Blank en Bruin

Part 10

Chapter 103,849 wordsPublic domain

Veel was er, sinds de laatste maal dat wij hem zagen, aan Rudolf veranderd. Zijn gestalte was steviger, de uitdrukking van zijn gezicht mannelijker geworden; de wufte, laatdunkende trekken om den mond waren vergroeid en gaven thans ernst en beslistheid te kennen; de lichtzinnige glans der oogen van vroeger had nu plaats gemaakt voor een zachter gloed van rijper nadenken en meerder levenswijsheid.

Met bedaarde schreden wandelde hij buiten langs den rand van het kamp. Het was half elf in den avond. Hij bleef staan aan den voet van een pisang-boom en keek naar omhoog. Daarboven glansden millioenen sterren, in al de rijke pracht van het Oosten. Hij tuurde ze na in hun flikkerend lichtspel. Zijn blik gleed naar den noordelijken hemel. Die sterren dáár zouden ook gezien worden in het vaderland. Thans was het daar nog licht. Rudolf berekende, dat in Nederland op dat oogenblik de klok ongeveer half vier zou wijzen: etenstijd! [18]

In zijn gedachten verkeerde hij weer op villa Dintelburg en was hij in de gezellige eetkamer. Hij zag zijn moeder zitten achter den rijk voorzienen disch. Daarnaast Henriëtte en daartegenover Leo, en naast dezen was zijn eigen plaats, die nu al zoovele jaren ledig stond; op het andere einde zijn vader.

Hoe goed, hoe gezellig was het daar! Geen zorgen, geen gevaren, geen ontberingen had hij daar ooit gekend. De geringste kantoorbediende zijns vaders zou dezen nacht veiliger en geruster tegengaan dan hij; de geringste arbeider aan de fabrieken had het beter dan hij. Nog eenmaal blikte hij op naar de sterren. Hij gaf hun zijn groet mee, wanneer zij over enkele uren zich zouden spiegelen in de Leye en de vijvers van den Dintelburg, en onhoorbaar murmelde hij met tranen in zijn stem: „Dag mama, slaap zacht!”

Maar hoor, wat was dat?

Binnen de muren van Tjakra klonk opeens door de nachtelijke stilte het holle geluid van de gong*. En zie, slopen daar om het bivak geen gestalten van menschen door het donker, en schemerde daar niet de flikkering van een klewang?

IJlings sloop hij terug naar het officiers-kwartier.

„Generaal,” fluisterde hij generaal Van Ham toe, „daar sluipen menschen om het bivak! Er is verraad!”

Onmiddellijk had de generaal zijn revolver gegrepen, zijn manschappen gealarmeerd en zijn ros bestegen.

Op hetzelfde oogenblik echter schemerde reeds door het donker het korte, vuurroode licht en weerklonk de scherpe knal van honderden geweerschoten.

Er ontstond een vreeselijke paniek. Ieder greep naar de wapens, ten einde zich te verdedigen; maar niemand wist tegen wien of naar welke zijde zich te wenden. Vele soldaten hadden hun uniform-jas nog niet eens aan; anderen waren blootshoofds of misten hun uitrusting; generaal Vetter had zich in zijn nacht-kabaja te paard geworpen, en reed nu als een witte schim tusschen al die zwarte gestalten door.

Slechts met groote moeite wisten de beide generaals aan de wanhopige verwarring een einde te maken en maatregelen te nemen ter verdediging. De krijgstucht werd weer hersteld, en er begonnen zich linies te vormen om den vijand te keer te gaan. Helaas! het was niet mogelijk, zich de van alle kanten opdringende Baliërs van het lijf te houden. Van weerskanten knetterde het geweervuur. Het eene uur na het andere verliep, en steeds groeide het leger der Balineezen aan met duizenden na duizenden. De bivakplaatsen waren reeds lang verlaten en met alles wat er in was den vijand in handen gevallen. Kanonnen, munitie, water, levensmiddelen,—van alles was men ontbloot. Er zat niets anders op, dan terug te trekken op Mataram.

