Part 5
"Ik ken honderdtallen sprookjes, want ik ben zelf een kind der verbeelding, en mijn hoofd is vol aardige bedenksels en ik zing zulke vroolijke liedjes, dat al de vogels naar mij plachten te komen luisteren, uren lang. Als ik dat dwaallichtje maar kon bereiken, denk ik, dat ik hem wel zou kunnen vermaken en bezighouden, tot de menschen en kinderen veilig naar huis waren gekomen," zeide Knopje.
"Kom het maar eens beproeven, ik zal u wel dragen," zeide de vleermuis, deed zijn vleugels dicht en zag er uit als een zwarte muis, toen hij naderbij kwam, om Knopje op zich te laten klimmen.
"Neen, neen! Blijf bij ons, en ga niet naar dat akelige moeras, vol leelijke dingen en vuile uitdampingen," riepen de kamperfoelies, en trachtten met zachte, kleverige handjes haar vast te houden.
Maar Knopje was zeer begeerig al het goede te doen, dat in haar vermogen was, en beklom dapper haar nieuw paard, en zong nog bij het wegvliegen:
"Ju, ju, ju, mijn paardje, "'k Vlieg eens met u meê; "Op een vleermuisstaartje, "Rijd ik weltevreê."
"Het zal haar niet gelukken," zeide de glimworm, deed zijn lampje uit en ging naar bed.
"Helaas, neen! Het arme kleine wezentje! Zij zal daarginds haar dood vinden, en nooit een toovernimf worden," zuchtten de bloemen en lieten in het schemerlicht treurig haar witte kopjes hangen.
Een zwerm vuurvliegen kwam dansen over het moeras, waarin kikvorschen kwaakten, waarboven muggen gonsden, en groote gele lelies haar gespikkelde klokjes luidden. De lucht was warm en vochtig; een dikke witte mist kwam uit het water op, dat hier en daar glinsterde tusschen de bosschen van riet en de eilandjes van kroos, en de gladde muskusratten en helderoogige slangetjes, die rondslopen, terwijl wilde eenden in rustige hoekjes met hun koppen onder hun vleugels zaten te slapen.
Het was een vreemde, donkere plek en het hart zonk Knopje in de schoenen (hoewel zij geen schoenen had) toen zij bedacht, dat zij hier alleen zou moeten blijven. Maar zij wilde erg graag een poging doen, om het stoute Dwaallichtje te bewegen, zich beter te gedragen en niet langer de arme menschen in gevaar te lokken. Zij hield zich dus stevig vast aan de vleermuis, terwijl deze heen en weer zwierf boven het moeras, om naar den stouten knaap te zoeken.
Weldra kwam hij naar hen toedansen, een klein donker lichaampje met een groot hoofd, dat als een ronde lantaarn naar alle kanten licht uitstraalde.
"Wat hebt gij mij gebracht, oude Ledervleugel?--een mooi bruidje om het moeras op te vroolijken, of een nimfje, om van nacht op mijn bal meê te dansen?" zeide hij, en keek naar Knopje met een gretigen blik, terwijl zij daar op dien donkeren vleermuis zat, en haar rooskleurig jurkje en zilvergazen sluier glinsterden in het schijnsel, dat haar nu als maneschijn verlichtte.
"Neen, het is een beroemde sprookjesvertelster, gekomen om u te vermaken, wanneer gij moê zijt van het rondzwalken en kattekwaad uitvoeren. Wees maar heel beleefd tegen haar, anders neem ik haar terstond weêr meê weg," antwoordde de vleermuis, terwijl hij Knopje neerzette op een klein groen eilandje, midden tusschen de biezen en andere moerasplanten.
