Bloemlezing uit Guido Gezelle's Gedichten

Chapter 5

Chapter 53,563 wordsPublic domain

't Zijn wederwijven, boos en fel, die, kwaad van hande en vinger, malkanderen te keere gaan en vechten slag om slinger.

De wind zit in 'k weet niet welk geweste, 't buischt en 't bommelt alhier, aldaar een zwepe los, die deur de wolken schommelt.

Zij stuiven heinde en verre, en van malkaar gescheurd, in stressen van wijsterwaster vechtende, en verwaaide tooveressen.

VOETNOOT:

1 Door elkander.

=EXCELSIOR=.

'k Zie liever die te bergewaard zijn roekloos opgeklommen, als die, om loon, zoo zaan[1] de vaart gedaan is, nederkommen.

Die stijgt noch af- noch om en ziet naar die in de eerde wroeten; noch, dwee van halze, en kust hij niet of waren 't keizersvoeten.

'k Zie liever die de zegevaan mij deur de wolken steken, _excelsior_, en, vóórgegaan, mij moed in 't herte spreken.

Dan zegge ik: „Op! Dat ander kan, dat kan, dat wil, dat zal ik: geen oneere en geen schande en kan mijn durven deren, valle ik.”

Hooveerdigheid is valsch van doen, van zeggen en van zeden: ootmoedig wil ik, ridder koen, tot stijgen mij besteden.

Zoo God mij helpt, en gij mijn vuist, op Libans hoogste kragen[2], of vielender omtrent mij duist[3], nog wil, nog zal 'k het wagen.

VOETNOTEN:

1 Dra.

2 Punttoppen, kamlijn.

3 Duizend.

=ZEGEPRAAL=.

De zonne vecht! Het noordervolk komt woedend opgestoven, de diepten uit, afgrijzelijk verbolgen. Bergen boven malkanderen zij werpen gaan, in 's hemels aangezicht: den al te schoonen dag uitdoen, en dooden 't zonnelicht!

Het spettert, uit de wolken, vier en vlamme; kwade steenen, van rammelenden hagelslag, en bliksem, al met eenen, vergâren mij de reuzen in hun vuisten vol geweld, en ruien ze, onbermhertiglijk daarheen, in 't zonneveld.

't Is donker nu, 't is donkerder, nog donkerder! Gevaren, als machtig, overmachtig groote, en mammothsche adelaren, omslaan de wolken alles, en, voor 't nachtelijk bedwang, onthemelt al dat hemel is, in 's hemels zwart gevang.

't Is donker! Zal 't verwonnen zijn, dat overheerlijk blaken, dat altijd even schoone van de schoone zonnekaken? 't Is nacht! En zijt voor goed nu gij gedompt en doodgedaan? Gij, beeld des Alderhoogsten, zult gij, stervend, ondergaan?

Staat op! Het worde dag weerom! Staat op, en slaat die booze, die duistere onbedachten, gij, des hemels schoone rooze; gij, onverkrachte lichtvorstin, staat op, uit uwen schans, en plettert, onbermhertiglijk, die domme reuzen gansch!

De zonne vecht! Zij duwt den spiet, den onverwonnen gaffel des zonnelichts, de reuzen in den zwartgezwollen naffel; ze bersten, en ze bulderen malkander slaande, intween; en, hersens in de kele, valt het reuzenrot ineen.

Ze pletteren te grondewaard, ze pletsen en ze plassen, dat 't bommelt in de lucht alom: lijk honden zijn 't die bassen. De wereld stroomt, afgrijzelijk, van 't bloed alsof het waar', van de eindelijk verwonnen, en verwenschte reuzenschaar.

Ze 'n zijn niet meer,... ze 'n zijn niet meer. Ze waren!... In hun stede komt helderheid, komt hemelsblauw, komt goud, dat schittert, mede. De zonne vocht, de zonne won, en, tierende overluid: „Hier ben ik!” roept ons zonneken, „des vijands vonke is uit!”

DE DOORNENBOOM.

De schamele, oude boom, die midden in de vaten, veracht en ongetroost, des olieboeters[1] staat; hij weet dat 't zomer is en zou hij, zou hij 't laten, te bloeien, nu dat al dat blomme is opengaat?

