Bloemensprookjes van Tante Jo

Part 8

Chapter 84,111 wordsPublic domain

Het duurde niet lang, of er werden aan het Hof met groote pracht twee huwelijken voltrokken, en er werd een nieuwe troon gemaakt,--een dubbele; want daarop zaten de Tweeling-Koningen, met hunne jonge vrouwen naast zich. De oude Koning had eerst vrijwillig afstand gedaan van de regeering; en de Koningin was het heerschen zoozeer moede, dat zij zich met blijdschap thans geheel wijdde aan haar echtgenoot. Beiden genoten van het geluk hunner kinderen, die lang en voorbeeldig regeerden in Violenland; want dien naam gaven zij aan hun land, uit dankbaarheid jegens de bloem, die hun vrienden, rijkdom, wijsheid en gemoedsrust aangebracht had.

"Dat is een mooie geschiedenis, en ik zal die goed onthouden," zeide Marianne, toen de vertelster zich bukte, om zich te verfrisschen met een slokje water, na die lange vertelling.

"Vergeet vooral niet, wat er uit te leeren valt, liefje," zeide de bloem met haar lieve stem. "Leer u zelve te beheerschen; maak uw eigen klein rijk vreedzaam en gelukkig, en acht nooit iets te gering, om er wat van te leeren,--al ware het slechts een Viooltje."

BRUINTJE EN DE PRINSES.

Zij was niet wezenlijk bruin, maar een klein meisje, Betty genaamd, dat met haar vader in een hutje bij 't bosch woonde. Zij waren arm en daardoor had Betty altijd hetzelfde bruine jurkje aan, een grooten bruinen stroohoed op en, omdat ze veel aan zon en lucht blootgesteld was, was ook haar gezichtje gebruind, hoewel zij er lief uitzag, met haar blozende wangen, donkere oogen en in den wind fladderende krullen.

Zij was een levendig schepseltje, en daar zij geen buren had, knoopte zij vriendschap aan met de vogelen, de bloemen, de eekhoorntjes en konijnen, en wist zich met deze goed te vermaken, want die allen kenden haar en hadden haar lief.

Vele lieden reden door dat mooie bosch, niet ver verwijderd van het paleis van den Koning, en wanneer zij het kleine meisje zagen dansen in de wei bij de madeliefjes, of eekhoorntjes in de boomen najagen, of in de beek plassen, of onder haar breedgeranden hoed zitten, als een groote beweegbare paddestoel, dan zeiden ze: "Kijk, daar is Bruintje."

Betty was schuw en verlegen, en trachtte altijd zich te verschuilen, als iemand haar riep; het was grappig, haar dan te zien verdwijnen in een hollen boom, of wegkruipen in het hooge gras, of als een verschrikt konijntje tusschen de varens te zien wegschuilen. Zij was bang voor die mooie dames en heeren, die om haar lachten en haar bij allerlei namen noemden, maar nooit een van allen er aan dachten, eens een boekje of stuk speelgoed voor haar meê te brengen, of een vriendelijk woordje te spreken tot het eenzame meiske.

Haar vader had de zorg voor de herten in het park van den Koning, en was den geheelen dag op het pad, en liet Betty alleen achter, om het huisje schoon te houden, het bruine brood te bakken, en het witte koetje te melken, Dea geheeten, dat in het schuurtje achter de hut woonde en Betty's liefste vriendin was. Zij hadden geen weide, om haar in te laten grazen; als Betty dus haar werk gedaan had, nam ze haar breiwerk meê en dreef ze Dea den weg langs, waar het beestje aan beide zijden overvloed van gras kon eten en dan in de schaduw van een boom gaan liggen uitrusten. Onderwijl deed het kleine meisje dan allerlei spelletjes met haar speelmakkertjes, de dieren en bloemen uit het bosch; of lag zij naar de wolken te kijken, of schommelde op boomtakken, of liet takjes en blaadjes als scheepjes in de beek zeilen. Zij was gelukkig, maar toch verlangde zij wel eens naar iemand, om meê te praten, en trachtte zij te vergeefs de liedjes te leeren, die de vogels den ganschen dag door zongen. Er nestelden veel vogels rondom het hutje; want niemand verstoorde ze ooit, en zij waren zoo mak, dat ze uit hare hand aten, en op haar schouder kwamen zitten.

