Bogoriana: Roman uit Indië

Part 22

Chapter 224,031 wordsPublic domain

Geheim! Ze is te bescheiden om het uit te spreken, maar... geheim! Alsof ze niet weet dat de benoeming van het nieuwe ministerie een grooter teleurstelling was dan de val van het oude; alsof ze niet weet dat de tegenwoordige minister van koloniën de verklaarde vijand is van de politiek, door den vorigen gevolgd, alsof ze niet weet dat er zoo vergaderd wordt op elk uur van den dag en gewerkt tot in ’t holle van den nacht, omdat er strijd is, vinnige strijd!

Straks klinkt haar stem weder in de stilte van het studeervertrek, slechts verbroken door het krassen van de pen, die telkens woorden moet uitschrappen, telkens verwarde volzinnen regelen, maar nu aarzelend, fluisterend bijna: »Mag ik dan... je moet het niet kinderachtig vinden... we zijn zoo lang gescheiden geweest... mag ik dan stil blijven zitten, hier? dicht bij je?«

»Je zult je vervelen, liefje.«

»O neen! ik zal je sigaar ruiken en het schuiven van je papier hooren en—ik zal je zien!«

»Dwaas kindje!«

Ze zit stil als een muis in haar bescheiden hoekje. Alleen nu en dan, als het avondkoeltje binnenzweeft door de geopende vensters, voert het hem haar lievelingsodeur, den geur van viooltjes toe; alleen nu en dan wordt hij aan haar herinnerd door het spinnen van de poes, die zachtjes kwam binnensluipen en in haar schoot ligt; alleen als hij opziet ontmoet hij de lieve oogen met hun droomerige uitdrukking... Toch kan hij niet doorwerken, toch neemt haar tegenwoordigheid al zijn gedachten in, toch ziet hij haar, ook al beproeft hij met al wat in hem is haar niet te zien... Daar schrikt ze op met blijde verrassing, hij heeft zijn pen ver van zich geworpen, zijn stoel terug geschoven.

»Neen, dat is al te gek! Daarvoor heb ik te veel naar je verlangd... er mag van komen wat wil... Nita... liefste vrouw!«

XXXIII

TEN DOODE GEWIJD.

De societeit te Buitenzorg, hoe lief gelegen, hoe smaakvol gebouwd, zou moeilijk kunnen bestaan, zoo niet soms plaats vond, wat heden den kastelein zoo genoegelijk stemt: een groote gebeurtenis, die onder het genot van vele bittertjes moet besproken worden.

Kapitein Van Rossem, de adjudant die Hooglaan verving, kwam dezen morgen met het treurige nieuws van Batavia. Sedert schijnt ieder Buitenzorger ’t zich tot een aangenamen plicht te rekenen, het zonder de hulp van post- of telegraafbode te verspreiden; zoo wat tegen het vallen van den avond kunnen ze hun taak als volbracht beschouwen; vele burgers en alle officieren zijn present op het terras en er wordt maar één naam genoemd; de naam van Te Leurse.

»Die arme kerel! ’t Was anders zoo’n beste jongen.«

»En lang niet dom!«

»Neen, waarachtig niet! Een verlies voor het leger.«

»Nummer één geweest van zijn promotie.«

»Waar hij het pistool van daan heeft gekregen?«

»Had hij ten minste gewacht op de uitspraak!«

»Neen ’t was beter zoo. De feiten zijn van dien aard....«

»Chut! de man is dood.«

»Men zegt dat allerlei hooge lui voor hem in de bres zijn gesprongen, de hoogste zelfs.« Dit wordt gefluisterd.

