Bogoriana: Roman uit Indië

Part 11

Chapter 114,000 wordsPublic domain

»Wat dunk je, Clotilde?« vraagt haar mama met een vrij vriendelijk lachje, want een tête a tête wordt evenmin door haar als door haar dochter gewenscht. »Zullen we dezen indiscreten mijnheer dat pleizier maar eens doen?«

Zijne Excellentie keert zich tot den gouverneur: »Ik ga een wandeling maken, mijnheer van Beevelant; het zal mij aangenaam zijn als u me wilt vergezellen«, en na een lichte buiging verwijdert hij zich met zijne vrouw.

De adjudant van dienst biedt de dochter des huizes den arm. Maar op het oogenblik dat ze dien wil aannemen, slaakt ze een gil.

De heer en mevrouw Van Waliënhove, die juist de deur bereikt hadden, de maître d’hôtel die haar buigend openhield, de bedienden die en haie geschaard stonden om hen te laten voorbijgaan, allen kijken om, en ze zien.... de freule rug aan rug met den gouverneur.

»Clotilde?!«

»Ja, mama! Help dan toch!«

»We zouden immers gaan rijden. Waarom kom je niet mee?«

»Ik kan niet.«

»Mijnheer van Beevelant, ik wacht u,« klinkt een gebiedende stem.

»Excellentie, duizend excuses«, stamelt van Beevelant, maar blijft onbewegelijk staan.

Reeds zijn de landvoogd en mevrouw op hun schreden teruggekeerd: het raadsel is opgelost zoodra zij nader treden.

Aan de beide rokspanden van den heer van Beevelant is de dunne stof, die dienen moet om Clotilde’s pouffe en sleep te vormen, met tal van spelden vastgehecht en zóó vastgehecht, dat bij de minste beweging van een hunner een onheilspellend kraken vernomen wordt.

Als door eenzelfde gedachte bezield, zoeken aller oogen de beide knapen: ze zijn spoorloos verdwenen.

Clotilde is rood als een pioenroos, mevrouw bleek van ergernis, de heer Van Waliënhove vindt de zaak hoogst ongepast; dat bewijst de strenge uitdrukking van zijn gelaat; alleen Van Suylichem heeft moeite om ernstig te blijven.

»Maar mijn hemel, zal dan niemand ons helpen!« roept Clotilde juist op het oogenblik dat haar kamenier, door een der bedienden gewaarschuwd, komt aanvliegen.

»Ik hoop, freule,« begint van Beevelant, zoodra zijn rokspanden hem weer toelaten zich tot haar te wenden, »dat u de verzekering zult willen aannemen van mijn innig leedwezen over het gebeurde.«

Clotilde, nog steeds vuurrood van verlegenheid, schikt, om zich een houding te geven, het verkreukeld kleedje terecht.

»U waart er zoo goed het slachtoffer van als ik,« zegt ze dan.

»U zult mij genoegen doen, mijnheer van Beevelant, met de jongelui voorbeeldig te straffen,« begint de gouverneur-generaal.

»Dit is mijn voornemen, Excellentie.«

Er is in den toon der beide heeren iets dat mevrouw van Waliënhove doet vreezen voor haar lievelingen.

»Nu, we moeten een grap niet zoo hoog opnemen,« haast ze zich uit te roepen; »die arme kinderen mogen tegenwoordig ook niets misdoen of ze worden »voorbeeldig gestraft«. En zoo erg is dit nu toch waarlijk niet.«

»Niet erg, mevrouw?« vraagt van Beevelant. En, als zij lacht: »Ik waag het in dezen met u van meening te verschillen: ik vind het zéér erg.«

»Hebben uw rokspanden zóóveel geleden?« vraagt mevrouw Van Waliënhove op den toon, die haar vijanden doet zeggen dat ze een scheermes heeft op de plaats waar haar tong moest wezen.

