Part 13
Ook Hooglaan komt nu aangetreden—hij kon onmogelijk zoo haastig toilet maken als zijn collega—en met zijn afgemeten pasjes, zijn zwaaiend badientje en keurige kleeding zou hij reeds van verre een zeer goeden indruk maken, zoo niet, met dezelfde kleine pasjes, allen achter elkaar, zes inlanders hadden voortgestapt, wat hem deed gelijken op den aanvoerder van een troep ganzen. De zes inlanders waren de dragers van zes reusachtige bouquetten.
»Van mevrouw van Waliënhove?« vroeg Nita, toen ze uit haar voorgalerij den stoet zag naderen.
»Neen! Die neemt het zeer kwalijk, dat, als zij een afscheidsdiner geven wil, De Bruining het wagen durft zóó ziek te zijn dat hij het niet kan bijwonen. Clotilde stuurt ze. Ik heb haar gezegd dat ze gelijkt op de toovergodinnen, die, als ze niet zelf komen, zich laten vertegenwoordigen door haar geschenken. Word ik niet galant? Durf je nu nog zeggen dat ik den hoftoon niet heb?«
De heer Verschuere daalt nu af naar de ruime gewelven onder het huis, waar hij zijn wijn bewaart; mevrouw gaat naar haar kleedkamer: bij hun terugkomst vinden ze de voorgalerij herschapen in een bloementuin, bestraald door een zee van licht.
»Hoe keurig!« roept Nita. En dan vriendelijk: »Ik wou dat je onze adjudant waart, James.«
»Ik wou het ook, Nita.«
»Nu, daar behoef je zoo’n sentimenteel gezicht niet bij te zetten! Kijk eens, Verschuere, ziet het er niet allerliefst uit? Je moogt de heeren wel eens vriendelijk bedanken... Waar is Hooglaan?«
Deze komt met een min of meer onthutst gezicht Verschuere op zijde. »Hebt u misschien ook een vrouwelijk wezen bij de hand?« vraagt hij dezen geheimzinnig.
»Jawel«, zegt Verschuere en wijst lachend op Nita.
Maar zulke aardigheden vallen niet in mijnheer Hooglaan’s smaak.
»Ik bedoel een dienstbare. Om mevrouw De Bruining te gaan waarschuwen.«
»Ik zal haar roepen. Ze zal nu wel klaar zijn, denk ik.«
»Integendeel, mevrouw. Ziet u, ik had misschien niet zoo indiskreet moeten wezen, maar daareven wierp ik—natuurlijk bij toeval—een blik in haar voorgalerij en—excuseer mij, mevrouw Verschuere—ik zag daar uw logée in nachttoilet.«
»In nachttoilet!« herhalen allen verbaasd. »Onmogelijk!«
»Ik verzeker het u.«
»Onmogelijk! Op dit uur van den dag!«
»O ja«, roept Hooglaan nu met zijn meest gemaakt stemmetje, »’t is waar ook, u noemt dat anders: in sarong en kabaia, meen ik. Maar ziet u, bij ons op het paleis is de geijkte term....«
Reeds is James uitgebarsten in »dien ruwen lach die zijn collega zoo agaceert«; reeds heeft Verschuere zich haastig omgekeerd om Mingo te roepen, wien hij niets te zeggen heeft; reeds is Agnita de trappen afgevlogen naar de logeerkamer, waar ze Louise vindt.... erger dan in nachttoilet.
»Mijn hemel! juf, neem Jantje! Maar in ’s hemelsnaam, wat voert u uit, mijn lieve mevrouw?«
»Jantje heeft zich bezeerd. ’t Ventje....«
»Och, hij doet immers niets anders!« roept Nita, voor het eerst ongeduldig.