Gestapeld, rondom hem, zijn tonnen, tonnen, tonnen, die olie zweeten al, en stinken. Schouwen ook, verheven boven 't dak des oliebouws, en jonnen[2] maar bitterheid den boom en afgerolden rook.

Hij bloeien zal nochtans, en, blij, de zonne bieden de vreugde van zijn hert: maar éénen keer in 't jaar en wilt het zomer zijn, en mag't den boom geschieden te bloeien in den dwang van al die tonnen daar.

Hij bloeit en staat in 't wit getooid, langs alle kanten één vlage blommen duikt zijn' takken, scheef en krom; de bietjes zie'k er zog van zuiver zeem in zanten[3], de blommen in en uit en uit en in, weêrom.

Bloeit helder, helder op, o boom, en luide pralen laat al uw lief gewaai, deur dikke en dunne. Neen't, 't en is maar éénen keer, dat 't meie is; hillen, dalen zijn blijde; blijde zijt, genoeg, genoeg geweend.

De tonnen staan alom gestapeld: zwarte zware gedaanten, ongehier[4] van leelijkheid. Welaan, o taaie doornenboom, daar midden in, verjare nog menigmaal uw hoofd, vol bloeiend wit gelaân!

VOETNOTEN:

1 Olieslager.

2 Gunnen.

3 Samenlezen.

4 Onguur.

=MIETJE=.

't Meiske, met zijn' teele melk, op zijn bloote voetjes, lang, gelijk nen terruwstelk[1], zoetjes, zoetjes, zoetjes terdt[2] het voort, en anders niet als zijn teele melk en ziet't.

't Meisken hoorde: „Goedendag!” zeggen, zoetjes, zoetjes: „Mietje!” 't Meisken ommezag... op zijn bloote voetjes viel de melk en, vol verdriet, wie dat 't was en wist het niet.

Meiske, meiske, meiske snel, op uw bloote voetjes, melk aan 't dragen, wacht u wel: zoetjes, zoetjes, zoetjes, mijdt u, meiske, en hoort gij iet, vóór u, maar niet omme en ziet!

VOETNOTEN:

1 Tarwestengel.

2 Treedt.

CYTISUS LABURNUM[1].

Gevlerikt, na der vliegen aard; gereesemd[2], al omleegewaard; eenvervig, en van goude fijn, des goudenregens blommen zijn.

Zij staan in krabben[3], lang en smal van lijve, en recht een regenval gelijken zij, van goude.... neen, van zijde en licht en edelsteen.

't En is van al dat bloeit entwat zoo geluw, in geen blommenstad; 't is geluw, naast aan 't groen.... 't en doet, 't is groen, ten geel'wen uitgezoet.

Als, ievers in den hof gestaan, de goudenregens opengaan, de duisterheid van 't groen verdwijnt, „het regent en de zunne schijnt.”

Hoe jammer dat zoo gauw voorbij, uw vlagen gaan van goude, en gij, o gulden regen, al te broos van leven zijt ge, en tijdeloos[4]!

Gij strooit den weg, nen dag nadien, of twee, dat wij u open zien: zoo derf[5] is dan uw dood gelaat, als kaf, daarop de vlegel slaat!

En, eens dat eene aan 't vallen is, de stervenstijd van allen is gekommen: geen een blomme en kan't meer houden: 't goud is uitgebrand.

O goudenregen, heel en al het jaar, zoo heet gij regenval; doch regenval van goude, aleer het meien zal, en zijt gij meer.

'k Verlange al, eer de maand daar is weêromme, en tend[6] de hoven, frisch; vol goudeware[7] en zonneschijn geregend door uw' blommen, zijn.

VOETNOTEN:

1 Goudenregen.

2 Gerist.

3 Tros.

4 Zonder tijd, kort van duur.

5 Bleek.

6 Tend, tenden, t'enden = aan het einde.

7 Goudwaar.

BUIGEN OF BERSTEN.

Het jong hout staat, den rugge krom, ootmoedig neêrgestopen[1] terwijl de wind, den afgrond van zijn diepe longen open, gevaren komt, door bilk[2] en bosch; en, bruischende in de boomen, losbandig, al den gruwel van zijn' gramschap heen laat stroomen.

