Bloemlezing uit Guido Gezelle's Gedichten

Chapter 3

Chapter 33,460 wordsPublic domain

Onraakbaar is hij, vluchtende ooit en vechtende; verderfnis strooit hij op die wilden weêrzetten hem 't zij burgten van orduin[1] gebouwd, 't zij duizend man, 't zij duizend schilden.

't En breekt den boozen beul, van al 't geween dat hem te voeten valt, geene enkele smerte, geen Bethlehemsche kinderdood, geen leêggeroofde moederschoot, zijn steenen herte!

Zoo moet hij varend henengaan, en al dat is aan stukken slaan, tot ander stonden, dat hij ook eens, het licht ontzeid, voor eeuwig hebbe in de eeuwigheid zijn' dood gevonden.

VOETNOOT:

1 Arduin.

MIJN HERT IS ALS EEN BLOMGEWAS.

Mijn hert is als een blomgewas, dat, opengaande of toegeloken, de stralen van de zonne vangt, of kwijnt en pijnt en hangt gebroken.

Mijn hert gelijkt het jeugdig groen, dat asemt in den dauw des morgens; maar zwakt, des avonds, moe geleefd, vol stof, vol weemoeds en vol zorgens!

Mijn hert is als een vrucht, die wast en rijp wordt, in de schauw verholen, aleer de hand des najaars heeft, te vroeg eilaas, den boom bestolen!

Mijn hert gelijkt de sterre, die verschiet, en aan de hooge wanden des hemels eene sparke strijkt, die, eer 'k heraêm, houdt op van branden!

Mijn herte slacht den regenboog, die, hoog gebouwd dóór al de hemelen, welhaast gedaan heeft rood en blauw en groen en geluwe en peersch te schemelen!

Mijn hert... mijn herte is krank, en broos, en onstandvastig in 't verblijden; maar, als 't hem wel gaat éénen stond, 't kan dagen lang weêr honger lijden!

't Eerste dat mij moeder vragen leerde, in lang verleden dagen, als ik hakkelde, ongeriefd nog van woorden, 't was, te gader bei mijn' handtjes doende: „Vader, geeft me 'en kruisken, als 't u belieft!”

'k Heb een kruiske dan gekregen, menig keer, en wierd geslegen op mijn' kake, zacht en zoet... Ach, ge zijt mij, bei te gader, afgestorven, moeder, vader, 't geen mij nu nog leedschap doet!

Maar, dat kruiske, 't is geschreven diep mij in den kop gebleven, teeken van mijn erfgebied: die den schedel mij aan scherven sloege, en hiete 't kruisken derven, nog en hadd' hij 't kruisken niet!

WINTERMUGGEN.

De wintermuggen zijn aan 't dansen, ommentomme, zoo wit als muldersmeel, zoo wit als molkenblomme[1].

Ze varen hooge, in 't vloe; ze dalen diepe, in de ebbe; ze weven, heen en weêr, hun' witte winterwebbe.

Hun' winterwebbe zal, dat lijnwaad zonder vlekken, den zuiverlijken schoot van moeder Aarde dekken.

Ze ligt in heuren slaap, ze droomt den schuldeloozen, den maagdelijken droom van nieuwe lenteroozen.

Ze ligt in heuren slaap, ze droomt den wonderbaren, den liefelijken droom van 's zomers harpenaren.

Ze ligt in heuren droom, ze droomt van overvloed en van voorspoed overal, om vee en volk te voeden.

'n Wekt ze niet, 'n laat heur geen geruchte dwingen, om, al te schier ontwekt, uit heuren slaap te springen!

Daar ligt ze nu en rust: heur zwijgend beddelaken, de wintermuggen spree'n 't, die geen geruchte en maken.

Ze draaien op en af en af en op en omme, zoo wit als melk, als meel, als molke en runselblomme[2].

VOETNOTEN:

1 Wrongel.

2 Wrongel.

=WINTERNACHT=.

Hoe zwart staan al de boomen in de witheid, onverwacht, van 't overdadig sneeuwen, dat 't gedaan heeft, van den nacht!

Ze staan daar, als gekoolzwart en met teekenen geprent, al zwarte en zware staven, op een eindloos pergament.