Boven op hun dak huisde een ooievaarsfamilie, onder de balken hechtten zwaluwen hun nestjes van klei, en winterkoninkjes zaten te piepen in hun nesten, tusschen de roode en witte rozen, die tegen den muur op klauterden, om in Betty's raam te kunnen kijken.

Woudduiven kwamen het graan oppikken, dat zij voor hen strooide, leeuwerikken vlogen zingend op uit het gras aan den weg en zij werd door de nachtegalen in slaap gezongen.

"Kon ik maar verstaan wat zij zeggen, dan konden wij zooveel pret met elkaar hebben. Maar wie zal mij hun taal leeren?" zuchtte Betty eens op een avond, toen zij bij zonsondergang de koe naar huis dreef.

Zij ging toen door het bosch, en terwijl zij sprak, zag ze een grooten grijzen uil op den grond tuimelen, alsof hij niet vliegen kon. Zij liep er terstond naar toe, om te zien wat het beest scheelde en was volstrekt niet bang, hoewel het dier haar met zijn ronde oogen boos aankeek, en met zijn krommen snavel trachtte haar te pikken.

"Arm beestje, zijn poot is kapot," zeide zij en bedacht, of zij er ook iets aan kon doen.

"Neen, dat is het niet; mijn vleugel is gebroken. Ik leunde over den kant van mijn nest, om naar een veldmuis te kijken, en toen verblindde een zonnestraal mij zoodanig, dat ik er uit viel. Neem mij maar van den grond op en zet mij weer in mijn nest, dan zal 't wel weêr in orde komen."

Betty was zoo verbaasd den uil te hooren spreken, dat ze geen voet verzette; en meenende dat zijn knorrige toon haar verschrikt had, zeide de grijze vogel op vriendelijker toon, met een veelbeteekenend knikje en knipoogje van zijn gele kijkers:

"Tot iedereen zou ik niet spreken, en ook niet licht een ander kind vertrouwen; maar ik weet, dat gij nooit iets of iemand kwaad doet. Reeds lang heb ik u nagegaan en ik houd van u; daarom wil ik u beloonen, door u de vervulling van uw laatsten wensch te geven, welke die ook zijn moge. Dat kan ik; want ik ben een toovenaar en ken allerlei tooverkunsten. Zet mij weer in mijn nest en zeg mij uw wensch, en die zal vervuld worden."

"O! dank u," riep Betty vol vreugde. "Mijn wensch was juist te verstaan wat de vogels zeggen."

"Och heden! juist die wensch is niet licht te vervullen; toch zal het geschieden, als gij belooft aan niemand te vertellen, hoe gij achter het geheim zijt gekomen. Ik wil niet graag dat er meer menschen met dat verzoek tot mij komen, en mijn buren zouden het niet aangenaam vinden, als hun praatjes door allerlei ooren verstaan werden. Wat u betreft, zullen zij daartegen geen bezwaar hebben, en het zal u vermaken, arm kind!" zeide de uil na eenig nadenken.

Betty beloofde stilzwijgendheid, en den dikken vogel zorgvuldig in haar arm houdend, klom zij in den ouden eik en zette hem veilig in zijn holletje, waar hij zich weêr nestelde en zijn veêren glad schudde, blij weêr thuis te zijn.

"Trek nu van mijn rechteroor het grootste pruikje dons en stop het in uw eigen oor, dan zult gij kunnen verstaan wat de vogels zeggen. Goeden nacht; nu ben ik doodmoê en heb behoefte aan rust," zeide de uil met een geeuw.