"Laat ons eens zoo'n verhaaltje hooren. Houd eens op met uw gekwaak, Spikkelrug, en gij dames, staakt uw dansje, terwijl ik luister. Ga gij gerust heen, Ledervleugel; zij moet hier blijven tot morgen en laten zien wat zij doen kan," zeide Dwaallichtje, en ging dicht naast Knopje zitten, terwijl de kikvorschen stil werden, en de vuurvliegen op de blaadjes gingen zitten, als lampjes, waardoor het eilandje even licht werd, als bij helderen dag.
"Het is nu al laat; als gij dus de klok twaalf hoort slaan, kunt gij gerust ophouden met vertellen en gaan slapen; want dan zullen al de menschen wel rustig in hunne huizen zijn, en kan Dwaallichtje geen kwaad meer doen. Spoedig kom ik terug. Goeden nacht."
En weg zeilde de vleermuis, blijde het donkerste hoekje van het moeras op te kunnen zoeken, en muggen te snappen voor avondeten.
Knopje begon onmiddellijk de geschiedenis te vertellen van "Den vroolijken Meikever", en die bleek zoo machtig boeiend te zijn, dat weldra een heele kring kikvorschen het eilandje omringden, en onder het luisteren hun groote monden opensperden van het lachen, en knipten met hun heldere oogen. De wilde eenden werden wakker en kwamen ook hooren; een waterslangetje sloop ook nader, met zijn buurman den muskusrat; terwijl de vuurvliegen in zoo grooten getale op de biezen en het kroos zaten, dat alles glinsterde; en Dwaallichtje knikte vroolijk met zijn helder kopje, terwijl hij als een koning met zijn hofhouding rondom zich erbij zat.
Juist bij het meest treffende gedeelte van het verhaal, toen de Meikever en de Paardenvlieg op het punt waren te duelleeren over een lief wit Motje, sloeg de klok twaalf uur, en hield Knopje, die heel moê was, plotseling op met vertellen, en zeide:
"Morgen in den schemer zal ik het uitvertellen. Het laatste gedeelte is het mooiste, want juffrouw Luis en de booze Sprinkhaan doen daarin vreeselijke dingen."
Allen wilden dolgraag nu het slot hooren; maar Knopje was schor en moest noodig gaan slapen; zij gingen dus allen huns weegs, om te praten over dit nieuwe bekoorlijke schepseltje, dat gekomen was om hun lange nachten te veraangenamen.
Dwaallichtje zwierf nog wat heen en weer, trachtte zich voor te stellen hoe de verdere loop van het verhaal zou zijn, en Knopje legde haar hoofdje op een biezen kussentje, om tot den morgen van de sterren te droomen.
Toen de dag aanbrak, was zij eenigszins in verlegenheid te zien, dat zij gevangen zat op haar eilandje; want diep water was er overal rondom, en zij zag geen middel om er af te komen.
Zij verzocht een mooien witten eend, haar naar een plaats te brengen, waar wat meer ruimte was, want hier was niets voor haar te eten, dan de zachte groene knopjes van de zoete biezen en de zure balletjes van de wilde klisplanten.
"Ik ben geen stoomboot, en ik breng geen passagiers over," antwoordde de eend, en roeide weg; want hij wilde liever dat Knopje blijven zou, en nog meer verhalen vertellen.
Zij was dus genoodzaakt daar verscheidene dagen te blijven, kijkende naar de langbeenige reigers, die rondstapten en in de poelen vischten; ziende hoe de ratten hun zonderlinge huisjes bouwden, hoe de kikkers sprongen en doken, de slangetjes heen en weêr kropen, en de jonge eendjes den heelen dag door vliegjes aten. Zij maakte een praatje met de gele lelies, leerde het liedje dat het ritselende riet zong, en klom op tegen de hoogste stammetjes van de biezen, om rond te kijken over het moeras, en verlangde weêr op vasten grond te zijn.
De vleermuis vergat haar weêr te komen opzoeken en Dwaallichtje hield zooveel van hare vertellingen, dat hij uren lang bij haar bleef zitten om er naar te luisteren; niemand werd dus door hem in het ongeluk gebracht en Knopje gevoelde dat zij, daar alleen in het somber moeras, wezenlijk iets goeds deed.
