Part 20
Men was bijna den geheelen dag buiten; van droomen en peinzen, van slapelooze nachten, van gebrek aan eetlust geen sprake meer! Het klimaat werkte hiertoe mede. Haast overal in Indië gelijkt de natuur op het mooie meisje, dat uw venster voorbij gaat, maar reeds den hoek der straat heeft omgeslagen als ge haastig zijt opgesprongen om haar te groeten; in het hooggelegen bergland der Preanger is ze als de jonge vrouw, die rustig bij u blijft om u den dag te veraangenamen; hier jaagt de zon u niet naar binnen, een uurtje nadat ge haar hebt welkom geheeten aan den goudblonden ochtendhemel; hier vervullen de vogels hun roeping niet, zooals in heeter oorden, of het muzikanten waren aan badplaatsen, die zich alleen ’s morgens en tegen het vallen van den avond laten hooren: ze zingen den langen lieven dag door; hier sluiten de bloemen haar pas geopende kelken niet voor den brandenden gloed, die ze dreigt te verschroeien, ze pronken en geuren tot haar bloeitijd is voorbij gegaan.
In afwachting dat Agnita sterk genoeg zou zijn voor grooter tochten, maakte men wandelingen of rijtoertjes, een enkele maal ging Clotilde mede met Verschuere als hij te paard den omtrek doorkruiste, en wie haar van zoo’n ritje zag terugkeeren met wapperenden sluier en wild golvende haren, werd misschien getroffen door haar frissche schoonheid, zeker niet door de somberheid van haar voorkomen.
Op zekeren avond kwamen de beide vriendinnen den heuvel af, langzaam, arm in arm en even druk als geheimzinnig pratend. Nauwelijks waren de lampen ontstoken of Agnita plaatste zich, met den uitroep dat ze nu een inval hadden gekregen zooals alleen vrouwen dien krijgen kunnen, aan Clotilde’s schrijftafel, nam rooskleurig papier, voorzien van Clotilde’s monogram, doortrokken van Clotilde’s lievelingsodeur... er was niet eens een minnend hart noodig om tusschen de regels door te lezen, wie achter mevrouw Verschuere’s stoel stond, toen het een na het ander drie van die rooskleurige vellen beschreven werden.
Een dikke brief aan Nita’s adres ontvangen, nog vóór de rooskleurige verzonden was, bewees, dat niet, zooals ze beweert hadden, de vrouwen het monopolie hebben van zulke invallen. Onder nadere goedkeuring werd nu deze correspondentie voortgezet met een ijver, die op den duur wel wat lastig dreigde te worden voor de geheimschrijfster.
Weinig vermoedde Clotilde, toen ze zich meer en meer overgaf aan de zalige gewaarwording van te beminnen en bemind te worden, weinig vermoedde ze dat dit juichend ontwaken van een rein meisjeshart, dit verlangend uitzien naar een schoone toekomst er veel toe bijbracht om de verandering te bewerken, die van dag tot dag met haar gast plaats vond.
Uren lang kon Verschuere daar liggen droomen, de half geloken oogen gericht op de bergen in het verschiet, blauwe wolkjes blazend in de nog blauwer lucht. ’t Bleef hier ’s morgens zoo stil, zoo koel, zoo rustig... er kwamen geen boodschappen van Zijn Excellentie, geen kommiezen om stukken, geen ambtenaren om voorspraak; hij kon zich weer eens overgeven aan zijn gedachten, weer een innerlijk leven leiden, niet telkens gestoord door invloeden van buiten. Voor het eerst sedert langen tijd had hij geen haast, werd hij niet voortgedreven door het denkbeeld hoeveel er nog moest worden afgedaan. ’t Scheen hem nu weer de moeite waard om te praten over kleinigheden; hij kon lachen om grappen, die hij op Buitenzorg flauwiteiten zou genoemd hebben; hij las voor het eerst sinds langen tijd iets wat geen betrekking had op koloniën of regeeringszaken; hij kwam bij een aandoenlijke passage tot de ontdekking dat hij ook nog zoo iets bezat als een hart; zijn geest was niet vermoeid meer; uit zijn oog verdween die verstrooide blik, die zoo menigmaal over Nita’s teêre schoonheid was heengegleden zonder ze te zien.