"Dank u zeer," zeide Betty en liep schielijk Dea achterna, die al grazend langzaam huiswaarts stapte.

Het pluisje dons zat in Betty's oor, en terstond hoorde zij hoe verschillende lieve stemmetjes elkaar toeriepen: "Goeden nacht!" "Droom plezierig!" "Een helderen morgen!" "Stil, mijn hartjes, gaat nu slapen tot den dageraad,"--en meer lieve woordjes van dien aard, terwijl de vogels van het woud met de zon ter ruste gingen. Toen zij het hutje naderde, stond papa ooievaar op één been, terwijl de moeder de kleintjes onder haar vleugels toedekte, en nu en dan een hartig woordje zeide, als er nog een rood snaveltje of een pootje te voorschijn kwam. De duifjes koerden teeder in den denneboom, die boven haar hoofd ruischte, de zwaluwen zweefden over den grond, om hun jongen nog als avondeten een paar mugjes te kunnen brengen, en de winterkoningjes babbelden tusschen de rozen, als hadden ze elkaar nog veel te vertellen.

"Nu kan ik dus te weten komen wat zij allen zeggen," riep Betty, en trachtte al die stemmen te onderscheiden, wat haar nu in 't begin nog moeite kostte. Toen molk zij haar koetje, dekte de tafel, en maakte alles in orde voor haar vader, die dikwijls laat thuis kwam, gebruikte daarop haar brood met melk zittend op de stoep, en luisterde onderwijl uit al haar macht. Zij strooide altijd kruimels voor de vogels en onbevreesd kwamen zij die oppikken. Ook thans kwamen zij en Betty verstond alles wat zij ondertusschen keuvelden.

"Lievert, hier is een mooi zacht stukje voor u," zeide de vader, en liet onder 't rondtrippelen zijn oog met welgevallen op het meisje rusten. "Eet gij dit maar op, terwijl ik de kinderen te eten geef. Ons meiske vergeet ons nooit en spaart mij menige groote reis uit, doordat zij ons die heerlijke kruimels geeft. Ik wou dat wij voor haar ook eens wat doen konden."

"Ik ook, ik tob mij letterlijk af, om iets uit te vinden, waarmeê wij haar genoegen zouden kunnen doen. Dikwijls verbaas ik mij erover, dat het Prinsesje ginds in het paleis zooveel heeft, en onze lieve Betty zoo weinig. Een paar van die boeken of stukken speelgoed, die dáár in overvloed ongebruikt liggen, zouden dit kind zoo gelukkig maken. Het is jammer, dat niemand daaraan denkt." Dit zeggende zuchtte mama Winterkoning en pikte een kruimeltje vlak bij Betty's bloote voetje. "Als ze maar niet zoo verlegen was en wilde toelaten, dat de menschen haar aanspraken, zou ze wel spoedig veel vrienden maken, omdat zij zoo vroolijk en vriendelijk is," antwoordde de vader, die juist een nieuwe lading kwam halen voor zijn hongerige kinderen in het nest.

"De Prinses heeft al van haar en hare behoeftigheid hooren spreken, en wenscht haar zelf te zien. Vandaag, toen ik onzen neef Mees in den paleistuin een bezoek kwam brengen, hoorde ik de dienstboden erover spreken. Zij zeiden, dat Hare Hoogheid plan had morgen vroeg in het dennenbosch te komen toeren om een luchtje te scheppen, en dat zij dan hoopte Bruintje en het mooie witte koetje te zullen zien.

"Als Betty dat nu maar wist, dan zou zij een ruikertje madeliefjes en paardenbloemen kunnen plukken, en dat aan het Prinsesje geven, wanneer zij kwam. Dat zou haar zeker genoegen doen en Betty ook licht een presentje bezorgen; want Hare Hoogheid is heel goedhartig, al wordt ze ook droevig bedorven, vrees ik."

Dit mooie plannetje lachte Betty zoo toe, dat zij erover in de handen klapte en daardoor de vogels verjaagde.

