Part 8
„O meneer,” ging hij voort, terwijl de geestdrift, waarmee hij sprak, hem zijn lichaamszwakheid deed vergeten, „het Boek zegt: Ik zal een vuur in Edom zenden, en dat zal zijne paleizen verteren. En de ondervinding zegt mij, dat de drank dat vuur is. Ik heb gezien, dat de inwoners van dit land gelijk zijn aan de droge halmen van het aleng-aleng-veld. En de verwoestende gruwel, die daarover trekt, is de drank! Daarom heerscht er in dit land ook armoede, alsof elk jaar te treuren had over mislukking van den padi-oogst. Doch Jehovah geeft elk jaar wel padi in overvloed, maar ’t is het stroomend vuur, dat halm na halm verteert en de padi-schuren verwoest! Zullen wij dan, met deze ondervinding voor oogen, doorgaan met brandende lucifers te werpen in de jonge aleng-aleng?”
„Ik beloof u, Bamboe, dat Leo het bij mij nooit meer krijgen zal,” sprak de heer Van Dintelburg getroffen.
De stervende keek hem aan met dankenden blik.
„En mijn laatste woord,” ging hij weer na een pauze voort, „geldt u persoonlijk.
„U sprak me eens over twee wegen. U zei niet te weten, of uw eigen weg wel de goede was. Welnu, de ondervinding leert mij, dat de beste weg, waarlangs wij onze levensreis kunnen gaan, de weg met God is. Het goede Boek zegt: De wereld gaat voorbij en al hare begeerlijkheid, maar die den wil van God doet, blijft in der eeuwigheid. En mijn ondervinding zegt, dat dit woord waarachtig is. Ik wilde daarom zoo graag, dat mijnheer besluiten kon, dien anderen weg voortaan te betreden.”
De heer Van Dintelburg wist niet, wat te antwoorden en keek getroffen voor zich. Hij dacht aan zijn zaken en aan wat het groote doel van zijn leven was geweest. Hij was nu, wat hij altijd begeerd had te worden: een schatrijk man, maar op dit oogenblik kwam wat hij vroeger als een geluk had beschouwd, hem bijna als een ramp voor. Want hij wist, dat hij, als hij zoo bleef als hij nu was, met al zijn schatten toch een armer sterfbed zou hebben, dan deze eenvoudige Javaan.
Bamboe liet hem aan den loop zijner eigen gedachten over, en stilzwijgend nam hij afscheid.
Toen de heer Van Dintelburg buiten kwam, keek hij op zijn horloge.
Het was half zeven en hij stond in twijfel, of hij nog even rond zou loopen, om over wat hij bij Bamboe gehoord had, eens rustig na te denken, òf dat hij maar terstond langs de fabrieken zou gaan, om zijn gewone avond-inspectie te houden. Hij koos toen het laatste. Zaken gingen vóór mijmeringen, vond hij. Maar toen hij zich van zijn zaken gekweten had, vond hij voor mijmeringen geen tijd. De „zorgvuldigheden des rijkdoms” hadden ook nu weer het goede zaad verstikt.
Na zijn vertrek zonk de zieke achterover in de kussens. Het gesprek had hem te veel ingespannen. Hij begon te ijlen. Het was hem, of hij zich weer in Indië bevond en op reis was met Leo’s vader. Dàn verbeeldde hij zich op Bali te zijn, en een oogenblik later sprak hij weer over de Minahassa. Leo merkte op, dat hij hierbij geen enkel Nederlandsch woord gebruikte; de taal, die zijn moeder hem geleerd had, was ook de taal van zijn sterfbed.
Toen zijn bewustzijn terugkeerde, riep hij Leo tot zich. Schreiend boog deze zich over hem heen en greep zijn hand. Hij voelde dat die hand reeds koud werd.
„Dag Leo,” fluisterde de kranke, „vaarwel...... tot weerziens!..... Dag mijn jongen!..... De ondervinding leert mij..... dat het sterven.... met Jezus..... licht is!”