»Niet zooveel als mijn japon, mama. Maar aan zulke nietigheden denken we niet, is het wel, mijnheer van Beevelant? ’t Is de verlegenheid waarin ze ons brachten, het gek figuur dat ze ons lieten slaan.«

»Komaan! ’t was niet prettig voor je, dat erken ik, en als het met een ander geweest was... iemand die... maar met mijnheer van Beevelant!«

»U bedoelt?« vraagt deze, schor van ingehouden drift, doodsbleek geworden onder den smadelijken toon, onder den minachtenden blik. »U bedoelt?«

»Vraag niet, mijnheer van Beevelant!« roept Clotilde en onwillekeurig doet ze een stap voorwaarts, als om zich te stellen tusschen hem en haar moeder; »vraag niet! Het is onnoodig dat mama duidelijk maakt wat ze bedoelt—omdat ze zich vergist. Zij meent dat het mij in groote verlegenheid zou gebracht hebben, wanneer de broêrs hadden goedgevonden hunne aardigheid te verkoopen met een ander, gister bijvoorbeeld, niet waar, mama? met markies Aréoli?«

»Ja juist.«

»Dit verwondert me van u, die anders zoo scherp ziet. Me dunkt, u moest weten dat, terwijl markies Aréoli mij geheel onverschillig is, ik zeer veel prijs stel op de goede opinie van mijnheer van Beevelant.«

»Ik erken, Clotilde, dat je me verbaast.«

»Ik moet u nog meer verbazen, mama«, spreekt het meisje met lippen die trillen, met oogen die vonken schieten van verontwaardiging; »ik moet u zeggen, dat het me grieft en ergert iemand, dien ik hoogacht, het voorwerp te zien van grofheden.«

Nu gebeurt er iets, waaraan mevrouw van Waliënhove jaren later niet kan terugdenken zonder zich af te vragen, hoe het mogelijk is geweest dat ze niet tusschenbeide kwam, iets dat alleen een man van zulk een ridderlijke figuur en zulke volmaakte vormen als van Beevelant doen kan zonder zich belachelijk te maken: hij laat zich neer op ééne knie, neemt freule Clotilde’s hand en drukt die eerbiedig aan zijn lippen.

XVII

EERZUCHT EN LIEFDE.

»Di mana njonnja?«

»Ah! Daar is Gustaaf?« roept mevrouw Verschuere, sluit haar muziekboek en springt op van de piano.

Dit alles tot groote ergernis van haar neef, die bezig is een stuk met haar in te studeeren voor de Zondagavondsoirée ten paleize, en juist hoop begon te voeden dat zekere moeilijke passage beter zou van stapel loopen dan hij had durven verwachten.

»Dat wil zeggen: nu houden we dadelijk op en kun je wel heengaan,« bromt hij, terwijl hij met een niet zeer zachte beweging zijn vioolkist grijpt.

»Foei, James,« werpt Nita tegen; maar ze heeft geen tijd om meer te zeggen, want reeds gaat ze haar echtgenoot te gemoet.

»Nita,« roept deze met luider stem. »Groot nieuws!«

Als ze echter met een veelzeggend gebaar naar de deur van haar boudoir wijst, vervolgt hij veel zachter: »Wat, ben je niet alleen? Visite?«

»Neen. ’t Is James maar.«

»Hoe onaangenaam!« zegt hij knorrig. »Hij is er, of hij komt ook tegenwoordig.«

Een plotselinge blos verft Nita’s wangen. »Is het misschien wat druk?« vraagt ze met moeilijk verholen voldoening.

»Keur je het niet goed?« Zijn antwoord echter helpt haar spoedig uit den droom.

»Wel neen; hoe meer hoe liever, als het je afleiding geeft. Maar ik had je nu iets te zeggen, iets.... dat.... nog geheimblijven moet.«

Juist komt de minder gewenschte bezoeker te voorschijn.

»Goeden morgen, Verschuere. Je bent vroeg thuis van daag, is ’t niet? Nita, ik laat mijn viool maar staan.«

»Wil je niet blijven rijsttafelen?« vraagt ze met die weifeling in haar stem, die een uitnoodiging maken kan tot een verzoek om zoo spoedig mogelijk heen te gaan.