»Kassian! pas zes-en-twintig jaar!«

»Nog zoo jong? En al zoo lang getrouwd?«

»Ja, natuurlijk. Als hij niet heel jong geweest was, had hij het zeker niet gedaan. Waar is ze? Nog altijd bij de Paerels?... Die zullen ook heel wat te stellen hebben gehad vandaag!«

»Neen, ze is niet meer bij de Paerels.«

Toen de vreeselijke tijding zich verspreidde, hadden de heer en mevrouw Verschuere gemeend dat het op hun weg lag een deel van de zware taak door Annet Paerel zoo vriendelijk vervuld, van haar over te nemen. Ze konden op geen betere gedachte zijn gekomen: de bedrijvige huisvrouw toch heeft de gewoonte hare kinderen eenmaal s’jaars te laten kaalscheren en inenten; waarom deze plechtigheden elkaar binnen een tijdsverloop van drie dagen moeten opvolgen weet niemand; maar wat er van zij, het was heden de dag der inenting, de acht kaalkoppen waren op het appèl, de dokter djawa was er, de gezonde vrouw met het opgedirkte kind, de onmisbare grootmoeder waren er, de stof was er, en al hadden nu al de officieren van het indische leger goedgevonden zich voor het hoofd te schieten, ingeënt zou er worden.

Een gegil, alsof ieder prikje een dolksteek was, kwam Agnita tegemoet; mevrouw Paerel gaf het kind, dat ze op den arm had, aan de juf over, dankte met vochtigen blik voor haar komst en ging haar vóór naar de logeerkamer.

Ze wachtte even toen de kleine gestalte verdwenen was, ze wist hoe hartstochtelijk, hoe waanzinnig bijna Amalia was in haar droefheid en wilde het teere vrouwtje een scène sparen.

Maar na dien eenen kreet zoo doordringend als nooit de bezoekers van de comedie hadden gehoord van de lippen der geliefde actrice, werd het stil en rustig, een zacht snikken slechts bewees dat al het berouw, al de wanhoop werd uitgestort in het hart der vriendin.

Bij haar reinheid, haar bijna kinderlijke onbekendheid met veel van de zonden en zwakheden dezer wereld, kon mevrouw Verschuere begrijpen, mede gevoelen als weinigen: Amalia wilde haar niet laten vertrekken en toen eindelijk in den namiddag haar coupé het erf weer opreed, hield die stil voor het logeergebouw; de jonge weduwe moest absolute rust hebben, had Bosschaert gezegd, en absolute rust kon, bij al haar handigheid, de moeder van het pas ingeënte achttal haar logée niet verzekeren.

Nauwelijks had de onverwachte gast het hoofd neergelegd in de koele kussens, toen de koorts opkwam, die dagen lang aanhield en voor het leven der patiente vreezen deed.

Agnita stond niet alleen bij de oppassing harer zieke. Ze werd door de Buitenzorgsche dames geholpen, met de behoefte om bijstand te verleenen, die van elke indische vrouw een liefdezuster maakt; met den lust om vriendelijkheid te bewijzen, die het vreemde land zoo spoedig een tweede vaderland kan doen worden voor nieuwelingen, ver van moeders liefde en zusters hulp; met de offervaardigheid, die, als wij Indischen in de weegschaal der deugd werden gelegd, tegen een veel degelijker, veel ernstiger, veel braver volkje dan wij zijn, de schaal zou doen overslaan naar onze zijde.

Eindelijk begon de hoop op herstel te herleven en de zieke te denken over haar vertrek naar Europa, dat, als ze niet weder instortte, misschien reeds met de eerstvolgende boot zou kunnen plaats vinden; eindelijk kon Nita weer eens de bijgebouwen verlaten.

Toen ze den derden morgen na het wijken der koorts haar boudoir binnentrad, vond ze op de tafel een briefje, waarvan het adres met Van Suylichem’s hand was geschreven.

Ze had veel aan hem gedacht in de laatste dagen, misschien dubbel veel omdat ze, gewoon alles wat haar door hoofd en hart ging met haar echtgenoot te bespreken, nu gemeend had aan James’ verzoek te moeten voldoen en over hetgeen was voorgevallen op het tochtje naar Tji Burm zwijgen, ook omdat ze in de stilte van doorwaakte nachten zich ernstige verwijtingen had gemaakt over de groote onvoorzichtigheid, waarmee ze in haar neef gevoelens had opgewekt, die hem voor korter of langer tijd ongelukkig maakten.