»Nita-lief, laten we kalm blijven.«
»Kalm blijven! En er komt een serenade!«
»Een serenade!«
»Ja. Baboe! Kassi kous!«
»Een serenade?«
»Ja. Hebt u uw schoenen? O neen, eerst de kousebanden; hier zijn ze.«
»Maar kindlief....«
»Waar is de tournure? Baboe, kassi tournure!«
Jantje gilt—en geen wonder! Zijn wondje bloedt en er is niemand die naar hem omziet, want nauwelijks heeft juf het woord »serenade« gehoord, of ze is weggevlogen om haar gezicht te bedekken,—haar eerste beweging bij elke omstandigheid haars levens—en de anderen zijn bezig om naar de tournure te zoeken... die, helaas, niemand vindt.
Intusschen beginnen zich hier en daar in den tuin, die tot punt van samenkomst is gekozen, reeds flambouwen te vertoonen; ze worden talrijker, steeds talrijker; ze beginnen zich in rijen te scharen; er ontstaat een geraas van rijtuigen, waarschijnlijk gevuld met dames die komen »nonton«, een gewoel van het inlandsch publiek dat samenschoolt—Verschuere laat vragen of de dames gereed zijn......
En de tournure?
»In ’s hemel naam, dan maar zonder,« en drie paar handen gooien mevrouw De Bruining haar japon over het hoofd.
Er is in de tropische natuur altijd iets, dat aan tooneeldecoraties denken doet, en dit is nooit sterker het geval dan wanneer er tusschen het zwartgroen der palmen vuur speelt; de flambouwen geven wonderschoone vormen aan het majestueuse geboomte, dat ze verlichten met haar rooden gloed. Als vanzelf rijst De Bruining overeind; als vanzelf plaatsen de wachtenden in de voorgalerij zich rondom hem: de muziek komt tot hen. Het wordt doodstil.
»Blijf zitten, mijnheer De Bruining;« zegt James vriendelijk; »u zult straks nog genoeg moeten staan.«
De vermaning blijkt overbodig: hij zinkt reeds terug in zijn stoel.
»Een serenade,... dat hadden ze niet moeten doen... waarachtig... het maakt me... Wies! Kom hier bij me.«
»Stil, Daan! Hou je nu bedaard, Daan! Kom, je waart altijd flink...«
Nita, die, terwijl ieder aan champagne dacht, zenuwstillende druppels gereed maakte, komt nu nader met haar medicijn.
Haastig drinkt hij het glas ledig, maar hij is zoo bleek en zoo bevend, dat de omstanders vreezen voor de mislukking van het plan.
Gelukkig ontbreekt het in de familie De Bruining nooit aan afleiding. Juist op het oogenblik dat de stoet het erf opkomt, rent van de andere zijde Toetie de voorgalerij binnen: zij rijdt paardje op papa’s wandelstok en—op de plaats, daartoe door een even onzinnige als onkiesche mode aangewezen—draagt ze mama’s tournure.
Nu is het iets anders een tournure te bezitten en wederom iets anders die tournure voor het oog der geheele wereld te zien rondrijden in een voorgalerij; iets anders uw vrouw zoo’n dwaas ding te zien aanbinden en wederom iets anders te moeten bekennen dat ze dit doet.... de De Bruinings schamen zich diep.
Mijnheer kan zoo gauw niet overeind komen, maar dit is ook overbodig; ieder wordt gaarne bereid gevonden het ongelukskind een of meer gevoelige vermaningen te geven, terwijl ze de trap letterlijk afrolt onder de vereende duwen van alle aanwezigen.
Het incident heeft goed gedaan. Als er achtereenvolgens een vijftigtal heeren binnenkomen in zwarte jassen en met gelegenheidsgezichten, is het voorwerp hunner hulde ten minst in staat ieder hunner de hand te drukken en te danken zonder die dwaze tranen, die hem tegenwoordig te pas en te onpas in de oogen komen.
Aan den heer Verdijk, den pas benoemden gouvernements-secretaris, is opgedragen het woord te voeren.