»Neen, dank je. Je denkt dus om die derde bladzijde? Oefen je nog eens flink van daag, wil je?«

»En wat is het groote nieuws?« vraagt mevrouw Verschuere, als haar man, die James uitgeleide deed, in drie stappen weer bij haar terug is.

»Wat het is, Nita!« roept hij, en zijn stem beeft van opgewondenheid; »wat het is? De Bruining gaat weg.«

»Weg? naar Europa? Is hij zóó erg?«

»Ja, hij is gister van Sindanglaya teruggekomen, nog zieker dan hij is weggegaan. ’t Schijnt dat de angst over Jantje, nu een week of zes geleden, zijn zenuwgestel den genadeslag gegeven heeft.«

»Kassian!«

»Ja, kassian, maar... ik kom in zijn plaats! De gouverneur-generaal heeft het me gezegd, Nita! Ik kom in zijn plaats!«

»Werkelijk?« roept ze. »Heeft hij het je gezegd?«

»Ja, ja! Zonder zich een oogenblik te bedenken! Vijf minuten nadat De Bruining was weggereden!«

»Algemeen secretaris! Maar weet je wel, lieveling, dat dit prachtig is!«

»Prachtig?... Ongehoord, kind! Op mijn leeftijd! Na zoo kort geleden pas promotie gemaakt te hebben! ’t Is nog geen twee jaar, waarachtig! En dat, terwijl er zooveel anderen zijn, die meenden dat ze in aanmerking zouden komen! »Er zal maar één stem over opgaan, dat begrijp je.«

»Dat vrees ik ook. Trouwens op de secretarie werd het verwacht. Ze zullen van protektie spreken, van nepotisme... ze zullen je doopceel lichten.«

»Neen, dat zullen ze laten! Er is in mijn geheele carrière geen enkele bladzijde, die me tot oneer strekt; dus dat zullen ze laten!« roept hij uit met de fierheid van den leeuw die de jakhalzen naderen ziet. »Maar laat ze hun gang gaan! Laat geheel Indië zeggen wat Indië altijd zegt, als iemand door inspanning en energie zich er bovenop werkt: dat ik geboft hebt, schandelijk geboft, brutaal geboft; wat maakt me dat? Laat zij, die er over schreeuwen, het me nadoen.

»Laat ze toonen dat dit zoogenaamde boffen alleen geluk en niet ook bekwaamheid is!«

»Ja, dat is zoo,« zegt Nita en ziet vol bewondering op naar de fiere gestalte, die zich daar verheft vol zelfbewuste kracht.

»Nita, denk eens! Zoo’n veelomvattende betrekking, zoo’n rang, zoo’n traktement! En dan de toekomst. Je weet wat dat beteekent, niet waar... algemeen secretaris? Het vagevuur, waardoor wij in den hemel komen, zooals een van je voorgangsters, mevrouw Hagen, het noemt. ’t Is zoo goed of ik al raad van Indië was en.... eenmaal raad van Indië...«

Ze legt de handen op zijn schouders en kust hem met een langen, innigen kus, want ze heeft hem lief; en al kan ze zich niet zóózeer verheugen in de behaalde zegepraal, ze kan deelen in zijn geluk; ja, als ze staart in dat stralend gelaat, voelt ze iets over zich komen van zijn opgewondenheid.

»Hartelijk gefeliciteerd, mijnheer de algemeene secretaris. Moge het je gelukkig maken!«

»Niet minder hartelijk gefeliciteerd, mevrouw de algemeene secretaresse!« En de armen dicht om haar heen geslagen, beantwoordt hij haar omhelzing.

Dien avond worden de lampen ontstoken in de voorgalerij van den heer De Bruining. Trouwens, er komt geen bezoek, want meer nog dan de duisternis, vreest men in onze vroolijke indische maatschappij de droefheid.

Achter in de pendoppo zitten ze ter neer, dicht naast elkander, afgemat naar lichaam en ziel, zooals men wezen kan na het vallen van een langverwachten slag, en zwijgen. Niet dat het hun aan stof ontbreekt, maar wijl ze vreezen te spreken; welk onderwerp toch kan in dit oogenblik worden aangeroerd zonder een pijnlijke snaar te doen trillen in het ontstemde speeltuig hunner ziel?

