden heb om gelukkig te zijn? En wat Indië aangaat, geloof je dat men het ooit beter zou kunnen treffen in Indië, dan wij het getroffen hebben met Buitenzorg tot onze eerste standplaats?«
»Dat weet ik wel! Dat weet ik wel! Maar...«
»Nu, ga voort, malle jongen!«
»Je bent toch zoo heel anders dan thuis, Nita!«
»Thuis!« herhaalt mevrouw Verschuere, »thuis!« en ze bukt zich haastig over de bouquet, die voor haar staat. »Zeg James, geloof je dat er op de heele wereld een plekje is als ons thuis?«
»Neen, dat is zoo. Dat vinden we nergens terug. Wil je gelooven dat ik op Atjeh soms, vooral toen ik ziek lag, last had van heimwee, van heimwee naar onze tuinkamer?«
»En ik dan? Maar niet naar de tuinkamer alleen... naar heel het lieve, heerlijke oude huis...« en ze leunt achterover in haar stoel met gesloten oogen, als wilde zij het voor zich doen verrijzen.
»Ja, maar toch meest naar den zolder, is ’t niet? Weet je nog, die koffer vol boeken met die griezelige spookhistories, die je nergens zoo prettig bang konden maken als daar?«
»En die kist met oud speelgoed, die mama bij elke schoonmaak wou leegmaken, en waar we altijd weer wat in vonden dat zonde was om te worden weggegooid?«
»En de kleerkast met de oude japonnen van je grootmama? Herinner je je nog, hoe we daar voorstellingen mee gaven uit de bijbelsche geschiedenis, jij als koningin van Scheba?«
»En jij als Salomo!« valt Nita in en beiden lachen zoo hartelijk alsof ze nog kinderen waren op den zolder.
»En hoe heerlijk was het zomers in den tuin. Als de kruisbessen rijp waren... à propos, die oude moerbeiboom, daar achter het schuurtje, leeft die nog? Oom wou hem toen laten uitroeien.«
»Neen, hij is op algemeen verzoek gespaard, en nu zal hij zeker blijven staan; je weet dat het mijn lievelingsplekje was.«
»O ja, je kroopt altijd in dien grooten tak, om je lessen te leeren. En zaten jullie ’s avonds nog zoo gezellig thee te drinken onder den kastanje?«
»Ja; en weet je, het koepeltje achter in den tuin is vernieuwd.«
»Waar Lotte altijd heenliep in haar engagementstijd? Jullie trouwens zeker ook?« valt hij zichzelf in de rede. »Dat koepeltje zal wat te vertellen hebben!«
Zulk een warme blos komt Agnita’s wangen verven bij de herinnering aan de weelden daar gesmaakt, dat haar neef er den weerschijn van gevoelt op zijn jong gezicht en zich een verwijt maakt van zijn voorbarige aanmerking.
»In elk geval van Lotte heel wat meer dan van mij. Zij was zoo lang geëngageerd, en ik maar drie maanden.«
»Maar drie maanden?«
»Ja; kort, niet waar? Wil je gelooven, als ik nu aan alles terugdenk, hoe pa en ma me smeekten om het niet te doen, om bij hen te blijven... hoe gelukkig ik was thuis... hoe lief alle menschen voor me waren, dan begrijp ik zelf niet hoe ik zoo op eens zoo zonder eenige aarzeling heb kunnen besluiten om van dat alles te scheiden...«
»Kom, Nita, Verschuere zal zeggen dat het geen heel prettige neef is, die je zoo dadelijk aan het schreien maakt!«
»O, Verschuere komt vooreerst nog niet... en het doet me zooveel goed!«
»Wat? Schreien? Onmogelijk! Je bederft er je oogen mee.«
»Neen, nare jongen, je begrijpt best wat ik bedoel. Nog een kopje thee?«
»Graag. Je schenkt de thee precies zooals je mama, is ’t niet?«
»Me dunkt, het moet je gaan als mij. Je moet het nooit moe worden om over Bloemduin te praten?«
»Nooit is wat sterk,« zegt hij plagend. »Maar vooreerst zeker niet. Als men lang in een vreemd land heeft gezworven onder vreemden... dan is het zoo’n genot om door een lieve bekende stem over lieve bekende dingen te hooren spreken,« en hij heft het open gelaat tot haar op met zoo’n trouwhartigen blik in de vochtige oogen, dat ze zijn hand grijpt en uitroept: »Ik ben zoo blij dat je gekomen bent... ik voel me hier soms zoo alleen.«
Van Suylichem durft haar niet aanzien, uit vrees dat zijn gezicht zal verraden wat in hem omgaat bij dien onvoorzichtigen, veelbeteekenenden uitroep.
