Part 7
Toen de lente kwam waren zij heel ver van huis, en gevoelden zij, dat het nu tijd was de tooverzaden te gaan beproeven. Zij kozen dus een zonnig plekje uit op een afgelegen heide, waar de grond vruchtbaar was, en een beekje in de nabijheid vloeide, en waar niemand woonde, die het hun kon beletten, en dáár plantten zij hunne zaadjes, en verpleegden die zorgvuldig.
Terwijl zij wachtten op de bloemen, bouwden zij van groene takken een hutje, en leefden van wilde bessen, van konijnen, die zij in strikken vingen, visschen die zij bemachtigden, en roggebrood, dat zij kochten van een oude vrouw, die daar kwam om kruiden te zoeken. Zij hadden nog wat opgespaard geld, en als dat op was, zoude een van hen een paar dagen op reis gaan en door muziek hun knapzak weêr vullen, terwijl de ander de wacht bleef houden bij het bedje teedere plantjes, die welig en sterk opgroeiden.
Zij waren nieuwsgierig wat voor bloemen het zijn zouden, en vreesden soms, dat ze nooit bloeien zouden, daar het zoo lang duurde, eer er knopjes aan kwamen.
"Als er geen bloemen aan komen, zijn wij zeker geen goede tuiniers, al zijn we wel koninklijk," zeide Paars eens, terwijl hij zijn plantjes water gaf.
"Dan zullen wij verder de wereld rondreizen, met ons gezang en onze luiten, broeder. Tegen dien tijd zullen wij wel tot mannen opgegroeid zijn, zoodat wij strijden kunnen, om ons koninkrijk terug te krijgen," antwoordde Krip, en wiedde ijverig het onkruid uit van tusschen de lage planten, die een groote oppervlakte bedekten, en aan wier menigvuldige takken een menigte groote, stijf toegevouwen knoppen zaten.
"Onze oude buurvrouw, de kruidenzoekster, is heel nieuwsgierig omtrent ons tuintje en zou gaarne willen weten, wat wij hier verbouwen. Ik heb haar gezegd, dat wij het zelven niet weten, maar als de bloemen komen, dat zij ze dan mag zien; want zij heeft er veel verstand van, en het zou kunnen zijn, dat dit een nieuw kruid voor haar was, om de zieken meê te genezen. Dat zou een heerlijk loon voor onze moeite zijn, al maakten wij er dan ook nooit fortuin meê."
"Dat zou het! Ik zou nog liever menschen gelukkig maken, dan een Koning te zijn; gij ook zeker, broeder!"
Terwijl de broeders spraken vervulde een liefelijke geur de lucht, en begonnen al de blaadjes zacht te ruischen, als werden ze door een zuidewindje bewogen. Toen werd alles weêr stil en begonnen de leeuweriken hoog boven hunne hoofden te zingen, als vertelden ze een blijde tijding aan de schoone blauwe wereld ver boven de wolken.
Den volgenden morgen, toen de Prinsen naar hun tuintje gingen, zie! toen was alles in bloei, en zag het er uit als een prachtig tapijt van goud, purper en paars en wit en groen, geschikt voor eens koningspaleis. De bloemen waren violen, maar zoo mooi, als er nooit te voren gezien waren, want deze waren zeer groot en zagen er uit als echte gezichten, half droevig, half vroolijk van uitdrukking, naarmate de gele en de donkere blaadjes ze omlijstten. Zij zagen er allerliefst uit, geurden heerlijk, en toen ze door den wind op en neêr bewogen werden, schenen zij elkaar iets zoo gewichtigs toe te fluisteren, dat de jongens heel gaarne die mooie vertelling zouden verstaan hebben.
"Wat kunnen wij met die violen doen en hoe kunnen zij ons geluk aanbrengen?" zeide de oudste broeder, terwijl hij met een ernstig gezicht naar de lieve bloemen aan zijn voeten stond te kijken.
"Wel, eerst ervan genieten, en er dan kleine ruikertjes van verkoopen, om geld te verdienen; want zulke mooie ziet men maar zelden; de menschen zullen ze gaarne koopen," antwoordde de jongere broeder, en begon terstond er eenige te plukken.
"Daar hebt gij gelijk in, en dan kunnen wij ook zaad verzamelen, en net zoolang violen kweeken en verkoopen, tot wij rijk zijn. Het zal lang duren; maar geduld hebben wij in den toren geleerd, en wij zullen wachten, en zien wat voor geluk de violen ons aanbrengen," zeide Prins Paars, en knielde neêr bij een groepje van de lieve bloemen, die hem toeknikten, als verheugden ze zich, door zulke vriendelijke handen geplukt te worden.