Toen richtte hij zich plotseling op. En terwijl zijn gelaat schitterde van dien hemelschen glans, die door duizenden op het aangezicht van stervende kinderen Gods is waargenomen, strekte hij zijn handen uit, als om een paar menschen, die onzichtbaar bij zijn sterfbed aanwezig waren, te begroeten, en zeide hij op blijden toon:
„Tabik, Toewan! tabik, Njonja! [17] Nù leert mij de ondervinding dat de kleur....”
Maar wat de ondervinding hem nog in dit uiterste oogenblik leerde, kon hij niet meer vertellen; zijn laatste woorden gingen over in een zucht, die zoo zacht was als de ademhaling van een slapend kind. — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — — — — — „Och, och,” huilde Naatje, haar zakdoek tegen de oogen drukkende, „hij is weg, hij is weg! Och, jongeheer, ik heb bij een boel blanke menschen gediend, al zeg ik het zelf, maar zóó’n goeje blanke als deze bruine er een was, heb ik nog nooit ontmoet. Och, och, al was-ie dan bruin, d’r zal wat an gemist worden,—ik en u en een boel andere menschen!”
En terwijl ze dit zeide, leekten uit haar oude oogen groote, glinsterende tranen, die als paarlen van droefheid vielen op het witte laken waarmee zij Bamboe’s lijk bedekte.
HOOFDSTUK XII.
LEO INSTALLEERT ZICH TEN HUIZE VAN ZIJN OOM.
Wel terecht had Naatje gezegd, dat er aan Bamboe verloren zou worden.
De armen, die hij had geholpen, de kinderen, die hij had onderwezen, de fabrieksbevolking, aan wie hij op zijn eenvoudige manier het Evangelie had verkondigd, die allen beseften pas, hoeveel zij aan dezen eenvoudigen bruinen man misten, toen zij met elkander eerbiedig zijn stof naar de laatste rustplaats brachten.
Maar bovenal gevoelde Leo zijn gemis. O, welk een droevige tocht was het voor hem, toen hij verhuizen ging uit de eenvoudige woning aan het Wed naar den prachtigen Dintelburg.
Alles nam hij mee. Voor het museum werd een kamer op de bovenverdieping afzonderlijk ingericht. Leo kreeg zelf twee kamers vlak naast die van Dolf. De aap, de papegaaien, alles ging mee, behalve die ééne, wien Leo het minste bij dit alles had willen missen: Bamboe!
In het prachtige huis waren al die menschen veel beschaafder en veel ontwikkelder dan hij was geweest, maar zij misten toch iets, dat hij had bezeten: zijn vroom hart en zijn hemelsche levenswijsheid, waarmee hij Leo tot op dat oogenblik had geleid.
Behalve van Dolf, ondervond Leo van al zijn nieuwe huisgenooten veel bewijzen van toegenegenheid. Maar van weerskanten bestond er toch een besef, dat er een verschil bestond tusschen hen, en dat verschil werd van dag tot dag duidelijker. Het was het oude onderscheid, dat er bestaan had tusschen Leo’s vader en oom Louis; men leefde in één huis, maar men leefde niet met hetzelfde doel. In den huize Dintelburg stonden het verdienen van geld, het najagen van wereldsch genot en het tentoonspreiden van weelde bij alle gedachten en gesprekken op den voorgrond; en al was Leo nog jong,—dank zij zijn opvoeding en zijn omgang met Bamboe zag hij toch zeer goed in, dat zulk een leven, welbeschouwd, toch niet de moeite waard was om geleefd te worden.