Onvermengd en ongestoord genoot hij het heerlijk vacantiegevoel dat wij, arme werkmachines der negentiende eeuw, zoozeer behoeven. En zelden werd een vacantie zoo goed gebruikt, om een man er aan te herinneren dat er veel is wat het leven waard maakt om geleefd te worden, als de beide vriendinnen haar gebruikten, elkander aanvullend, gesteund door al de genoegens die een verrukkelijk klimaat, een liefelijke omgeving, een door goeden smaak verfijnde weelde geven kan.
Freule Van Waliënhove was verwonderd over Verschuere zooals ze hem nu leerde kennen; zijn vrouw geenszins. Integendeel, sinds lang had ze geleefd in een staat van pijnlijke verbazing; sinds lang had ze zich afgevraagd of het niet een bange droom was die haar kwelde, als ze die trotsche gestalte zich krommen, dat statige hoofd buigen zag; als ze de lippen, die eenmaal spraken van hooger, beter streven, zich zagen bezoedelen met vleierij, met onwaarheid, met kouden spot, en ’t was haar of ze nu eindelijk ontwaakte uit dien bangen droom. Voor een kalme, praktische, koel verstandige vrouw zou het onmogelijk geweest zijn, weg te redeneeren wat een driejarig verblijf op Buitenzorg leerde; de feiten, gelijk ze daar voor haar lagen, te veranderen, te verontschuldigen tot ze niet meer schenen te bestaan; de waarheid te omsluieren tot al haar naakte, scherpe hoeken verdwenen waren; maar aan vrouwen, die beminnen als Agnita, is in grooter mate dan aan haar minder gevoelige zusteren de gave geschonken van gelooven, de gave van met het licht harer liefde te verhelderen wat donker, met de kracht harer teederheid op te te heffen wat gezonken scheen.
En misschien zijn die dwepende vrouwen in haar ongeschokt geloof dichter bij de waarheid dan de koel beredeneerde; immers een innerlijke stem zegt haar, dat onder de vele dikke lagen van het stof en gruis der aarde een bodem ligt, rijk aan het zuiverste erts; zegt haar, dat het haar reine handen zijn die de lagen van stof en gruis kunnen wegnemen, om het kostbaar metaal aan het licht te brengen.
Agnita’s geloof werd niet beschaamd. Langzamerhand, onder het ruischen van den bergwind en het fluisteren van lieve stemmen, onder het wekken van goede gedachten en dierbare herinneringen brak ook in het zieleleven van Gustaaf Verschuere het oogenblik aan, dat aanbreekt in het zieleleven van de meesten onzer, het oogenblik waarin we plotseling stilstaan op den weg dien we betreden, en ons afvragen of dit wel de goede weg is, of we ons wellicht bedrogen hebben, of het niet een dwaalspoor was waarop we voortgingen met zoo haastigen tred.
Nu, nu we twijfelen, gevoelen we plotseling vermoeienis, vermoeienis ten doode toe, en pijn aan onze voetzolen, en honger en dorst, en hoe de koude nijpt, of hoe de zon brandt... nu bedenken we op eens hoeveel we reeds verloren op dien tocht, dat ons was meegegeven door zorgzame handen en wel waard te worden meegedragen—al scheen het somtijds onzen gang te belemmeren.
Helaas! wat hebben er tal van bloemen gebloeid langs het pad door ons afgelegd, bloemen van jeugd en liefde, die we ons niet den tijd gunden te plukken; wat zijn we ze haastig voorbij gegaan, zonder lach of groet, de kinderen die kransen vlochten in den tuin en er ons zoo gaarne mee zouden getooid hebben; wat hebben we ze dom vermeden de knapen en meisjes, die dansten in de weide en ons noodden om deel te nemen aan hun spel; waarom hebben we niet neergezeten in de vroolijke rustoorden, waarom niet gestoeid en gekoosd in de stille prieelen?