Ze 'n roeren noch ze 'n poeren[1] en, bij 't nachtelijk gestraal, men zweren zou dat 't spoken zijn, of reuzen altemaal.

De sterren staan en bliksemen, als oogen, ongeteld, van boven, uit de koppen van die reuzen vol geweld.

Ze groeien immer grooter, en de witheid van de snee verzwaart de zwarte stammen. Zich[2]! van een' zoo wordt er twee!

'k Versta nu hoe van drollen[3], gij, en droezen[3] hebt gedroomd, wanneer ge, Noordsche heidenen, verkeerdet in 't geboomt.

Bij 't razen van den winter en bij 't nijpen van den nacht, is de oude, grimme reuzenzegge[4] ontstaan in uw gedacht.

VOETNOTEN:

1 Bewegen.

2 Zie.

3 Nikkers, spoken.

4 Sage.

=ARM HUISGEZIN=.

Onder 't duister dak gedoken, stroo en vodden[1] altegaar, heel onttodderd[2], half gebroken, staat des werkmans woonsteê daar.

't Kaafgat[3], omme- en scheefgetrokken, vallen gaat; en daar, deureen, liggen afgerolde brokken bruingebrand al, gruis en steen.

't Dak beneden, deur de wanden, glazenloos, van latte en leem zie 'k getelde turven branden, doodsch, in 't deerlijk huisgeheem[4].

Open ligt het, aller oogen; 't waait erdeure en 't sneeuwt erin; 's zomers zal me' er hitte in doogen, 's winters koude.–Arm huisgezin!

VOETNOTEN:

1 Zoden.

2 Uit de voegen.

3 Kave = schouw.

4 Binnenhuis; heem, heim = huis.

IRREQUIETUM[1]....

Als één verdriet is uitgezucht, er ruimte is, zult ge zeggen, en reden daar, om ééns, toch ééns, het rouwkleed af te leggen! 't En doet! Daar zitten zuchten al volveerdig, neêrgedwongen, en beidende, in de bange borst, die geren henensprongen!

Ze kwellen en ze pramen u, en baren zult ge, baren, ach! de altijdonvolborentheid des weedoms! De oude jaren en letten 't herontvangen, noch het grootgaan, immer: sterven van droefheid, zult ge, in barensnood, en 't eeuwig–leven–erven!

VOETNOOT:

1 Zonder rust.

=VELUT UMBRA=[1].

Hoe lange al, eer 'k aanschouwen mocht mijn schaduwbeeld! en zonnestralen, door 't scheuren van de ontstelde locht, 't daar schielijk, vóór mij, henenmalen! 'k Verschiete ervan, zoo lange al is 't, dat, zonneken, mijne ooge u mist.

'k Gevoel 't zoo veerdig–: ommentom, dien eersten blik van liefde, 't wezen en 't uitzien van heel 't scheps'lendom, gedeluwd[2] en ontziend[3] voordezen, doet werkzaam, in den zonneschijn, heropgestaan en wakker zijn.

De witte muur, het roode dak, de grauwe baan, de zwarte moude[4], het groene gers[5], de bruine tak, 't is al alsof 't herleven zoude in 't licht, dat 't moede en 't doove, van dat verruwloos is, verwen kan.

Een enkel scheurke in 't wolkgewand, en 'k sta daar, vóór mij, heengeschreven, van boven tot beneên, in 't zand vertweelingd, in 't geweld te leven des zonnelichts!... Och arme, 't sluit, weêr toe: mijn beeld is,–al is uit!

Zoo gaat het, Heer des levens: al zoo lange ik, in den hoogen throone, U zelven eerst niet zien en zal, den nu nog onaanschouwbaar schoone, zoo lang zal licht en zonneschijn me, en 't leven ook, een schaduw zijn!

VOETNOTEN:

1 Als een schaduw.

2 Loodverwig.

3 Onschoon.

4 Aarde.

5 Gras.

=ABEELEN=.

Verschgevelde abeelenboomen liggen langs de grachten heen, die den ouden zandweg zoomen, hoofd en armen afgesneên.

Sterke stammen, kon dat wezen, gij, die, op en in den grond, met uw' voeten vastgevezen[1], vamen diepe, ondelgbaar, stondt?