Met lust en kracht zette hij na Bamboe’s dood diens werk aan de Zondagsschool voort, en hij kwam er ook toe om, naast de Bijbelclub, een knapenvereeniging onder de fabrieksjeugd op te richten, waarbij Frits Wildering en Dirk Drijver hem de behulpzame hand boden. Bij zijn bezoeken aan de ouders van zijn jongens raakte hij langzamerhand ook op de hoogte van vele zaken, die het innerlijke leven van de fabrieken betroffen, en meer en meer ontdekte hij, hoe de zucht van oom Louis, om veel geld te verdienen en diens onverbiddelijke gestrengheid den minderen man vaak deden gebukt gaan onder een zwaar kruis. De arbeiders vertrouwden Leo, en daar zij meenden, dat hij wellicht op zijn oom eenigen invloed zou kunnen uitoefenen, maakten zij hem dikwijls tot vertrouweling van hun klachten. Met bescheidenheid trachtte hij dan zijn oom te bewegen, dezen of dien misstand weg te nemen, of de een of andere onrechtvaardigheid te herstellen. Trouwen steun vond hij voor deze pogingen altijd bij Henriëtte.
Zoo had het bijvoorbeeld Leo bij zijn bezoeken aan de woningen der arbeiders getroffen, te vernemen dat de werklieden in tijden van ziekte geheel en al aan hun lot werden overgelaten. Als er een halven dag gewerkt werd, kregen ze ook maar het halve dagloon uitbetaald en moesten zij voor het overige gebrek lijden tot ze weer hersteld waren. Leo sprak daar eens over met Henriëtte, en, schoon oom Louis duchtig tegenspartelde, Henriëtte wist te bewerken, dat aan het vaste werkvolk voortaan een deel van het loon óók in dagen van ziekte werd uitbetaald, en dat er een ziekenfonds werd opgericht.
Zij was ook de eenige, die waardeering had voor Leo’s arbeid aan de Zondagsschool en de knapenvereeniging, en toen de vergadering van de Bijbelclub eens om de warmte in een der priëelen van den tuin werd gehouden, werd zij door nieuwsgierigheid gedreven om daar kort bij, met een handwerkje bij zich, plaats te nemen op een der banken, zoodanig, dat zij zelf niet gezien kon worden, maar alles wat er gesproken werd, toch duidelijk kon hooren.
„Wat is dat toch voor een boek, die Bijbel, Leo?” vroeg zij een paar dagen later.
„Wil je er wat uit lezen?” vroeg hij, en op haar toestemmend antwoord gaf hij haar een zak-evangelie van Lukas. Eenige weken later werd er met verbazing verteld, dat freule Van Dintelburg in het lokaal tot Evangelisatie onder de fabrieksarbeiders een Bijbellezing had bijgewoond, en voortaan kwam zij daar trouw elke week.
Herhaaldelijk wendde Leo pogingen aan om ook met Rudolf op wat beteren voet te komen, maar deze scheen den jarenlangen weerzin maar niet te kunnen overwinnen. Hun omgang bleef zich beperken tot de dagelijksche ontmoetingen aan tafel. Het scheen alsof de vijandige verhouding tusschen Dolf en Leo zich zelfs tot de dieren uitstrekte; Kees, de aap, tenminste verloor, wanneer hij Dolf zag naderen, al zijn dartelheid en trok zich, tot een bal samengekromd, in den versten hoek van het vertrek terug, en Jok en Plok, die in korten tijd „Dag, Oom,” „Goedenmorgen, Tante,” en „Dag, Henriëtte” hadden leeren zeggen, waren maar niet te bewegen, de eenvoudige woorden „Dag, Dolf” uit te spreken, hoeveel moeite Leo ook aanwendde om het hun te leeren; ze hieven integendeel, zoodra Rudolf binnenkwam, een allervervaarlijkst gekrijsch tegen hem aan, en Rudolf mocht dientengevolge de dieren luchten noch zien. Indien de papegaaien met verstand begaafd waren geweest, dan had men evenwel hun gedrag jegens Rudolf alleszins moeten billijken, want Rudolf gaf gaandeweg meer reden tot ontevredenheid. Ofschoon hij begaafd was met een helder hoofd, was hij slechts met zeer veel moeite en op het nippertje af in de hoogste klasse der Hoogere Burgerschool gekomen; en daar hij na het laatste examen volstrekt niet meer gestudeerd had, was zijn vader wel genoodzaakt hem van school te nemen, daar het te voorzien was dat hij het eind-diploma toch nooit zou halen.