De inhoud van het briefje bevreemdde haar.

»Lieve Nita.

»Vandaag ben ik tweemaal bij je geweest, gister eens, eergister driemaal. Maar toewan is altijd »di kantor«, njonnja altijd »di kammer dajo.« Daar ik dienst heb kan ik van avond niet meer komen. Wil je me een uur bepalen waarop ik jullie morgen thuis vind? Ik vraag dit zoo, omdat ik Verschuere en jezelf iets heb te zeggen, dat geen uitstel duldt.«

Wat kon het zijn? Wat kon hij haar te zeggen hebben, dat geen uitstel duldde? Hij was zoo heftig, zoo haastig in het besluiten, dat ook het meest onverwachte van hem te verwachten viel, dat men nooit zeker van hem was!

Ernstig ongerust beantwoordde ze zijn briefje dadelijk en reeds den volgenden morgen trad ze hem tegemoet in de voorgalerij, wat bleek, maar toch verfrischt door een heerlijke nachtrust, daar ze de zieke aan mevrouw Verdijk heeft kunnen overlaten.

»Kom binnen! Hoe gaat het?« En ze reikt hem de hand met den ouden vertrouwenden glimlach.

»Zijn we alleen, Nita?« vraagt hij, verwonderd rondziende in het vertrek.

»Verschuere heeft zijn werk en... je hadt me misschien iets te zeggen dat je moeilijk zeggen kondt in zijn tegenwoordigheid?«

»O, Nita,« en een gloeiend rood kleurt zijn gebruind gelaat, »wat kan ik je anders te zeggen hebben dan dit eene: vergeef me!«

»Dat deed ik reeds lang, James, om der wille onzer goede oude vriendschap,« en ze ziet naar hem op, groote tranen in de oogen.

»Nita,« roept hij met de oude dwaze heftigheid, die soms nog zoo’n jongen van hem maken kan; »Nita, ik wou dat je iets zei! Neen, niet iets liefs, iets bedaards, iets wat je je hebt voorgenomen me eens heel kalm en duidelijk aan het verstand te brengen. Ik wou dat je me uitscholdt! Dat je me beleedigde! Dat je me voor de voeten wierpt hoe laag, hoe schandelijk ik me gedragen heb!«

»Maar ik vond het niet laag, ik vond het niet schandelijk, ik vond het alleen zwak. Daarbij, ik zelve ben ook niet zonder schuld. Ik had voorzichtiger moeten zijn, ik had alles moeten vermijden, wat aanleiding geven kon tot...«

»Neen, Nita, beschuldig je zelve niet. Het was niets anders dan mijn... krankzinnigheid!«

»Ik heb meermalen opgemerkt, James,—maar ga toch zitten, je weet, dat wilde op en neer loopen van je agiteert me—ik heb meermalen opgemerkt dat jongelui zich al heel licht vergissen in het huwelijksgeluk van de vrouw die ze... een weinig vereeren. Ze zien die vrouw in een aureool en vinden dat de echtgenoot zich zoo iets liefs, zoo iets volmaakts volstrekt niet waardig toont. Niet waar? beken het maar. Je neemt mijn man nu bijvoorbeeld kwalijk, wat ik hem zoo van harte vergeven kan, dat hij geheel opgaat in zijn betrekking en daardoor zijn vrouw...«

»Negligeert. Ja, dat neem ik hem kwalijk!«

»Maar weet je ook wat hem dit kost? Weet je wat dit voor hem is, mij, die hij liefheeft, zoo voortdurend te moeten achterstellen bij zijn werk?«

»Neen... daar weet ik niet van... ik weet alleen dat ik het niet kan aanzien. O mijn God! Nita! als ik bedenk hoe je thuis werd verwend; als ik bedenk wat een ander voor je had kunnen wezen, hoe je op de handen zoudt zijn gedragen, hoe ieder woord, ieder blik van je zou zijn opgevangen, iedere wensch voorkomen...«

»James, is dit goed?«

»Neen, ik weet het, terwijl ik spreek, veracht ik me zelf om hetgeen ik zeg. Maar als je niet wilt dat ik bezwijk, dat ik gek word, laat me dan ten minste eenmaal uitspreken wat me reeds zoolang op het hart brandt.«

»Ik zal je niet weerhouden, als je meent dat je voort moogt gaan.« Mevrouw Verschuere neemt de hand van haar neef en voert hem naar de zijde van het boudoir, waar de portretten harer ouders zijn.