»Zul je het vooral kort maken?« fluistert Verschuere hem toe; »de man is op van de zenuwen.«
Het is zijn voornemen kort te zijn, niet zoozeer uit medelijden met den jubilaris—welke feestredenaar heeft ooit medelijden met zijn slachtoffer gehad?—maar omdat hij moeielijk spreekt en door het minste of geringste in de war raakt. Toch maakt hij het nog veel korter dan eerst zijn plan is geweest.
»Mijnheer De Bruining! Uit naam van Buitenzorg’s burgers, uit naam van de ambtenaren der secre...« Pif! paf! pif! paf! pif!
Men hoopt dat het op zal houden, dit onzinnig pif! paf! en men wacht.
Men wacht. Maar het wordt harder, steeds harder, de slagen schijnen vertien-, verhonderdvoudigd te worden.
De vreeselijke waarheid dringt zich aan de wachtenden op. Het moet een dier lange trossen voetzoekers zijn, zooals de Chineezen ze ontsteken bij hun feesten, en die, eenmaal ontstoken, klappen en klappen tot de laatste is opgebrand.
Met den moed der wanhoop zet Verdijk borst en longen uit. »Van de ambtenaaren der secretarie, die u hierbij het bewijs geven«.... een dikke rookwolk.... de spreker kan niet voortgaan.
Pif! paf! Verdijk staat De Bruining, De Bruining staat Verdijk aan te zien, alle gelegenheidsgezichten zijn uit de plooi, sommigen om te proesten van den rook, anderen om te proesten van lachen, velen om ssst! te roepen, alsof mortions zich tot zwijgen laten brengen vóór ze hebben uitgeraasd!
Gelukkig komt Verdijk op den inval om het huldeblijk—een prachtalbum—maar zonder speech over te reiken.
»Muziek!« roept een stentorstem boven het rumoer uit, en nu roept iedereen om muziek en dadelijk klinkt het:
»Lang zal hij leven!«
’t Ziet er niet naar uit of die wensch vervuld zal worden, als een half uur later de voorgalerij is leeggestroomd en het verdwijnen van al die bekende, bevriende gezichten hem zich zoo eenzaam voelen doet, dat hij omziet naar zijn reisgezellin op den tocht door het leven, om in een innige omhelzing de zekerheid te erlangen, dat die toch niet zoo eenzaam zal zijn als hij een oogenblik heeft gemeend.
»Papa! U bedankt iedereen behalve ons!« en op eens duikt Frits op uit den donkeren tuin, vergezeld van een Paerel.
»En waarvoor moet ik je bedanken, jongelief?« vraagt papa aangedaan: hij gelooft zich het voorwerp van een niet genoeg gewaardeerde attentie zijner kinderen.
»Wel, voor dat vuurwerk! Vond papa het niet mooi? Wat paften ze, hé? die mortions?«
»Hebt jullie dat gedaan?« vraagt de vader met onverholen afschuw.
»Ja. ’t Was voor twee kwartjes,« spreekt de jeugdige Paerel fier.
»En,« voegt Frits er bij, terwijl hij zijn vuile zwarte hand uitsteekt, »als pa er ons niet voor bedankt, zou pa ons dan het geld willen teruggeven.«
»Zijne Excellentie!«
Hij komt onverwacht, onverzeld; alleen om zijn secretaris nog eens te groeten; om mevrouw een gelukkige reis te wenschen; hij blijft slechts kort; maar iedereen weet het, het is iets zeer buitengewoons wat de gouverneur-generaal hiermede doet; een blijk van waardeering, van vriendschap bijna.
De arme De Bruining kan geen woord zeggen op zijn hartelijk: »Tot weerziens!« en als hij het beproeft, dan barsten de tranen los, die dwaze tranen, den geheelen avond zoo manmoedig teruggedrongen.
