Bloemlezing uit Guido Gezelle's Gedichten
Chapter 4
Laat mieren nu daarbij, daarin, daaroverhenen, of muggen reppen hun' 't zij hooge of leege schenen; laat vlerken, hel als glas, vol regenboogsch gepraal, daarbij zijn, ach, hoe schoon, hoe lief is 't altemaal!
't Leeft overal entwat: 't zij op, 't zij onder 't vloeien der waters; op de veurst[5] gezaaide blommen bloeien; de pannen, levenloos 'n zijn zij; noch in 't stroo van 't schamel dak en weunt het schamel blomke noo.
't Zijn spalten in den wand, 't zijn gerren[6] in de pelen[7] der boomen, daar hun spel de varentjes in spelen, die, boom- en wortelvast, nog tieren in den schoot, die, jaren leên, is hout- en stam- en worteldood.
Geen moes[8] en gaat te kwist, geen veite[9], entwaar, bedorven, of 't leven kruipt erin terug, al is 't gestorven; geen hout en is zoo voos, geen mesch[10], of, stap aan stee, zit wulvenkaas[11] erop, met paddenstoelen meê.
Waar is, van Leye tot aan Schelde, aan zee, in zande, op huis, op stake, entwaar een plekke, in onzen lande, daar niemendalle en leeft, van blommen of van blad, dat lief is? Overal, 't groeit overal entwat.
VOETNOTEN:
1 Arduinen vloersteen.
2 Wrat.
3 Borstwering.
4 Iemand.
5 Dakvorst.
6 Spleet.
7 Pel, schors.
8 Van overrijpe, rottende vruchten.
9 Het een of ander dat verrot is of vergaan, waaruit nieuw welig leven kan opschieten; vei = vet, sappig, groeizaam, vruchtbaar.
10 Mest.
11 Slijmzwam.
NAJAARSVERWEN.
Schilderschoon, zoo zijn de verven van de blâren, die, aan 't sterven, 's najaars, op de boomen staan, schouwt de lieve zonne ze aan.
Groen, wat moet gij heldere vlagen lichts in uwer lenden dragen, dat gij, tanende ende ontaard, toch zoo schoone verwen baart!
Groen, gij zijt me een eêl aanschouwen, als ge, op de aarde wijd ontvouwen, leven biedt aan volk en vee, zegen giet op wald en wee!
Groen, gij sterkt mij dan, en vinden doen mij locht, de groene linden; maar, uw bloeloos bont gerief is mij, 's najaars, nóg zoo lief.
's Voorjaars zingt het al te prachtig, al te menig, al te machtig groen, te oneindig luide een lied: maar het groen dat weggaat niet.
Ei, hoe orgelt dan, hoe kwedelt, harpt en zingezangt en vedelt mij dat henenstervend... neen, henenlevend–loofgeween!
NIEMANDSVRIEND.
Ge 'n weet niet, die, in stad gewend te wonen, maar Gods koorne en kent, wanneer het, brood bedegen[1], en voedzaam, u wordt voorgeleid, hoe heerlijk is de uitwendigheid van 't groene, langs de wegen.
Van 't groen, dat hooge en leege groeit; van 't groen, dat in de weiden bloeit; van vogelvitse[2] en krokke; van wegbree, murke en roozewied; van onderhave en retse[2] en riet, van distel en van dokke[3].
Ach distel, ik en kende maar van zeggenswege uw streuvelhaar[4]; ik liet mij, van die 't zeiden, verwittigd zijn, in 't akkerland, dat ge overal de kroone spant, om onraad uit te breiden.
'k En kende u niet en, bovendien, 'k en zocht u van nabij te zien, voorwaar, noch aan te roeren, zoodanig is de rake[5] omtrent uw kwaadheid, overal bekend en ruchtbaar, bij de boeren.
Men scheldt dat ge, iedereen ontvriend, tot voedsel van den ezel dient; men schuwt uw' scherpe bladen; doch, hij en scheldt onnut u niet, die 't schoone in al Gods werken ziet, en 't goede zoekt te raden.
Men scheldt... of, erger nog, men hoort, van wetswege, en bij koningswoord, gebannen en geboden, dat 't distelvolk men, een en al, te zeisene en te spade, zal verdoen, en de eerde uit roden.