Ach! wat zouden we gaarne terugkeeren! Helaas, de bloemen zijn verflenst en de kinderen spelen niet meer en in de prieelen hebben anderen plaats genomen.
Maar was dan ten minste de prijs waarnaar we jaagden al die opoffering waard? Zullen we aan den eindpaal een belooning vinden, die zooveel gemis vergoedt?
Met ontnuchterden blik beschouwt Verschuere het bestaan dat hij nu sedert jaren leidt. Niet meer zichzelf, maar het werktuig van meesters machtiger dan hij, gekluisterd aan de schrijftafel, slaaf van de pen, meer nog slaaf van verordeningen en reglementen, steeds vreemder wordend aan wat de wereld en de maatschappij en het menschelijk streven belangwekkend maakt, om op te gaan in het werk dat hem hier, in de natuur, zoo droog en ondankbaar schijnt: gouverneurs-generaal te helpen in het ten uitvoer leggen van den wil der steeds wisselende ministeries.
Ze gaan aan zijn geest voorbij, de ambtenaren in den dienst der koloniën, die hij beurtelings heeft zien optreden in de hoogste betrekkingen. Meest waren ze oud en grijs voor ze den eindpaal bereikten, vermoeid van den langen tocht, knorrig over de hinderpalen hen in den weg gelegd, teleurgesteld dat de prijs, die hen uit de verte tegenblonk als goud, slechts verguld koper bleek.
Maar dat waren nog de gelukkigsten. Als ze niet oud waren en niet vermoeid, als ze het doel van hun streven bereikten, nog gewapend met hun geheele uitrusting van overtuiging en beginsel, van plannen en idealen, dan waren ze de een na den ander gevallen, afgemat door sleur, geknot door bureaucratie, verlamd door kleingeestige tegenwerking, vermoord door gezag.
Ze gingen aan hem voorbij, de oost-indische ambtenaren in ruste, zooals hij ze bij honderden had ontmoet in Neêrlands residentie. Oud-leden in den raad van Indië, oud-excellenties, oud-directeuren, oud-generaals, die niets meer waren, van wie de Hollanders, die overal meer belang in stellen dan in de koloniën en hunne bestuurders, niet eens weten dat ze verdienste hebben jegens den staat, wien de straatjongens het als een scheldwoord durfden naroepen, wanneer hun tint sprak van een verblijf in Indië.
Wat was ze, welbeschouwd, de hoogheid die in het niet verzinkt op den morgen dat men Java’s strand verlaat? de roem die—tenzij ze op het slagveld werd behaald—taant waar de indische zon ophoudt ze te beschijnen? Wordt de naam van wie nog zoo kleinen dienst bewees aan de wetenschap niet honderd malen verder gebracht door de faam? Ondervindt eenig Nederlander zoo weinig dank van zijn volk als de Nederlander die voor het belang van dat volk werkte onder de tropen? Meent men niet dat hij ruim beloond werd met zijn traktement, dat zoo groot schijnt aan wie het leven in Indië niet kent, met het pensioen dat zoo klein is voor wie er van moet bestaan in Holland?
Midden onder zijn gepeins kwam een zachte hand de zijne zoeken. »Manlief,« vroeg Agnita, »heb je me laatst niet gezegd dat je pas over acht jaar kunt teruggaan?«
»Over acht jaar min zeven maanden. Waarom vraag je dat?«
»Dat is nog lang, vin je niet?... acht jaar!«
»Min zeven maanden.«
»Wat weet je dat precies! Verlang je soms ook?«
»Och, welk mensch heeft niet wel eens een oogenblik dat hij verandering wenscht? Maar we mogen niet ondankbaar zijn; Indië is een goed land. Kijk eens voor je uit, kind, waar vin je dat?« en hij wijst op den Gedeh, die voor hen ligt, met de sawahs over zijn terrassen gespreid als licht fluweelen kleeden op mollige divans.