"Ei, ei! Wat zie ik! Voorzeker, mijn jongens, zijt gij toovertuiniers, dat gij aan dezen wilden heîgrond zulke prachtige bloemen weet te ontlokken," zeide een beverige stem achter hen, toen de oude kruidenzoekster kwam aanstrompelen, met een boezelaar vol paddestoelen en een mandje vol geurige wortels en bladeren.
"Het zijn slechts violen, om naar de markt te brengen, Moedertje," antwoordde Krip, en zag haar glimlachend aan.
"Zie eens, hoe mooi ze zijn! Gij krijgt de eerste, daar gij zoo vriendelijk voor ons zijt," voegde Paars er bij, en bood haar een ruikertje aan, even hoffelijk als knielde hij voor een Koningin, in plaats van voor een oud vrouwtje, zoo bruin en gerimpeld als een verdord blad.
"Goede jongens! Ik zal nog vriendelijker voor u zijn en de geschiedenis voor u lezen, die deze fraaie bloemen wenschen te vertellen," zeide zij, terwijl haar oogen glinsterden, en zij de violen in hare magere handen ronddraaide. "Ik kan alle planten lezen en leer daardoor vele vreemde zaken. Zie maar, of ge dit droevig verhaal begrijpt, want dit staat geschreven op deze bloemen, en het moet waar zijn, want zij kunnen niet liegen."
De Prinsen kwamen dichter bij haar staan en keken nieuwsgierig toe, hoe een bevende vinger de verschillende deelen van de bloem achtereenvolgens aanwees, terwijl de oude vrouw sprak, en hen daarbij nu en dan aankeek met beteekenisvollen blik, daar hun gezichten ook veel zeiden.
"Er zijn vijf bladen. Dit groote gouden zit alleen op een dubbelen groenen zetel. Deze twee kleinere gele blaadjes, met een klein randje paars, zitten aan beide zijden; maar deze twee paarse bladen hebben slechts één groenen zetel, hoewel zij mooier zijn dan een der anderen. En kijk nu hier in het midden, dat kleine mannetje in het groen, met een rood kapje op, op het warmste, veiligste plekje, met een zakje zaden, die mettertijd rijp zullen worden, als hij de zon toegang tot zijn hart wil geven. Komt nu, mijn zonen, ziet gij hierin eenige beteekenis?" vroeg de oude ziel met een scherpen blik op de knapen, die bloosden en glimlachten en zuchtten, maar niet spreken konden, want hun eigen droevige geschiedenis stond in de tooverbloem naar waarheid beschreven.
De kruidenvrouw knikte veelbeteekenend, maar zeide enkel op vriendelijken toon, terwijl zij het ruikertje op hare borst stak: "Heart's-ease [2] wil niet voor iedereen groeien; maar de heele wereld heeft er behoefte aan en zal die goed betalen; verkoopt dus uw violen, mijn jongens, en verdient er een fortuin meê. Ik zal ook op de markt zijn, als gij er komt, en een goed woord voor u doen, hoewel gij eigenlijk niemands voorspraak noodig hebt, met uw vriendelijke gezichten en zachte manieren."
Toen ging zij heen, en de verbaasde Prinsen haastten zich al de bloeiende takjes af te plukken, en er met geurig gras ruikertjes van te maken, en die in mandjes te leggen, die zij zelven reeds vroeger van groene biezen gevlochten hadden. Het zag er lief uit; want de violengezichtjes schenen iedereen toe te lachen, en de zachte geur riep duidelijk: "Komt, koopt ons!" en de dauw schitterde op de blaadjes, als diamanten op de gouden en purperen kleederen eener Koningin.
Toen de Prinsen in de naastbijgelegen stad kwamen, gingen zij op de markt staan en prezen hunne waar aan, evenals andere lieden hunne vruchten en groenten; maar hun voorkomen was zoo edel, hun stem klonk zoo helder, hun bloemen waren zoo groot en prachtig, dat, ondanks hun armoedige kleeding en nederig werk, iedereen, die hen zagen hoorde, terstond gevoelde dat die knapen iets bizonders moesten zijn, met hun geroep van: "Violen! hier zijn versch geplukte violen te krijgen! Wie koopt ze? Wie koopt onze violen?"