Het gejuich van de kinderen in den tuin hindert, het geratel der rijtuigen, die hun huis voorbijrollen, vermoeit hen; ze keeren zich af van het schitterend tooneel dat de ondergaande zon biedt, maar geenszins om, als in vroeger dagen, toen de gloed dier zon bleef toeven in hun oogen, elkander aan te zien... Zij vreest de verwoesting te aanschouwen, die het zenuwlijden heeft aangericht in zijn trekken; hij weet dat er slechts zorg is te lezen op het smalle, bleeke gezicht naast hem.

Een half uur hebben ze zoo gezeten, stil en rustig—iets ongeloofelijks, bijna iets onnatuurlijks in den huize De Bruining—als er een lichte tred wordt vernomen. Louise ziet op in twee groote klare oogen, vol deelneming, vol medelijden; het is dezelfde blik dien ze ontmoet heeft aan het ziekbed van haar kind... Met een heftige beweging trekt ze het blonde hoofd aan haar borst en barst uit in een vloed van tranen, de eerste die ze weent sedert de dokter het vonnis uitsprak over de toekomst van man en kind.

»Dat zal je opluchten, Wies!« zegt De Bruining en ze laten haar rustig uitweenen. Straks, als de beide dames wat tot kalmte zijn gekomen, begint hij zacht: »’t Is goed, dat u hier zijt, mevrouw Verschuere; we hadden behoefte aan iemands deelneming,« en dan terwijl hij haar hand drukt: »’t is lief van u, mevrouwtje, om te midden van uw nieuw geluk aan ons te denken.«

»O, natuurlijk deden we dat. Verschuere was ook graag meegekomen, maar... hij had het zoo druk.«

»Het kan geen kwaad dat hij niet meekwam,« antwoordt De Bruining. »’t Is geen opwekkend gezicht, mevrouw, voor iemand aan wien juist het spelen van een der hoofdrollen is opgedragen, dat laatste bedrijf van het drama, dat men een indische carrière noemt.«

»Een drama?« herhaalt de bezoekster.

»Wat is het anders? Eindigt het wel eens anders dan treurig met ons indische ambtenaren? Suikerlords en koffieplanters gingen vroeger—en gaan nog wel eens een enkele maal—naar het vaderland terug met een verworven fortuin; wij doen het óf met een geknakte gezondheid, óf, wat misschien nog erger is—met een verloren reputatie. Want houdt ons lichaam het uit, dan overleven wij onzen roem. Zijn we niet, als de boomen in het bosch, reeds lang vóór we het vermoeden, gemerkt om plaats te maken voor degenen die naast ons opgroeien? Komen niet voortdurend jongeren, met nieuwe denkbeelden en nieuwe plannen, te niet doen wat wij hebben gedacht en gewild? Worden we niet meest op stal gezet, lang vóór we vermoeid zijn of versleten, alleen omdat anderen aan de beurt zijn?«

»Wind je nu niet op, Daan!« fluistert zijn vrouw.

Hij hoort niet; hij gaat voort, maar nu niet langer op den matten toon van daareven: »Weet u, mevrouw, waaraan onze Oost me dikwerf denken doet? Aan de vrouwen der parijsche demi-monde, zooals de romanschrijvers ons die schilderen. Als zij, blijft ze altijd jong en altijd schoon. Als zij, lokt ze ons door die eeuwige jeugd en schoonheid. Eenmaal tot haar gekomen, bedwelmt ze ons, dwaze jongelingen, kortzichtige mannen, verrukt ons door haar pracht, haar weelde, haar genot... we wijden haar al onze liefde, al onze energie, onze beste krachten... ze beantwoordt onze teederheid, o ja! ze schenkt alles wat ze te geven heeft, en het is meer zelfs dan we verwachten, tot... het oogenblik komt waarop we niet meer bieden kunnen wat we eenmaal boden... dan laat ze ons gaan! En met de zelfde hand, waarmee ze ons het afscheid toe wuift, wenkt ze anderen—andere dwaze jongelingen en kortzichtige mannen, die verheugd komen toesnellen om op hunne beurt hun noodlot te ondergaan.«

Mevrouw De Bruining is onrustig geworden. Hij moet kalm blijven, heeft de dokter gezegd, vóór alles kalm! Ze tracht de bezoekster te waarschuwen door wenk en blik.