Bermhertigheid voor 't schamel wied, eilaas, dat ge al te ongeren ziet: aanschouwt hoe 't, ja, de steenen, de vuile brokken, daar 't geweld der steêlie'n meê den buiten kwelt, komt zedig groen verleenen.
Aanschouwt, op elken staf, hoe lief elk distel hoofd zijn' blommen hief, geheel of half maar open; hoe net, van niemand aangeraakt, een' krage om elke blomme blaakt, vol verschen dauw gedropen.
Aanschouwt hoe 't schubbig distelhaar omspannen hangt, vol Godssamaar[6], vol kobbenetsche[7] kanten; die roeren in den zonnenlaai, die blinken in elk windgewaai, vol stof van diamanten.
Hoe 't wikkelachtig witje wipt, alhier, aldaar, verlekkerlipt om 't zijne, uit al de bloeien, te ontsnoepen aan de krabben[8] bie'n, die 't, nijdig, elken distel zien bezoekend henenspoeien.
'k En rieke, alwaar men lieflijkheid van zalvende olie toebereidt, geen' aangenamer' roken als die, des zomers, vroeg en laat, daar 't distelt en vol blommen staat, de distelblommen stoken.
Aanschouwt, op de oude toppen, hoe 't gevlugde zaad omhooge woedt, en waait voor alle winden, om ievers, daar 't geen ziele en zag, den vrijen hergeboortedag, onsterflijk, weêr te vinden.
Zoo leeft gij, distels immer voort, van wetswege en bij koningswoord verboden en gebannen; en, schoon zij, om uw schamel zaad te worgen daar 't gewonnen staat, zoo lange al samenspannen.
't En zal, verdiend of onverdiend, 't en zal u, distel, niemandsvriend, minachtend ooit versmaden, dit Vlamingshert, dat, 't baten niet, maar 't schoone in al Gods werken ziet, en 't goede zoekt te raden.
VOETNOTEN:
1 Geworden.
2 Vogelwikke, ruige wikke, weegbree, gewone muur, klaproos, hondsdraf, perzikkruid.
3 Wilde zuring.
4 Verwarreld opstaand haar.
5 Roep.
6 Zomerdraad.
7 Kobbe = spin.
8 Zwerm.
=CASSELKOEIEN=.
Aanschouwt mij, hier en daar, die bende Casselkoeien; die, louter bruin van haar, als zooveel blommen bloeien, in 't gers[1] en in de zon, die, zinkend henentiet[2]: die, rood, het roode veld vol roode vonken giet.
't Is prachtig overal, 't is prachtig, hoe de huiden dier koeien liefgetal[3] van vouwe en verwen luiden; 't is prachtig hoe ze staan, gebeiteld en gesneên, lijk beelden, over heel die wijde weide heen.
Daar zijnder, roode als vier; castanjebruin geboende[4]; naar donkerbaaide[5] bier, naar bijkans zwart bier doende: beglinsterd en beglansd; van vel en verwigheid, gelijk en ongelijk,–terwijl de zonne beidt.
Al langzaam langer speelt, dwersdeur de weidegronden, 't zij welker koe een beeld van schaduw bijgebonden; en, wangedrochtig groot, in 't donker gers, voortaan, zie 'k zwarte spoken van gevlerkte koeien staan.
Goên nacht! De zonne beet[6] ten neste neêr: tot morgen is al dat verwe heet, en oogen aast, verborgen: de koeien zijn voorbij, gedelgd en uitgedoofd, en... morgen weêr, ontwekt ze 't blinkend zonnehoofd.
VOETNOTEN:
1 Gras.
2 Henentijgt.
3 Lieftallig.
4 Gevlekt.
5 Roodbruin.
6 Daalt.
=TRANEN=.
't Is nevelkoud, en, 's halfvoornoens, nog duister in de lanen; de boomen, die 'k nog nauwlijks zien kan, weenen dikke tranen.
't En regent niet, maar 't zeevert[1]... van die fijngezichte[2], natte schiervatbaarheid, die stof gelijkt, en wolke en wulle en watte.
't Is aschgrauw al, beneên, omhooge, in 't veld en langs de lanen: de boomen, die 'k nog nauwlijks zien kan, weenen dikke tranen.
VOETNOTEN:
1 Zeeveren = kwijlen, motregenen.
2 Fijngezift.
SCHOONE NACHT.