»Je vroeg daareven of we alleen waren, James. Neen, dat zijn we niet.«

Hij ziet op naar het edel gelaat van den grijsaard, dien hij gekend heeft in dagen van beproeving, in dagen vol van den strijd des levens; naar de lieve kalme trekken der vrouw, die hij vereert als een heilige, hooger nog, als een moeder... naar de twee paar ernstige oogen die met zooveel vertrouwen op hem rusten, en evenals Nita, gevoelt hij dat ze niet alleen zijn, dat de goede engelen, die waakten over hun jeugd, hen nabij zijn.

Zwijgend, beschaamd staat hij voor haar.

»Beste James,« begint ze nu op hartelijken toon, »ik ben je zoo dankbaar voor je vriendschap. Ze heeft me zoo goed gedaan, zoo dikwerf getroost en bemoedigd. En ik had soms wel bemoediging noodig. Je hebt juist gezien, ik ben niet altijd gelukkig geweest, al hoop ik het nu weldra te worden. Maar dat is niet de schuld van Verschuere. Het zijn de omstandigheden: ik had niet genoeg te doen, ik had meer afleiding moeten hebben. En dan, ik heb een overdreven voorstelling gehad van het huwelijk; dat maakt een vrouw veeleischend.«

»O, Nita! Jij veeleischend!«

»Misschien ook heeft mama juist door haar ernstige levensopvatting ons niet genoeg geleerd, ons bezig te houden met datgene wat de meeste vrouwen amuseert; misschien zou ik, om in de indische maatschappij me gelukkig te voelen, de zaken wat lichter moeten opnemen... Maar juist omdat ik hier nog zoo vreemd, nog niet geheel thuis ben, juist daarom was je vriendschap me zooveel waard, juist daarom is het me zoo’n bittere teleurstelling geweest, toen ik ontdekte...«

»Heb je het nooit vermoed? Al die twee jaar niet? Groote hemel, hoe is het mogelijk!«

Zacht legt ze de hand op zijn schouder. »Ik heb wel eens getwijfeld,« begint ze dan met hooger blos, »maar Gustaaf heeft me altijd weten gerust te stellen. Hij gelooft volkomen in je, James. Hij vindt je zoozeer de type van ridderlijkheid en goede trouw.«

»Zeg je dat als een verwijt?«

»Dat weet je wel beter. Foei, alsof niet de eerlijkste, trouwste ridders soms eens een oogenblik... dwaas geweest waren. Maar kom, laten we niet langer praten over dit onderwerp, dat ons beiden pijnlijk moet zijn. Vertel me liever eens wat het nieuws is, dat je ons hadt mee te deelen.«

»Ik ga met de eerstvolgende boot naar Atjeh.«

»Naar Atjeh!«

»Ja.«

»Heb je het gevraagd?«

»Ja.«

Ze is zeer bleek geworden. De kalmte, die haar gedurende het geheele gesprek bijbleef, heeft haar plotseling verlaten, ze rijst op van haar stoel en moet zich aan de leuning vastgrijpen.

»James, weet je dat dit onverantwoordelijk, dat dit vreeselijk roekeloos van je is. In dezen tijd! Met dien verpesten bodem, met die vreeselijke ziekten, dat verraad!...«

»Ik zou geen soldaat zijn, als ik daar bang voor was!«

»James, één woord! Zeg dat het niet is om... om mij!«

Zelfs in dit oogenblik komt zijn eerlijk hart op tegen een onwaarheid, zelfs om haar kan hij geen leugen over zijn lippen brengen.