Gij, die 't zwaar geweld der winden, kreunende, op uw kruinen droegt; die zoo lang den boosgezinden wintervijand wedersloegt?

't Edel hoofd intweengespleten, knoken in den grond geboord, wie heeft 't al u afgebeten, dat uw' schoonheid toebehoort?

Spillen zie 'k, en spanen, dragen; splenters, uit uw hoofdgewaai; takken uit uw' toppen zagen, kerven af uw' teenen taai!

Elk komt uit en wondt en snijdt u: raapt en rooft, met volle hand; nu dat, omme en verre en wijd, uw hooge kroone ligt in 't zand.

Vijandschap, aan alle zijden, woedt om uwe ellendigheid: heeft u ooit, in vroeger tijden, vrede en vriendschap één ontzeid?

Edel volk, wanneer gij wachttet, langs den weg, en schaduw smeet op die, moegegaan, versmachtte 't zonnevier, was 't iemand leed?

Iemand leed! Ach, laat mij weten wie dat 't is, die, afgemat, heeft ondankbaar neêrgezeten, in de schaduw! Leert mij dat!

Meermaals mocht ik asem halen, vluchten onder 't groene dak, als het zweerd der zonnestralen scherp mij in de lenden stak.

Boomen, in uw' looverlane, tellende, een voor een, u al, 's zomers, zoete abeelenbane, zelden ik nog komen zal!

't Deert mij zoo!–De abeelenboomen liggen langs de grachten heen, die den ouden zandweg zoomen, hals en handen afgesneên!

VOETNOOT:

1 Vijzen = schroeven.

=LENTEGROEN=.

't Is lentegroen genoeg, voor honderdduizend oogen; eilaas, 'k en hebbe er ik, o grondig groene zee, maar twee: wie kander moedeloos, den dwang mij doen gedoogen van 't geen mij tegenhoudt nen tocht in al dat groen te doen?

Gij vlerkendragend volk, gij allerhand gezwinde doorvliegers van de lucht, de lieve lente lacht zoo zacht; en gij, gij vliegt haar in 't gemoet, bij lork en linde, in 't nieuwgeboren gers[1], in 't onkruid en in 't riet: ik niet!

Gij bietjes ongeteld, gij tienmaalhonderdduizend in 't rood, in 't geel, in 't blauw gepinte[2] pepels[3], haait en draait en drentelt, op en neêr, eer 't zonnelicht, verhuizend van hier, u, 't lieve groen, en mij, de moede nacht ontkracht!

o Grondig, groene zee, 'k ben visschende op de baren van uwe oneindigheid van groen, en mijn gewin daarin verheugt mijn arem herte: om 't gene ik late varen, om 't gene ik vangen kan, en.... God gebenedijd mij zijt!

VOETNOTEN:

1 Gras.

2 Getooid.

3 Vlinder.

=VOGELZANG=.

Ik hoore 't, gij vogelkens, luide genoeg herhaalt en herhaalt gij uw' spraken; maar, hoe ik mijn beste doe, spade ende vroeg, 'k en wete er geen zin van te maken.

Verstaat gij malkanderen, elk in zijn' taal? Verstaat, gij die meest en die merelt, die lijstert, die leeuwerkt, die muscht, altemaal uw maagschap, tot tenden de wereld?

Geen slagers en kenne ik, zoo dapper als... ei! die, slaande uwen klank uit der kelen, komt vinken en klinken hier, vroeg in de mei, en zitten en zingen en spelen.

Ge 'n hebt me noch dit, in uw' zangen, gedwaald; noch dat, in uw zingen, vergeten; gelijk is het altijd, al 't gene gij taalt, gewikt en gemikt en gemeten.

Zoo zongen uwe ouders, zoo gij ook, nadien; en, na u, zoo zingen uw' jongen; hebbe ievers ik nachtegaals- zonen gezien, 't was nachtegaalszang, dat zij zongen.

Dan–alles van buiten weet ge: al dat gij zingt en zurkelt en zabbert; 't zit even zoo net in zijn' haken en oogen, mij dinkt, of ware 't met inte[1] geschreven.

Daar leerde toch iemand u 't liedergeluid naar maten en wetten bedwingen; nu heffen, nu leggen: dan in en dan uit, van 't hoogere in 't leege verspringen!