De boomen staan geworteld in den bodem diepe, en, weren en zal de wind hun sterkheid noch hunne oude stammen deren; ze zuchten en ze stenen wel, ze roepen en ze razen, maar wederstaan, zoo willen ze, en... dat durven ze, die dwazen!

Ze 'n buigen niet. Hun' wortels staan in de eerde neêrgegrepen als ankers, die gebonden staan doen ijzervast de schepen; ze 'n buigen niet. Hun hoofdgewaai scheurt af en weg: om 't even, en zullen noch en willen ze, en voor wie dat 't zij, begeven.

Het jong hout ligt den grond nabij, voorover, neêrgedwongen; verpletterd en vernietigd haast.– De wind komt losgesprongen en, stampende op dat ligt... „Zoo wel den naasten als den versten,... die boomen daar zal 'k buigen doen, of willens nillens bersten!”

't Is donker, van al 't zand, dat vliegt. Geen hersendolle koeien en kunnen, zoo de wind nu doet, zoo ongedoevig[3] loeien. Ei! poffen nu, en paffen gaan de pezen af, en kraken de wortels: als geweren zijn 't, die dood en donder braken.

De doelen staan, bij vijftigen, bij honderden, te perre[4], ter aarden uitgeheven, en... de boomen zijn omverre, de teenen in de lucht; tot in den vasten grond gezonken, verdwijnt, al even slaggelings[5], hun' kroone, in de elzentronken.

Het jong hout heft den hals weer op; allengskens stilt het weder, en legt het, op de rompen van geroeide boshout, neder zijn grimmigheid. Een slagveld is 't vol lijken. Ongeschonden, zoo staan de jonge stammen daar nog, al die buigen konden.

VOETNOTEN:

1 Neêrgebogen.

2 Omsloten weide.

3 Wild, woest.

4 Op hun kop.

5 Met één slag.

DE SPERRETAKKEN.

De sperretakken staan, nabij den boom, alsof hun blâren gestorven, over langen tijd aan jeugd en jonkheid waren; maar, als zoo zaan[1] de zomer komt herzie 'k hun verste vingeren met jeugdig groen en zappigheid den ouden boom omslingeren.

Nog winter is 't, men zeggen zou, omtrent het bol[2]; en neven het bol, zijn zwart de takken, die maar tendenwaards en leven: het oude draagt het nieuwe, dat nog jong is; maar van dagen ook oud geworden, beurtelings zal 't oude 'et nieuwe dragen.

Op de ouden blijft gesteund, en zijt voorzichtig, jonge spranken; 'n laat u nooit verleiden, om te vroeg u vrij te danken van 't oude: uit de oude grauwte van de schiergestorven boomen zal nieuwgeboren schoonheid eens, en sterkte, henenstroomen.

VOETNOTEN:

1 Dra.

2 Stam.

HET GULDEN VLIES.

't Is scherenstijd in 't houtgewas. De blaren vallen: grond en gras zijn effen, van den wind die waait, vol zilver en vol goud gezaaid.

Zoo groene en is de grond nu meer als wijlen, toen de lente teer, en 't jonge jaar zijn herte ontlook, de weiden en de bosschen ook.

't Is scherenstijd. De schapen niet maar 't houtgewas men scheren ziet; en 't scherpe van de windenschaar aan 't knippen is in 't houtgeblaar.

Daar vallen en vergaderen nu honderdduizend bladeren, die reuzen[1] af de rijzekens, zoo lustig en zoo lijzekens.

't Is 't boomenvlies dat nederstort, dat altemaal gesneden wordt; dat af en dóór de schare moet, zoo 't al, en te elken jare doet.

Het gulden vlies, dat Jason zocht, en reeuwroofde[2] op het wangedrocht, aanschouwe ik al mijn leven lang, als wangeloove en kwenenzang[3].

Maar 't geen alhier, aldaar gestrooid, den weg dien ik nu ga vermooit, dat menigvuldig boomverlies, voorwaar dat is mij 't gulden vlies.

Het blinkt, het bleust, het laait, het ligt doorschoten van den zonneschicht, onmeetbaar, verre, één schapendracht van ooienwolle en lammervacht.

Een kleed is 't, als van engelkens, van louter liefdebengelkens, die zijde en wolle en gouden blaân doen liggen, daar ze spelen gaan.