»Nita,« begint hij vriendelijk, »er is geen enkele reden om je dit aan te trekken. Je hebt me niet alleen nooit reden gegeven om me iets in te beelden, je hebt getracht me te genezen op de eenige manier waardoor genezing mogelijk was: door me te toonen hoe lief je je man hebt. Maak je dus geen oogenblik verwijtingen over mijn gaan naar Atjeh. Ik behoor daar. Ik voel me hier niet op mijn plaats. Ik verlang terug naar mijn kameraden, naar het oorlogstooneel, naar de Atjehers. Ja, werkelijk! Zoo dikwijls ik lees van hun brutale heldenfeiten, voel ik het verlangen in mij opkomen, hen weer eens onder de oogen te zien; zoo dikwijls ik den naam hoor van een makker, die gesneuveld is of bezweken, schaam ik me over het gemakkelijk leventje dat ik hier leid.«

»’t Is goed, James.«

»Dag, Nita.«

Ze houdt zich flink; maar nu, als hij zich omkeert en ze bedenkt hoe het binnen enkele dagen een vaarwel moet zijn voor jaren, dan gevoelt ze op eens welk een gemis, welk een leegte het zal geven in haar bestaan, wanneer de trouwe vriend niet meer bij haar is.

»O, James, doe het niet... Als er eens iets gebeurde... ik zou je zoo missen...«

Hij komt terug op zijn schreden.

»Je houdt toch nog van me!« juicht hij. »Je houdt toch nog van me—al is het dan maar als neef!«

»Als broer, James. Als een lieven, edelen, dapperen broer.«

Dan heft ze het bleek, beschreid gelaat tot hem op en drukt hij een kus op de reine lippen.

XXXIV

DE WIL VAN MEVROUW VAN WALIËNHOVE.

In ’s landvoogds kabinet zijn drie heeren te zaâm: de gouverneur-generaal, de vice-president, en de algemeene secretaris. Sedert geruimen tijd heerscht om de groote tafel vol stukken en besluiten een diepe stilte, en als eindelijk baron Van Waliënhove die stilte verbreekt, draagt zijn bleek, vermoeid gelaat de uitdrukking van den diepsten ernst, spreekt hij zeer langzaam, als woog hij ieder woord, maar ook vastberaden, als iemand die meester is van den toestand.

»Mag ik u herinneren dat ik uw oordeel gevraagd heb, mijnheer Hagen?« zegt hij beleefd.

»Excellentie!«—de vice-president is in hooge mate zenuwachtig—»duid mij niet ten kwade dat ik zoolang aarzelde het uit te brengen... ’t besluit dat u nemen wilt is zoo gewichtig in de gevolgen...«

»Laat u dit niet weerhouden. Het heeft mij altijd een lafheid geschenen om bij belangrijke beslissingen de verantwoordelijkheid op vreemde schouders te willen laden; daarom vroeg ik in deze uw meening, niet uw raad. Bedenk dit en spreek ronduit.«

De vice-president ziet geen uitweg. Hij neemt het lijvig dossier, dat voor hem op tafel ligt in handen en verwenscht—voor de honderdste maal wellicht—de betrekking, die hem dwingt in zulke moeielijke aangelegenheden zijn opinie te zeggen. Om zich een weinig van het gewicht en de zekerheid te geven, die hem zoozeer ontbreken, neemt hij deftiger houding aan, kucht eens en begint alsof hij het woord richtte tot een vergadering van minstens tien personen: »Excellentie! De kennisname van de uiterst épineuse zaak, welke wij in dit oogenblik behandelen, heeft op mij een ongewoon pijnlijken indruk gemaakt, dubbel zoo, omdat het resultaat waartoe de hooge regeering gemeend heeft te moeten komen, mij toeschijnt een miskenning te zijn des persoons van den vertegenwoordiger des konings in deze gewesten. Mijn oorspronkelijke meening was dan ook, dat Uwer Excellentie niets te doen overig bleef dan het bevel door het opperbestuur gegeven ten uitvoer te leggen en uwe demissie te vragen.«

De gouverneur-generaal buigt even het hoofd.