Nauwelijks was echter het bevel daartoe gegeven, of generaal Van Ham, die zich bij de achterhoede bevond, werd door een geweerschot getroffen en tuimelde van zijn paard. De troepen, alleen bedacht op zelfbehoud, snelden hem voorbij. Rudolf, die hem had zien vallen, besloot echter, zoo mogelijk hem nog te redden.

„Mannen,” sprak hij, „moeten wij onzen generaal in handen van den vijand laten? Wie heeft moed om mee terug te gaan en hem naar hier te dragen?”

Niemand had echter veel lust aan dezen voorslag gehoor te geven, want de vijand drong steeds stouter op en was reeds bijna tot de plaats genaderd, waar de generaal lag.

„Niemand?” riep Rudolf uit—„dan zal ik alléén gaan!” En hij voegde de daad bij het woord.

Thans waren er echter enkelen, die hun krijgsmakker dit dolle waagstuk niet alléén wilden laten ondernemen. Een zestal militairen voegden zich bij hem, en met het geweer in de vuist, bij elken stap een schot lossend, drongen zij naar voren tot de plaats, waar de generaal lag. Hij leefde nog en kreunde zwaar. Voorzichtig nam men hem op. Hij was zeer zwaar en de dragers zwoegden onder hun last.

„Jongens,” zeide hij, „laat me maar liggen; ’t is toch met me gedaan. Redt je eigen leven.”

„Nee, generaal, dat nooit!” gaf Rudolf ten antwoord, „als we dan moeten sterven, dan sterven we met u.”

Maar nauwelijks had hij uitgesproken, of een van de kogels, die hun aan alle zijden om de ooren vlogen, trof den generaal opnieuw, en terstond daarna nog een.

Ook Rudolf bloedde. Hij was reeds geraakt aan den nek, in zijn bovenarm en in zijn dij, maar wonderbaar genoeg, waren het alle slechts schampschoten. Hij zag naar den generaal. Een vaal-blauwe tint had diens gelaat overtogen. Rudolf wist, dat hij nog slechts een lijk droeg, maar ook het lijk van den beminden aanvoerder wilde hij niet aan den vijand prijs geven.—En altijd maar door suisden de kogels den dragers om het hoofd. Om beurten droegen zij den zwaren last, en om beurten schoten zij. Zoo werd eindelijk de colonne ingehaald.

Te Mataram was de toestand zoo mogelijk nog slechter. Generaal Vetter besloot nu, zuidwaarts om naar Ampenan terug te gaan en zich onder bescherming van het marine-geschut te stellen. Met verlies van over de twee honderd man, vier stukken geschut en den geheelen bagage-trein vond men dáár eindelijk een veilige rustplaats.

„Korporaal Van Dintelburg, je moet bij den generaal komen!” boodschapte een onderofficier aan Rudolf.

„Korporaal,” sprak generaal Vetter, toen hij bij hem kwam, Rudolf de hand toestekend, „ik dank je, ook namens het leger, voor den moed, waarmee je je leven hebt gewaagd, om als het kon dat van onzen braven generaal Van Ham nog te redden. Ik zal van je dapper gedrag bij de Koningin melding maken.”

Binnen enkele dagen was de wonde, die op dien 25en Augustus den Nederlandschen Leeuw geslagen was, weer genezen, en maakte hij zich gereed den hem aangedanen smaad te wreken. Reeds was de vijand op tal van punten weer met zwaar verlies teruggeslagen. De Nederlandsche oorlogsschepen, die ter reede van Ampenan voor anker lagen, wierpen hun verwoestende projectielen binnen de veste van Mataram. In het Noorden en het Oosten drongen de Sasaks hun onderdrukkers in een steeds nauwer wordenden hoek samen, die welhaast door de Nederlandsche troepen van de zuid- en de westkust tot een vierhoek werd afgesloten, waaruit geen ontkomen mogelijk was.