»Ik zal dus naar Bloemduin gaan, Nitalief?«
»Ja, en u moet hen alles vertellen. Van mijn huis en mijn tuin en mijn bloemen. En hoe goed ik het heb getroffen met mijn bedienden. En dat ik weer muzieklessen neem! Daar was papa erg op gesteld, moet u weten.«
»En dat je zooveel studeert en zoo’n geleerde dame wordt.«
»Neen, zeg hun dat maar niet.... ze mochten eens vragen met welk doel... dan moet u hun ook van Gustaaf vertellen: dat hij alles voor mij is; alles ten minste wat hij in zijne betrekking voor me wezen kan; en ook hoe James hier elken dag komt en welk een prettige afleiding me dat geeft. U zult hun zeggen, dat ik gelukkig ben, niet waar?«
»Moet ik dat zeggen, lieve?«
»Ja,« en ze ziet Louise vast in de oogen, »dàt moet u zeggen: gelukkig en gezond!«
Dan vallen de vriendinnen in elkanders armen en weenen.
Den volgenden morgen..... ach, we maken het elkaar wèl zwaar, het heengaan, wij Indischlui, met onze afscheidspartijen en afscheidsbezoeken, met ons komen aan den trein en ons uitgeleide doen naar de boot, met onze handdrukken en kussen, met ons wuiven tot het laatst.
Maar toch, we zouden het niet willen missen, ’t weemoedig genot van ons nog eens te overtuigen, dat er waren die ons liefhadden op het smaragden-eiland: we zouden haar niet willen missen de herinnering aan die oogenblikken, die ons zoo zenuwachtig maakten; immers, we hebben den tijd om onze zenuwen weer tot rust te laten komen in Holland—waar men er niet zooveel van vergt.
XX
DE VROUW VAN EEN HOOGGEPLAATSTE.
Een jaar is verloopen sedert meer dan 50 passagiers het stuk onderteekenden, waarbij aan de directie der maatschappij Nederland dringend werd verzocht voortaan te waarschuwen wanneer een harer booten gezinnen met meer dan zes kinderen zou vervoeren; sedert zeker Geldersch landstadje in opschudding werd gebracht door de aankomst eener indische familie; sedert die indische familie dingen begon te doen zóó raar, dat ze weken lang stof tot praten gaven, ja, met den hardnekkigen levensduur aan verhalen op kleine plaatsjes eigen, over een halve eeuw nog in den omtrek zullen voortleven, zij het dan ook als legende.
Een jaar sedert Wies voor de eerste maal asperges ging steken in den groententuin achter het huis en Daan—in een houding door Jantje beschouwd als uitnoodiging om bok, bok, sta vast! te spelen—moest antwoorden op haar vraag of dit nu niet veel prettiger was dan met blauw potlood aanmerkingen te zitten maken op het werk van arme kommiezen; sinds Daan een kloek besluit nam en Wies tranen met tuiten schreide, maar beiden zich onuitsprekelijk verlicht gevoelden door het vertrek van vier hunner zonen naar een instituut, gunstig bekend voor het temmen van indische jongens.
Een jaar sedert, in het paleis onder de palmen, baron Van Waliënhove begon te vinden dat men in zijn familiekring wel eens gelukkige oogenblikken slijten kan.
’t Is waar, zijn jongens bleven nog altijd een paar wilde knapen, maar ’t was nu niet meer drieste onbezonnenheid; ’t was nu gezonde levenslust, getemperd door verstandige leiding, en—wat het voornaamste was—hij heeft nu de gelukkige zekerheid dat al het goede wat in hen sluimert wordt gewekt en ontwikkeld.
Die zekerheid schenkt hem een weldadige kalmte na al de zorg die zijn zoons—meer nog misschien hun mentors?—hem in de laatste jaren hebben gekost, en mocht hij enkele malen pijnlijk getroffen worden door den toon, dien de barones zich tegen Van Beevelant veroorlooft, het gedrag van den tegenwoordigen gouverneur waarborgt hem, dat tooneelen als vroeger somtijds voorvielen nu tot de onmogelijkheden behooren.