»Is u niet wat somber gestemd?« vraagt deze, en zonder antwoord af te wachten gaat ze voort: »Trouwens, ’t is geen wonder. Niets wat ons zoo melancholiek maakt als geschokte zenuwen en vooral heden, nu het besluit werd genomen...«

»Je hebt ’t zeker al gehoord, Nita; hij heeft een spoedcertificaat?«

»Weet u wat ik geloof, mijnheer De Bruining?« zegt Nita met een glimlachje. »Uw vrouw doet die vraag om er op te wijzen dat het nu geen tijd is om ons te verdiepen in beschouwingen over Indië. Nu, ik zal, tot de orde geroepen, dadelijk beginnen met een heel zakelijk gesprek. Ja, ik wist van dat spoedcertificaat, ik begreep dat u het erg druk zoudt krijgen met pakken en naaiwerk en vendutie houden, en daarom kwam ik u maar dadelijk vragen, waarmede ik u helpen kan.«

»Lief kind! Zeker kun je me helpen. We moeten warme kleeren hebben... het is December als we aankomen... Arme kinderen!«

»Arme ouders,« denkt Nita, terwijl haar verbeelding haar die aankomst voortoovert.

»Mevrouw Paerel gaat morgen naar Batavia en zal flanel en laken en al het andere akelige warme goed voor me koopen, en nu had ik al gedacht, dat, als je het schikken kondt me je naaister af te staan... je kunt haar toch wel missen?«

»Natuurlijk.«

»Weet je, zij gaat zoo vlug met de machine om en garneert zoo aardig; anders zou ik het niet durven vragen.«

»Maar mijn lieve mevrouw, ik ben hier gekomen om u te zeggen dat mijn geheele personeel te uwer beschikking is, en als het u van dienst kan zijn, mijn eigen persoontje ook.«

»Zeker kan ons dat van dienst zijn. Al was het alleen door ons uw lief deelnemend gezicht te vertoonen.«

»Hoor eens aan! Men ziet wel dat hij algemeen secretaris af is, hij heeft weer tijd om galant te wezen,« roept Louise met de goedige blijdschap eener vrouw die, zeker van haar echtgenoot, hem gaarne zich aangenaam ziet maken bij andere dames.

»Dan wou ik ook nog even over de laatste dagen vóór uw vertrek spreken; ’t is wel wat haastig, maar ik vrees dat anders een van de vrienden mij voor is. Mevrouw van Waliënhove zal u natuurlijk noodigen, maar, niet waar? met zooveel kinderen is het misschien wat lastig logeeren op het paleis? U weet, wij hebben twee kamers in de bijgebouwen.«

»Nita, kind! men zou zeggen dat je al tien jaar in Indië waart, zoo hartelijk en hulpvaardig ben je. Doch we wilden maar liever in het hôtel gaan. We zijn te talrijk om.... Nu, wat is er?«

Dit tot Fritsje, die, buiten adem, met zijn schoenen vol slijk, een gescheurde kiel, een vuurrood gezicht, komt aanrennen en voortrent tot hij in zijn vaart wordt gestuit door den wipstoel alsook het daarin aanwezige lichaam zijner moeder.

Nog vóór ze van den ontvangen schok is kunnen bekomen, tusschen twee gejaagde ademhalingen in, fluistert hij haar iets toe.

»Wat zeg je?« En ze vliegt overeind met doodsschrik op het gezicht. »Een dolle hond... groote God! waar? Nita! Daan! Spen! Juf! Boe! grijpt de kinderen! Grijpt er ieder een! We moeten ze opsluiten!«

Nu was het gemakkelijker gezegd dan gedaan, een Bruining te grijpen. Nauwelijks zagen ze den even onverwachten als talrijken jachtstoet den tuin instormen, of het kwaad geweten, dat elk dezer jeugdige bandieten met zich omdroeg, dreef hem om zijn heil te zoeken in de vlucht.