Elkeen, die langs de markt kwam, was bekoord door die groote "pensées", zooals de Franschen deze bloem noemen, want iets dergelijks had men in dat land nog nooit gezien. De mandjes waren dus weldra leêgverkocht, en zelfs een paar goudstukjes schitterden tusschen de koperen en zilveren muntstukjes, die zij in hun zakken lieten glijden, daar rijken zoowel als armen zich haastten deze edele waar te koopen. Zeer tevreden over hun dagwerk, gingen de jongens vroolijk naar huis, om de bloembedjes te begieten, en zich te verheugen over de knopjes, die zich weêr in grooten getale vertoonden.
Daarna verkochten zij gedurende den geheelen zomer bloemen; want de tooverviolen bloeiden voort totdat de vorst kwam, en een ieder die ze kocht ontdekte, dat zij wezenlijk hun Engelschen naam eer aandeden, en gelukkige gedachten en troost aanbrachten, en arm en rijk werden daardoor des te begeeriger ze te koopen. Dokters zonden om die bloemen voor hunne zieken; bedroefden bestelden ze, om er door opgevroolijkt te worden; ja zelfs slechte menschen hielden van die bloemen, omdat de aardige gezichtjes, half ernstig, half vroolijk, hun nooit een verwijt deden, maar zoo prettig tegen hen glimlachten, dat daardoor betere gevoelens in hun slechte harten opgewekt werden.
Heinde en verre werd de mare omtrent deze nieuwe plant, zooals men ze noemde, verspreid; vorsten en vorstinnen smeekten om het zaad te mogen hebben, daar Heart'sease (gemoedsrust) juist hun dikwijls ontbrak. Verscheidene plantjes bereikten zelfs den luien Koning, terwijl hij in zijn weelderig vertrek zijn wijn zat te drinken, zat te lezen en te slapen; en het zien dier bloemen maakte hem wakker, want de naam zijner overleden vrouw was Viola geweest, en hij begon nieuwsgierig te worden, waar zijne zonen wel zijn mochten, en naar hen te vragen.
De Koningin had ook het wonderkruid noodig; want zij werd zeer verontrust door de wanorde in haar rijk. Hare onderdanen hielden niet van haar, en het begon hen te vervelen, hooge belastingen te betalen, om hare pracht te bekostigen. Zij begonnen oproerig te worden, vooral de armen, voor wie zij volstrekt niet zorgde, maar die zij honger en ontbering liet lijden, terwijl zij voor vermaak en genot leefde.
Zelfs de rijken en hooggeplaatsten werden ontevreden, en wenschten nog rijker en hooger geplaatst te zijn, en twistten onder elkander en maakten duidelijke toespelingen, dat zij de Prinsen vermoord of verbannen had, die nu eigenlijk behoorden te regeeren, en het zeker beter zouden doen dan zij.
Sleutelbloem en Narcis hadden de tooverbloemen laten komen, daar zij alles, waarvan zij hoorden dat het nieuw en mooi was, wilden hebben, hoeveel het ook mocht kosten. Toen de lieve plantjes kwamen, in prachtige porceleinen bloempotjes, waren de jeugdige Prinsessen er zóó meê ingenomen, dat zij niemand anders in hare nabijhêid vergunden ze te hebben.
"Dit zijn onze kleuren, en deze bloemen moeten het kenteeken onzer koninklijke waardigheid zijn, en op straffe des doods mag niemand anders ze dragen," zeiden zij; en zij lieten voor zichzelven prachtige nieuwe costumes maken van goud met paars fluweel, overal bezet met violen, en gaven ook aan hare lakeien livrei van die kleuren; op hare rijtuigen, meubelen en alles werd dit sierlijke nieuwe wapen, waarop zij heel trotsch waren, aangebracht.
Maar zij werden, evenals hare moeder, weldra gewaar, dat die naam meer beteekende, dan alleen een fraaie bloem. "Pensée" is het Fransch voor "viool" en "gedachte", en in hare zorgelooze zielen kwamen gedachten oprijzen over al het kwaad, dat zij gedaan hadden, alsof de geur van het nieuwerwetsche viooltje haar verwijten deed, terwijl de vriendelijke gezichtjes haar herinnerden aan de droevige gelaatstrekken van de verbannen zonen, wier plaatsen zij wederrechtelijk hadden ingenomen.
Allen waren dus verontrust, en de toovermacht der bloemen begon in huis zoowel als daarbuiten te werken, en zoo behulpzaam te zijn om de zaken voor te bereiden, tegen dat de reizigers zouden terugkomen.