Hij werd nu opgeleid in de zaak. Spoedig had hij zich onder de leiding van zijn vader in dezen nieuwen werkkring ingeleefd, maar de fabrieksbevolking was met het optreden van dezen jongen patroon allesbehalve ingenomen. Dolf was voor zijn ondergeschikten nog strenger dan zijn vader, en de willekeur, waarmee hij hen behandelde, kende haast geen grenzen. Telkens en telkens weer werden de arbeiders en arbeidsters door hem verplaatst, en stonden dan aan getouwen, waar zij volstrekt niet mee overweg konden; en daar er telkens weer nieuw personeel optrad, had men voortdurend te klagen over onbruikbare helpers en helpsters. De ontevredenheid was algemeen, en alleen de omstandigheid dat de werklieden van andere fabrieken niet mee zouden willen doen, verhinderde dat in Weverstede een algemeene werkstaking werd afgekondigd.
’s Avonds was Dolf altijd uit. Waar hij was en wat hij dan deed, was voor niemand verborgen, behalve voor zijn eigen ouders.
Maar reeds van wat hij bij dag uitvoerde, wisten zij genoeg, om zijn toekomst met bezorgdheid gade te slaan. Sport en jacht en paardrijden waren zijn liefhebberijen, waarvoor hij altijd weer opnieuw geld te kort kwam; en er was van geen woest vermaak of buitensporige weddenschap sprake, of zijn naam werd er bij genoemd.
HOOFDSTUK XIII,
WAARIN HET OUDE SPREEKWOORD BEVESTIGD WORDT, DAT EEN ONGELUK NOOIT ALLEEN KOMT.
Bij Leo’s komst was natuurlijk het kleine museum door zijn nieuwe huisgenooten met de noodige nieuwsgierigheid bekeken, maar zooals het gewoonlijk gaat bij een eerste bezoek aan dergelijke verzamelingen: alles had men overzien, maar niets in den grond bezien. Oom had het meeste oog gehad voor de voorwerpen van plastische* kunst; Dolf voor de wapenen en goudsmids-werken; Henriëtte voor de Indische gewaden en de vogels, maar voor een uitvoerige verklaring van al dat moois had men toen met de drukte van het uitpakken en ordenen geen tijd gehad.
Toen Leo evenwel zijn einddiploma had gehaald en hij nu enkele dagen vacantie zou nemen, drongen mevrouw Van Dintelburg en Henriëtte er op aan, dat er ook eens een middag zou worden besteed om de Indische verzameling nog eens terdege in oogenschouw te nemen.
Leo was hiertoe gaarne bereid, en op zekeren middag ging hij met de beide dames naar boven. Hij had altijd de gewoonte, de deur van het bedoelde vertrek te sluiten, daar toch niemand er iets te maken had en hij er niet gaarne iets door nieuwsgierige dienstboden bedorven wilde hebben. Ook nu stak hij dus den sleutel in het slot; maar het bevreemdde hem eenigszins, te merken dat hij de vorige maal zeker vergeten had, de deur te sluiten,—tenminste ze was open.
„Je moet met de vogels beginnen, Leo,” zei Henriëtte, „want die vind ik het mooiste uit de geheele verzameling.”
„Ja,” sprak mevrouw, „die Paradijsvogels, daar kom je niet aan uitgekeken.”
„Daar hebt u wel gelijk in, tante,” gaf Leo ten antwoord, „en wat pa op dit gebied heeft verzameld, behoort dan ook tot het zeldzaamste, dat er in Europa wordt aangetroffen.”
„En wat zonderlinge vormen, hè?” sprak mevrouw.
„Ja tante,” zei Leo; „en die welke u daar op het oog hebt, is ook werkelijk een van de zonderlingste. Zooals u op het papiertje ziet: zijn eigenlijke naam is „Lophornia atra”; in ’t Hollandsch wordt hij wel aangeduid als de „Prachtige Paradijsvogel”. Nu, in de schaduw, is zijn grondkleur zwart, maar let eens op, nu ik de jaloezieën ophaal.”