Ook—en dit verhoogt zijn geluk niet weinig—ook het hartstochtelijk verzet van Clotilde tegen de onderdrukking harer stiefmama heeft opgehouden. Wijdt ze haar liefde aan vader en broers, ze behandelt haar moeder met al de onderscheiding waarop deze aanspraak maakt—en dit is niet weinig! Zij schikt zich naar luimen en nukken, die haar vroeger ondragelijk schenen; ze zwijgt, zij het dan met pijnlijken blos, op grove hatelijkheden; ze stompt scherpe pijlen af door ze te ontvangen met een vriendelijk woord.
Soms, als haar vader haar gadeslaat—zijn heftig kind zoo stil en zachtmoedig—ontdekt hij op haar gelaat een geheel nieuwe uitdrukking, die aan de kinderlijke trekken iets echt vrouwelijks schenkt, en hij mist ter nauwernood de kuiltjes en lachjes, die langzamerhand verdwijnen, want ze herinnert hem, gelijk ze nu is, een ander gelaat met datzelfde waas van droomerige teederheid en hij bemint in haar het verloren ideaal. Soms echter, als ze de oogen naar hem opslaat, vraagt hij zich af, of ze niet wellicht in stilte bemint? Immers alleen eene vrouw die bemint heeft dien blik.
Maar dit is nu juist de doodzonde, die mevrouw Van Waliënhove haar niet vergeeft: ze bemint noch in stilte, noch in het openbaar. ’t Is dan ook reeds sedert veel langer dan een jaar dat mevrouw Ramsberge ongerust begon te worden, ja, zich ernstig boos maakte over de kuren van die Clotilde.
»Mijn hemel, wat was dat nu voor een inval van dat domme schaap om niet te willen trouwen! Neen, maar ik vraag u, waar moet het heen met de meisjes in Indië, wanneer de dochter van den gouverneur-generaal zulk een voorbeeld geeft? ’t Worden compleet europeesche toestanden.«
En hoe Ramsberge het haar ook afraadt, ze kan het niet laten, ze moet nu en dan mevrouw Van Waliënhove eens polsen, ze moet van tijd tot tijd eens informeeren of er nu nòg niets gaande is.
»Neen, niets,« antwoordt onveranderlijk mevrouw Van Waliënhove.
Ze bijt die woorden af, alsof ze gal en alsem bevatten, en om haar mondhoeken vertoont zich een plooi die een minder dom schepsel als de generaalsche zou hebben gewaarschuwd dit onderwerp maar liever niet aan te roeren.
»Foei,« rammelde ze door, terwijl ze zich koelte toewuifde, »’t is ongehoord! Niets, zegt u? heelemaal niets? Men vraagt zich af: wat bezielt zoo’n meisje?«
»Ja,« zei de ongelukkige moeder, »dat moogt u wel vragen. Men moet de inbeelding van Clotilde hebben, om partijen zooals zij heeft kunnen doen af te slaan. Ik heb haar gister nog doen opmerken dat de gekroonde hoofden in Europa allen getrouwd zijn; ’t kon zijn dat ze daarop wachtte.«
»Ze verdient dat ze overblijft,« zegt mevrouw Ramsberge met een heftigheid, waaruit blijkt dat dit de schrikkelijkste straf is die ze bedenken kan.
Mevrouw Ramsberge is niet de eenige die in dezen geest spreekt. Al de aanhangers van de barones—en ze heeft aanhangers!—vinden dat het eigenlijk niet te pas komt, voor de dochter uit een eerste huwelijk, ongetrouwd te willen blijven; ’t is waar, ze is natuurlijk vrij als ieder ander, maar stiefmoeders verwachten nu eenmaal dat haar stiefdochters haar zoo spoedig mogelijk zullen ontslaan van haar tegenwoordigheid en hebben nu zulke meisjes het recht om de tweede vrouw van hun papa teleur te stellen in die billijke verwachting?
Een jaar is ook verloopen sedert aan den morgen van een blijden dag vriendenhanden de villa op het Koningsplein zoo rijkelijk beschonken met kransen en bouquetten dat ze een bloemtuin geleek. Ter nauwernood geloovend aan het geluk hem beschoren, kwam de bruigom uit dien bloemtuin de schoonste roos plukken en niet lang daarna brachten de heer en mevrouw Hagen hun eerste bezoek in de kleine luitenantswoning.