’t Was te vergeefs dat de rampzalige moeder hen toeriep, hoe geen ontdekt kattekwaad de reden der vervolging was; te vergeefs dat de Javaantjes hun hoofddoeken aan de takken der boomen lieten, te vergeefs dat de baboes haar statige sarongstap veranderden in een gestrekten draf, te vergeefs dat de juf—als alle juffen van mevrouw De Bruining in korten tijd corpulent geworden—struikelde over de barrières, die de vindingrijke knaapjes voortdurend opwierpen, de drijfjacht duurde meer dan tien minuten.

Toen waren ze allen gegrepen en werden ze, als biggen op een marktdag, onder even vervaarlijk geschreeuw en met even weinig complimenten, opgepakt en in veiligheid gebracht; maar het helsch rumoer dat ze aanhieven, zoodra ze zich opgesloten zagen, overtrof alles wat verontwaardigde biggen ooit geleverd hebben op dit gebied.

»En nu den hond! Het pistool!« schreeuwt Louise hoog boven het rumoer uit.

Mijnheers jongen brengt het pistool en met den moed, dien de wanhoop en het leven in Indië geven, snelt mevrouw—nu gevolgd door zeer enkele harer jongens—den tuin in, het huis door!

Geen dolle hond.

»Waar is Frits? Mijn hemel, waar is dat kind nu gebleven? Fritsje, lieveling, waar zit je? Als je gebeten bent, zeg het dan dadelijk, misschien kan het nog worden uitgebrand.«

»Wat toch, ma?« vraagt Frits, terwijl hij van onder het tafelkleed komt uitgekropen; »wat toch?«

»Kind, waar heb je dien hond gezien?«

»Een hond?« herhaalt Frits. »Een hond?«

»En je komt me zeggen dat er een dolle hond is.«

»Ik?« Frits kijkt zijn moeder aan alsof hij vreest voor plotseling ingetreden krankzinnigheid. Daar heeft hij een helder oogenblik.

»Meent u wat ik u kwam zeggen, van Toetie? Dat ze weer met een vollen mond praatte?«

»Jou leelijke klikspaan!« En op Frits’ wijd uitstaande ooren dalen een paar vegen zoo krachtig als alleen een door schrik en angst overspannen moeder ze kan toedienen.

Daarna worden de kinderen verlost.

Maar nauwelijks hebben ze de toedracht der zaak vernomen of, woedend over hun kortstondige gevangenschap, vallen ze als één man aan op het ongelukkige kind, dat huilend herinnert hoe ma hem gister heeft opgedragen te waarschuwen, als Toetie weer met den mond vol praat.

Mevrouw Verschuere brengt haar uitgeputte vriendin een glas ijswater.

»Zal ik u ook eens inschenken?« vraagt ze dan, eenigszins verbaasd over de houding van den heer des huizes, die gedurende het geheele incident niet uit zijn ziekestoel verrezen is.

»Neen, dank u, ik ben niet geschrikt,« zegt de heer De Bruining kalm.

»Niet?«

»Hebt u de geschiedenis wel eens gehoord van den man met den wolf?« vraagt hij dan. »Het gaat mij als de boeren: ik ben zoo dikwerf toegeschoten op een loos alarm, dat ik niet meer aan een ongeluk gelooven kan.«

’t Duurde lang vóór de gemoederen bedaard waren, lang ook voor het gelukte de jeugdige Bruiningjes te doen luisteren naar het klokje van gehoorzaamheid; eindelijk bood Nita aan, daar juf zich zwaar gewond meldde en de meiden nog niet genoegzaam schenen uitgerust, Jantje naar bed te brengen evenals toen hij ziek was, en daar Jantje’s ziekte een groot evenement was geweest in de familie, werd dit beschouwd als een soort van voorstelling. Gelukkig sliepen de toeschouwers reeds half onder het kijken en slaagde men daardoor er in, hun verwijdering te bespoedigen.