Mevrouw Van Dintelburg en Henriëtte konden een uitroep van bewondering niet bedwingen, want plotseling glansde de nek van den vogel met een schitterende bronskleur, terwijl zijn kop omgeven werd door een metaalachtig lichtende tint van groen en blauw. Op de borst van het dier prijkte een stevig veeren schild, dat als met fijn glanzend blauw satijn overtrokken scheen te wezen. Een ander schild, evenals het eerste in den vorm van een aan de basis uitgeschulpten driehoek, maar van aanzienlijk grooter afmetingen dan dit eerste, dekte zijn rug met prachtige tinten van fluweelig zwart, goudbrons en hel-purper.
„Deze hier,” ging Leo voort, „is een van de weinige ongeschonden exemplaren van den „Zes-penningsvogel”. De naam heeft geen betrekking op de waarde, maar op het versiersel, dat het dier, zooals u ziet, op het hoofd draagt. Aan elke zijde van het achterhoofd ontspringen drie dunne schachtjes, die elk een prachtig, penningvormig vlaggetje dragen.”
„Men zou uit de verte zeggen, dat het de zes meeldraden van een bloem zijn,” merkte Henriëtte op.
„Ja,” zei Leo; „de kleuren van dit dier zijn zóó schitterend, dat men nauwelijks kan gelooven, dat het een dier is. ’t Lijkt wel of het uit louter edelgesteenten gesneden is. Op het achterhoofd prijkt een wrong van topaas en smaragd, en de groene en blauwe veeren op de borst krijgen, als ik dit gordijn wat laat zakken, den glans van fonkelend fijn goud.”
„Is het waar, Leo,” vroeg Henriëtte, „dat de Paradijsvogels alleen op Nieuw-Guinea worden aangetroffen?”
„Deze exemplaren zijn van Nieuw-Guinea,” was het antwoord, „maar men vindt er ook op Halmaheira, de Papoeasche eilanden en de Molukken.”
De verschillende soorten van opgezette buideldieren werden door de dames met groote belangstelling bezichtigd, evenals de prachtige verzameling van vlinders en zeldzame torren. Nog meer echter interesseerden haar de voorwerpen voor huiselijk gebruik en een miniatuur-huisje met volledig ameublement, dat nog door Bamboe’s kunstvaardige hand uit hout gesneden was. Van de kleedingstukken was bijna alles vertegenwoordigd, van den moeizaam, maar kunstvol gebatikten sarong* af, tot het eenvoudige kleed toe, dat de Papoea klopt uit boomschors. Een somber gezicht leverde de verzameling van wapenen op: de prachtige, met goud bewerkte, slangvormige kris van Java, de vreeselijk scherpe klewang* van den Atsjinees, en de lans en de blaaspijp met vergiftige pijlen, van den Papoea.
„Wat zijn de gevesten van die wapenen toch prachtig bewerkt,” liet mevrouw Van Dintelburg zich hooren.
„Ja, tante,” antwoordde Leo, „en als men de eenvoudige werktuigen gadeslaat, waarvan de inlander zich bedient, dan moet men erkennen, dat hij het in de kunst van smeden ver gebracht heeft. Ik zal u meteen een paar prachtige armbanden laten zien, die nog aan mama hebben toebehoord. Ze zijn met diamantjes ingelegd en op Borneo vervaardigd.
„Maar wat is dat?” riep hij, opeens een etui openende, „ze zijn wèg!”
„Wat? Wàt is weg?” vroeg mevrouw haastig.
„De armbanden, tante; ze zijn weg; kijk maar!” zei Leo en toonde haar het ledige etui.
„Zijn ze hier weggeraakt?” vroeg mevrouw.
„Ja, tante,” zei Leo, terwijl hij moeite had zijn tranen in te houden. „Veertien dagen geleden waren ze er nog, en nu vind ik de deur geopend en de armbanden weg.”