"Dat zal ik doen! Ja, dat zal ik doen!" juichte zij. "Ik heb al zoolang verlangd het Prinsesje te zien, waarvan vader mij verteld heeft. Zij is ziekelijk en kan niet loopen en spelen zooals ik; ik zou haar dus dolgraag een pleziertje doen en de paardenbloemen en madeliefjes bloeien al. Ik zal vroeg uitgaan en een hoed vol plukken en niet wegloopen, als zij aankomt."

Zoo vervuld was Betty van dit heerlijke plannetje, dat zij vroeg naar bed ging, maar toch vergat ze niet nog eerst eens uit haar venstertje te kijken, tusschen de rozen door, naar het nestje, waarin mama Winterkoning op hare kleintjes paste, terwijl de papa in de nabijheid op één poot zat, met zijn kop onder zijn vleugel.

"Goeden nacht, lieve vogeltjes; ik ben u heel dankbaar," fluisterde Betty; maar zij letten niet op haar en sliepen voort, alleen soms even een geluid makend, alsof zij droomden.

Des morgens vroeg zongen de leeuweriken, uit het gras opvliegend, en wekten Betty met hun lieve stemmetjes:

"Opstaan, lieve meid Want de dag begon; Zing met ons een lied Voor de heldre zon!"

En de kleintjes piepten:

"Kom 't is dag, mama! Krijg ik wat te bikken? Ga dan gauw, papa, Breng ons wat te pikken."

terwijl ze hun bekjes zoo wijd mogelijk opensperden.

De ooievaars vlogen op, met hun lange beenen achter hen aanslepend, en riepen daarbij:

"Weder is een dag gekomen, Over velden, heuvels, boomen Willen wij de vleugels kleppen, Om voor onzer kindren sneppen Overal, in alle hoeken 't Beste voedsel te gaan zoeken."

De kleintjes staken hun kopjes omhoog en staarden naar de zon.

De grijze kippetjes liepen te pikken bij de schuur en kakelden:

"Tok, tok, tuk! Wat geluk: Tweemaal één is twee. Raad eens wat ik deê: 'k Lei voor allebei Elk een kersversch ei."

en de haan stond erbij luid te kraaien:

"Kukelekukeleku! Neem uw badje nu In de frissche dauw; Want de lucht is blauw."

En de duifjes trippelden rond op haar kleine rose pootjes, trekkebekten en koerden, al buigende:

"Koekeroe! koekeroe! Door het dennengroen Schijnt de nieuwe dag. Geef nu elk een zoen! Koekeroe, dat mag!"

Betty stond aan 't venster te luisteren en was zoo gelukkig, dat zij de roosjes kuste, die haar toeknikten; daarop liep zij naar beneden om meelbrei te koken voor 't ontbijt, zelf als een vogeltje kweelende.

Toen haar vader naar zijn werk was, haastte zij zich Dea te melken, den vloer aan te vegen en den boel netjes op te knappen, vóór zij 't Prinsesje ging opwachten.

"Eet gij nu hier uw ontbijt maar, terwijl ik de bloemetjes ga plukken; want dit is een prettig plekje voor u; en ik wil graag, dat gij er goed uitziet, als de deftige menschen komen," zeide Betty en zij liet haar koetje grazen op een schaduwrijk plekje naast den weg, waar het gras welig groeide en een oude eik de zonnestralen opving.

De paardebloemen waren allen open, als gouden sterren, en Betty maakte daarvan met eenige madeliefjes een frisch ruikertje, besprenkelde dat goed met water en stopte het in haar hoed. Daarop ging zij ijverig zitten breien op een omgehakten boomstam, nadat zij het rustig herkauwende koetje nog met een krans van eikenbladeren den nek versierd had.