Rudolf van Dintelburg bevond zich bij de zuidelijke colonne, die ten doel had, langs den weg van Tandjoeng-Karang langs een aantal Sasaksche kampongs in noord-oostelijke richting op te rukken naar Mataram. Het was een moeilijke marsch, daar de weg door tal van slokans (diepe slooten) doorsneden was, die in dit jaargetijde wel is waar weinig water bevatten, maar die toch den tocht geweldig bemoeilijkten.

„Wel, Van Dintelburg,” zei een collega van Rudolf onder het marcheeren, „je kijkt zoo zuinig,—wat scheelt er aan? Geloof me, de affaire is nu zoo goed als afgeloopen; wij hebben den vijand onder de knie en als er één is, die van geluk mag spreken bij deze expeditie, dan mag jij het! Je zult bij terugkomst zeer stellig bevorderd worden tot sergeant, en, daar je vrij wat meer in je bol hebt dan wij met z’n allen, zullen ze je zeker dáárna wel officier maken óók. En wat in mijn oog heel wat meer waard is: je krijgt het ridderkruis van de Militaire Willemsorde. Als er dus één in zijn nopjes mag wezen, dan mag jij het zijn!”

„Ik weet niet, jongen, of mij zulk een schoone toekomst wel te wachten staat,” gaf Rudolf zuchtend ten antwoord. „Ik vrees, dat deze dag een ongeluksdag voor mij zal zijn. Maar in elk geval: hoe schoon de toekomst ook wezen mag, het verleden blijft niettemin donker en dat is niet ongedaan te maken.”

„Kom, kom!” gaf de korporaal op luchthartigen toon ten antwoord, „heb je dan zooveel op je kerfstok, dat je hier in ’t gezicht van den vijand daar nog om treuren moet?”

„Zooveel? dat weet ik niet,” gaf Rudolf ten antwoord, „maar in elk geval genoeg om.....” Maar hij kon den zin niet voltooien, want op hetzelfde oogenblik tuimelde zijn kameraad, die onder het loopen te veel op hèm en te weinig op het pad voor zijn voeten had gelet, in een slokan.

Het bleek dus, dat het niet mogelijk was, een geregeld gesprek te voeren. Rudolf was daar trouwens niet rouwig om, en in plaats van voor zijn makker zijn vroeger leven bloot te leggen, ging hij het na in zijn eigen gedachten.

Hoeveel had hij werkelijk op zijn „kerfstok”? Zeer veel. Allereerst tegen zijn ouders en dan ook tegen zijn neef Leo. Ja, waarom had hij zijn neef altijd zoo gehaat? Leo had hem toch nooit anders dan goed gedaan. Hij had steeds zijn vriendschap gezocht, en hoe vaak ook afgestooten, had hij hem telkens opnieuw weer de hand gereikt. Hij herinnerde zich, dat hij Leo eens de vriendenhand had geweigerd met de woorden: „ik wil niet, omdat je beter ben dan ik.” Was het dàt? Was het, omdat Leo een ander leven leidde en een ander pad volgde dan hij?—Mogelijk wel!—Maar toch, hij had zijn bruinen neef reeds gehaat van hun eerste ontmoeting af. Er moest dus iets hatelijks in zijn hart zijn, reeds van zijn geboorte af. Was hij, Rudolf, een hatelijk en hatend mensch reeds van nature? Het moest wel zoo zijn!

En toen hij dit bij zichzelven had toegegeven, kreeg hij een afschuw van zichzelven, zooals men een afschuw van zichzelven zou krijgen, indien men bevond, dat men geboren was als een onrein dier, als een giftige slang of een onreine padde!

„O,” mompelde hij bij zichzelven, „ik ben een ellendeling! Ik heb een mensch gehaat, die mij nimmer kwaad, maar altijd goed deed, en—ik haat hem nog! Ik verdien, dat ik vandaag word doodgeschoten.”