»Is dat je man, Nita?« vraagt hij na een pauze, waarin hij vol warme vriendschap hare hand drukte. »Ja? die lange heer in ’t wit? Nu, dan begrijp ik dat je je hartje zoo stormenderhand liet innemen!«
»Niet waar?« zegt ze met een blik vol teedere bewondering op de ranke figuur, die nader komt, »niet waar? ’t Was de mooiste man dien ik ooit gezien had!«
De ontmoeting is zooals men het verwachten kan van twee onbekende neven. Maar de heer James van Suylichem is zoo jong, haast zou men zeggen zoo’n jongen; de eerste luitenant met de Militaire Willemsorde op de borst en de klewanghouw in den hals kan zoo meisjesachtig blozen, zoo jeugdig dwepen, zoo aanstekelijk lachen; zijn heldere oogen glinsteren van zooveel pret; wat hij zegt—schoon niet altijd hoftaal—is zoo natuurlijk, zoo kinderlijk eenvoudig soms, dat Verschuere al heel spoedig zijn gewone terughoudendheid laat varen en zich blijkbaar amuseert, ja zich laat meeslepen.
Niet voor lang echter.
Nog praat en schertst en vertelt de bezoeker met dezelfde opgewektheid van daareven, als het gelaat van zijn hoorder de uitdrukking begint aan te nemen, die Agnita in dit korte jaar van haar huwelijksleven zoozeer heeft leeren vreezen; hij luistert nog altijd, hij antwoordt zelfs nu en dan, maar zijn blik dwaalt af, verder en verder af, er komt een groote, diepe plooi in zijn voorhoofd.
»Heb je nog werk, Gustaaf?« vraagt ze ten laatste.
»Ik durfde er niet van spreken,« antwoordt hij met een dankbaren blik voor haar oplettendheid. Dan, zich tot zijn bezoeker keerend: »Het schijnt je misschien niet erg beleefd, Van Suylichem, maar daar we je heel veel hopen te zien, is het best dat we geen complimenten maken. Ik heb, als ik zoo den heelen dag op het bureau gezeten heb, behoefte aan een bad en een oogenblik rust.«
»Natuurlijk!«
»En als je me ’t niet kwalijk neemt, ’t spijt me dat het zoo treft, maar ik heb van avond nog een zaak af te doen...«
»Van avond nog?« vraagt Nita teleurgesteld.
»Ja, lieve: ’t zijn heeren van den handel, met den laatsten trein van Batavia gekomen; ze moeten morgen weer vroeg op hun kantoren wezen.«
En met een vluchtig knikje aan Nita’s adres, verdwijnt hij in zijn kleedkamer.
»Gaat dat nu altijd zoo’n gangetje?« vraagt Van Suylichem, terwijl hij voor de derde maal de sigaar aansteekt, die onder zijn druk praten uitgegaan is.
»Altijd,« zegt Agnita met een mislukte poging om er uit te zien alsof zij het zich niet aantrekt. Dan terwijl ze haar borduurwerk wegbergt: »Kom, willen we een wandeling gaan maken? Je ziet, manlief heeft me vooreerst niet noodig.«
»Graag.«
»Wil je naar de muziek bij de Societeit? daar is het Woensdagsmiddags pantoffelparade. Of naar den tuin?«
»Me dunkt, we hebben nog zooveel te bepraten... Is de tuin daar niet erg geschikt voor?«
»Ik zie,« zegt hij, als ze een oogenblik later aan zijn zijde gaat, met een waardeerenden blik op haar toilet, »ik zie, je bent een élégantje geworden.«
»Neen?« vraagt ze verschrikt, »dat meen je niet. Gustaaf heeft graag dat ik me goed kleed, maar...«
»Maar,« zegt hij plagend, »de tijd is toch voorbij, toen je geen mooier jurken woudt dragen dan de kinderen van ’t dorp, omdat je het zoo hard voor hen vond als ze bij je afstaken.«
»Niemand steekt hier bij me af,« antwoordt ze eenvoudig. »Er heerscht hier en vooral op Batavia zooveel luxe. Ik verzeker je, de dames zijn hier niets ten achter bij Holland. Ze laten meestal haar toiletten uit Parijs komen.«
»Zoo? dat vind ik heerlijk!« roept de jonge luitenant. Dan voegt hij er lachend bij: »Je kunt wel zien dat ik nog niet getrouwd ben, hè?«
»Nu, óf ik! Ofschoon, ik moet zeggen, Verschuere klaagt nooit over mijn modisterekening. Integendeel, hij zou, geloof ik, wel willen dat ik op elke partij iets anders aandeed.«
»Je gaat zeker veel uit?«
»Ja, nog al veel. Maar toch meest op het paleis: Clotilde en ik musiceeren druk samen.«
»Clotilde? Is dat de boschnimf?«
»De boschnimf?«