»Maar ik ben,« en Hagen laat even onverwacht als hij haar aannam den officieelen toon varen, »maar ik ben na rijpe overweging tot andere gedachten gekomen. In iedere ambtelijke loopbaan doen zich oogenblikken voor, waarin billijke verontwaardiging onderdrukt, eigen wenschen verloochend, ja zelfs persoonlijke meeningen opgeofferd moeten worden aan het algemeen belang; ik vraag me af, of misschien in de loopbaan van Uwe Excellentie dit oogenblik niet is aangebroken; ik vraag me af, of Indië al weder mag worden opgeofferd aan het drijven eener partij in Nederland. U weet, Excellentie, vleierij is mij vreemd, maar, ik kan het in een oogenblik als dit niet verzwijgen, ik heb de innige overtuiging dat het hier de welvaart, den vooruitgang, het rechtvaardig bestuur van millioenen geldt en—in naam dier millioenen zou ik u willen vragen, verdraag het onmogelijke en blijf!«

»Dit verzoek—van uwe lippen een hulde—geeft me recht tot een vraag. Gelooft u, mijnheer Hagen, dat deze millioenen nut zullen trekken van mijn bestuur, wanneer dat bestuur krachteloos gemaakt wordt door regeeringsbesluiten als dat hetwelk daar voor u ligt? Gelooft u niet, dat de weinige samenwerking tusschen het tegenwoordig ministerie en mij noodzakelijk conflicten ten gevolge moet hebben, die niet anders dan in het nadeel van Indië kunnen werken? Hebt u niet met mij de overtuiging dat een bestuur, welk ook—in zich zelf verdeeld—daardoor reeds onvruchtbaar is?«

»Het ministerie kan vallen.«

»Wat u daar zegt is voldoende antwoord op mijn vraag; het bewijst dat u met dit ministerie weinig vertrouwen hebt in de goede gevolgen van mijn aanblijven. Welnu, we weten het; dit ministerie valt niet in den eersten tijd.«

Zich thans keerend tot den algemeen en secretaris, gaat de heer Van Waliënhove voort: »Zou ik ook uwe meening mogen vernemen, mijnheer Verschuere?«

Hoewel hij meer dan iemand het aftreden zou betreuren van dezen beminlijken chef, wien het een genot was te dienen, is Verschuere volkomen meester van zijn gevoelens en spreekt hij op den kalmen, zakelijken toon, dien hij bij een advies over de meest gewone kwestie zou aanslaan:

»De heer Hagen heeft daar een woord gebruikt, dat ik alleen behoef te herhalen om Uwe Excellentie mijn meening te zeggen; het onmogelijke. Wat van Uwe Excellentie gevraagd wordt is het onmogelijke. Het is de verloochening van alles wat u in deze jaren hebt gedaan, gedacht, gewild; de vernietiging van geheel uw politiek leven. Evenals de heer Hagen ben ik diep doordrongen van het feit, dat Indië door uw heengaan een zwaar verlies zou lijden, maar in mijn oog is de naam door een lange reeks van voorvaderen met eere gedragen, de naam door verleden en toekomst behoorend aan de geschiedenis, een zeer kostbaar bezit en...«

»Ga voort, mijnheer Verschuere.«

»Naar mijn bescheiden meening zou het aanblijven van Uwe Excellentie na zulk een bevel een zwakheid zijn, een inconsequentie zóó groot, dat ze op dien naam een smet kon werpen. En dit—het moet me van het hart—zou, indien ik baron Van Waliënhove was, mij zelfs Indië niet waard zijn.«

Er volgt een oogenblik van stilte. Dan spreekt de landvoogd misschien iets zachter, iets meer ontroerd dan daareven: »Ik dank u mijne heeren.« En straks, na een veel langere pauze: »U hebt beiden zeer waardeerend gesproken over het voordeel dat Indië zou trekken uit mijn aanblijven... Behoef ik het te zeggen aan de ambtenaren, die het meest van nabij mijn streven hebben gezien en—ik erken het dankbaar—me daarin trouw bijgestaan, behoef ik het hun te zeggen dat deze gedachte mij zwaren strijd baart? U beiden weet het, beter nog dan anderen, dit land is me lief, te liever wellicht omdat het me zooveel zorg en hoofdbrekens kostte: immers men zegt dat de moeders het meest hangen aan haar hulpbehoevende kinderen.«

»’t Kan u een troost zijn dat u er zooveel voor deedt,« zegt Verschuere.