»Ik dank u! o papa, ik dank u!« riep het jonge vrouwtje telkens weer, ook nadat ze reeds voor alles bedankt had, en toen de ouders terugkeerden in hun eigen huis vonden ze het er niet zoo eenzaam en ongezellig als ze indertijd gevreesd hadden dat het er zijn zou zonder Gertrude: ze hadden altijd stof tot praten, ze moesten altijd weer zich verbazen over »die kinderen«, die zoo verwonderlijk verliefd, zoo verwonderlijk gelukkig waren.
Een jaar ook sedert mevrouw Verschuere ten tweeden male werd teleurgesteld in de hoop, dat zij voor veel wat haar in het huwelijk was ontzegd vergoeding zou vinden in het moederschap; dat ze haar hart gebood om stil te zijn en te doen als de kinderlooze vrouwen onder hare kennissen, wier mannen geheel in beslag genomen worden door hun betrekking: tevreden leven zonder de hulp dier mannen.
Eenmaal tot dit besluit gekomen, begon ze na te gaan welke middelen een »vrouw zonder kind en bijna zonder man«, zooals ze zichzelve met een weemoedig lachje noemde, ten dienste staan om de lange indische dagen door te komen.
De huishouding, de keuken, de tuin, lectuur, conversatie, muziek.
En dan, wat de meeste dames missen en zij in de gegeven omstandigheden niet genoeg waardeeren kan, haar liefhebberijen; haar talent voor teekenen, haar studielust, haar botanische kennis en de prachtige gelegenheid, welke de Plantentuin biedt om die kennis te vermeerderen.
De huishouding.. ja, met de helft van Verschuere’s traktement zou die haar handenvol werks gegeven hebben, maar nu is bijna alles wat ze daarin doet verkiezing, geen noodzaak.
Mingo heeft zes jaar bij haar man gediend toen deze nog ongetrouwd was en is in dien tijd van alleenheerschappij een uiterst bekwaam mandoer geworden. Maar hij wil als zoodanig erkend zijn. En het is vreemd—voor Agnita ten minste, die nog niet weet hoe de inlander met zijn stille tegenwerking ons brengen kan waar hij ons hebben wil—’t is vreemd hoe, zoo dikwerf zij handelend optreedt, een partij of diner minder goed van stapel loopt dan wanneer ze met een vleiende verzekering van onbepaald vertrouwen alles aan Mingo overlaat.
In haar keuken durft ze niet komen. Haar oude kok is een indische Vatel. Hij heeft achtereenvolgens gekookt voor zeven landvoogden, met het gevolg dat hij zeer juiste begrippen heeft over het vergankelijke van alle aardsche grootheid en veel boter gebruikt.
Mevrouw Verschuere zou hem liefst hebben weggezonden, daar hij haar een gevoel geeft alsof het zijner onwaardig was ergens anders dan op het paleis te dienen, maar op raad harer goede vriendinnen behield ze hem, niettegenstaande zijn fabelachtig botergebruik, zijn voorkomen van miskend genie en een andere eigenaardigheid, die haar veroordeelt altijd met afgetreden landvoogden rekening te houden.
Den eersten keer namelijk dat ze hem opdroeg een zekere pudding te maken, had hij gevraagd: »à la Sloet van de Beele of à la Mijer?«; hij maakte de hertenbout gereed à la Lansberge, rissoles à la Loudon en een aspic à la Duymaer van Twist... die trouwens zóó verrukkelijk was, dat hij zelfs Multatuli zou gesmaakt hebben.
Wanneer zij een enkele maal het waagde een aanmerking te maken, dan wierp hij haar een half dozijn excellenties naar het hoofd, die den door haar gelaakten schotel dus en niet anders gewenscht hadden, en met dit wapen wist hij haar, zoo niet geheel van zijn domein te verdrijven, dan toch op eerbiedigen afstand te houden.
