Bloemlezing uit Guido Gezelle's Gedichten

Chapter 1

Chapter 13,206 wordsPublic domain

Produced by Jeroen van Luin and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net

+-------------------deze regel heeft nummer 1----------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | De voetnoten zijn verplaatst naar het eind van het gedicht. | | Bladzijde-nummering is verwijderd. | | | | De in het origineel als uitgespatieerde weergegeven tekst is in | | dit e-boek weergegeven als =uitgespatieerd=. | | Het cursief is weergegeven als _cursief_. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel en | | spellingsverschillen binnen een gedicht zijn gecorrigeerd. | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties met bijbehorend regelnummer. | | | +------------------------------------------------------------------+

BLOEMLEZING UIT GUIDO GEZELLE'S GEDICHTEN

BLOEMLEZING UIT GUIDO GEZELLE'S GEDICHTEN

ZESDE DRUK

[Illustratie: L.J.V. LABOR INTEGER VINCIT MDCCCXXCVII]

L. J. VEEN–AMSTERDAM

Boek-, Courant- en Steendrukkerij G. J. Thieme, Nijmegen.

Deze Bloemlezing heb ik samengesteld om GEZELLE'S poëzie te brengen in ruimer kring dan tot heden is bereikt. Op 'n paar uitzonderingen na in 't begin liet ik de volgorde der gedichten naar de verschillende dichtbundels onveranderd. Hier en daar heb ik 'n enkel ons minder bekend woord verklaard.

Maart 1904.

In volgende drukken is in de keuze der gedichten weinig veranderd; over het algemeen zijn meer woorden verklaard.

DR. J. ALEIDA NIJLAND.

AMSTERDAM, April 1915.

=INHOUD=.

Bladz. De vlaamsche tale is wonder zoet 1 Oneigene 2 Als de Ziele luistert 3 Het schrijverke 4 o 't Ruischen van het ranke riet 6 Het meezennestje 8 Dien avond en die rooze 9 Kom e' keer hier 11 Gewijde klok 13 o Gulden hoofd 15 o Vechter 16 Met kloeken arme 17 Slaapt gij nog 19 Hoe schittert mij die spa toch 22 o Leye lief 24 Hemellawerke heet gij 26 De boomen zien zwart 29 Geluwgroene legerscharen 31 Gekamde koning Canteclaar 34 o Wilde en onvervalschte pracht 36 Waar zit die heldere zanger 38 De navond komt zoo stil 41 De vliege 43 Wat hangt gij daar te praten 45 Als ge naar het kooren luistert 46 De wolkenweg bedijgt 48 Andleie 50 't Is stille 55 De rave 56 De tijd 59 Mijn hert is als een blomgewas 61 't Eerste 63 Wintermuggen 64 Winternacht 66 Arm huisgezin 68 Irrequietum 69 Velut umbra 70 Abeelen 72 Lentegroen 74 Vogelzang 76 Zonnewende 79 Bonte abeelen 80 De bleekersgast 81 Rijmram 83 Twee horsen 84 Het klokgebed 85 Schoonheid 87 De dakpannen 88 Terug 89 Het getouwe 91 Wierook 93 o Heemelijke diepten 94 't Groeit 96 Najaarsverwen 99 Niemandsvriend 101 Casselkoeien 105 Tranen 107 Schoone nacht 108 Avondrood 110 Fiat Lux 112 De winden 114 Dat wilde ik weten 115 Spaman 117 Het hazegrauwt 118 Hoe zeere vallen ze af 120 Van den ouden boom 123 Blootakker 126 Moederken 129 Perels 130 Spreeuwen 131 Wederwijven 133 Excelsior 134 Zegepraal 136 De doornenboom 139 Mietje 141 Cytisus Laburnum 142 Buigen of bersten 144 De sperretakken 147 Het gulden vlies 149 Hebt meêlijen 151 De dageraad 154 Nevelduisternis 156 Windtocht 158 Aksternesten 160 Lentegroen 161 Cinxen 162 Och ware ik 164 Aan den Lindeboom 165 Ego Flos 167

De vlaamsche tale is wonder zoet voor die heur geen geweld en doet, maar rusten laat in 't herte, alwaar, ze onmondig leefde en sliep te gaar, tot dat ze, eens wakker, vrij en vrank, te monde uit, gaat heur vrijen gang! Wat verruwprachtig hoortooneel, wat zielverrukkend zingestreel, o vlaamsche tale, uw' kunste ontplooit, wanneer zij 't al vol leven strooit en vol 't onzegbaar schoon zijn, dat, lijk wolken wierooks, welt uit uw zoet wierookvat!