Als mevrouw Verschuere in de achtergalerij terug komt is de maan verrezen; want gelijkt onze hollandsche hemel een slecht beheerd theater, waar de toeschouwers moeten wachten, wachten tot in het oneindige, zonder dat het donkere scherm wordt opgehaald, de Indische is als een feërie: het eene schitterend tooneel volgt het andere onmiddellijk op: nog ziet men links de purperen sleepgewaden van den hofstoet die de onttroonde koningin verzelt in de ballingschap als rechts reeds haar blonde opvolgster nadert.

Nita vindt mevrouw De Bruining nog steeds pogingen aanwendend om tot kalmte te komen, blijkbaar met geen ander doel dan om die te gebruiken voor een toornig protest tegen het noodlot.

»Ik vraag je, Nita! Is dat nu niet verschrikkelijk, zoo’n toestand? Men heeft geen oogenblik rust. Ik begrijp niet dat er nog menschen zijn met groote huishoudens, hier in Indië ten minste. Is me dit nu een klimaat om acht kinderen te hebben?« En als op dezen wanhoopskreet echtgenoot en bezoekster stil blijven: »Neen ze mogen van Holland zeggen wat ze willen, het kan er nooit zoo lastig zijn om kinderen te hebben als hier. Daar kan men ze ten minste opsluiten, in één kamer houden.«

»Of dat nu zoo’n voorrecht is, wordt, geloof ik, wel eens betwijfeld,« meent Nita te moeten opmerken.

»Maar in elk geval zijn ze onder beter toezicht. Eén hollandsche meid is meer waard dan tien van die javaansche schepsels.«

»Zoudt u denken?« vraagt Nita, en ze herinnert zich enkele exemplaren der laatste uitgave van vaderlandsche dienstmeisjes. Maar waartoe de arme haar illusie ontnomen?

»Ben je nu niet wat onrechtvaardig, kind?« vraagt De Bruining.

Een oogenblik nog moet de veelgeplaagde strijd voeren tegen haar humeur, dan slaat ze de trouwhartige oogen op naar haar man en zegt: »Ja, je hebt gelijk, ik moest zoo niet praten. ’t Is heel ondankbaar van me.«

»Even ondankbaar als het straks van mij was ons goede Oostje bij een courtisane te vergelijken. U ziet, mevrouw Verschuere, we vervallen reeds in het zwak van de oudgasten: wijl Indië ons niet alles schonk wat we vroegen, vergeten we het vele dat het ons gaf en worden mopperaars.«

»Nu ja, een oogenblikje misschien, maar niet lang; dáárvoor zijn we hier te gelukkig geweest.«

»Dat zijn we,« zegt Daan.

»Weet je nog,« begint nu Louise, »weet je nog toen we op Trogong waren? Was dat niet heerlijk? Die frissche, geurige berglucht? Die vriendelijke bevolking? En hoe goedkoop was het er en hoe mooi! Weet je nog, ’s morgens als we gingen paardrijden?«

»En ’s avonds, als de maan zoo helder scheen en we zoo poëtisch gestemd werden?«

»En zoo verliefd!«

»Hemel, ja!« roept hij lachend. »’t Is waar ook, vreeselijk verliefd!«

»Wat hadden we daar toch een mooien groentetuin, Daan! Herinner je je onze eerste doperwten, die ik niet eten wou, omdat ik vond dat jij er de helft van hebben moest... toen het bleek dat de spen ze had opgesmuld? Och, Nita, je hadt eens moeten zien, hoe eenvoudig we daar leefden en hoe primitief ons huis was. Geen sprake van marmeren vloeren of gestukadoorde plafonds, hoor... en het was er toch goed wonen, niet waar, Daan! Ja, ’k weet wel, het lekte een beetje en de deuren sloten niet al te goed, maar ’t was toch lief.«

»Ja, kind, lief was het,« en van zijn gelaat is de strakke, knorrige trek verdwenen.

»Was dat uw eerste standplaats?«

»Ja; boven in de Preanger. Een groene vlakte vol witte huisjes. De prettigste standplaats die we ooit gehad hebben.«