»Ja, prachtig,« stemt ze toe. »Maar... Holland was toch ook wel lief! Vooral Gelderland. Je vondt het heel mooi, dat heb je zelf gezegd.«
»O, zeker. Maar we zouden er ons op den duur toch vervelen.«
»Wij ons vervelen! Och kom, zich vervelen doen alleen menschen die niet genoeg ontwikkeld zijn om zich bezig te houden. We houden beiden van studie, van kunst, van muziek, van reizen; dan verveelt men zich hier misschien, in Europa nooit; integendeel men waardeert meer en meer het groote voorrecht van door zijn fortuin in staat te zijn zich aan zijn liefhebberijen te wijden.«
»Ik zou me trouwens altijd als advokaat kunnen vestigen.«
»Ja juist. Op een of ander lief plekje, niet al te ver van Bloemduin. Wat zouden ze dat thuis prettig vinden!«
»En de tantes! Wat zouden die gelukkig zijn!«
»En ik,« fluistert Agnita nauw hoorbaar.
Dan sluit ze de oogen voor den Gedeh in zijn heerlijkheid en droomt van Bloemduins dennewouden.
XXX
JAMES ALS JOBSBODE.
Het is vijf uur in den namiddag en droog; iets wat niet elken dag gebeurt op Tjipanas; men heeft er dan ook dadelijk gebruik van gemaakt om niet, als naar gewoonte binnen, maar in de voorgalerij thee te drinken, en druk pratend letten de theedrinkers ter nauwernood op de enkele voorbijgangers, tot een karretje in volle vaart den heuvel komt afvliegen, om stil te houden voor het landhuis.
»James!« roept mevrouw Verschuere, en dan, terwijl alle kleur wijkt uit haar gelaat: »De boodschap van den gouverneur!«
De boodschap van den gouverneur... ze hebben er haar om uitgelachen, Gustaaf en Clotilde; haar gezegd hoe ze een kind geleek, dat op visite is en telkens angstig uitkijkt of de meid misschien reeds komt om haar te halen, maar toch, nu gevoelen ze beiden dat haar vrees op het punt staat bewaarheid te worden.
»Alles wel?« vraagt Clotilde, terwijl ze den onverwachten gast een kop thee begint in te schenken.
»Neen, alles even akelig!« roept James, in zijn oprechtheid soms vleiender dan menig hoveling; »alles even akelig sinds u weg zijt. Zijne Excellentie is stil en gedrukt, mevrouw... minder goed gehumeurd, de jongens doen het onmogelijkste kattekwaad, wij adjudanten loopen rond als âmes en peine, de diners zijn verschrikkelijk; niet om door te komen met dat onheilspellend zwijgen... Ik dankte den hemel toen ik de opdracht kreeg hierheen te gaan... O ja, dat heb ik nog niet gezegd: onder nadere goedkeuring der dames ben ik belast met de aangename taak haar tot cavalier te verstrekken.«
»Dus moet Verschuere weg?«
»Helaas ja, Nita. Men heeft je man hoog noodig op Buitenzorg. Er is werk aan den winkel. Sinds een paar dagen hadden we al gemerkt dat er iets broeide—je weet, de nieuwsgierigheid is een deugd, die we druk beoefenen in het adjudantengebouw.—Nu van morgen hebben we het groote nieuws eindelijk gehoord.«
»En?« klinkt het van drie kanten.
»Daar je het in alle couranten lezen kunt, acht ik niet noodig er een geheim van te maken: de begrooting is afgestemd.«
»De begrooting afgestemd!« herhaalt Verschuere. En dan met een plotseling geheel veranderd gelaat: »Dat is een slechte tijding.«
»Nu valt het ministerie ook, niet waar?« vraagt Clotilde, die niet zeer bedreven is in politiek.