=ONEIGENE=.

Hetgeen ik niet uitgeve en hebbe ik niet in, wie zal mij dat wijten te schanden? Mijn herte en mijn tale, mijn zede en mijn zin, 't is al zoo van buiten, 't is al zoo van bin': 't ligt alles daar bloot op mijn' handen!

Dan, weg met de oneigene tale en den schijn van elders geborgde gepeizen; mijn zijt gij niet, uw dat en wille ik niet zijn, dat in mij en aan mij is dat heete ik mijn: oneigene, ik late u,... gaat reizen!

Als de Ziele luistert spreek 'et al een taal dat leeft, 't lijzigste gefluister ook en taal en teeken heeft: blâren van de boomen kouten met malkaar gezwind, baren in de stroomen klappen luide en welgezind, wind en wee en wolken, wegelen[1] van Gods heiligen voet, talen en vertolken 't diep gedoken Woord zoo zoet... als de Ziele luistert!

VOETNOOT:

1 _Wegel_ is een Z. Ned. verkleinwoord van _weg_.

HET SCHRIJVERKE.

(GYRINUS NATANS).

O krinklende winklende waterding, met 't zwarte kabotseken aan, wat zien ik toch geren uw kopke flink al schrijven op 't waterke gaan! Gij leeft en gij roert en gij loopt zoo snel, al zie 'k u noch arrem noch been; gij wendt en gij weet uwen weg zoo wel, al zie 'k u geen ooge, geen één. Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn? Verklaar het en zeg het mij, toe! Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn, dat nimmer van schrijven zijt moe? Gij loopt over 't spegelend water klaar, en 't water niet méér en verroert dan of het een gladdige windje waar, dat stille over 't waterke voert. o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan,– met twintigen zijt gij en meer, en is er geen een die 't mij zeggen kan:– Wat schrijft en wat schrijft gij zoo zeer? Gij schrijft, en 't en staat in het water niet, gij schrijft, en 't is uit en 't is weg; geen Christen en weet er wat dat bediedt: och, schrijverke, zeg het mij, zeg! Zijn 't visselkes daar ge van schrijven moet? Zijn 't kruidekes daar ge van schrijft? Zijn 't keikes of bladtjes of blomkes zoet, of 't water, waarop dat ge drijft? Zijn 't vogelkes, kwietlende klachtgepiep, of is 'et het blauwe gewelf, dat onder en boven u blinkt, zoo diep, of is het u, schrijverken, zelf? En 't krinklende winklende waterding, met 't zwarte kapoteken aan, het stelde en het rechtte zijne oorkes flink, en 't bleef daar een stondeke staan: „Wij schrijven,” zoo sprak het, „al krinklen af het gene onze Meester, weleer, ons makend en leerend, te schrijven gaf: één lesse, niet min nochte meer; wij schrijven, en kunt gij die lesse toch niet lezen, en zijt gij zoo bot? Wij schrijven, herschrijven en schrijven nóg, den heiligen Name van God!”

O 'T RUISCHEN VAN HET RANKE RIET.

Παρὰ ῥοδανὸν δονακῆα Hom. Il. XVIII, 576.

O! 't ruischen van het ranke riet! o wist ik toch uw droevig lied! wanneer de wind voorbij u voert en buigend uwe halmen roert, gij buigt, ootmoedig nijgend, neêr, staat op en buigt ootmoedig weêr, en zingt al buigend 't droevig lied, dat ik beminne, o ranke riet!

O! 't ruischen van het ranke riet! hoe dikwijls dikwijls zat ik niet nabij den stillen waterboord alleen en van geen mensch gestoord, en lonkte 't rimplend water na, en sloeg uw zwakke stafjes ga, en luisterde op het lieve lied, dat gij mij zongt, o ruischend riet!

O! 't ruischen van het ranke riet! hoe menig mensch aanschouwt u niet en hoort uw' zingend' harmonij, doch luistert niet en gaat voorbij! voorbij alwaar hem 't herte jaagt, voorbij waar klinkend goud hem plaagt; maar uw geluid verstaat hij niet, o mijn beminde ruischend riet!

Nochtans, o ruischend ranke riet, uw stem is zoo verachtlijk niet! God schiep den stroom, God schiep uw stam, God zeide: „Waait!...” en 't windje kwam, en 't windje woei, en wabberde om uw stam, die op en neder klom! God luisterde... en uw droevig lied behaagde God, o ruischend riet!

O neen toch, ranke ruischend riet, mijn ziel misacht uw tale niet: mijn ziel, die van den zelven God 't gevoel ontving, op zijn gebod, 't gevoel dat uw geruisch verstaat, wanneer gij op en neder gaat: o neen, o neen toch, ranke riet, mijn ziel misacht uw tale niet!

