Bloemlezing uit Guido Gezelle's Gedichten

Chapter 2

Chapter 23,605 wordsPublic domain

Dan zal ik liefst, o Leysche boorden, als 't zomer is, en zwijgt in 't Noorden de felle reus, u volgend gaan; dan zal ik weêr mijn hert vermeiden, langs uw' gegroende en stille weiden, en in uw' grond hun beeld zien staan.

VOETNOTEN:

1 Golven, watersprongen.

2 Met kracht en spoed gaan.

3 Koove = vrouwenmuts (fr. coiffe).

4 Slaan, kloppen.

5 Daverend schokken, schudden, trillen.

HEMELLAWERKE HEET GIJ.

Hemellawerke heet gij, wakkere en snelgewiekte strale, die 'k, uit het zaailand opgestegen, lijk nen vierpijl rijzen zie.

Striemen lichts ontlaat, en vonken, 't vluchtend vierwerk; en zoo hoort me u ook vluchtend henentieren, als gij deur de wolken boort.

Hemellawerke, schoon van name en sprake zijt gij, maar uw kleed, 't valt te grauw toch: is 't de reden dat men grijslawerke u heet?

Ben ik grauw, het is van zeilen, en van, altijd reisgezind, zoo de grauwgedoekte schepen, heen te varen, vóór den wind.

Hemellawerke, grijslawerke, luchtleeuwerke, hemelwaard, weg met u, ja, leeuwerkt helder, op uw' hooge hemelvaart!

Zingt en zeilt maar, al te zelden hoore en zie 'k u, lieve; 't gaat beter hem, die, vroeg en spade hoort u, ende gadeslaat.

Midden in Gods werken levend, 't gaat hem beter, achter 't land, die u naziet, te elker stonde, daar hij zaait en zeeuwt[1] en plant.

Ach, om niet is 't, al te dikwijls, dat gij dankend opwaarts stijgt, daar geen mensch en is dien 't aangaat, of gij, schamele, zingt of zwijgt.

Horkt er niemand, ik zal horken, wilt ge, in 't droevig tranendal, mij vertroosten, hemellawerke; en ziet ons niemand, God ziet 't al!

Hij zal zien en hij zal hooren, hij, die vlerke en tale u gaf, en die mij, in stad begraven, wekken eens zal uit dit graf.

Dan verrijze ik, luchtleeuwerke; zette ik zeil en vaar getroost naar de hoogten, daar gij schouwend eert den dagraad en den oost.

Naar de streken die mij wijzende is uw' vlerke en uw geschal, en van waar ik, vrij en veilig, niet meer, niet meer neêr en zal.

VOETNOOT:

1 Het gezaaide graan dekken met de uitgespitte aarde.

DE BOOMEN ZIEN ZWART.

De boomen zien zwart, van de zwellende botten; o zonne, wanneer zal uw' macht, onbevaên[1], weêr 't springende blad, en de banden ontknotten, waarin 't twee drie maanden heeft houtvast gestaan?

Staat achter, o nijdig geweld van den winter; houdt af uwen vuist, in de botten begint er weer vreugdiger pulsslag en leven te slaan.

De boomen ontwekken, zij zidderen, zij beven; zij striemen, dóór 't blauwe geluchte, onbekleed; doch staan ze al bewust schier en blij dat zij leven, lijk machtige reuzen, ten strijde bereed.

Staat achter, o nijdig geweld van den winter; uw rijk heeft een einde, in de boomen begint er weêr hope te rijzen, weêr hulpe aan ons leed.

De boomen zien zwart, en hun' dreigende schachten staan veerdig en vrij, als de spere in de vuist eens ridders, het teeken ten storme te wachten: het klinke, en daar loopen zij henengedruischt!

Staat achter, o nijdig geweld van den winter; de boomen slaan uit, en zoo zaan[2] herbegint er weêr blijdag gevierd te zijn. Wreede, verhuist!

VOETNOTEN:

1 Onbevangen, ongehinderd, vrij.

2 Weldra, spoedig.

GELUWGROENE LEGERSCHAREN.

Geluwgroene legerscharen, honderdduizend, waar vandaan zijt gij, vastgevoette blâren, komen op de boomen staan?

Nauwlijks heeft twee lentezonnen 's werelds blijde onthaal begroet, of... wie zal 't getellen konnen, 't leger dat gij porren doet?