Iedereen had haar lief en wilde graag dat zij bleef; maar langzamerhand kwam de zomer tot een eind, stierven de vuurvliegen, en werd Dwaallichtje bleek en loom en was hij iederen nacht gemakkelijker in slaap te maken, alsof hij ook bezig was weg te kwijnen, totdat warm zomerweer hem weer wakker en helder zou maken.
"Nu zou ik wel heen kunnen gaan, als ik maar een vriend kon vinden om mij te helpen," zeide Knopje, toen de wilde eenden hun afscheid namen, en de reigers wegstapten.
"Ik zal u wel helpen," zeide een waterslang, en stak den kop omhoog met een vriendelijker blik, dan men ooit zou verwachten uit zulke vurige oogen.
"Gij?" zeide Knopje, heel verwonderd; want zij had nooit veel gehouden van de slang, hoewel zij toch altijd wel vriendelijk voor het dier was geweest.
"Ik wil uw vriendin zijn, als gij mij hebben wilt. Niemand houdt van mij, daar ik zoo leelijk ben en van de schepping der wereld af aan altijd een slechten naam heb gehad; maar ik heb hoop, dat ik, als ik mijn vel verlies, mooier zal mogen worden of in iets beters veranderen; ik doe dus mijn best om een brave slang te zijn, en zooveel in mijn vermogen is het geluk van mijn naasten te bevorderen."
"Arme stakker! Ik hoop, dat er een mooie groene adder uit u zal groeien, en dat gij dan moogt wonen tusschen bloemen, zooals ik er eens een gekend heb. Het moet moeielijk vallen, hier altijd tevreden te leven, en het is heel lief van u, dat gij mij wilt helpen," zeide Knopje en legde haar warme handje op den leelijken kop van de slang, die op haar eilandje was gekropen, om zich te koesteren in den zonneschijn.
Juffrouw Vorktong vond dat heel plezierig; want zij werd anders nooit geliefkoosd, en de oogjes van de slang glinsterden, toen zij haar slanke lichaam dichter bij Knopje's voeten kronkelde, en den kop optilde, om haar te antwoorden.
"Gij wilt graag van hier weg en dat zult gij. Wij allen zullen u droevig missen, maar de koû komt toch weldra en gij behoeft niet langer te blijven; ik zal dus mijn vriend Gladvel verzoeken, deze sterke biezen door te knagen, totdat zij omvallen, en zoo bruggen maken dwars over de plassen. Gij kunt veilig daarover heengaan en een prettig warm plekje zoeken, om in te wonen totdat de zomer weêrkomt."
"Een smakelijk plannetje! Lieve vriendin, ik dank u zeer; laat ons dat terstond uitvoeren, terwijl Dwaallichtje nog slaapt en niemand ons ziet," riep Knopje.
Gladvel, de muskusrat, kwam en maakte telkens een weg voor haar van het eene hoopje gras naar het andere, totdat zij veilig en wel aan land was. Toen zeide zij deze leelijke maar vriendelijke kameraads vaarwel en liep zij lustig rond in het prettige veld, waar de najaarsbloemen al in het zaad schoten en reeds een boel gele bladeren gevallen waren. Zij smulde van wilde druiven, verdroogde bessen en appels, die nog van de boomen gevallen waren, nadat de oogst reeds was binnengehaald. Alles bereidde zich voor op den winter en Knopje maakte met blijdschap voor zichzelf een warm pakje kleeren van wegeblaadjes met een mutsje van disteldons. Zij was bezig schilletjes van beukenoten aan te passen als schoentjes voor haar kleine voeten, toen een verlept plantje, dicht bij haar, haar toeriep:
"Gaat gij zoo vèr reizen, dat gij nieuwe kleêren en sterke schoenen aandoet, kleine vreemdelinge?"