»Natuurlijk.«
»Dat zal papa spijten. En u ook, mijnheer Verschuere. Het was uw oom en zijn allerprettigste manier van zaken te behandelen, die papa verzoende met veel wat hinderlijk had kunnen worden zonder hem.«
»Het ergste is dat de partij, die nu op het kussen komt, geheel andere denkbeelden aanhangt dan die uw vader met zooveel ijver dient... Dit is een hoogst gewichtige gebeurtenis, freule, die op het politiek leven van Zijn Excellentie grooten invloed zal uitoefenen.«
»Nu begrijp ik, waarom je met zoo’n biddersgezicht uit je karretje stapte, Van Suylichem,« zegt het meisje met een poging tot opgeruimdheid.
»Je komt ons niet alleen mijnheer Verschuere weghalen... want u vertrekt zeker spoedig?«
»Ja, freule, ik ben besloten morgen vroeg terug te gaan.«
Hij legt zijn hand op die van Nita, als om haar te troosten en laat die hand daar. Dan keert hij zich tot den adjudant.
»Heb je nog meer zulke vroolijke berichten meegebracht?«
»Ja, Hooglaan heeft ontslag gevraagd.«
»Hooglaan! Ontslag? Onmogelijk!« roepen de dames.
»’t Is toch zoo. Hij heeft een wenk gekregen; men zegt zelfs een zeer duidelijken wenk. Je moet weten, er wordt heel vreemd over gesproken; onder anderen beweert men dat hij anonieme brieven zou hebben geschreven.«
»Wat een dwaasheid!« lacht Clotilde, »wie doet dat nu!«
»Wat er van zij, een daarvan moet—door iemand die hem wou ontmoeten—Zijn Excellentie in handen zijn gespeeld in plaats van de persoon voor wie hij bestemd was.«
»En wie was die persoon?« vraagt Clotilde weer. »Zeker een jonge dame. Toe, vertel dan toch! Hoort u dat, mijnheer Verschuere, Hooglaan geen adjudant meer!«
»O zoo?« vraagt de algemeene secretaris, zich eindelijk losrukkend uit zijn gepeins, want hij is al dien tijd ver weg geweest in ministerraad en Tweede Kamer.
»Het ergste is, dat hij naar zoo’n vreeselijken buitenpost wordt gestuurd,« roept James: »och hoe heet het ook weer? Enfin, iets afschuwelijks: anderhalve Europeaan, de dames schitterend door afwezigheid, een bevolking, die wat Hooglaan gewoon is het indisch nachtkostuum te noemen, veel te gekleed vindt...«
»De slechtste plaats is nog te goed voor dien spion,« mompelt Verschuere.
»U zult wel zeggen dat ik op een hollandsche courant gelijk, zooveel akeligheden heb ik te vertellen, maar... ik mag het toch niet verzwijgen. De Te Leurses zijn te goede kennissen...«
»Betreft het Amalia? Is ze... Heeft ze?«
»Den lang gevreesden coup de canif door haar huwelijkscontract gegeven, bedoel je? Neen, dat niet. Ofschoon ik betwijfel of dit erger zijn zou, dan wat er nu gebeurd is. ’t Schijnt dat ze te veel geld hebben verteerd: haar mooie toiletten en fijne dineetjes, zijn onzinnig hoog wedden bij de races, hebben de aandacht getrokken... Niet waar, men vermoedt bij een officier van administratie allicht zoo iets? Om kort te gaan, ’t is gebleken dat hij ’s lands gelden heeft gebruikt.«
»Groote God! Is ’t mogelijk?« roept Verschuere.
»Arme, arme vrouw«, zucht Agnita.
»Maar er is toch niets bewezen? ’t Is nog maar een vermoeden niet waar?« vraagt Clotilde, vreeselijk ontsteld.