Geen scholen en wete ik, daar, lastig en lang, gij zaat, om uw' lessen te leeren, zoo menschen dat moeten, die spel en gezang betalende menschen vereeren!

Gods werken, zijt wonder: ik wille u verstaan, doch, helder en wordt het...! Geraden en kan ik het raadsel, hoe Hij heeft gedaan, de Godlijke Dader, zijn' daden!

VOETNOOT:

1 Inkt.

=ZONNEWENDE=.

Een blomken heb ik staan, nabij me, in de oude boekenzale, dat altijd, naar den dag toe, keert zijn' blaârkes, altemale; het wenden mag ik zus of zoo, dat ik begere volgt het noo, en 't zoekt, weerom naar mij gericht, nog altijd liever 't zonnelicht!

Och, ware ik als dat blomken is, in al mijn doen en laten, mijn zorgen, mijn bekommernis, in huis en achter straten: 't zij wat men doet of niet en doet, 't zij wat ik immer lijden moet, naar u, met herte en ziel, gericht, o alverzettend zonnelicht!

't Is duister nu en zwaar, te mets[1], omtrent mij: oude kwalen en nieuwe, doen, van zielgekwets, mij moe zijn, menigmalen, tot dat, o God, naar U gewend, mijn' duisterheid den dag erkent, en ziende U, met mijne oogen dicht, ik asem hale, in 't zonnelicht.

VOETNOOT:

1 Somwijlen.

BONTE ABEELEN.

Wit als watte, en teenegader groen, is 't bonte abeelgeblader.

Wakker, als een wekkerspel, wikkelwakkelwaait het snel.

Groen vanboven is 't en, zonder minke[1], wit als melk, vanonder.

Onstandvastig volgt het, gansch, 't onstandvastig windgedans.

Wisselbeurtig, op en neder, slaat het, als een' vogelveder:

Wit en grauw, zoo, dóór de lucht, „bonte-abeelt” de duivenvlucht.

VOETNOOT:

1 Iets dat ontbreekt, vlek.

DE BLEEKERSGAST.

't Ververscht mij, in 't geweld gestaan der hooge zonnekrachten, te zien van verre, aan 't water slaan, vuls arems, uit de grachten, den bleekersgast: de regenvloed 't geleschte lijnwaad ronken doet.

Den lepel zwaait hij, zwak van leên, ter beken uit, omhooge; en waken doet, hoe verre heen hij werpen kan, zijne ooge: de laatste lage en mist hij niet, en al dat drooge is nat hij giet.

De groote zonne lacht daarop heure alderliefste lonken; die, vallende in den dreupeldrop, den dreupeldrop ontvonken: ik regenbogen, smal van bouw, nu hier nu daar, in 't gers[1], aanschouw.

Het lijnwaad is, en 't gers, nu nat genoeg; de lanen leken; en wederom zijn spegelglad van aanschijn al de beken; de bleeker zit en droogt entwaar[2] de peerlen uit zijn kroezelhaar.

Verzachten doet dat regenbeeld 't geweld der heete stralen, en lichter in de longer[3] speelt voortaan mij 't asemhalen: zij vrede aan al die 't schoone van Gods wonderheên beseffen kan!

VOETNOTEN:

1 Gras.

2 Ergens.

3 Long.

=RIJMRAM=.

Daar viel mij in 't gedacht entwat, dat, al te onveerdig opgevat, verloren liep; en, mondgemeens, en zal 't noch ik, noch iemand eens genieten.

Het deert mij danig! Ei! 't en doet; en heel en is en al, voor goed, dat ongedicht gedachtje, dat was al te onveerdig opgevat, te nieten.

Het leeft entwaar[1] entwat dervan, dat visschende ik nog vangen kan, wellicht; en, eens in 't net, wie is 't, genaan[2]! die mij den visch ontvischt, en 't garen?

Mij rijmvast en, van stonden aan, zal 't stijf en sterk in staven staan, nu, mondgemeen, het onverwacht gedacht gedicht, gedicht gedacht, nog jaren.

VOETNOTEN:

1 Ergens.

2 Wat weerga!

=TWEE HORSEN=.

Ze stappen, hun' bellen al klinken, de vrome twee horsen te gaar; ze zwoegen, ze zweeten; en blinken doet 't blonde gelijm[1] van hun haar.