"Ik moet reizen totdat ik mijn eigen land vind, al is 't ook nòg zoo ver weg. Kan ik een boodschap voor u doen onderweg?" vroeg Knopje vriendelijk.
"O ja! Als 't u blieft, wilt gij deze zaadjes van mij naar het groote grasveld aan den overkant brengen? Daar wonen al mijn vrienden en ik verlang zoo, om weer thuis te zijn. In het voorjaar heeft iemand mij uit den grond gehaald en mij hier laten vallen. Maar ik ben niet gestorven; ik heb hier wortel geschoten en gebloeid, en moet hier nu altijd blijven, tenzij iemand mijn zaadjes weêr daarheen brengt. Dan kan ik in een volgende lente daar weêr opkomen, en als gelukkige bloem leven in mijn eigen land."
"Met genoegen," zeide Knopje. "Maar ik dacht, dat de wind uw zaad voor u ronddroeg."
"Jawel; maar sommige zaden zijn daarvoor te zwaar. Dennezaadjes, die van den ahornboom, van den distel en de paardebloem, en nog vele andere worden door den wind weggeblazen; sommige van ons, planten, groeien van de wortels in den grond, en sommige, zooals ik, van zaden, die in kleine zakjes bijeenzitten. Mijn naam is Herdersbeurs, en ik ben maar een eenvoudig onkruidje; maar ik heb mijn eigen volk lief en verlang zeer hen weêr te zien."
"Dat zult gij!" riep Knopje vol geestdrift; en met zorg verzamelde zij de driehoekige zaadbuisjes, en nam die mede naar het veld, waar andere planten van dezelfde soort met vreugde de tijdingen hoorden van haar verloren vriendinnetje, en het geschenk bekeken, dat zij haar zond.
Daar Knopje wist, hoe prettig het is, om langs den weg verscheidenheid van bloemen te zien bloeien, als gastvrije herbergen voor kleine reizigsters als zijzelve, besteedde ons lieve Knopje vele dagen aan het planten van wortels en zaadjes langs den weg door het grasveld.
"Als nu kinderen, vogels, kapellen en kaboutermannetjes deze mooie dingen hier later vinden bloeien, zullen zij heel blij zijn, al komen zij dan ook nooit te weten, wie ze hier geplant heeft," zeide zij, toen zij dat werk volbracht had.
Nu was de vorst gekomen, kwamen de noten ritselend tusschen de bladeren van de boomen neêrvallen, werd het groen geel en bruin, en begonnen de koude winden te waaien. Het arme Knopje zocht dus rond in het bosch, of zij ook een veilig warm plekje vond, om in te gaan slapen, althans voor een poosje, want zij was overtuigd dat zij, zoo klein en teêr en zonder vrienden als 't arme schepseltje was, stellig zou sterven, wanneer de sneeuw kwam.
Toen ze bij een grooten eikeboom kwam, ging ze zitten op een afgevallen eikel en trachtte de harde schaal te breken, om van het binnenste wat te knabbelen voor haar middagmaal. Zij was er niet toe in staat, en zat er juist droevig over te denken, wat er nu van haar worden moest, toen er een zoet geschild eikeltje naast haar neêr kwam vallen, en zij, opkijkende, een eekhoorntje op een tak boven haar hoofd zag zitten, dat naar haar keek. Zij glimlachte en bedankte hem, en meteen was hij in een wip van den boom af en ging tegenover haar naar haar zitten kijken, met zijn mooien staart als een parasol boven zijn kop.
"Ik ken u wel, kleine meid, en ik ben blij, dat gij hier zijt gekomen, want ik kan u een heerlijk huisje voor den winter aanwijzen. Ik heb u aan een veldmuis hooren vertellen, hoe eenzaam ge zijt, en zooeven heb ik uw tranen zien vloeien, toen gij hier zat te bedenken, dat gij niemand op de wereld tot vriend hebt," zeide Wip, knikte haar toe en pelde nog een kastanje voor haar, om, zoo zij meer noodig had, na 't eikeltje te gebruiken.