Het rilt, bij elker schree, die 'k doe; het roert en 't ruischt, 'k en weet niet hoe; en 't riekt, alsof er reuke fijn van amber uit zou dampend zijn.

't Is scherenstijd, in 't houtgewas; geen stap mij ooit zoo zoet en was als dien ik eens, in Ipersteê, deur de afgevallen blâren deê!

VOETNOTEN:

1 Vallen.

2 Reeuwroof = lijkroof.

3 Kwene = oud wijf.

HEBT MEÊLIJEN.

Hebt meêlijen met de boomen, laat den bast hun ongeschonden; bewaart ze voor de nijdigheid der kwade nagelwonden; geen onbermhertig menschenkind ze dood en kwelle: geeft de vrijheid aan des scheppers hand, die in hun lenden leeft.

Hoe schandelijk ontmaakselt en ontmooit gij mij de vrome, de vrije en blije boomen, die 'k zoo geren tegenkome omtrent uw huis en hof, o gij, dien God met herte en oog heeft toegerust, om hem te zien in 't heerlijk boomvertoog.

'k Zie opgeroeste pikken, moe van kappen en van kerven, gehamerd om den esschenboom, den esschenboom bederven, daaraan het hekken vastgehaakt de bilken[1] sluit, en 't vee belemmert, dat zijn vulte zoekt en voedsel, in de wee.

'k Zie boomen, die gebonden staan, in 's dwingers booze handen, die nooit geen duimbreed af en laat zijn ijzervaste banden, maar spannende en onroerbaar, al dat leeft en roert in 't lijf der boomen doet misdragen tot een eerloos wanbeklijf[2].

Gebulte boomen zie'k, en die, doorhakkeld en dooreten, vol krammen en vol haken staan gespijkerd en gesmeten[3]; die werken zoo Gods wet hun wijst, die tranen en die bloên, o mensche, om eenmaal vrij te zijn van al uw dertel doen.

Of staan ze meer niet vast genoeg, de wortelvaste boomen? En vreest gij dat zij henengaan en meê met 't water stroomen; of vliegen in de lucht, omdat gij scherpe draden spint, en lange reken[4] boomen al in snijdend garen windt?

Och arme, en is 't genoeg u niet dat, schier nog ongeboren, het hout alreê geknipt moet zijn, geschonden en geschoren; dat 't, galoos[5] en tot alles dat het niet en is gepraamd, wordt „gloriette” en „pyramide”, en „espalier” genaamd!

Hebt meêlijen met de boomen, laat hun schoonheid ongeschonden, die schoonder is, onaangeroerd, onvast en ongebonden, zoo God ze liet gewassen zijn, gewonnen en gebaard, als al hetgene gij, o mensch, verzint en hebt vergaard.

VOETNOTEN:

1 Omsloten weide.

2 Wangewas.

3 Geslagen.

4 Rij.

5 Weergaloos.

DE DAGERAAD.

In 't blauwe van den hemel doekt een kleene, witte wolke de zonne mij; en 't witte van die wolke en komt geen vlekkelooze molke[1], geen wolle bij;

geen witgewasschen wolle, noch geen snee die, versch gevallen, te gronde ligt; zoo wit is, op de boorden van die witte wolke, 't brallen van 't zonnelicht.

'k En kan 't niet meer bezien bijkans, mijne oogen willen dolen; 't is vermiljoen, dat, zwart in mijnen boek gedrukt, zoo zwart is als de kolen, en 't rood is groen.

De Leye, die daar stille ligt, het water in de beken, is rood voortaan; terwijl, van top tot tee'n mij als van 't morgenrood ontsteken de boomen staan.

Het schemert hooge en leege nu, en diepe in 's hemels gronden, vandage staat, beneên dien witten zonnedoek, in 's middags hooge stonden, de dageraad!

VOETNOOT:

1 Zuivel.

NEVELDUISTERNIS.

Gegrauwdoekt is de grond der kimme en allenthenen vol damp en duisternis; de boomen, half verdwenen, half zichtbaar, hebben, daar ze stille staan en stom, van wolkenweefsel elk een grauwen tabbaard om.

't Hoogmorgent en, zoo 't schijnt, 't en wilt geen dag meer dagen: daar moet iets ongesteld of los zijn aan den wagen der zonnehingsten, dat ze in toom gehouden staan en, immer nippend, nooit een schreê vooruit en gaan.