„Dat is schande!” riep mevrouw uit. „Niemand kan dat hebben gedaan dan een van de dienstboden. Ik zal Jan onmiddellijk gaan zeggen, dat hij de politie waarschuwt.”
„Daar zou ik niet zoo haastig mee zijn, Mama,” viel Henriëtte in; „Leo kan eerst nog wel eens gaan zoeken. ’t Is altijd mogelijk, dat er een vergissing heeft plaatsgehad, en ’t is evenzoo mogelijk, dat een ander dan een van de dienstboden de schuld er van heeft,—stel dat er van schuld sprake is.”
Leo ging naar zijn kamer, diep bedroefd, niet bepaald om de geldswaarde, die hij verloren had, dan wel omdat het een aandenken van zijn moeder was, dat men hem ontnomen had.
„Dag Leo, dag baas! Ben je boos?” riep Jok, toen hij de kamer binnentrad.
Leo had namelijk de beide vogels, wegens hun voortdurende vijandige houding jegens Rudolf, bij zich op de kamer genomen.
„Nee Jokje,” zei Leo, zonder naar de dieren om te zien, „boos ben ik niet. Ik ben bedroefd.”
„Arm Plokje, arm Plokje,” ging de papegaai op meewarigen toon voort, „Plokje is ziek, Plokje is ziek.”
Thans ging Leo op de kooi toe, die in een hoek van de kamer stond.
Plokje lag op den rug, met gesloten oogen en de pooten omhoog. Plokje was erger dan ziek: Plokje was dood!
Waar was dàt aan te wijten? Vanmorgen scheelde den vogel nog niets, en nu zoo maar ineens dood? Had Leo soms vergeten den dieren voedsel te geven? Neen, het bakje was nog bijna vol. Drinken dan? Ook niet! Met betraande oogen haalde Leo het arme Plokje uit de kooi. Daar viel op eens zijn blik op enkele korrels, die op den bodem van het drinkbakje lagen. Het waren luciferskoppen.
Thans begreep Leo wat er gebeurd moest zijn. Niemand anders kon dit hebben gedaan dan Dolf!
Hij werd bij deze ontdekking doodsbleek, balde zijn vuisten, sloeg ze in woede op de tafel, en riep met luide stem: „Die gemeene schoft!”
„Leo, wat is er gaande?” vroeg Henriëtte, die nog even op haar pa’s studeerkamer was gebleven, om een boek te halen, en nu op dezen kreet van woede ijlings kwam toesnellen.
„Plok is dood! hij is vergiftigd!” zei Leo, op somberen toon door zijn tanden sissend.
„Vergiftigd?” vroeg Henriëtte verbaasd.
„Ja, kijk maar,” zei Leo en hield haar het bakje met luciferskoppen voor.
Hij beefde over zijn geheele lichaam.
„Zeg aan je broer, dat hij mij vandaag niet onder de oogen komt,” vervolgde hij met een stem, die heesch was van toorn, „want als ik hem zie, dan trap ik hem in mekaar!”
Henriëtte werd doodsbleek.
„Leo, Leo!” stamelde zij met betraande oogen.
„Ja,” barstte hij uit, „denk je, dat ik mij àlles maar van hem zal laten welgevallen? Hij heeft me gesard en getergd van dat wij beiden nog jongens waren tot nu toe. Er is al deze jaren geen dag voorbijgegaan, of ik heb allerlei hatelijkheden en schimpscheuten van hem moeten verduren; en nu hij zijn duivelachtige vijandschap niet genoeg op mij kan botvieren, nu doet hij het op die arme dieren.—En wie denk je, dat mijn moeders armbanden gestolen heeft?”
„Ik denk Rudolf,” gaf Henriëtte met zachte, bedroefde stem ten antwoord.
Met oogen brandende van toorn staarde Leo recht voor zich uit.
„Leo,” zei Henriëtte, terwijl zij op hem toetrad en hem vriendelijk de hand op den schouder lei, „heb ik je laatst, in het priëel in de Bijbelclub, niet hooren beweren, dat de vergevensgezindheid de meest kenmerkende eigenschap van het Christendom is?”