Intusschen reisden de Prinsen de wereld rond, leerden zij veel en werden zij wijs en braaf, zoowel als groot en dapper, en zeer schoon en mannelijk van gestalte. Des Winters zongen en speelden zij, en werd geen Kerstfeest vroolijk geacht zonder medewerking van de luitspelers, geen boerenbruiloft zonder hunne medewerking gevierd, en moesten zij ook dikwijls in paleizen voor adellijke heeren en dames muziek maken, om bij te dansen, en werden dan zeer ruim beloond. Maar wat zij het liefste deden, was in gevangenissen, ziekenhuizen, of arme buurten zingen, waar ze niet enkel vermaak en troost brachten, maar ook dikwijls geld, waarna ze dan stil wegslopen, zonder te wachten op een bedankje, gelukkig in staat te zijn, de droeven en zieken en lijdenden te helpen.
In den zomer rustten zij uit, op een of ander mooi plekje, en plantten er tooverzaad, dat op elken grond groeien wilde, en overal evenzeer bewonderd werd.
Zoo vervolgden zij hun weg, bezig en gelukkig, overal een spoor van muziek en bloemen achterlatende, en de wereld verhelderend en verbeterend, door schoone geluiden en blijde gedachten, totdat zij den naam kregen van de "Gezegende Knapen", en men in het Oosten en het Westen, het Noorden en het Zuiden hen opwachtte, verwelkomde en liefhad.
Vele zomers en winters verstreken en zij waren volwassen jongelingen, toen zij op hunne reis rondom de wereld weêr in huns vaders koningrijk aanlandden. Maar hoewel thans oud en wijs genoeg om te regeeren, en verzekerd, dat zij door het ontevreden volk met blijdschap zouden begroet worden, gevoelden zij, dat ze niet langer toornig of bitter waren tegen degenen, die hen verongelijkt hadden. De tijd had hun geleerd te vergeven en te vergeten; hun gelukkig, vreedzaam leven had hen een afkeer ingeboezemd van strijd en oorlog; en zij hadden zelven de vrijheid zoo lief, dat ze het hart niet hadden anderen tot gehoorzaamheid te dwingen.
"Wij heerschen over een grooter, heerlijker rijk, dan dat van onzen vader; onze onderdanen hebben ons innig lief, en wij zijn aan geen troon gebonden, maar zoo vrij als de wind; laat ons daarmede tevreden zijn, en niet meer verlangen," zeide Prins Paars tot zijn broeder, terwijl zij, zittende op een heuvel, buiten de poort, neêrzagen op de oude bekende stad.
"Ik zou geen lust hebben, in een paleis opgesloten te zitten, en verplicht te zijn mij aan allerlei regelen te onderwerpen. Maar als hetgeen wij gehoord hebben waar is, dan is er hier overvloed van werk te doen voor de armen, en wij hebben zooveel overgespaard, dat wij althans beginnen kunnen met hen die het meest lijden te helpen. Niemand behoeft vooralsnog te weten wie wij zijn; en wij kunnen stil voortwerken, terwijl wij wachten, totdat onze vader onzer gedenkt, en ons terugroept," antwoordde Krip, die even fijn en teêr, maar ook even zacht was, als de stof waarnaar hij genoemd was, en die hij gaarne op zijn kleêren droeg.
Zij vermomden zich dus als jeugdige Barmhartige Broeders, met zwarte kappen en lange tabberden, en gingen de stad in, om een woning te zoeken.
De oude Adam leefde nog, maar was thans heel arm; want de Koningin had hem weggezonden, nadat de Prinsen ontvlucht waren, en de Koning had hem volkomen vergeten. De knapen spoorden hem op, en vertelden hem wie zij waren, en kwamen bij hem wonen, hetgeen den ouden man zeer verheugde en waarop hij trotsch was, en dat niet weinig tot zijn geluk en welvaart toebracht.
Den geheelen dag lang gingen de Broeders rond onder de armen, en hielpen hen op verscheidene wijzen. Bloemen ontloken waar zij den voet gezet hadden, alsof de tooverzaadjes onzichtbaar uit hunne zakken vielen; en weldra lieten zij door de geheele stad een spoor achter zich van gelukkige gezichten, en potjes violen voor de vensters in nederige hutjes, waar vroeger nooit bloemen groeien wilden.
Niemand kende hen bij een anderen naam dan dien van "de Broeders," en menige zieke en treurende ziel zegende hen, om al het goede, dat zij zoo in alle stilte deden.