"Iedereen is heel vriendelijk voor mij; maar het schijnt wel, alsof iedereen gaat slapen, nu het najaar komt; daarom voelde ik mij eenzaam en droevig, en verwachtte ik te zullen omkomen in de sneeuw. Maar als ik een gezellig plekje kan vinden, om tot de lente in te wonen, zal ik daar heel blij meê zijn en wil ik gaarne alles doen wat in mijn vermogen is, om er voor te betalen," antwoordde Knopje, die reeds zeer vertroost was door het stevige maal en een vriendelijk woord.
"Als gij mij wilt helpen, om mijn noten en eikels en mos en bladeren naar binnen te sleepen, voor voedsel en ligging dezen winter, dan zal ik u het huisje der Kobolden in gebruik geven, totdat zij komen. Zij zijn vroolijke kaboutertjes, die u zeker gaarne zullen laten blijven en u leeren spinnen; want zijzelven spinnen den heelen winter door, en maken mooie kleêrtjes voor de elfen, van spinrag en disteldons. Hier is hun huisje. Ik verstop het en bewaak het, terwijl zij weg zijn, en maak het weêr klaar voor hen met den herfst, als zij met de eerste sneeuw terugkomen."
Onder het spreken had Wip een hoop dorre bladeren weggeruimd aan den voet van den ouden eik, en weldra zag Knopje een gewelfden doorgang, die in den hollen boomstam voerde, door de wortels in verscheidene kamertjes verdeeld, en daarbinnen was alles even droog en warm en gezellig, als in een klein huisje. Zij hoopte, dat de Kobolden haar zouden willen toestaan te blijven, en ging terstond aan het werk, om Wip te helpen het voor hen in orde te maken, want de lucht was zoo donker, alsof er nu reeds een sneeuwbui dreigde te komen, en een gure wind loeide door het bosch.
In het eene kamertje verzamelden zij noten, eikels, rozebottels en hulstbesjes, een paar gedroogde appelen, en een boel sparappels, om te branden; want Wip liet haar een soort van haardje kijken, en vertelde haar, dat de Kobolden zorgden bij het werk lekker warm te blijven.
In een ander kamertje spreidden zij mos en hooi uit, voor bedden, en daar zouden dan de zeven kaboutertjes als marmotten kunnen slapen. De leêge pop van een groote rups, waar de kapel uitgevlogen was, hing nog ergens in een hoek, en Knopje zeide, dat dit een goede hangmat voor haar zou zijn, met een gordijntje van gevlochten geel lintgras voor het hoekje gehangen. Zij veegden den vloer aan met bezems van dennenaalden en legden een kleed op den vloer van roode eikenbladeren, wat de woning een heel vroolijk aanzien gaf.
Daarop verzocht Wip aan Knopje, om een aantal eikeldopjes met water te vullen uit een beek daar dichtbij, terwijl hij zelf heenging om splinters van de harsachtige denneschors te knabbelen, om den Kobolden als fakkels te dienen, daar zij bij avond werken en dan licht noodig hebben.
Knopje voelde zich even gelukkig, als een klein meisje, dat een nieuw poppenhuisje gekregen had, en ze zag er zelf uit als een popje, bij haar heen en weêr dribbelen, om de bakjes te vullen, de mooie kamertjes aan te stoffen, en klaar te komen vóór de zeven kleine vreemdelingen, kwamen, evenals Sneeuwwitje en de Dwergen in het prettige oude sprookje.
In twee dagen was alles klaar, en Wip had nu nog tijd, om zijn eigen wintervoorraad op te doen, vóór de sneeuw kwam.