Werkzaam, onder 't machtig streelen van des morgens windgeweld, op de berken, op de abeelen zie 'k u, in 't gelid gesteld.

't Ruischt alom vol zware talen, 't ruischt alom; en 't krijgsgebaar, stortende in de diepe dalen, dooft alle andere stemmen daar.

Waar vandaan zijt, al in 't blijde doek gekleed, gij krijgeren dan? Wie, die zulk een wereldwijde legervastheid voeden kan?

Zijt ge uit louter locht gesteven, zijt gij zonnestralen teer, schielijk en van licht geweven, duizendwendig bladerenheer?

Zijt gij 't bloed en 't merg der boomen, 't boomzijn zelve, of anders iet onbekend, dat uit wil stroomen, al zoo zaan[1] 't de zonne ziet?

Zijt gij... Uwe ontelbaarheden staan het stormend volk gelijk, strijdbaar in 't bezit getreden van des Winters koninkrijk!

Nutloos, in zijn' zware ellenden, heeft het land om hulp gewacht: komt en stoort des vijands benden, velt hem voor uw' legermacht.

Breekt zijn' bergsteê, slaat zijn' ridderen, scheurt zijn' vanen: roept en tiert, dat de verste velden zidderen van 't geruchte: zegeviert!

Vluchten moet hij weg; verwonnen, wapenloos en wepel[2], gaan zitten waar, in 't ijs geronnen, onbewoond, zijn' steden staan.

Ruischt dan maar, gij legerscharen; zingt en trommelt overluid, zegevolle zomerblâren: morgen is de winter uit!

VOETNOTEN:

1 Dra.

2 Eenzaam, alleen, zonder maag of vriend.

GEKAMDE KONING CANTECLAAR.

Gekamde koning Canteclaar, hoe geren zie 'k u komen daar; gestapt zoo edeldrachtig als Alexander, Atilla, of Karloman zijn' wederga: heel keizerlijk almachtig!

Gij kraait, terwijl ge uw' vlerken slaat, en 't stemgeluid dat henengaat, uit uwen hals gedreven, herwekt het slapend menschendom, het boodschapt hem den dag weêrom, den dag, het licht, en 't leven.

Uw' vonkelende ooge, uw' rooden kam, een laaiend beeld van vier en vlam, uw' zwakken steert, uw' spooren, uwe om end om geglimde borst, uw' strijdbaarheid, uw' zegedorst, uw' stem, zoo schoon om hooren...

Wie is er die dat al beschrijft, die, heel in woord en taal gelijfd, doet leven u en waken? Wie is er? Anders geen als gij, heer Canteclaar, die machtig zij uw evenbeeld te maken.

Vaart wel dan: ik ontgeef 't mij, en 'k wil weten dat ik verre ben bij u voortaan ten onderen; gij hebt, o haan, den prijs behaald, kraait koning nu, en zegepraalt, en laat mij zwijgend wonderen!

O WILDE EN ONVERVALSCHTE PRACHT.

Alre creature sake ende yersticheit. RUUSBROUCK.

o Wilde en onvervalschte pracht der blommen, langs den watergracht!

Hoe geren zie 'k u, aangedaan zoo 't God geliefde, in 't water staan!

Geboren, arg- en schuldeloos, daar God u eens te willen koos,

daar staat ge: en, in den zonneschijn, al dat gij doet is blomme zijn!

't Is wezen, 't geen mijne ooge aanziet, 't is waarheid, en ge'n dobbelt niet;

en die door u mijn hert verblijdt is enkel, zoo gij enkel zijt!

Hoe stille is 't! 't En verwaait med al geen bladtje, dat ons stooren zal;

geen rimpelken in 't lief gelaat des waters, dat vol blommen staat;

geen wind, geen woord: rondom gespreid, al schaduwe, al stilzwijgendheid!

Dan, diepe, diepe in 't water, blauwt, half groen geblest[1], de hemelvaut;

en, priemend' hier en daar vergaat een langgesponnen zonnedraad.

Hoe eerbaar, edel, schoone en fijn kan toch eene enkele blomme zijn,

die, al med eens, en zorgloos, uit de hand van heuren Schepper spruit!

Door Hem, en door geen menschenhand, lag hier een nederig zaad geplant;

door Hem, op dezen oogenblik, ontlook het, en dien troost heb ik,

dat, blomme, gij mij bidden doet, en wezen zoo ik wezen moet:

aanschouwende en bevroedende in elk uiterste einde 't oorbegin,

den grond van alles; meer gezeid, maar nog niet al: Gods eerstigheid.