Weldra bereikte het gerucht van deze verwonderlijke jonge mannen het paleis, waar de oude Koning thans ziek lag en de Koningin in doodsangst verkeerde; want het volk haatte haar, en elk oogenblik kon er een oproer losbarsten. Zij zond om de Broeders, en zij kwamen oogenblikkelijk, in de hoop eenig goed te kunnen doen.
Niemand herkende de aardige Prinsjes in die twee volwassen monniken, half verscholen in hunne kappen en tabberden; maar het scheen wel, als waren troost en moed met hen binnengekomen, want de zieke Koning gevoelde zich sterker, als zij aan zijne legerstede baden of zongen, en de beangste Koningin vatte nieuwen moed, beleed voor hen hare zonden en smeekte hen haar te zeggen wat zij doen moest, daar zij had leeren inzien, dat zelfzucht, pracht en weelde noch geluk, noch liefde en eerbied aanbrachten.
"Indien ge oprecht berouw hebt, tracht dan het kwaad, dat gij gedaan hebt, weêr goed te maken," antwoordde een der Broeders stoutmoedig.
"Maar de Prinsen zijn weg of dood, en mijn volk haat mij," zuchtte de arme Koningin.
"God heeft beter gezorgd voor de moederlooze knapen, dan gij deedt, en zij zullen terugkomen, wanneer de rechte tijd daartoe aangebroken is. Zorg gij maar, dat ge met uw volk medelijden hebt, en hen helpt. Maak, dat ze u leeren liefhebben en vertrouwen; dan zult gij veilig zijn en gelukkig, en uw rijk zal bloeien," zeide de andere Broeder met zijn zachte stem.
"Dat wil ik, dat zal ik!" riep de Koningin, terwijl tranen van berouw op haar goudlakenschen mantel vielen, die door die zilte droppelen niet dof werd, maar des te helderder schitterde.
Toen raadpleegde zij de Broeders; en terwijl Krip den ouden vader verpleegde en opvroolijkte, hielp Paars zijne stiefmoeder het vertrouwen van haar volk te winnen, door met ruime hand brood en geld uit te deelen, betere huizen voor hen te doen bouwen, betere wetten te maken, en met meer rechtvaardigheid en barmhartigheid te regeeren, totdat de vrede terugkeerde en het gevaar voor oproer geweken was;--want vriendelijkheid verovert de harten.
De Prinsessen wilden eerst van al die veranderingen niets weten, en waren boos op die nieuwaangekomenen, omdat zij zelfverloochening, nederigheid en eenvoud predikten; maar de monniken wisten haar deze zoo smakelijk en aanlokkelijk te maken, door hun overredende woorden en door hun eigen heerlijk voorbeeld, dat weldra deze Koningsdochters evenzeer als al hare hofdames begonnen in te zien, hoe zelfzuchtig en ijdel haar bestaan was geweest, en verlangden naar verbetering.
Het kostte veel tijd, haar aan het verstand te brengen, hoe noodig het was, al die gewoonten van dwaze weelde af te schaffen, haar fraaie kleêren vrijwillig prijs te geven, en smaak te krijgen voor goede boeken, degelijk gezelschap, wezenlijke weldadigheid, en al de lieve eenvoudige genoegens, plichten en lessen, die het leven gelukkig maken en den dood rustig doen afwachten, als die komt tot koningen, zoowel als tot bedelaars.
Deze schoone taak vorderde veel tijd en geduld. De oude vader scheen als uit den slaap te ontwaken, en verwonderde zich zelf er over, dat hij zooveel tijd met droomen verkwist had. Thans was het te laat voor hem om nog te regeeren; hij had er nu niet genoeg kracht meer toe, en tevergeefs reikhalsde hij thans naar zijn flinke jongens.
De Koningin zat alleen op den troon, thans niet meer een voorwerp van haat, maar vergeven en bemind, en zij had gelukkig kunnen zijn, indien niet de gedachte aan de verloren Prinsjes haar nacht en dag, als een spooksel, vervolgd had, totdat zij ten laatste zoozeer van berouw en verdriet vervuld was, dat zij besloot, tot boetedoening voor hare zonden, in een klooster te gaan. Maar wie zou er dan in hare plaats regeeren? De Koning was te oud en te zwak, de Prinsessen waren te jong, en de rechtmatige erfgenamen waren weg of dood.