De wereld mist den troost dier zoete zonnestralen, die alles leven doen, daar ooit zij nederdalen; die 't schoone schoon doen en die 't goede goed doen zijn: die God verbeelden in Gods beeld, den zonneschijn.

De wereld mist dat nu: ze treurt en, langs de lanen, daar 't eenmaal blommen droop en druipen nu maar tranen; daar 'k eenmaal stemmen hoorde en vogelzang, en ziet mijne ooge onschoonheid maar en sprakeloos verdriet.

Dat 't schaduw nu nog ware en wolken, daar de winden, zoo in een schapentrop de honden, weg in vinden, en bleve een plekske vrij, dat blauw is, hier of daar! Och, neen, 't is nevel, al omtrent me, en nevel maar.

O nevelduisternis, bij nachte zien mijne oogen de duizend teekens nog, die 't ommegaan vertoogen des sterrenhemels! Gij, o nevelduisternis, en toogt mij niets van al daar hope of troost in is.

't Is meer als leed genoeg, en droefheid in mij, zonder uw droef afwezig zijn, o 't weergalooste wonder van al dat wonder is in 's werelds heerlijkheid! o Zonne, en zij mij nooit te lange uw licht ontzeid.

=WINDTOCHT=.

't Is helderblauw, vandage, en warmer als twee dagen of drie geleên, de locht die 'k aseme is voortaan[1] zoo licht en onbelaân, dat door mijn longen ik hem lustig late jagen.

Hij loopt omtrent me heen, hij speelt me vóór de voeten; mijn haar omwentelt, en mijn kaken kust hij koel; in lijf en leên gevoel ik weer den jongen dag den ouden dag verzoeten.

Hoe raast die wilde wind mijne ooren vol! Ze tuiten, ze tieren allerhand geruchten in mij, recht een stamerend gevecht van stemmen is't, die 'k slaan en bermen[2] hoore, buiten.

Dan buige ik mij vooruit en wil de borst hem bieden; 'k ga stevig, stap voor stap, en 'k leune, lijf sta bij; wie zalder, ik of gij nu zege halen, wind, of 't zegeveld ontvlieden?

Zoo wierd er vroeger, 't is mij eeuwen lang geleden, door hem die „_Israël_” nadien voor name droeg, bij nachte en 's morgens vroeg, op een die, na den strijd, hem zegen gaf, gestreden.

Dan, laat mij zegen ook, uit uwen mond, verwachten, o sterke vechter, Wind, die, loopende achter 't veld, mij schier omverrevelt en worstelt tegen mij, en wijgt[3] uit al uw krachten.

Ik bidde u, zegent mij: niet eer en wille ik wapen omleege leggen, u ontwijkende, eer gij doet ontwaken mij dat bloed, dat al te langen tijd, gerust heeft en geslapen.

VOETNOTEN:

1 Nu.

2 Golven.

3 Strijdt.

AKSTERNESTEN.

Nog ijdel staan de boomen, in de blauwe lucht, en blaren en zie 'k ze hebben, meer als of ze dood en duister waren voor goed nu. Lang is alles zwart en zonder zap gebleven, dat wijleneer zoo groene stond in 't zoete zomerleven. 't Is zwart nu al, tot boven in de hooge abeelensprangen, daar zwarte en zware bonken in van aksternesten hangen. 't Zijn teekens in de lucht, en wel bekende hemelbaken, dat wederom de zonne zit aan 't lieve zomermaken. Toch bladerloos is al 't geboomte en, verre heen, in 't westen, in 't noorden, 't zuiden, 't oosten zie 'k alom vol aksternesten de abeelen staan.–Verdappert uw bezoek en wilt de bronne des aksterslevens duiken al in 't groen, o lieve zonne!

=LENTEGROEN=.

Hoe lief is, op het donkerblauw der zwangergaande wolken, die donderpijlen dreigen dra, het lieve lentegroen, daar schielijk, uit de zuiderlucht, de middendaagsche dolken der zonne, 'et lustig meievier een deuntje op dansen doen.