O! 't ruischen van het ranke riet weêrgalleme in mijn droevig lied, en klagend kome 't voor uw voet, Gij, die ons beiden leven doet! o Gij, die zelf de kranke taal bemint van eenen rieten staal, verwerp toch ook mijn klachte niet: ik! arme, kranke, klagend riet!

HET MEEZENNESTJE.

Een meezennestje is uitgebroken, dat, in den wulgentronk gedoken, met vijftien eikes blonk; ze zitten in den boom te spelen, tak-op, tak-af, tak-uit, tak-in, tak-om, met velen, en 'k lach mij, 'k lach mij, 'k lach mij bijkans krom.

Het meezenmoêrtje komt getrouwig, komt op den lauwen noen, al blauwig en geluwachtig groen; het brengt hun dit en dat, om te azen, tak-om, tak-op, tak-af, tak-uit, tak-in, ze razen, en kruipen, vlug, het meezennestjen in.

Het meezenvaârtje zit–de looveren verduiken 't voor 't gestraal– te tooveren, al in de meezentaal; daar vliegen ze, al med' een, te zamen, tak-om, tak-op, tak-af, tak-in, tak-uit, en, amen, het meezennestje is weêrom ijele en uit.

DIEN AVOND EN DIE ROOZE.

AAN EUGENE VAN OYE.

'k Heb menig menig uur bij u gesleten en genoten, en nooit en heeft een uur met u me een enklen stond verdroten. 'k Heb menig menig blom voor u gelezen en geschonken, en, lijk een bie, met u, met u, er honing uit gedronken; maar nooit een uur zoo lief met u, zoo lang zij duren koste, maar nooit een uur zoo droef om u, wanneer ik scheiden moste, als de uur wanneer ik dicht bij u, _dien avond_, neêrgezeten, u spreken hoorde en sprak tot u wat onze zielen weten. Noch nooit een blom zoo schoon, van u gezocht, geplukt, gelezen, als die _dien avond_ blonk op u, en mocht de mijne wezen! Ofschoon, zoo wel voor mij als u, –wie zal dit kwaad genezen?– een uur bij mij, een uur bij u niet lang een uur mag wezen; ofschoon voor mij, ofschoon voor u, zoo lief en uitgelezen, _die rooze_, al was 't een roos van u, niet lang een roos mocht wezen; toch lang bewaart, dit zeg ik u, 't en ware ik 't al verloze, mijn hert drie dierbre beelden: _u_, _dien avond_,–en–_die rooze_!

KOM E' KEER HIER.

AAN PIETER BUSSCHAERT VAN DAMME.

„Kom e' keer hier, fliefflodderke[1], 'k hebbe u, 'k hebbe u zoo lief!” Maar 't wipte, 't wupte, 't en wachtte niet, en 't liet mij alleene zijn. 't Was wel van dat lief fliefflodderke, want, hadde ik het eens genaakt, ik hadde 't, het lief fliefflodderke, 'k en wete niet wat gemaakt: geen hand van 'nen mensche 'n mocht 'et ooit genaken zijn lieve kleed, of 't was en het wierd 't fliefflodderke, het was en het wierd hem leed; de hand van die 't miek alleene mag 't genaken en niet beschaân, de wind van die 't miek alleene mag er, wandelend, over gaan. Dus, wakker en weg! fliefflodderken, op planten en bloeiend gers[2], alwaar dat u God geschapen heeft, alwaar dat 't uw woning es!– En zoekt gij nu, kind, een zin hierin, 't fliefflodderke, wie dat zij, uw herte is het, alderliefste mijn, ai, wat zou het anders zijn! God miek het u, maakt dat God alleen kan zeggen: Dit herte is mijn, zoo zal het, en anders en zal 't, o neen, het uw' noch gelukkig zijn! Zoo zong hij, die lang en lusteloos gezeten had, eenen dag, wanneer hij, op de eerste lenteroos, het eerste fliefflodderken zag.

VOETNOTEN:

1 Vlinder.

2 Gras.

GEWIJDE KLOK.

o Avond- noen- en morgenmate, ik vrij mij op uw' klank verlate, gewijde klok!

Uw hert is van metaal gegoten, toch blijft het voor geen mensch gesloten, gewijde klok!

Gij hangt zoo hooge, ik ga zoo leege, och helpt de menschen, kranke en veege, gewijde klok!

En dat uw klank in 't ronde vliege, zij lief of leed aan sponde en wiege, gewijde klok!