"Nu is de rechte tijd aangebroken," zeide Paars. "Nu heeft men ons noodig, en moeten wij ons koningrijk in bezit nemen, vóór een vreemde indringer het soms overweldigt."
"Broeder, ik ben bereid, en wij zijn beide des te meer geschikt om te regeeren als Prinsen, doordat wij geleerd hebben, als armen te arbeiden, te wachten en ons gelukkig te gevoelen," antwoordde Krip.
Er werd eene groote raadsvergadering belegd, van al de wijzen en grooten en braven in den lande, om een nieuwen Koning te verkiezen, want de Koningin wenschte afstand te doen van den troon, dewijl zij genoeg had van hare grootheid. Toen allen bijeenvergaderd waren, en de fraai gekleede dames van uit de gaanderij zaten neêr te kijken op die ridders in volle wapenrusting, die grijsharige Ministers en die flinke burgers, verheugde iedereen zich, de geliefde Broeders te zien binnenkomen, en nederig aan het lager eind van de raadstafel plaats nemen. Waar zij ook kwamen, waren zij altijd welkom; want hoewel nog zóó jong, schenen zij toch de harten der menschen beter te begrijpen, dan de oude lieden, die hun leven lang boekenwijsheid opgedaan hadden. Na veel redeneeringen, zeide de Koningin, terwijl zij van den grooten gouden zetel afdaalde:
"Laat ons aan onze goede vrienden, die ons zoo trouw geholpen hebben, en ons aangetoond, wat er op een troon noodig is, verzoeken onze leêge plaats te bezetten. Waarde Broeders, komt nader en zegt ons, wie thans den troon beklimmen moet, want ik ben het niet waardig."
Zonder een woord te spreken kwamen de twee jeugdige monniken naar den verheven zetel toe, gingen elk aan een zijde der Koningin staan, en lieten hunne vermomming afzakken van hunne schouders. En dáár stonden ze toen, in Paars fluweelen kleedij, met de goudblonde lokken en schoone gelaatstrekken van de Koningszonen, wel ouder en ernstiger geworden, maar toch dezelfde van vroeger,--dáár waren de verloren Prinsen, die ten laatste tot de hunnen terugkeerden.
Alle omstanders waren zoo verbaasd, dat in het eerste oogenblik niemand sprak of zich bewoog; allen stonden op van hunne plaatsen en keken zwijgend toe, terwijl Paars, met een glimlach en een gebaar, die hunne harten stalen, zeide:
"Wij zijn bereid onze rechtmatige plaatsen in te nemen, indien gij ons noodig hebt, en wij zullen met blijdschap het verledene vergeten, vergeven wie ons verongelijkt hebben, en trachten voor allen de toekomst gelukkig te maken. Wij zijn gevangenen geweest, bedelaars, tuiniers, liedjeszangers en monniken, op onze lange tochten. Thans zijn wij weêr Prinsen, des te beter geschikt om te regeeren, door de harde lessen, die wij geleerd hebben; terwijl tijd, armoede, moeite en ellende ons de waarde hebben leeren beseffen van geduld, rechtvaardigheid, moed en barmhartigheid."
Toen hij uitgesproken had, brak er een algemeene juichkreet los, om hen welkom te heeten, en de Koningin viel hun te voet, en smeekte om vergiffenis; terwijl Sleutelbloem en Narcis haar gelaat bedekten, daar ze zich herinnerden, wat wreede dingen zij gezegd en gedaan hadden. Er viel niet aan te twijfelen, of de Prinsen waren hartelijk welkom en zeer bemind in hun rijk; en weldra verspreidde zich de blijde tijding door de geheele stad. De klokken werden geluid, er werden vreugdevuren ontstoken, de menschen dansten en zongen, en er werd overal feest gevierd, in paleizen en hutten, ter eere van de "Gezegende Knapen."
De oude Koning werd van den schrik klaar wakker, en was zoo opgetogen, dat hij op stel en sprong zijn bed uit stapte, als door een tooverslag genezen van al zijne kwalen, behalve zijn ouderdom.
De Koningin kon weêr glimlachen, en gevoelde nu, dat zij vergiffenis ontvangen had op haar bede; Sleutelbloem en Narcis werden even lief en aardig als de bloemen, waarnaar zij genoemd waren, en de Prinsen werden verliefd op hunne halfzusjes, op de goede, oude wijze van alle tooversprookjes.
Thans was alles in orde, en het koningrijk zag er weldra uit, als een groote violentuin; want de geliefkoosde bloem bloeide overal, en armen en rijken hielden die evenzeer in eere.