Ze behoefden niet lang te wachten. Spoedig hoorde zij hoefgetrappel, en langs den boschweg kwamen de twee witte ponies, de manen schuddend, en achter hen aan het aardige rijtuigje, met koetsier en palfrenier in blauw met zilver, en erin het Prinsesje, met witte pluimen op haar hoed, gezeten naast hare kindermeid, en gewikkeld in een warmen zachten mantel, want de zomerlucht was haar anders 's morgens te koel.

"O! daar is Bruintje met haar mooie witte koetje! Zeg haar nu toch, dat ze niet moet wegloopen, want ik wil haar graag goed zien, en haar hooren zingen," riep het Prinsesje vol ijver, toen zij nader kwamen.

Betty was wel een beetje bang, maar liep toch niet weg; want de kindermeid was een vriendelijk uitziend oud mensch, met een hooge boerinnenmuts op, dat haar met een moederlijken blik toeknikte en heel tevreden scheen, toen Bruintje het ruikertje ophield en zeide:

"Wil de jongejuffrouw deze hebben?"

"O ja! heel graag. Ik heb nog nooit zoo'n mooie bouquet paardenbloemen gehad. Hoe prachtig! Dankje wel, Bruintje," riep het Prinsesje en lachte van pret, met haar beide handen vol bloemen.

"Ik heb ze allemaal voor u geplukt. Ik heb er zooveel en ik hoorde u erom vragen," zeide Betty, heel blij, dat zij niet weggeloopen was en zoo het ritje bedorven had voor de kleine Prinses.

"Hoe wist ge dat?" vroeg het Prinsesje en keek haar verwonderd aan.

"Dat hebben de vogels mij verteld," zeide Betty.

"O ja! Ik vergat, dat zulke boschmeisjes, als gij, verstaan kunnen wat de vogels zeggen. Ik kan alleen mijn papegaaien verstaan, andere vogels niet. Zoudt gij mij kunnen vertellen wat zij zeggen?" vroeg het Prinsesje, met een ernstig gezichtje, zich uit haar rijtuig voorover buigend, want zij had veel schik in al wat nieuw voor haar was.

"Ik denk het wel, als tamme vogels zingen evenals de wilde," antwoordde Betty, niet weinig trotsch, dat zij meer wist dan het rijke meisje.

"Ge moet in het paleis komen en mij dat vertellen; toe, kom terstond, want wachten kan ik niet. Mijn kanarie zingt den heelen dag, maar ik versta er niets van, en dat wil ik toch. Zeg, dat ze komen moet, Juf," beval het Prinsesje, dat altijd gewoon was haar zin te krijgen.

"Kunt gij?" zeide de oude vrouw. "Wij zullen u van avond terugbrengen. Hare Hoogheid heeft er haar zinnen op gezet u meê te nemen, en wij zullen u ervoor betalen."

"Ik kan Dea niet verlaten; wij hebben geen wei om haar in te zetten en ik kan haar niet in de schuur opsluiten, dan zou zij den geheelen dag om mij roepen," antwoordde Betty, die wel veel lust had om meê te gaan, maar toch haar koetje geen armoê wilde laten lijden.

"Zet uw koe maar dáár in die wei; ik geef u verlof. Dat land behoort mij allemaal toe en niemand zal er wat tegen te zeggen hebben. Doe dat!" zeide de Prinses en wenkte met haar hand den lakei, die van den wagen sprong en Dea in het groote klaverveld liet, vóór Betty er iets tegen doen kon.

"Dat zal mijn beestje wel heerlijk vinden; en nu kan ik wel met u meêgaan, als 't u niet schelen kan, dat ik zoo'n oude jurk en hoed heb,--ik heb geen andere kleêren," zeide zij, terwijl de koe reeds begon te eten van de klaver, en de lakei 't portier van 't rijtuigje voor haar open deed.

"O! dat vind ik juist aardig.--Kom er maar gerust in.--En nu terstond naar huis," beval het Prinsesje; en weldra toerde onze arme kleine Betty in het deftige rijtuig, met een gevoel alsof het niet waar kon zijn.