Ze stappen, ze stenen, ze stijven de stringen; en 't ronde gareel, het spant op hun' spannende lijven: de voerman beweegt ze aan een zeel.

De wagen komt achter. De rossen, gelaten in 't lastig geluid der schokkende, bokkende[2] bossen[3], gaan, stille en gestadig, vooruit.

Geen zwepe en behoort er te zinken, geen snoer en genaakt er één haar: zoo stappen, hun' bellen al klinken, de vrome twee horsen, te gaâr.

VOETNOTEN:

1 Geblink.

2 Stooten.

3 Naaf.

=HET KLOKGEBED=.

Hoe helder klinkt de klokkentaal ten torren uit: tot negenmaal herhaalt, herhaalt de klepel, op den rooden boord, zijn beêgeklop!

De landman laat zijn' rossen staan: naar huis zal hij, en rusten, gaan! maar, eer hij stap van stede zet, zoo bidt hij nog zijn klokgebed.

Een engel naar Maria kwam: de boodschap hij van 't Boetelam had medebracht: en negenmaal begroet haar nu de klokkentaal.

Gods eeuwig Woord het licht verliet des hemels, en Maria hiet het moeder zijn van Hem die, aan den boom, voor ons heeft boete ontvaân[1].

De landman, na den laatsten klop, van bidden houdt, van werken, op; zijn' rossen staan op stal weerom, en moeder wenscht hem willekom.

VOETNOOT:

1 Ontvangen.

=SCHOONHEID=.

Hoe schoon zijn de ongekunstenaarde boomen, die 'k, erkenbaar uit elkander, in den hemel zie geschoten staan, en dragende elk een beeltenis, daar 't werken van Gods hand nog aan te vinden is!

Hoe schoon is, ongeschonden, in de zonnenkracht, 't wijduitgespreide bouwsel van de boomenpracht, ten toppen uit gedreven, en, van dracht, alzoo 't de Schepper eerst, beminnende, uit zijn handen goot!

Het was alzoo geschapen en, van God gemaakt: waarom en laat ge 't, mensch, door u niet aangeraakt, geworden, 't onverbeterbare en 't schoonste van de schoonheid, daar geen menschenhand ooit aan en kan?

=DE DAKPANNEN=.

De oude roo dakpannen schijnen zoo schoon, schuren bedekkende en boeien[1], laat er de zonne, van uit heuren throon, vierige vonken op gloeien.

Duister, zoo waren ze, een wijle geleên, vunzig, oneffen bedegen[2]: deerlijk ontodderd[3] en schamel, beneên 't vochtig gezijp van den regen.

Blijde nu blinken ze, in 't zadgroene veld; schuren bedekkende en boeien: 'k zie mij zoo geren, in 't zonnengeweld, de oude roo dakpannen bloeien.

VOETNOTEN:

1 Schuurtje.

2 Geworden.

3 Uit de voegen.

=TERUG=.

Scheef is de poorte van oudheid, geweken: zaâlrugde[1] 't dak van de schure; overal stroo op de zwepingen[2] zit er gesteken; vodden beveursten[3] het huis en den stal.

Boven die vodden zijn blommen gesprongen; onder die vodden zit volk en gezin; blommen van vrede, zoo ouden, zoo jongen, blommen van buiten en blommen van bin.

Daar is 't, dat moeder zat; daar is 't, dat vader vond die hem arbeid en herte bracht; daar knielden wij, kinderen, handen te gader, baden wij, kleenen en grooten, te gaâr.

Daar is de schippe nog, daar is de tange; 't ovenbuur[4] staat daar, zoo 't vroeger daar stond; 't hondekot staat daar, en... –'t is al zoo lange!– Hoe is de naam van dien anderen hond?

Ach, hoe verheugen mij, ach, hoe verheffen de oudere dagen mijn diepste gemoed! Is er wel iemand, die 't ooit kon beseffen wat gij, oud hof, mij nu zegt, mij nu doet?

Zalige lieden, al te arglooze menschen, weinig begeerdet gij, groot was uw hert! –Kon het maar helpen, met weenen en wenschen, weêr ate ik roggenbrood, naast u aan 't berd[5]!