Wolken, 't zijn... lijk sperreboomen, uitgespreid, alhier aldaar, staan, ten oosten heen, de zoomen vol, van 's menschen woonsteê. 't Jaar wendt te zomerwaard zijn schreden, nacht aan 't worden is 't, en heden helder was 't een dag, voorwaar.
Tusschen 't sperreboomsch geveder, 't donkerzwarte, zie 'k het zwerk duisterblauw nog, hier end weder, ieder stonde minder sterk: ieder stonde, en, dóór den donker, scherper wordt het scherp geflonker van één sterre, in 't wolkgevlerk.
'k Zieder twee, drie, vier, vijf, zesse, die, elkander nagespoed, tusschen hier en daar een stresse[1], gaandeweg, mijne ooge ontmoet in de wolken; die maar droomen meer en zijn van sperreboomen: nacht en donker is 't voor goed.
o Alleen nu zichtbaar schoone woonsteê, van geen' menschen, neen maar van God, die in den throone zijner hoogheid heerscht alleen: schoone nacht, die 't menschdom duistert, die van God en sterren fluistert... zoeter zicht en zag ik–geen!
VOETNOOT:
1 IJle wolkstreep. Stresse = 'n bosje draden, halmen of haren.
=AVONDROOD=.
Nog nauwlijks is het groen der boomen groene, en even zijn, toppewaards, alleen de takken groen gebleven; al 't ander zwarter wordt en zwarter: boomen net, van zwarte zijde zijn 't, op blauw satijn gezet.
't Leeft alles langzaam uit, dat verwe is: henen dalen de laatste en langste van de lieve zonnestralen; 't wordt watergroene, omhooge; omleege, brandt en broeit de groote zonne nog, die zinkt en grooter groeit.
Ze duikt heur aangezicht beneên des werelds neggen[1], die, eindloos, slinks en rechts, hun lange lijsten leggen; die 'k opwaardstriemen, die 'k een' wolke twee of drie den zonnezienden kant geheel vergulden zie.
In 't heerlijk zonnenveld, dat donker wordt omhooge, en langzaam donkerder en dieper, staan ten tooge[2], geschreven, zwart op goud, een bende reuzen groot: het eindloos boomenvolk, in 't eindloos avondrood.
Beziet mij haastig nu die schoonheid! Neder nijgen de duisternissen: 't veld, het vee, de vogels zwijgen; het nauwt, in 't westen; nog een tijdtje, en, doodgedaan, zal al die heerlijkheid gedekt en donker staan.
VOETNOTEN:
1 Boord, kim.
2 Ten toon.
=FIAT LUX=[1].
't Smoort, het smuikt, het smokkelwedert[2] allentheen! Waar zijn ze thans, waar de boomen, waar de huizen, waar de wereld, heel en gansch?
Handen uit! Wat is 't? Wat hapert er, genoot, dien 'k niet en zie; die „goendag!” mij, uit den nevel, roept, van hier nen stap of drie?
Van den hoogen torre en blijft er speur! Wat uur, hoe late is 't wel, aan den tijd? De zonne en zie 'k niet: slaapt of waakt het wekkerspel?
Hier en daar een' plekke boenend, zit de zonne in 't duister veld; rood, gelijk een oud versleten stuk ongangbaar kopergeld.
Wind, waar zijt gij heengeloopen? Ligt ge, of ievers doodgekeid, neêrgevallen, plat ter aarde? Wind, waar is uw' roerbaarheid?
Op! Hervat uw' vluggen bezem, vaagt des werelds wegen vrij van die vale en vuile dompen: dat het dage en daglicht zij!
Zonne, krachtig krauwt vaneen die hoopen: ruimt uw ridderspeur: slaat er dwers en nogmaals dwers uw' scherpe, sterke hoeven deur!
Werpt uiteen de onvaste vlagen; vluchten doet ze, en verre voort zij de smoor van hier gedreven: nevel, 's Heeren stemme aanhoort!
_Fiat lux!_–De zonne, ontembaar, zegepraalt; de nevel zwicht: onverwinlijk is de Waarheid, onverheerbaar is het Licht!
VOETNOTEN:
1 Het worde licht!
2 Het mist.
=DE WINDEN=.