»Ik vrees van niet, freule! Hij zit in preventieve hechtenis.«
»En zij? O, wat moet er van haar worden? Was ik maar daar.«
»Wees gerust, Nita. Mevrouw Paerel is dadelijk naar haar toegereden en heeft haar meegenomen naar huis.«
»Gelukkig! Niet waar, kind, anders had ik je niet uit je hoofd kunnen praten, dat je op stel en sprong naar Buitenzorg moest? Maar weet je wel, James, dat dit een mooie trek is in mevrouw Paerel? Ze heeft een hekel aan Amalia; ze heeft het alleen gedaan om haar van erger terug te houden, daar ben ik zeker van.«
»En hoe... hoe nam mama het op?« vraagt Clotilde straks.
»O, doodkalm. Mevrouw Van Waliënhove zeide dat ze het lang had zien aankomen,« antwoordt de adjudant.
»Zei ze dat?« roept Clotilde, en haar donkere oogen schieten vuur. »Maar mijn God! ze moet het toch weten, dat het alles haar schuld is, dat zij hen zoo ver heeft gebracht!... Zei ze dat? O, Nita, herinner je je nog die eerste soirée? Wat was het toen een lief paartje; hij zoo innig goed voor zijn mooie vrouw, zij zoo eenvoudig en bescheiden. Ze wou geen comedie meer spelen: ze wou geen roem meer, alleen de goedkeuring van haar man! Herinner je je, wat ze gezegd had toen mijnheer d’Hannecour haar kwam vragen om op te treden: »Weten ze het hier ook al? Mijn God, moet ik dan mijn geheele leven dat »Nederlandsche Tooneel« achter me aansleepen als een veroordeelde zijn kogel?« Maar mama had iemand noodig die reciteeren kon... ze heeft haar gedwongen, ze heeft gedreigd hen te laten overplaatsen naar Atjeh... en die twee jonge levens zijn verwoest! Nita,«—de groote brandende tranen, zoo lang weerhouden, stroomen nu over het bleek gelaat—»je wilt haar zeker schrijven, morgen... ik verzend dadelijk een brief aan papa; wij moeten helpen, het is onze schuld!«
Als een uur later de lampen ontstoken zijn, Van Suylichem bij eene illustratie is ingedut, Clotilde met koortsachtigen haast voortschrijft aan haar brief, komen de heer en mevrouw Verschuere te voorschijn uit het logeergebouw en wandelen den grooten weg op.
Het is niet wat men in Indië een mooien avond noemt. De maan is in haar eerste kwartier, de omtrekken der bergen zijn nevelachtig, de wolken grauw en donker, maar er stijgen vriendelijke geruchten op uit de dessa: er is een geheimzinnig ritselen als van teedere ontmoetingen in het geboomte... het is een avond voor man en vrouw om hand aan hand te gaan, een avond om hoog boven het klokje dat tot scheiden roept een ander klokje te hooren van ver over den oceaan, het klokje dat van de dorpskerk luidde, toen de handen, die nu elkaar zoeken, werden ineen gelegd.
»Ben je hier dan zoo gelukkig geweest, liefste?« vraagt hij.
»Ja, onbeschrijfelijk gelukkig! O, ik wenschte dat het nog een klein poosje had kunnen duren en dat ik dan... had mogen sterven.«
»Sterven? Dwaasheid. Ik wou je juist het tegenovergestelde voorslaan. Ik wou leven, een nieuw leven beginnen, een leven met en voor elkaar!«
»Dat kan immers niet met deze betrekking.«
»Het moet kunnen. Ik zal me terugtrekken uit al die regeeringszaken. ’t Helpt nu toch niet meer: ’t is zelfs de vraag of Van Waliënhove zal kunnen staande blijven... Ik beloof je, van nu af wil ik meer voor je wezen, Nita; we zullen er den tijd afnemen om gelukkig te zijn!«
»En... verliefd!«
»En verliefd. Maar dan moet je me één ding beloven. Je moet rustig hier blijven, tot je weer sterk bent en gezond. Voor mij komen drukke dagen. Maar wanneer die voorbij zijn, dan, ik beloof het je, dan zal ik alles voor je wezen.«
Als ze lang daarna te zamen den salon betreden, ontwaakt Van Suylichem uit zijn dutje met een kreet van verrukking.