Den akker end' het veld verwekke, en al dat hoort tot welzijn strekke, gewijde klok!

Gij zegt aan elk het lang verleden de mede- en wederspoedigheden, gewijde klok!

Gij troost mij op den dag van huiden, en zult wel eens mijn uitvaart luiden, gewijde klok!

Nog zult ge waken lang na dezen, en ongeboornen beeklank wezen, gewijde klok!

Dan zal mijn taal geen mensch meer hooren; maar God zal ze eeuwig toebehooren, gewijde klok!

o 'k Wou dat, om mijn ziel te laven, zij ook dan een gebed mij gaven, gewijde klok, gewijde klok!

O GULDEN HOOFD.

o Gulden hoofd der blijde zonne, volheerlijke, altijd nieuwe bronne van levenskracht; wie heeft u in die blauwe streken het brandend voetspoor uitgesteken en voorgedacht?

Gij staat des morgens op, beneden 't bereik van sterflijke oogenleden; en, rijzend, dan verblijdt gij mensch en dier en boomen; en 's avonds laat gij los de toomen van uw gespan.

o Edel' zonne, o machtig wezen, o zienlijke afgezant van dezen die 't al beveelt; wat ben ik, of wat zijt gij, schoone, als, in des Heeren schild en kroone, een wapenbeeld?

Zoo kent men aan des Ridders wapen zijn hofgezin, zijn huis, zijn' knapen, zijn heerlijk slot; zoo kan men, aan uw pronksieraden, o zonne, uw edelen Ridder raden: zijn name is–God!

=O VECHTER=.

o Vechter, die in 't vaderland, met scherpgeschuurden tee en tand, door vodde[1] en vilte[2] en voren vecht, en 't taaie terwland ommelegt!

Ik zie u geerne, ontembaar aan, uw' diepe en duistere wegen gaan, van al dat vreeze is vrank en vrij! –Mijn doen is dat, zoo dunk 'et mij!

Wanneer gij rust in 't wagenkot, en roestend daar uw tanden bot, dan zal wellicht een edel graan alwaar gij vocht te golven staan.

Mij geve God dat, moegewrocht, en 't zalig rusten weerd gerocht[3], ik zie eens 't edel terruwveld, dat stijve zakken koorn geldt[4]!

VOETNOTEN:

1 Zode.

2 Wortelvezelnet.

3 Geraakt.

4 Betalen, opbrengen.

MET KLOEKEN ARME.

Exiit qui seminat.

Met kloeken arme, en hand vol zaad, aanschouwt, hoe hij zijn' stappen gaat en zaait, vol zorgen de man, wiens hope en troost en al, met 't stervend zaad, nu zitten zal in 't land geborgen.

Staat op, o zaad, 't is God die 't zegt, den winter en de dood bevecht: de zonnestralen verwachten al, met menigvoud geverwde pracht en levend goud, uw zegepralen.

o Winden, waait om 't groene kind des lands, uw zacht-, uw zoetsten wind; o dauwrijk dagen des morgenstonds, o wolkenvloed, verleent het koorn, dat kenen[1] doet, uw welbehagen.

Het wasse en 't worde een geluw graan, het bloeie en 't blijve buigend staan, vol zaad geladen; vol zegen, die geen' nijd en baart, geen' zucht, geen' zoek omleegewaard, geen' euveldaden!

Houdt af, gij, wind- en wolkgeweld, die de akkerzaaite omverrevelt, en bleeke ellenden verspreidt alom: houdt af uw' hand; wilt verre weg van 't dragend land uw' geesels wenden!

Dan zal de landman, 't herte groot van dankbaarheid, om 't daaglijksch brood dat hij mocht winnen, den ouden arbeid, zwart en zwaar, zoo dit, zoo 't naaste en 't naaste jaar weêr herbeginnen.

VOETNOOT:

1 Kiemen.

SLAAPT GIJ NOG.

Slaapt gij nog, gedaagde[1] kruinen van de onzochte[2] doorentuinen? slaapt gij nog, en weet gij niet dat de ontwekte zonne u ziet?

Dat alree de dagen langen zichtbaar, en de stralen strangen[3] van de lente? Ontwekt, welaan, doornen, en wilt wakker staan!

Onlangs nog, met sneeuw doorschoten, hebt gij, naast uw' stamgenoten, weken lang den tijd verbeid, vaste in uwe onroerbaarheid.

Tijd is 't om den dag te groeten: 't Oosten blinkt, en wakker moeten al die zonne- en zomerglans schuldig zijn hun' liefde, thans.