„Ik kàn niet, Henriëtte, ik kàn niet!” snikte Leo, „ik heb hem lang en vaak vergeven; maar nu is het te veel!”
En met de handen voor het gelaat viel hij neer op een stoel, en boog zich weenend met het hoofd voorover op de tafel.
„Ga wat rondloopen, Leo,” zei Henriëtte, „dan zul je wat tot kalmte komen.”
Leo stond op en ging met den dooden papegaai in de handen naar beneden.
„Gaat Plokje weg?” riep Jok. „Plokje is dood. Bamboe is dood en Plokje is dood!”
„Ja, arm dier,” zei Leo, „als je nu zelf van verdriet óók maar niet sterft.”
„Wat is dat?” vroeg mevrouw Van Dintelburg, toen hij beneden kwam. „Wat scheelt den papegaai?”
„Hem scheelt niets meer, tante,” zei Leo somber; „hij is dood.”
„Wel jongen,” zei mevrouw, „dat is twee ongelukken bij mekaar. ’t Zal me benieuwen, wat nu het derde zal wezen.”
„Daar kom ik de tijding van brengen,” zei de heer Van Dintelburg, binnentredende. „Op het hoofdkantoor is een diefstal gepleegd van verscheidene honderden guldens. Maar de dader is ontdekt: de hoofdadministrateur. Ik heb hem natuurlijk op staanden voet ontslagen en de zaak bij de politie aangegeven.”
„Wat!—meneer Korvers?” riep mevrouw, „hoe is het mogelijk! Zoo’n nette, fatsoenlijke man!”
„Ja, je ziet het, vrouw,” gaf meneer Van Dintelburg ten antwoord, „je wordt nergens meer mee bedrogen dan met menschen! Maar de feiten wijzen het uit. Schoon hij ’t ook ontkent,—hij en niemand anders is de dader.”
„Maar hoe heeft zich dat toch toegedragen, Pa?” vroeg Henriëtte.
„Dat zal ik je zeggen,” antwoordde haar vader.
„Vanmorgen ontving ik van Dalfhuizen en Co., de kassiers, het bedrag van een wissel, groot twaalfhonderd gulden, in briefjes van honderd. Ik ben juist bezig de nommers te boeken, toen er een telegram komt, waarop ik onmiddellijk moet antwoorden. Ik moet voor dit antwoord een en ander nazien aan de Leyefabriek, en leg zoolang de papiertjes tusschen mijn boek. Even over half twaalf kom ik terug en het kantoor is gesloten. Ik kom binnen en het geld is weg. Onmiddellijk alles nagezocht. De hoofdadministrateur was het laatst op het kantoor geweest, en kijk! tusschen zijn lessenaar en den muur vind ik twee van de briefjes terug. De man zit nu in hechtenis.”
Mevrouw Van Dintelburg schudde op deze mededeeling zwijgend het hoofd, en ook Henriëtte voelde weinig lust tot spreken.
Leo deelde mee, dat hij dezen middag bij Frits Wildering bleef eten. Het was hem onmogelijk, Rudolf vooreerst van goeder harte aan te kijken.
„Leo,” fluisterde Henriëtte, toen hij in de gang klaar stond om uit te gaan, „is er geen middel om die armbanden zonder veel drukte terug te krijgen? Als je ze eens heimelijk liet terugkoopen?”
„Ik weet niet, of ik wel zooveel contanten heb, nicht!” zei hij.
„Nu,” was het antwoord, „ik heb nog wel wat; laten we het dan samen doen.”
„Neen, dan leen ik dat geld van je,” zei Leo.
Beiden ledigden hun spaarpot en vormden zoo een som gelds, die naar hun gedachten wel voldoende zou zijn.
’s Avonds bevond zich die som in handen van Dirk Drijver, die er zich mee naar Knijp, den uitdrager, spoedde, want zonder hem mee te deelen, wie naar zijn vermoeden den diefstal gepleegd had, had Leo hem gezegd, dat het verlorene dáár wel te vinden zou zijn.