VOETNOOT:

1 Gevlekt.

WAAR ZIT DIE HELDERE ZANGER.

Waar zit die heldere zanger, dien ik hooren kan en zelden zien, in 't loof geborgen, dees blijden Meidagmorgen?

Hij klinkt alom de vogels dood, bij zijnder kelen wondergroot' en felle slagen, in bosschen en in hagen.

Waar zit hij? Neen, 'k en vind hem niet, maar 'k hoore, 'k hoore, 'k hoore een lied hem lustig weven: het kettert in de dreven.

Zoo zit en zingt er menig man, vroegmorgens op 't getouwe, om, van goên drom[1], te maken langlijdend[2] lijwaadlaken.

De wever zingt, zijn' webbe deunt[3]; de la klabakt, 't getouwe dreunt; en lijzig varen de spoelen heen, in 't garen.

Zoo zit er, in den zomer zoel, een, werpende, op den weverstoel van groene blâren, zijn duizendverwig garen.

Wat is hij: mensche of dier of wat? Vol zoetheid, is 't een wierookvat, daar Engelenhanden, onzichtbaar, reuke in branden?

Wat is hij? 't Is een wekkerspel, vol tanden fijn, vol snaren fel, vol wakkere monden van sprekend goud, gebonden.

Hij is... daar ik niet aan en kan, een' sparke viers, een' boodschap van veel hooger' daken als waarder menschen waken.

Horkt! Langzaam, luide en lief getaald, hoe diep' hij lust en leven haalt, als uit de gronden van duizend orgelmonden!

Nu piept hij fijn, nu roept hij luid'; en 't zijpzapt hem ter kelen uit, lijk waterbellen, die van de daken rellen.

Geteld, nu tokt zijn taalgetik, als ware 't op een marbelstik[4], dat perelkransen, van 't snoer gevallen, dansen.

Geen vogel of hij weet zijn lied, zijn' leise[5] en al zijn stemgebied, bij zijnder talen, nauwkeurig af te malen.

't En deert mij niet, hoe oud gedaagd, dat hij den zangprijs henendraagt, en, vogel schoone, mij rooft de dichterkroone!

Want mensche en heeft u nooit verstaan, noch al uw' rijkdom recht gedaan, o wondere tale van koning Nachtegale!

VOETNOTEN:

1 Schering.

2 Langmeegaand, duurzaam. Lijden = gaan.

3 Schudt, trilt.

4 Stik = stuk.

5 Lied.

DE NAVOND KOMT ZOO STIL.

De navond komt zoo stil, zoo stil, zoo traagzaam aangetreden, dat geen en weet, wanneer de dag of waar hij is geleden[1]. 't Is avond, stille... en, mij omtrent, is iets, of iemand, onbekend, die, zachtjes mij beroerend, zegt: „'t Is avond en 't is rustens recht.”

De boomen dragen gansch de locht vol groen, nog onbestoven; en 'k zie, zoo dicht hun' blaren staan, nog nauwlijks door de hoven; 'k en hoore niets, al om end om, van 't zoetgekeelde vogelendom, 't en zij, het donker loof beneên, den nachtegaal zijne avondbeên.

Hij zingt! Ach, wist hij zelf hoe schoon hij zingt! Het is onwetend, dat zingend hij mijne ooren boeit, en aan zijn' kele ketent. Ach, wist hij 't gene ik wetend ben: dat dankbaar ik toch wete en ken wie hem zijn' tale, en mij daaraf 't genoegen en 't genieten, gaf!

Hoe lieflijk zingt hij! Maar, wat hoor eensgangs ik ginder gekken? Wat is 't, dat her en weder her verergerend gerrebekken? Och, vorschenvolk, in 't waterwied, houdt op! En stoort de stilte niet: laat hooren mij dat leutig slaan... en, kwelgediert, houdt op voortaan!

Hebt daar!... Het speit, den steen rondom, en, uitgestrekter schenen, zijn al de vorschen, diepe in 't goor, in 't zwijgend goor verdwenen!... Eilaas, de nacht en 't donker zijn bezitten nu den zanger mijn: noch nachtegaal, noch ruit, noch muit[2], en hoore ik meer... 't is uit, 't is uit!