De zee, de zee, ze 'n zoeft bijkans zoo zeer niet als de boomen, daar, wild, de winden deure rijen, te peerde, en zonder toomen.
Aan 't roepen gaan tienduizenden tienduizenden van blâren, alsof 't zooveel tienduizenden van dolle menschen waren.
De regen ronkt, en geuten gaan, gegeeseld, allenthenen, de natte boomen buigen doen, en bulderen en stenen.
Hoort! Nog nen keer, en nog nen keer, hertuiten en hertieren de wilde winden: wederom is 't zeegeruchte aan 't gieren.
Geen einde ervan! De vogels zijn gevlucht, de takken breken; verloren is de stemme mij gegaan!–De winden spreken.
DAT WILDE IK WETEN.
Wanneer ben ik U naast, o God, of verst, dat wilde ik weten: wanneer ik mij, in 't donker kot, vernibbele[1], aan de keten; of dan, wanneer ik henentie[2] en vliege, schier vermeten, naar 't licht, dat ik zoo geren zie? o God, dat wilde ik weten.
'k Heb overal mij zelven meê, omhooge en aan de keten! Die los mij van mij zelven deê, diens woonsteê wilde ik weten; diens hulpe hiete ik duizendvoud mij wilkom, onvermeten! Wat is 't nu, dat mij tegenhoudt? o God, dat wilde ik weten!
Bedwingen zulk een vrage zal uw menschelijk vermeten, die levende, altijd, overal, gevangen in de keten, zult zoeken, om 't geheeme van Gods wetenschap te weten... Wie, buiten U, die 't wijzen kan? o God, dat wilde ik weten.
VOETNOTEN:
1 Hevig verlangend begeer.
2 Tiën = tijgen.
=SPAMAN=.
Voorover, naar den grond gegroeid, die haast hem hebben zal, traag-traagskens met zijn' spade spoeit en delft, in 't diepe dal, de moegemoeide, ontmergde man, die schaars zijn hoofd nog heffen kan.
Hij werkt nochtans, en delft en doet zijn beste, tot der dood, die wacht naar hem en elders spoedt, totdat in heuren schoot hij vallen zal, en willekom bij God zijn, recht en sterk weerom.
o Sterkheid, die, veel sterker als de dood, op God betrouwt; die stadig ook dien slavenhals zijne eigen woonsteê bouwt, daar, vrij en blij hij wezen zal bij U, o hope en troost van al!
HET HAZEGRAUWT.
Vroeg avondt het: geleden een stonde of twee, is 't zonnevier beneden de kimme alree.
Niet heel en al verloren het licht en is; noch teenemaal geboren de duisternis.
Het hazegrauwt: de lanen, vol licht weleer, de wegels[1] en de banen en ziet men meer.
Zoo stille staan als beelden, de boomen nu: die roerden en die speelden, ze droomen nu.
Die ruischten en die riepen de boomen, nu, ze doen alsof ze sliepen: ze droomen nu.
De takken en de blâren, de stammen zijn, die menigwendig waren, nu eens, in schijn.
Van verwen en van voeren[2] al eensgedaan, en reppen noch en roeren ze 'n lid, voortaan.
't Is vochtig en, gekropen uit de eerde, vaart de wadem, op en open, omhoogewaard.
De nevel valt, van boven beneên gespreid; gesponnen en geweven, vol duisterheid.
Gepelderd[3] en gewonden, elk hout nu staat; gebunseld en gebonden, in lijkgewaad.
Gestorven zijn de boomen: één grafsteê, al van dampen en van doomen[4], ze bergen zal.
God geve aan oud- en jongen nu roe' en rust: de lijkdienst is gezongen, en 't licht gebluscht.
VOETNOTEN:
1 _Wegel_ = Z. Ned. verkleinwoord van _weg_.
2 Gestalte.
3 Pelder = lijkkleed.
4 Damp, nevel.
HOE ZEERE[1] VALLEN ZE AF.
Hoe zeere vallen ze af, de zieke zomerblâren; hoe zinken ze, altemaal, die eer zoo groene waren, te grondewaard! Hoe deerlijk zijt gij ook nu, boomen al, bedegen[2]; hoe schamel, die weleer des aardrijks, allerwegen, de schoonste waart!