Het prinsesje deed allerlei vragen en kreeg hoe langer hoe meer schik in haar nieuwe vriendinnetje; want zij had nog nooit in haar leven een woord gewisseld met een arm kind, en dus geenerlei besef, hoe die lieden leefden. Betty was opgewonden door dit buitenkansje, en zoo vroolijk en lief in haar eenvoudige manieren, dat de oude kindermeid weldra vergat op te letten, of zij ook iets verkeerds deed of zeide.

Toen ze stilhielden voor het groote marmeren paleis, dat schitterde in de zon, met prachtige groene lanen en bloembedden en terrassen er om heen, kon Betty slechts met ingehouden adem al 't moois aanstaren, vooral ook toen zij door schitterende gangen en portalen, langs breede trappen, binnengeleid werd in een kamer vol mooie dingen, waar zes vroolijk gekleede dienstmeisjes samen zaten te naaien en te babbelen.

De Prinses moest nu gaan rusten, maar Betty werd verzocht te blijven en zich te laten verkleeden, alvorens zij met Hare Hoogheid ging spelen.

De kamer was vol doozen en kasten en manden en toen de deuren open en de deksels eraf kwamen, zag Betty een massa mooie jurken, hoeden, mantels en allerlei fraaiigheden voor kleine meisjes om te dragen. Nooit in haar stoutste droomen had zij zich zooveel schoone dingen en kleêren kunnen voorstellen, van kant, lint, zijde en fluweel. Hoeden met bloemen en veêren, aardige blauwe en rose schoentjes met gouden en zilveren gespjes, zijden kousjes, zoo fijn als spinrag, neteldoeksche en batisten rokjes en nachtponnetjes en mutsjes met fijne borduursels, alsof geen menschenhanden ze zoo hadden kunnen maken.

Als in een droom stond zij te kijken, terwijl de meiden haar op vriendelijke wijze ontdeden van haar bruine hoedje en jurkje, en, na lang beraad over wat haar het beste zou staan, haar eindelijk een rose neteldoeksch japonnetje aantrokken, benevens nette schoenen en kousen en een stroohoedje met roosjes er op. Toen daarbij haar lokken tot dikke bruine krullen waren gladgestreken, zeiden ze haar, dat ze eens in den grooten spiegel moest kijken en zeggen wat zij er in zag.

"O, wat een sierlijk meisje!" riep Betty, en glimlachte en knikte tegen het meisje in den spiegel, dat hetzelfde deed tegen haar. Zij herkende zich zelf niet, daar ze nooit haar beeld anders weerkaatst had gezien, dan in een stilstaanden plas, of in de beek langs de weide.

De dienstmeisjes lachten, en toen begreep zij, dat zij 't zelf was, en lachte met haar en danste en maakte nijgingen en was heel vroolijk, totdat er gescheld werd en men haar beval naar de Prinses te gaan.

Zij vond deze in een prachtige kamer, de wanden behangen met blauwe zijde en kant, een glanzig zilveren ledikantje, blauw damasten stoelen en sofa's, schilderijen aan den muur en bloemen aan alle vensters en vergulde kooien met aardige vogeltjes er in.

Op een kussen zat een witte kat te slapen; een snoepig klein hondje, met een gouden halsbandje met bellen om, trippelde er rond en op alle tafels lagen boeken en speelgoed uitgespreid.

Het Prinsesje knorde tegen de oude kindermeid, omdat deze haar nog langer wilde laten slapen, na haar rijtoertje; maar toen Betty binnenkwam, met haar nieuwe kleêren en haar vroolijke gezichtje, veranderde ook bij haar de frons in een glimlach, en riep zij:

"O! wat ziet gij er nu netjes uit! Nu zijt ge niet langer Bruintje; maar ik hoop toch, dat ge de taal der vogels nog niet vergeten hebt."

"Neen," zeide Betty; "laat mij maar even luisteren en dan zal ik u vertellen wat zij zeggen."