Doorentuin dan, botten open; los, uw dichte looverknopen; los, uw zilveren reukallaam[4]; los, uw sneeuwwit blommenkraam!

Ei, 't en baat niet, dat robijnen naalden deur de toppen schijnen heen te bersten, hier en daar, van uw doornig streuvelhaar[5]!

Ei, 't en baat niet dat uw' leden, zwellende uit van vruchtbaarheden, drinken 't zog der aarde, en bloot laten heuren moederschoot!

Blâren moet ge en blommen schieten, vol de vaten ommegieten uwer zalven, en voortaan, hagedoornen, bloeien gaan!

Slaapt gij nog? De bien ontwekken, langende om uw zeem te lekken; 't vogelken zoekt, nestgezind, waar 't uw vrije daken vindt!

Slaapt gij nog? De zangermonden, zullende uwen lof verkonden zoo gij wakker wordt, ze slaan reeds hun liefste leisen[6] aan!

Slaapt gij nog? De dichters dragen droevig, dorre doorenhagen, het geheugen, lang verbeid, van uw' zomerschoonigheid!

't Water zucht, de blauwe lochten, de aarde deunt[7], vol minnetochten: alles, alles wenscht om... och, doorenhagen, slaapt gij nog?

VOETNOTEN:

1 Bedaagd, oud.

2 Onzacht.

3 Strang = streng.

4 Alm, allaam = handwerktuig.

5 Verwarreld opstaand haar.

6 Liederen.

7 Deunen = 1. dreunen, daveren, schudden, trillen tengevolge van een hevig gedruisch, maar ook van blijdschap, voldoening, genot; 2. zingen, weerklinken van geluid.

HOE SCHITTERT MIJ DIE SPA TOCH.

Hoe schittert mij die spa toch, als gij, landman, uwen taaien hals gebogen, langzaam eerselt[1], end' nu hier nu daar Gods akker wendt!

De zonne komt u volgzaam na en velt op uw geglimde spa, terwijl gij zucht en arrebeidt, den blik van heur' hoogmogendheid.

En, spittende in dat hel gestraal, zoo keert uw werkzaam akkerstaal med een den grond, en zendt den schicht terug naar mij, van 't zonnelicht.

Daar speiten[2], uit den zwarten grond der aarde, zoo veel stralen rond uw' delfspa, dat 't een beeltenis van Gods gevreesden bliksem is.

Doch neen: de duiven weten 't wel, dat 't spawerk is en zonnenspel, dit bliksemen, en hun vrije vlerk vervolgt u, op uw akkerwerk.

De kwiksteert, zoo de duiven doen, u nagaande, in zijn' stouteschoen, en vreest, alwaar hij wormen ziet, uw' spa noch heur geflikker niet.

Zoo volge ik ook, en geren ga 'k, van 's morgens vroeg, den delver na, hem dichtende, als hij lam en moe van werken is, mijn deuntjen toe.

God vordere u, mijn brave man, en, zoo 't gebed u helpen kan van een, die geerne uw' weêrga ziet, de spa en delve uw graf nog niet!

Maar mocht gij eens, uw werk voldaan, den blijden oest[3] zien binnengaan, en zuchten: Die den arrebeid mij zoet maakt, U zij dank gezeid!

VOETNOTEN:

1 Aarzelen = achteruitgaan.

2 Spatten.

3 Oogst.

O LEYE LIEF.

O Leye lief, wat mocht u boozen; wat 's hemels kom, den vlekkeloozen, weêrspiegeld in uw' schoot, dat blauw verliezen doen? Dat blauw, och armen, dat donkert in de ontstelde barmen[1] van uw geweldig watergrauw?

'k En hoorde u niet, op vroeger dagen, en 't was als of ze in slape lagen, één glimmend glas, uw' baren; daar 't nu brieschen is en woedend grimmen, van breedgerugde waterkimmen, die beurtlings berschen[2] boordewaard.

Nog nooit en zag ik witgekoofde[3] gelederen rijen, den helm ten hoofde, met zulk een daverend rukgeweld, o Leye, als de ongetelde toppen der witgekamde barenkoppen, die rennen in uw waterveld!

Het klotst, het kleunt[4], de golven stooten het hooge schip, de smalle booten: het danst, het deunt[5], het roert, het maalt alom, van 't vlugge schuim, dat vedert; van 't zwalpend zop, dat weg- end- wedert; en van den wind, die zegepraalt.

o Noorden, sluit uw dolle perken, besnijdt dien boozen zoon zijn' vlerken: laat af, genoeg, genade! Hij is koning, heere en baas gebleken: laat licht en zonne u schoone spreken, dat 't windloos weêr en vrede zij!