Knopje hield de wacht bij de hoopen nooten, die hij opstapelde, uit vrees dat anders zijn slimme buren die kwamen stelen, terwijl hij heen en weêr liep om ze te verstoppen in holletjes rondom den eikeboom. Daardoor was zij hem van veel nut, en hij hield veel van haar; en te zamen maakten zij een aardige verrassing voor de Kobolden klaar, door nieuwe ledekantjes voor hen neêr te zetten, gemaakt van de buitenste schillen van kastanjes, die als wiegen schommelen konden, en van binnen gevoerd waren met dons, zoo zacht als zijde.
"Dat zullen zij verrukkelijk vinden, en als zij hooren, dat gij dit bedacht hebt, zullen zij evenveel van u houden als ik. Ga nu wat rusten, en maak u gereed hen te verwelkomen; want ik ben overtuigd, dat zij vandaag zullen komen.
"Ik zal boven in den boom klimmen, om te zien of zij ook aankomen, en dan kunt gij terwijl het vuur aanmaken, zoodra ik u waarschuw."
Wip huppelde weg en Knopje bleef in de voordeur staan, met een warm matje van droge kerveltakjes onder haar voeten, en een frisschen slinger sparregroen boven haar hoofd; want zij had de poort versierd en aan alle kanten vroolijke takjes hulst gestoken, om de kaboutertje te verwelkomen. Weldra begonnen de sneeuwvlokjes neêr te zweven, en Knopje verheugde zich, dat zij een gezellig warm verblijf had, om in te wonen, en niet behoefde dood te vriezen, als een verdwaald vogeltje. Plotseling riep Wip uit den top van den boom: "zij komen!" en haastte zich naar beneden te klimmen en twee takjes tegen elkaar te wrijven, tot er een vonk uitsprong, die de sparappels in den haard aanstak.
"Loop nu naar de deur, en maak een buiging wanneer gij hen ziet," zeide hij en waaide het vuur aan met zijn grooten staart, in een toestand van groote opgewondenheid.
Knopje keek den weg op, en wilde juist zeggen:
"Ik zie niets dan sneeuw," toen zij zag, dat wat er uitzag als een troep sneeuwvlokken, die naar de deur stoven, inderdaad het zevental Kobolden was, beladen met groote stapels disteldons, om van te spinnen. Zij maakte haar mooiste buiging, glimlachte heel vriendelijk, en riep hun toe: "Welkom thuis, mijn meesters!" als ware zij hun dienstmeisje, en zij leidde hen binnen in de groote kamer, die nu helder verlicht en verwarmd was door het vuur, dat lustig opvlamde onder den schoorsteen, waarvoor een gat in de oude boomwortels gemaakt was.
"Wel, wel, buurman Wip, wat hebt ge u dezen keer uitgesloofd; wij zijn zeer tevreden over u. Berg nu onze pakken maar weg, terwijl wij onze spinnewielen gaan halen, en dan zullen wij ons avondeten gebruiken. Maar wees zoo goed, ons eerst te vertellen, wie dit aardige persoontje is," zeide de oudste van de Kobolden, terwijl de anderen stonden te kijken naar Knopje, en haar toe te knikken, alsof zij hun zeer behaagde.
"Uw nieuwe huishoudster, heeren," antwoordde Wip, en vertelde hun met weinige woorden alles omtrent zijn vriendin,--hoe zij had geholpen den boel voor hen in orde te maken, welke mooie verhalen en liedjes zij kende, en hoeveel goeds zij reeds gedaan had, en nog hoopte te doen, terwijl zij wachtte, totdat er vleugels aan haar zouden groeien.
"Best! heel goed! Zij kan bij ons blijven, en wij zullen voor haar zorgen tot de lente. Dan zullen wij eens zien wat er gebeurt." En zij glimlachten allen en knikten harder dan ooit tegen elkaar, alsof zij iets heerlijks wisten, maar het nog niet wilden vertellen.