VOETNOTEN:

1 Voorbijgegaan.

2 Niet het minste stemgerucht.

=DE VLIEGE=.

o Gij dikke, welgekleede, welgevoede vliege, die 'k daar zoo dikkens, om end weder om mij, hoore en zie vliegen, varen, vederen, ruischen, in den zonnestraal, met uw' ronkend-, hoog- en leeggevooisde vedertaal!

Ha, 'k en kenne niemand die u ooit ééne arme reke[1] of twee heeft geschonken, schoon gij zingt en immer zongt, alreê ruim zoo lange als merelaan, of meeze, of nachtegaal, ruim zoo schoone allichte als honigbie- en krekeltaal.

o Gij dikke, weltevreden, welgezinde snaartrompet, nooit en zag ik of en hoorde ik uwe vlerken, net lijk twee glazen ruitjes, daverende' 't zij late of vroeg, of 't was helder zomerweder, en de zonne loech!

o Gij aardig dierken, 'k wou dat ik, zoo wel als alle mensch, zoo gij schijnt te hebben, had mijn herte en wille en wensch, en dat ge ons, al ronken in den mooien zonneschijn, wist den weg te wijzen naar 't gestadig blijde zijn!

VOETNOOT:

1 Regel, schrift of zang.

WAT HANGT GIJ DAAR TE PRATEN.

Wat hangt gij daar te praten aan die blomme, o bruine bie; waarop, waaruit, waarover ik u ronken hoore en zie? Gij zijt er met uw' neuze en met uw tonge al ingegaan; gij hebt eraan geroken en van alles aan gedaan, daarom, daarin, daarover, op uw' vlerken alle twee: ik wonder hoe die blomme u laat geworden, zoo ter lee[1]! Och, ware ik in heur' plaatse, ik hiet u varen, en ik sloot zoo seffens al dat werk, al dat geruchte uit mijnen schoot, en 'k...: „Rap, uit mijnen weg en uit mijn zunne, dat ik zie: houdt op, en laat mij werken, of ik strale[2] u!” zei de bie.

VOETNOTEN:

1 Gewillig.

2 Straal = pijl, angel.

ALS GE NAAR HET KOOREN LUISTERT.

Als ge naar het kooren luistert, dat nu op- nu nedergaat; daar een' zwepe wind in snuistert, dat de lieve zonne baadt;

neen, 't en kan geen' snare talen, die zoo zoete om hooren is als 't gerep der roggestalen, als 't geroer van 't kooren is.

't Vaart een fijn gelispeld leven deur de toppen, altemaal; daar de diepere stammen beven, deunende als een' dondertaal.

Hel en duister, lijze en luide, mingelmangelt in de lucht, 't ruischen van de groengekruide, grauwgetopte koorenvrucht.

Drijft dan maar, gij dunne staven, die den landman 't leven wint; laat de zonne uw' lenden laven zoetjes, en den zomerwind!

Hei, daar valt er volk te peerde, losgetoomd, in 't veie[1] groen; donker diept het neêr naar de eerde, zoo in zee de schepen doen.

Volgende elk den andere, varen ze, elk gevolgd, in 't volle veld; 't zonnelicht beglanst de baren van dit rennend rosgeweld.

Schielijk, in de lucht ontkomen, zijn de ridderen weg: 't en speelt niets meer in de vrije vromen, dat de zware zee verbeeldt.

Stille is 't nu: de zonne vonkelt deur de wolken, blij en blank; milde lacht het al en monkelt[2], in en om mij, lief en lang.

Ach! 'k En gave om al het schoone, dat de heldere zonne ziet, –Vlanderen, Vlanderen spant de kroone,– neen-ik, nog mijn Vlanderen niet!

VOETNOTEN:

1 Welig.

2 Glimlacht.

DE WOLKENWEG BEDIJGT.

De wolkenweg bedijgt[1] vol eendlijke[2] oorlogschepen, wier witgezeilde macht de koele westerzwepen des windloops drijven doen, en, in 't gelid zoo zaan[3], den hemel vol, tot in zijn verste diepten, staan.

De zonne speelt daarin, met honderd duizend monden geschuts; die, scherp gelaên, 't gebuikte lijndoek wonden van 't scheepgevaarte: 't licht en 't duistert, keer om keer; en, schielijk overwolkt, en zie 'k geen zonne meer.

Gaat 't regenen eindelijk, en, zoo 't de boeren vragen, een' ongetelden oest[4] van goud en zelver vlagen[5]? Gaat 't regenen? Donker is 't, nog donkerder. Med een, daar bliksem' het, en 't buischt een zware dondersteen!