»O, niet genoeg, niet genoeg! Drie en een half jaar is een korte tijd... een menschenleven zou ternauwernood voldoende zijn om al mijn plannen ten uitvoer te leggen. Maar laat ons er niet van spreken... ik heb geen reden van klagen, ik ben altijd krachtig gesteund door mijn vriend, uw oom... Hoe goed begrijp ik nu de sombere, bijna moedelooze stemming, waarin mijn voorganger me het bestuur overgaf... ’t is zoo hard een werk half afgedaan te moeten laten. Maar we mogen ons niet verdiepen in hetgeen had kunnen zijn; laten we denken aan hetgeen wezen moet. U begrijpt, mijn besluit is genomen, ik wensch nog heden het bevel mij gegeven ten uitvoer te leggen, maar, alvorens daartoe over te gaan, het telegram te verzenden, waarbij ik Zijne Majesteit verzoek mij van mijn ambt te willen ontslaan?«

»Uw besluit is dus onherroepelijk?«

»Onherroepelijk!«

De gouverneur-generaal ziet in de trouwe oogen van den vice-president een traan, ziet groote bekommernis op Verschuere’s gelaat en met zijn weemoedig glimlachje treedt hij op hen toe en drukt hen de hand.

»Later, in de Witte, onder een partijtje, denken we nog eens aan dezen morgen. Ik mag immers op u rekenen als partners?« Maar dan laat hij den schertsenden toon varen en zegt met die diepe stem, die hem, in oogenblikken van aandoening zoo welsprekend maakt: »Dat we als vrienden op elkaar kunnen rekenen, weten we.«

Een uur later is alles geregeld en vertrekken de beide ambtenaren. Dan staat de heer Van Waliënhove een oogenblik onbewegelijk, alsof hij aarzelde de taak, die hij op zich nam, te volbrengen; hij zinkt lusteloos, strijdensmoe terug in zijn leunstoel. Peinzend drukt hij de handen tegen het voorhoofd en zucht. Doch straks, met een krachtige beweging, strijkt hij de grijze lokken weg, richt zich op in zijn volle lengte en gaat met vasten tred naar dien kant der breede vestibule, waar mevrouw Van Waliënhove’s vertrekken zijn.

Hij wacht met de kruk der deur in de hand. Hoort hij daar niet Clotilde’s stem?... Gelukkig toeval, dat hem een pijnlijk tête a tête gaat besparen!

Zooals blijkt uit het feit dat Clotilde de morgenuren in het zitvertrek harer moeder doorbrengt, is de verhouding tusschen de beide dames sedert het uitstapje naar Tjipanas en Van Beevelants afwezigheid verbeterd: wel spreekt mevrouw, als van iets dat lang voorbij is, over »die dwaze historie met het schoolmeestertje«, maar Clotilde is sterk door het geluk, en dankbaar voor de groote liefde haars vaders, bewaart ze om zijnentwil den vrede; ondertusschen borduren ze te zamen een scherm voor de fancy-fair, die men op Batavia ten voordeele der weesinrichtingen gaat houden.

Mevrouw begroet haar echtgenoot met een verwonderden blik: ze is niet gewoon ochtendbezoeken van hem te ontvangen; Clotilde gaat hem tegemoet, strijkt hem zacht met de hand over zijn gelaat, als kon ze de diepe rimpels wegvagen en schuift dan een lage fauteuil naar het kleine tafeltje, waaraan zij en haar moeder gezeten waren bij zijn binnentreden.