Beide zwegen dus en de kindermeid en de andere gedienstige hielden zich zoo stil als muizen, terwijl de kanarie zijn schelle tonen liet hooren, en Betty's gezicht betrok, bij het hooren daarvan.

"Hij zegt dat hij genoeg heeft van zijn kooi en verlangt vrij te zijn bij de andere vogels; want een boom is voor hem een betere woning dan een gouden paleis en een kruimeltje in het bosch smaakt hem beter, dan al de klontjes suiker in zijn zilveren bakje. Hij zingt: ""Laat mij vrij! laat mij vrij! of mijn hart zal breken!"" Dat is de inhoud van zijn lied en het roodborstje zingt hetzelfde; en ook de vinkjes en dat fraaigekleurde andere vogeltje, dat ik niet ken."

"En wat zegt Polly? Als hij praat, kan ik hem wel verstaan, maar niet, als hij zoo bij zich zelf zit te brommen en te babbelen, zooals hij nu doet," zeide het Prinsesje, zeer verbaasd over wat ze gehoord had; want zij dacht, dat haar vogeltjes overgelukkig moesten zijn in zulke sierlijke kooitjes, met lekkere hapjes.

Betty luisterde naar den grooten rood-groen-en-blauwen papegaai, die op een stokje zijn kop zat te schudden, en bij zich zelf grinnikte, alsof hij een goede grap hoorde. Weldra kreeg Betty een kleur en begon zij te lachen, daar 't geen zij hoorde haar vermaakte, maar tevens verlegen maakte; want de vogel praatte en knikte nu tegen haar op koddige wijze.

"Nu, wat zegt hij dan?" vroeg het Prinsesje ongeduldig.

"Och! vraag mij dat maar niet. Ge zult het niet prettig vinden dat te hooren. Ik kan het u heusch niet overbrengen," zeide Betty nog lachend en blozend.

"Gij moet het mij vertellen, anders laat ik Polly den nek omdraaien. Ik verkies elk woord te weten, dat hij gezegd heeft, en op u zal ik niet boos zijn, wat ook die lastige vogel moge gezegd hebben," beval het Prinsesje.

Betty had geen lust te gehoorzamen, maar begon toch, uit vrees dat anders toch de papegaai zou gestraft worden. "Hij zegt: ""Ziezoo, daar hebben we nu een nieuw lievelingetje voor Hare Hoogheid om te plagen. Een lief, mooi meisje! Het is jammer, dat zij gekomen is, om een paar dagen lang aangehaald en gevierd te worden, en daarna weggesmeten, of vertrapt als een oude pop. Het arme kind, zij vindt nu alles hier heel mooi; maar als zij alles wist, weet ik zeker, dat zij zou wegloopen, en nooit weêrom komen; want een knorriger, meer bedorven kind dan Hare Hoogheid bestaat er niet."""

Betty durfde niet verder gaan, want het prinsesje keek heel boos; en de meid ging een klap geven aan Lorre, die echter met een lachje naar haar vinger beet en nog luider krijschte:

""Ja! dat is ze inderdaad! en achter haar rug zegt gij allen dat ook. Ik ken uwe sluwe manieren wel. Gij prijst en vleit haar, en zegt dat zij 't liefste meisje ter wereld is, terwijl gij weet, dat dit eenvoudige, lieve boschmeisje meer waard is, dan een dozijn dwaze, heerschzuchtige prinsessen. Ha! Ha! Ik ben niet bang om de waarheid te zeggen, ben ik wel, Betty?""

Betty schrikte letterlijk en kon toch niet laten te lachen, toen de stoute vogel haar toewenkte, onderste boven hangend met zijn krommen bek half open en zijn schitterende vleugels kleppend.

"Ga voort! ga voort!" riep het Prinsesje uit nieuwsgierigheid haar boosheid vergetend.

Betty moest haar dus verder vertellen en was heel blij, toen Bonnibelle ook begon te lachen, en per slot plezier had in de waarheid, op zoo koddige wijze verteld.