Het windrad is gekeerd, de hemelwanden breken, en neerstig–vlucht in huis!– zie 'k al de daken leken: God zegent het geweld des hemels, de eerde doomt[6] en davert, van 't geluk dat in heure aderen stroomt.

VOETNOTEN:

1 Bedijgen, bedijen, groeien, worden.

2 Angstig, groot.

3 Dra.

4 Oogst.

5 Het vlaagt = het buit, het is buiig weer.

6 Dampt.

ANDLEIE.[1]

Jordane van mijn hert en aderslag mijns levens, o Leye, o vlaamsche vloed, lijk Vlanderen, onbekend; hoe overmachtigt mij de mate uws vreugdegevens, wanneer ik sta en schouwe, uw' vrijen boord omtrent!

Hoe vaart gij welgemoed, de malsche meerschen lavend met blijder vruchtbaarheid, te Scheldewaard, en voort ten Oceaan, u, zelf, een' diepe vore gravend, die 't oude en vrije land van Vlanderen toebehoort.

Wat zijt ge schoone, o Leye, als 't helderblauwe laken der hemeltente wijd en breed is uitgespreid, en dat, uit heuren throon, de felle zunne, aan 't blaken, vertweelingt heur gezichte in uwe blauwigheid!

Dan leeft het rondom al[2] uw' groengezoomde kanten, aanzijds en heraanzijds, zoo verre ik henenschouw, van lieden, die weêrom, en nu in 't water, planten den overjaarschen bloei van hunnen akkerbouw,

den bast, die, onlangs, toen hij jong was, jong en schoone, 't gezicht verblijdde, maar één levend legtapijt; die, veel te lichte, eilaas! de blauwe maagdenkroone verloos, en bleef het lieve en jeugdig leven kwijt!

Het vlas! Nu staat 't gedoopt, Jordane, in uwe lanken, gegord in haveren stroo, dat banden gouds gelijkt; bij duizend duizenden van bonden, die vier planken bewaren, ketenvast en aan den wal gefijkt[3].

Hoe zucht gij, om weêr uit dit stovend bad te komen; hoe zucht gij, zoo de ziel, de vrome kerstene, doet, die, na gedulde pijn, vol hopen en vol schromen, verlangt het licht te zien dat haar verlossen moet!

Verdraagt den harden steen[4] nog wat, die, korts nadezen, gelicht, u helpen zal ter vrijheid; en de dood, die u gedwongen hield, zal zelf gedwongen wezen, u latende uit het graf en uit den Leyeschoot.

Die steen heeft u gedempt, g'ootmoedigd en gedoken, tot dat uw taaie rug, gemurruwd en verzaad, geen' weerstand biên en zou aan hem die u, gebroken, tot lijn[5] hermaken zal en edel vlasgewaad.

Hoe krielt het wederom, langs al de Leyeboorden, van lieden, half gekleed, die half in 't water staan, en halen, lekende uit, lijk lijken van versmoorden, 't gebonden, zappig vlas, en 't spreidende openslaan!

't Verrijst! Het wordt alhier, het wordt aldaar bewogen, gestuikt[6], gekeuveld[7] en gehut. De zonne lacht en speelt in 't droogend schif[8], dat, 't water uitgezogen, heur fijne stralen drinkt en fijndere verruwpracht!

Wat zie 'k! o Israël, lijk in de bibelprenten, gekleend, den overtocht van 't Abrahamsche diet[9]; gesmaldeeld en geschaard, in lijnwaadgrauwe tenten, ontelbaar, zoo 't den dwang van Pharao verliet!

Beloofde land van God, Jordane, in 't hooge Noorden, hoe schoon 't gelegerd volk, dat, God gehoorzaam, voet en hand te zamen, zwoegt naar uwaard, en de boorden van 't stroomend waterkleed strijdmachtig leven doet!

Ik hef, lijk Bala'am, mijn woord op, en 'k bezegen den arbeidweerden troost dien 't neerstig Vlanderen vand...! Zij 't immer God getrouw, God dankbaar, God genegen, en weerd de diere kroon die hem de vrijheid spant,

zoo lang de Leye loopt, zoo lang de velden dragen den taaien lijnwaadoost[10], die op heur boorden groeit; zoo lang 't gestorven vlas herleeft in kant en kragen, en, sneeuwwit op de borst van jonk- en schoonheid bloeit!