Daar valt er nog een blad; het wentelt, onder 't vallen, den alderlaatsten keer, en 't gaat de duizendtallen vervoegen[3] thans: zoo zullen ze, een voor een, daarin de winden bliezen vol luider blijdzaamheid, nu tonge en taal verliezen, en zwijgen gansch.
Hoe zeere vallen ze af, onhoorbaar in de lochten, en schier onzichtbaar, in de natte nevelvochten der droeve maand, die, 't ijzervaste speur, ontembaar ingetreden, die al de onvruchtbaarheid, die al de onvriendlijkheden des Winters baant!
Daar valt er nog een blad, daar nog een, uit de bogen der hooge boomenhalle, en 't dwerscht den onbewogen octobermist: 't en roert geen wind, geen een, maar 't leken, 't leken tranen, die men gevallen zou uit weenende oogen wanen: één kerkhof is 't!
Gij, blâren, rust in vreê, 't en zal geen een verloren, geen een te kwiste gaan voor altijd: hergeboren, die dood nu zijt, zal elk van u, dat viel, de zonne weêr ontwekken, zal met uw' groenen dracht de groene boomen dekken, te zomertijd.
o Zomer!... Ik zal eens ook Adams zonde boeten, gevallen en verdord in 's winters grafsteê, moeten; maar, 's levens geest, dien Gij gesteken hebt in mijn gestorven longen, dien zult gij mij voor goed niet laten afgedwongen, die 't graf ontreest!
VOETNOTEN:
1 Spoedig, snel.
2 Geworden.
3 Zich voegen bij.
VAN DEN OUDEN BOOM.
Met uitgestroopten arm, ten halven afgeknuist, wie staat er daar, en steekt eene onbestaande vuist ten hemel? Is 't een reus in beelde? Neen 't, 't en is geen menschenbouw, 't is eer een' wangedaantenis; een steenen berggedrocht, dat, staande fel en fier, de scherpe houwen torst van 't vonkend hemelvier.
Doch neen, 't en is geen berg, geen wangedrocht voorwaar; 't zijn takken stijf en stomp, 't is schorse, die 'k ontwaar; die, dikke en diepgegroefd, geborsten en gescheurd, van uit den ouden grond heure oude bonken beurt; 't zijn spanders overal, 't zijn spillen, die 'k aanschouw, een loof, dat kroont alom een steenoud boomgebouw.
De Winter heeft erop zijn boos gebijt vermoord; het Water heeft het merg en 't herte eruit geboord; de Bliksem spookte erom, en kraakte, met geweld, er halve boomen uit, en takken ongeteld; de Tijd onteerde laf en langzaam al zijn lijf, en nog en roert hij niet: hij staat daar, rotsestijf.
En ieder jaar dat loopt hergroent hij nog, en laat, wanneer de lente lacht, zijn spaarzaam loofgewaad omschaduwen het stuk hooge uitgepuilden grond, daar, als hij jonger was, zijn' geile wortel stond. Eilaas, niet langer meer en kan hij, moegeleefd, de wonden duiken[1], die men hem geslagen heeft!
Hij staat daar, oud en strem, in 't wilde windgegons, gelijk te Roomen, van groenuitgeslegen brons, men beelden ziet: geen een en weet hoe lang gestaan zij hebben; geen hoe lang de Tijd voorbij zal gaan en groeten ze, ongedeerd. –Ik groete u! God beware u, Vlaamschen ouden „tjok”, nog honderd, duizend jaar!
VOETNOOT:
1 Verbergen.
=BLOOTAKKER=.
Geen één blad op de boomen! Af is alles; voor de vlagen gevallen onder voet en van de winden weggevaagd, het schilderschoone aanschouwen, dat het bonte najaar draagt: noch wit en zijn, noch groene meer, de scherpe doorenhagen.
'k Zie heinde en verre, deur end deur de velden nu, de kerken, de huizen en de hoven staan, zoo bloot als op mijn' hand; van verre zie 'k de peerden en de menschen, op het land, zoo neerstig en zoo kleene, alzoo de mieren zijn, aan 't werken.
't Is wijd en breed al, ommentom, 'k gevoel 't nu, aan de baren des wilden Winds, die henentuimt en, tierende onder 't hout, zijn' stemme schijnt te missen en zijn' tale, die zoo boud, zoo bulderende, aan 't roepen zat, hier voortijds in de blâren.