»Wel, Nita, wat zie je er goed uit! Wat ben je bijgekomen! Ik dacht het van middag zoo niet: maar ’t is bepaald kolossaal. Goddank, nu kan ik weer naar Bloemduin schrijven; ’t is me in geen half jaar gebeurd.«
»Foei. James!«
»Ja. Wat moest ik doen? Er om jokken wou ik niet, de waarheid zeggen kon ik niet.«
»Enfin, ’t is nu voorbij. Ik ben nu volmaakt wel.«
XXXI
GEVAREN VAN EEN INDISCH BOSCH.
De linten harer muts zedig om de driedubbele kin gestrikt, de dikke witte handen in den reusachtigen schoot gevouwen, verklaarde juffrouw Kwake, dat nu mijnheer Verschuere weg en die levenmaker in zijn plaats gekomen was, ze vreesde heel wat te stellen te krijgen met het »jonge goedje«. Maar Marie, de mooie kamenier en Jansen, de aardige opzichter—die bijzondere redenen hadden om een niet al te groote waakzaamheid bij juffrouw Kwake te wenschen—noodigden haar om een glaasje sherry te drinken, wèl wetend dat ze alleen de wereldsche zaken zoo ernstig opnam, als ze zich nog niet bemoedigd had. Daar ze zich meest vier- of vijfmaal daags bemoedigde, had niemand reden om in haar de duenna te zien; er werd gecroquet, gebiljard, ja, zelfs een enkele maal, met de nu geheel herstelde kleintjes van mevrouw Huntvelt, blindemannetje gespeeld op het gazon.
Wel vroeg Clotilde, nog min of meer Heine-achtig gestemd, zich soms af, of ze niet aan vlagen van zwaarmoedigheid moest lijden, en hinderde haar de gedachte dat Van Beevelant nu blootstond aan al de vinnigheid der stiefmoederlijke aanvallen; maar daar meldde de courant dat »Zijne Excellentie besloten had om, ter bevordering van land- en volkenkennis bij zijne zonen, hen onder leiding van hun gouverneur een reis te laten maken over Java!«
Toen het bericht bevestigd was door een langen brief aan het adres van mevrouw Verschuere, zette Clotilde zich dadelijk tot schrijven, om papa te bedanken voor wat ze zijn »subliem idée« noemde. En ’t was uit den grond van haar hart dat ze er bijvoegde:
»Ik weet, vadertje, dat het eigenlijk niet behoort voor een geëngageerd paar, dat ze zich zoo goed weten te schikken in de scheiding, maar Frans’ brieven aan Agnita zijn opgewekt, zelfs vroolijk, en wat mij betreft, ik ben tevreden, om niet te zeggen gelukkig. Vreemd, niet waar? Of zou het misschien komen doordat wij niet zooveel behoeven te vragen van het heden als anderen wie de toekomst niet het hoogste en beste belooft?«
Ook mevrouw Verschuere had weinig te wenschen overig na dien laatsten avond met zijn schoone beloften; alleen zou ze op haar brieven gaarne een ander antwoord ontvangen hebben dan korte epistels in telegramstijl. Maar ze wist dat er dezer dagen over groote belangen en moeielijke kwesties werd gehandeld in het kabinet van den landvoogd, en troostte zich met het denkbeeld dat een crisis nooit lang duren kan en het na de crisis alles anders worden zou.
Bijna dagelijks werden uitstapjes ondernomen, grooter naarmate reeds bezocht was wat in de buurt lag, prettiger naarmate men zich beter leerde wapenen tegen de regenbuien, die, ofschoon te verwachten in dezen tijd van het jaar, altijd onaangename verrassingen bleven; gemakkelijker naarmate men zich gewende aan de wegen, die reeds den invloed begonnen te vertoonen van den westmousson.