VOETNOTEN:

1 Aan de Leie.

2 Aan, langs.

3 Fijke is een stok of ijzeren staaf op den oever, waar de in 't water neergelaten vlasbakken aan vastgebonden worden.

4 Die op de volle vlasbakken ligt om het vlas ter roting onder water te houden.

5 Gesponnen draad om te weven.

6 Stuiken = korenschoven recht overeind zetten om te drogen.

7 Keuvel = gevelpunt op een dak.

8 Houtbast van 't vlas.

9 Volk.

[10] Oogst.

='T IS STILLE=.

't Is stille. Rustig ligt en slaapt het altemaal, dat leute en leven was, dat locht- en vogeltaal. Geen windeken en waakt: november houdt den staf, en stelpt dat wekken mocht het eindloos duister graf des aardrijks. Ongebaand en dood zijn weg en straat; de voet alleen verwekt, en 't stappen van die gaat, een doof gerucht in 't loof, dat, afgevallen, plekt den grond, dien 't in een' spree van doodsche varwen dekt. 't Is stille. Gij alleen, o vlugge en vlijtig ding, dat, langs den natten tak geklaverd, uw gepink laat hooren, fijn en snel, ge ontsnapt en snetst alom: „Ik leef nog: piep! Ik leef, spijts 's winters winterdom!”

=DE RAVE=.

Met zwart- en zwaren zwaai aan 't werken door de grauwe, de zonnelooze locht, ik de oude rave aanschouwe; die, roeiende op en dóór den schaars gewekten wind, gelijk een dwalend spook, eilaas geen ruste en vindt.

Ze is zwart gebekt, gepoot, gekopt in 't zwarte; als kolen, zoo staan heure oogen zwart, in hun' twee zwarte holen te blinken; rouwgewaad en duister doek omvangt het duister wangedrocht, dat in de nevelen hangt.

Ze is stom! Z'en uit geen woord en 't waaien van heur' slagers en hoort gij niet. Alzoo de zwarte doodendragers stilzwijgend gaan, zoo gaat zij zwijgend op de lucht, en wendt alhier aldaar heur' zwarte ravenvlucht.

Wat wilt gij, duister spook! Waar gaat gij? Van wat steden zijt gij, met damp en doom[1] en 's winters duisterheden, alhierwaards aangewaaid? Wat boodschap brengt gij? Van wat rampe of tegenspoed zijt gij de bedeman[2]?

Is ziek- of zuchtigheid, uit 's noordens grauwe landen; is sterfte wederom, is hongersnood op handen? Is moordaanslag, verraad de zin van uw vermaan; of gaat de muil misschien des afgronds opengaan?

Geen woord! Dan, weg van hier, onzalige: gaat varen alwaar nooit zonne en rijst; alwaar de grimme baren staan ijsvaste overende, als rotsen; en waar nooit noch blom noch blad den buik van moeder aarde en tooit!

Gaat aan! Of spreekt een woord, zoo de andere vogeldieren te zomertijde doen, die in de bosschen zwieren: ja, 's winters, als de snee' heur laken heeft gespreid, nog vinkt en klinkt het hier, vol vogelvlijtigheid.

En gij! De rave trekt, met trage vederslagen, voorbij mij, zwaar en zwart gelijk nen kerkhofwagen, en roept mij, onverwachts, terwijl zij henenvaart, al in één enkel woord, heur' winterboodschap: „Spaart!”

VOETNOTEN:

1 Damp.

2 Bode.

=DE TIJD=.

_Tempus non erit amplius._ Apoc. X, 6.

Verloren is 't gepijnd om aan den tijd, die immer voort moet gaan, een paal te zetten; ja, stelt u maar en schoort u stijf, ge 'n zult, met al uw leên en lijf, zijn' baan beletten.

Hij lacht met u, en, moegesold, gij vechtend in de vore rolt, daar 't eeuwig varen zijns wilden strooms voorbij u voert, en zegepralend henenroert, zijn' ruwe baren.

Hij stampt de hooge boomen om, hij buigt den berg zijn' lenden krom, hij springt de banden van staal intween, die vastgedaan, bij stede en stad, hem wederstaan, in alle landen.

Geen wet en weet hij, noch 't en zal hem dwingen eenig ongeval: geen' legerbenden, geen' wapens, geen geweld van iet dat donderbusse of boge schiet, en kan hem schenden.