't En wonen meer geen' vogels in de boomen! Zoo gij, wepel[1], nen overjaarschen aksternest entwaar nog hangen vindt, van boven in de abeelen, 't is een' wiege zonder kind, die waagt[2], en geen geluid en geeft: een' klokke zonder klepel.
'k Zie geren nu de takken, dikke en dunne, uit eenen stamme gesprongen, rechte omhooge staan, hun' handen uitgestrekt; zoo schoone, als of zij baden, dat de Winter hunne ontdekte en teere, jonge leden toch niet teenemaal en stramme.
Vervarelijke Winter, laat u murwen, u verzoeten: dekt alles, eer gij vriezen komt, voorzichtig, in de snee; 'n ijzelt op de boomen niet, die breken zouden! Wee der takken, als ze 't wegen van den ijzel tillen moeten!
In stukken slaat ge, Winter dan de boomen. Hoort ze kermen: ze sleuren elk den anderen zijn telgen, zwaar als steen, te grondewaard; ze stubbelen[3] ze storten, al deureen...! Vervarelijke Winter, laat 't der schoonen u ontfermen!
VOETNOTEN:
1 Eenzaam, verlaten.
2 Wagen = bewegen.
3 Vechten.
=MOEDERKEN=.
't En is van u hiernederwaard geschilderd of geschreven, mij, moederken, geen beeltenis, geen beeld van u gebleven.
Geen teekening, geen lichtdrukmaal, geen beitelwerk van steene, 't en zij dat beeld in mij, dat gij gelaten hebt, alleene.
o Moge ik, u onweerdig, nooit die beeltenis bederven, maar eerzaam laat ze leven in mij, eerzaam in mij sterven.
=PERELS=.
Nog eer de blâren schieten, in 't hofbeluik[1], hoe geren zie 'k uw' sprieten, o perenstruik; hoe geren zie 'k uw takken vol blommen staan, vol perels, al in pakken eer ze opengaan!
En mochte ik maar, zoo even, door Gods beschik, u, peretakken geven nen toovertik; 't en zou geen pere krommen uw hout, voortaan: veel liever zie 'k de blommen, eer ze opengaan.
'k Zie geren, in de hoven, uw' peren groot, de zonne zitten stoven, al rijp en rood; maar 'k zie wel nog zoo geren uw blommen staan, de perels van de peren, eer ze opengaan.
VOETNOOT:
1 Beluik = besloten ruimte.
=SPREEUWEN=.
„'k Zie-'t!” zoo vliggert, vlug te vlerke, recht den torre in van de kerke, daar ze is nest aan 't bouwen!... „'k zie-'t!” piept de spreeuwe, en anders niet.
Maar wat is mij, scherpgebekte, zwart-halfgroen gevliggervlerkte, vage vogel, dan 't bedied van uw eeuwig zeggen: „'k zie-'t?”
Ziet gij, daar omhoog aan 't broeden, ziet ge, aan 't blijde jongskes voeden, in uw pierende oogskes, iet dat elk mensche niet en ziet?
Zegt, of is 't de zonne rijzen, dat gij ziet, is 't buien bijzen[1]; kwade wichten of kwa died[2] zitten ievers, diepe in 't riet?
„'k Zie-'t!” zoo piept gij; ziet gij, binnen deze borst, mij iet beminnen, haten, willen, wenschen iet, blijdschap hebben en verdriet?
„'k Zie-'t!” uw roepwoord doet mij delven diepe in 't diepste diep mijns zelven en ontdekken daar 't bedied van uw eeuwig zeggen, „'k zie-'t!”
Een daar is, die aan de leeuwen 't leven gaf, en aan de spreeuwen, Een die, vrij van al 't verdriet, hooge zit en verre ziet.
Een... Hij zit in zijnen torre, zonder schaalje[3] en zonder schorre[4]; en, van 't gene in mij geschiedt, Hij mag eeuwig zeggen: „'k zie-'t!”
VOETNOTEN:
1 Stormen, snel vliegen.
2 Volk.
3 Schalie = lei.
4 Arduinen vloersteen.
=WEDERWIJVEN=.
Hoe wijsterwaster[1] vliegt de lucht vol witte en lange stressen van wolken, die ontvlochten zijn lijk haar van tooveressen.