Ook aan haar toilet behoeft ze weinig tijd en nog minder gedachten te wijden. Thuis maakte zij zelve haar kleedjes en droeg ze met de grootste voldoening, tot... ze at van den boom der kennis. Een kunstenares in het vak kleedde haar gedurende hun verblijf in de wereldstad; ze moest zichzelve bekennen, dat dit toch nog heel iets anders »was« en stemde gaarne toe, toen Gustaaf het plan opperde tweemaal ’s jaars een bestelling te doen in Parijs.
In het kort, ze behoefde, om een onder huismoeders geijkten term te gebruiken, geen vinger uit te steken.
Dus wandelde ze en botaniseerde en herboriseerde; dus speelde ze piano tot de buren haar weg wenschten; dus teekende ze aquarellen en schilderde stillevens; dus studeerde ze en verdiepte zich in allerlei geleerde betoogen; dus maakte ze cadeautjes voor alle bruiden en kransen voor alle begrafenissen en jurkjes in alle luiermanden en lieve attenties voor alle jarigen.
Wanneer dit alles niet baatte, liet ze haar coupé voorkomen en ging dikwijls ’s morgens om half elf reeds visites maken.
Visites maken was de eenige bezigheid, waartoe ze door het heilige Moeten gedwongen werd. Men leed in Buitenzorg aan de conversatiemanie, die het leven in Indië tot een last kan maken, meer dan muskieten of warmte.
Ofschoon de residentie er langzamerhand te groot voor was geworden, huldigde men er nog steeds het systeem der buitenposten, dat iederen nieuw aangekomene dwingt bezoeken af te leggen bij de notabelen, en ieder die deze bezoeken niet aflegt beschouwt als een wezen zonder opvoeding, voor niets geschikt dan voor een spoedige overplaatsing.
Verschuere had bij aankomst in Buitenzorg zijn visites gemaakt, maar sinds het aanvaarden van zijn nieuwe betrekking volgde hij het voorbeeld, door de meesten zijner voorgangers gegeven: hij ging niet meer uit. Van bezoeken in den vooravond was geen sprake: recepties woonde hij alleen bij, als ze ten paleize werden gegeven; voor speelavondjes bedankte hij onvoorwaardelijk; niet dat hij soms niet dollen lust had in een partijtje, maar hij kende zijne Buitenzorgers: als hij de eene uitnoodiging geweigerd, de andere aangenomen had, dan zou de burgeroorlog zijn ontbrand.
Nita ware liefst met hem thuis gebleven. Maar daarvan wilde hij niet hooren. Integendeel, hij wenschte dat zij zou goedmaken wat hij te kort kwam op dit punt. Hij wist, dat het publiek niets zoo moeilijk vergeeft als dit, dat men toont buiten het publiek te kunnen, en daar zijn politiek meebracht het niet tegen zich in het harnas te jagen, gaf hij op gezette tijden groote partijen, opgeluisterd door hooge gasten, fijne wijnen en de lekkerste gerechten die de gouverneur-generaalskok wist te bereiden.
Dan verklaarde hij aan ieder die het hooren wilde, welk een bezwaar het was, aan zijn betrekking verbonden, dat men zoo iets prettigs als visites maken er voor moest nalaten, en men ging verrukt naar huis en was tevreden met de bezoeken die Nita aflegde, zoo geregeld en zoo getrouw, alsof het gouvernement er haar voor bezoldigde. En waarlijk, het geleek dikwerf meer op dienst dan op uitspanning.
James was haar een trouwe cavalier. Overal waar ze verscheen werd ze even hartelijk welkom geheeten en beklaagd dat ze altijd zoo alleen moest uitgaan, maar zij zelve wist niet of ze het wel zoo treurig vond. Als de liefde, die ze voor Gustaaf gevoelde, vatbaar was geweest voor verandering—maar dat was ze niet, daarvoor vervulde ze te veel haar geheele bestaan—dan zou ze hem minder lief gehad hebben wanneer ze met hem in gezelschap was.