Toen tikten zij op hun grappige puntige hoeden, en stapten weg, vóór Knopje hen nog genoeg naar haar zin had kunnen bedanken. Terwijl zij weg waren, toonde Wip haar, hoe zij een rij kastanjes bij den haard moest leggen, om te roosteren, en hoe zij de tafel moest dekken, die bestond uit een gedroogde paddestoel, op vier pooten gezet, midden in de kamer, met kleine paddestoeltjes om op te zitten. Eikeldopjes, gevuld met bessen en met water, en korrels tarwe en gerst waren daarop netjes neêrgelegd, met plaats in het midden voor de kastanjes, als die gaar waren, en een weinig ingelegde appel op een schotel van eikenblad. Verscheidene fakkels werden aangestoken en vastgezet in gaatjes, op de vier hoeken van de tafel, en toen was alles klaar, en deed Knopje een wit boezelaartje voor, gemaakt van haar gescheurden sluier, en wachtte als een knappe keukenmeid met het opdisschen van het eten, totdat haar meesters thuis kwamen.
Weldra verschenen zij. Elk torste op zijn rug een klein spinnewiel, want zij verstopten die den geheelen zomer lang in een kelder, tusschen de rotsen, en haalden ze pas te voorschijn, als de tijd voor hun winterwerk weêr aangebroken was. Wip hielp hen nog een weinig om zich in te richten, en verliet hen toen, om zelf te gaan eten en rusten, terwijl Knopje hen zoo netjes bediende, dat zij zich afvroegen, hoe zij het vroeger ooit zonder meid gesteld hadden.
Zij was nu volstrekt niet bang voor hen, want het waren jolige ventjes, met dikke lijfjes, dunne beentjes, roode gezichtjes en heldere oogjes. Allen waren gekleed in wit pluizen kleêren, en droegen koddige puntige hoedjes van een soort zaadhuls gemaakt, en laarzen, die van tooverleêr gemaakt waren en hen groote afstanden voortdroegen, alsof de wind hen voortblies.
Zij vonden hun avondeten heel lekker, en aten en dronken en praatten heel plezierig, totdat alles op was; toen gingen zij rondom het vuur zitten zoete varens rooken, in Indische pijpjes, totdat Knopje de vaten weggeruimd had.
"Kom nu wat voor ons zingen," zeiden zij; en de jongste Kobold zette beleefd een krukje voor haar neêr, in het warmste hoekje.
Nu zong Knopje al haar vroolijkste liedjes, tot hunne groote vreugde, en vertelde al haar avonturen; en allen hadden veel pret, tot het tijd was om te gaan slapen. De kaboutertjes waren verrukt over hun nieuwe bedjes, en hun nachtmutsjes, gemaakt van papaverzaadbollen, over hun hoofd getrokken hebbende, zeiden zij slaperig goeden nacht en tuimelden in hunne bedden, en lieten het aan Knopje over, de voordeur te sluiten, en de lichten uit te dooven. Spoedig kon zij ook haar zacht hangmatje betrekken; en niets verstoorde meer de stilte, dan het zuchten van den wind, het vallen van sneeuwvlokken op de dorre bladeren buiten, en zeven snurkende geluidjes, toen de vermoeide Kobolden in hunne nieuwe bedjes lagen te droomen.
Knopje stond vroeg op, den volgenden dag, en had alles in orde, toen de kleine mannetjes kwamen ontbijten. Daarna begonnen zij hun wieltjes te laten snorren, en den geheelen dag lang sponnen zij ijverig voort, totdat zij een massa strengen glanzige zijde gereed hadden, om elfenkleedjes van te weven. Knopje leerde het spoedig ook, en zij maakten voor haar ook een wieltje, zoodat zij nu met hen werken kon.
Zij praatten zelden, en aten er niet tusschen in, maar werkten door tot den avond toe; dan stonden hunne wieltjes stil en gingen de spinners uit om een loopje te doen, terwijl Knopje het avondeten gereedmaakte.