VOETNOTEN:

1 Met een rug als een zadel.

2 Dwarshout tot koppeling van de kapgebinten.

3 Zoden vormen de dakvorst.

4 Ovenhuis.

5 Tafel.

HET GETOUWE.

En mocht ik maar twee zielen hebben, 'n mocht ik maar twee menschen zijn, 'k zou weven mij tweêrhande webben: een' webbe groef, een webbe fijn.

Een webbe zou 'k, van zonne en zijde, mij weven, en van goudgespin; met boomen en met blaren, blijde, met meer als een schoon blomken in.

Mijn ander' webbe, en tweede leven, 'n liet ik maar, onaangemoeid, geschoren zijn, getouwd, geweven, zoo 't in en deur 't getouwe vloeit!

Doch neen: ik zal, van ziele en lijve, de wever van één webbe zijn, zoo lange 'k in dit leven blijve, van zuur en zoet, van groef en fijn.

Den inslag en den drom[1] van 't leven, van goed, heeft God, en kwaad gespin, van zijde en wolle en werk gegeven, met hier en daar een blomken in.

En, zittende op mijn krank getrouwe, zoo weve en werke ik, dag en nacht, aanziende, vol goe hope en rouwe, den Heere, die mijn werk verwacht.

VOETNOOT:

1 Schering.

=WIEROOK=.

Thus ardens in igne.

o Wierookgraan, geronnen traan van ceder- en van lorkenstammen, gebedenbeeld, daar 't vier in speelt, en 't vonkelen van 's herten vlammen.

Geen gave van fijn goud en kan mijn hand den Heer, geen myrrha bieden, maar wierook zal, en overal en allen dag, Hem dank bedieden.

o Wierookgraan, in 't vier gedaan, en rookende uit mijns herten midden, van aardsch en grauw wordt hemelsch blauw: gaat, wierookgraan, den Heere aanbidden.

O HEEMELIJKE DIEPTEN...

o Heemelijke diepten van 't vol schaduw hangend boschgebied: vol schaduwe en vol duisterheid, vol nacht en dauw, dooreengespreid!

't Is morgen, en de zonne berst alhier, aldaar, ontembaar, uit den nachtelijken moederschoot: „Hier ben ik!” roept de zonne groot.

„Hier ben ik!” En, ze doet den dauw, in 't veld, en al dat vochtig is, verdampen. Deur de glazen valt ze in 't huisgezin:–ontwekken zal 't!

't Is licht alom: 't is leven al, dat 't zonnebeeld aanschouwde: alleen, daar diepe, in 't eenzaam boschgebied, en zie 'k, o schoone zonne, u niet.

't Is duister, en 't is nacht daar nog; met hier en daar een' gulpe of twee, daar 't groen wordt, uit der grouwbaarheid... 'k en weet niet hoe 't nen naam gezeid!

De zonne grijpt al vaster nu de trappen aan des luchtgebouws: ter zege vaart ze, hooge en blij; geen boom die heur weêrbarstig zij!

Zij giet, dat elk het merken mag, bij geuten, vier en werkzaamheid den bossche in: dweersche balken gaan, vol speitend licht, den bodem slaan.

Het mosch, het loof, het blinkend hout, de takken zware of lijze, loopt zij lustig laven:–heerlijk is verwonnen weêr de duisternis.

Verwonnen zij de dood, en al dat duisternisse of boosheid heet, door 't Licht van U, die, tallertijd verwinnende, onverwonnen zijt!

='T GROEIT=.

't Groeit overal entwat: tot op de blauwe schorren[1], maalt, onbemerkt, het mos, bij kleene kleene porren[2], zijn platte penningen, die, groene en grauw gedaan, of geluw, op 't gelent[3] van de oude bruggen staan.

De zonne valt daarop, de regen valt daaroppe; ze groeien zijwaards uit, ze zetten, doppe, doppe, een dopken hier en daar, dat, zoo en zus geleid, aan elke schorre geeft heur' schoone uitwendigheid.

Gaat, kijkt ernaar entwie[4], die oogen heeft, en staat er een stonde wijlend bij, daar zunne valt en water; en toogt mij dan tapijt, of legwerk, of 't zij wat, dat kunstiger gewrocht, en schoonder, is als dat!