't Is groen, dat diepe in 't blauwe bijt, zoo hel en zoo doorschijnend, of eerst het uit den regenboog geboren ware; en blauw, dat dieper nog als hemelsch blauw des avonds is, verdwijnend in 't zwangergaande duister van de wolken, gram en grauw.

De zonne loopt daar smijtende in heur middendaagsche dolken, die speiten[1] zoo geweldig op het lieve lentegroen, dat 't pinkelt en dat 't pierelt op de blauwheid van de wolken, die, zwangergaande, dreigen dra nen donderdeun te doen.

VOETNOOT:

1 Spatten.

=CINXEN=.

't Is stille, Cinxendag en, over 't plekske vloers, van waar ik henenzie en schouwen kan, daarboven, de hemelsblauwe lucht, en hoore ik niemendal, 't en zij, voorbij geschoven, een langzaam bellen, dat, herhalende, eens en nog zegt: „komt te kerkewaard, met mij den Heere loven!”

't Is stille en kerkewaard vervoere ik mijn gedacht, vervoere ik heel en al mijn innewaardste wezen, tot vóór uw voeten, God, die uit het duister graf zijt heerlijk opgerezen; die in uw kerke rust en dáár, in 't hoogste blauw, terwijl het klokske luidt, mij uwen naam laat lezen.

O groote kerke Gods, o hemelwelven, daar het minste mensch van al, bij nachten of bij dagen, U in de sterren kan aanschouwen, groote God, zoo ver zijne oogen dragen, en in de blauwe lucht des hemels!.... kerke Gods, gewijde kerke, wie zal u te schenden wagen?

OCH WARE IK...

Och, ware ik ongevoelig en mijn herte een steen bedegen[1], wanneer de boosheid bijten komt van die mij toegenegen en dankbaar wezen moesten! ach! 't en is geen een verschenen, of, was er een, hij verre weg van hier is en verdwenen.

'n Ware ik maar gevoelig als ik tranen zie en lijden, bereid om al dat doenlijk is te doen en hen te blijden die troostloos zijnde, zeggen: „Helpt: u wille ik al mijn leven, bedanken!” Neen: beloven is een ander ding als geven!

Ach, weze dan mijn herte zoo't voor u, moet zijn, o Vader, die meer mij als ik immer mocht verdienen, altegader ontvangen liet; die vroolijk zijn mij doet, mijn herte pramend; en al te menig keeren mijne ondankbaarheid beschamend!

VOETNOOT:

1 Geworden.

AAN DEN LINDEBOOM.

O! wat schoon, wat bolgekruinden lindeboom, van verre ik staan zie, blinkende in den morgendoom[1]!

Heel is hij gewelkerd al en duizendvoud van verwen, langzaam afgesleten guldengoud.

Dag en schijnt erop noch noensche zonneglans: 't is vochtig en de hemelkomme is duister gansch.

Doch, ik zie mij, zonnewijs in 't nedergaan, die najaarsche, ei, die bolgekruinde linde staan.

Ringsom rijzen hooge en groote zwart en zwaar getakte boomen, naast die lieve linde daar.

Diepe schaduw schieten ze en een donker groen gewelf zij om het wezen van die linde doen.

Wees gegroet mij, nauwlijks uit den morgendoom erkenbaar Lieve-Vrouwken, aan den lindeboom!

VOETNOOT:

1 Doom = damp, nevel.

=EGO FLOS=...

(CANT. II: 1).

Ik ben een blomme en bloeie vóór uwe oogen, geweldig zonnelicht, dat, eeuwig onontaard, mij, nietig schepselken, in 't leven wilt gedoogen en, na dit leven, mij het eeuwig leven spaart.

Ik ben een blomme en doe des morgens open, des avonds toe mijn blad, om beurtelings, nadien, wanneer gij, zonne, zult, heropgestaan, mij nopen, te ontwaken nog eens of mijn hoofd den slaap te biên.

Mijn leven is uw licht: mijn doen, mijn derven, mijn' hope, mijn geluk, mijn eenigste en mijn al, wat kan ik, zonder u, als eeuwig, eeuwig sterven; wat heb ik, zonder u, dat ik beminnen zal?

'k Ben ver van u, ofschoon gij, zoete bronne van al dat leven is of immer leven doet, mij naast van al genaakt en zendt, o lieve zonne, tot in mijn diepste diep uw aldoorgaanden gloed.