En alsof de vijand van zins was, om dit vonnis, dat Rudolf over zichzelven streek, nu ook maar onmiddellijk ten uitvoer te leggen, zoo weerklonk op hetzelfde oogenblik een geweerschot, evenwel zonder hem of iemand van den troep te raken.

Op staanden voet werd de tirailleur-linie geformeerd. De soldaten wierpen zich plat-uit op de sawah en rukten al kruipend vooruit. Men was nu genaderd tot Pasingaban, op het kruispunt der wegen naar Mataram en Kediri. Dit punt beheerschte den zuidelijken toegang tot de hoofdstad, en men had zich dus voor te bereiden op een harden kamp om het te bezetten.

Het terrein was den verdediger hier uitermate gunstig. De rand van den kampong werd gevormd door een steenen muur, waarvoor bamboedoerie was geplant, die het doordringen bijna onmogelijk maakte. Een van de steunpunten in deze stelling was een Hindoesche Roemah-tempel, die, als alle dergelijke gebouwen, uitnemend geschikt was voor een hardnekkige verdediging. Een Roemah-tempel heeft namelijk niets, dat gelijkt op een van onze kerkgebouwen. Hij bestaat hoofdzakelijk slechts uit een lagen, steenen muur, die in ’t vierkant is gebouwd en van binnen een open plein insluit. Aan de binnenzijde zijn tegen een der wanden uiterst kleine huisjes of nissen gebouwd, die de Hindoe zich bewoond denkt door gestorven geesten en te wier behoeve hij daar zijn offers neerzet: gebak, vruchten en vooral veel bloemen. De overige ruimte is beplant met hooge waringins en voorzien van overdekte britsen; hier houden de Hindoe’s hun godsdienstige samenkomsten. Het front van het gebouw is versierd met een hooge, spits-oploopende poort, waarin een deur, die men langs een acht of tien treden hoogen steenen trap door gaat.

Tegen dit gebouw nu werd de hoofdaanval gericht. Nadat het gevecht door het vuur der artillerie was ingeleid, werd reeds vrij spoedig overgegaan tot de bestorming. Rudolf van Dintelburg was een van de voorsten. Onder een hagelbui van kogels snelde hij aan het hoofd van zijn kleine groep soldaten voorwaarts. De muur was echter moeilijk te beklimmen.

„Heidaar, Den Dikke, sta me te bok!” riep Rudolf een zijner soldaten toe.

Met onverschrokken koelbloedigheid plaatste de aangesprokene zich ruggelings tegen den muur; doch nauwelijks stond hij daar, of een vreeselijke klewanghouw kliefde zijn helmhoed, schampte af op zijn schedel, en bracht hem een gapende wonde aan den schouder toe.

Hij viel.

Rudolf echter wilde tot elken prijs omhoog. Tegen den muur van het frontgebouw stond een palmboom. Tegen dezen boom klauterde hij op, en weldra stond hij boven op den muur, met den rug tegen den boom en schoot rechts en links de open ruimte in, die de vijand nu, met uitzondering van een paar hadzji’s, hals over kop verliet.

Terwijl hij daar zoo stond, vloog hem in een ondeelbaar oogenblik een gedachte door den geest, alsof hij vroeger al eens meer daar op dienzelfden muur gestaan had, met den rug tegen dienzelfden boom; het kwam hem voor, alsof hij toen gewond voorover in de vijandelijke versterking was gevallen, en hij meende, dat ook ditmaal weer iets dergelijks plaats moest hebben.

En het hàd plaats!

Want terstond daarna kreeg hij een gevoel alsof zijn bovenlijf ineens van lood was geworden en, topzwaar, viel hij voorover.

„Voorwaarts, mannen! De eerste man is in de versterking! Het ridderkruis voor den soldaat, die er de tweede is,” riep de commandant.

De tweede echter wàs geen soldaat. Het was een burger, gekleed in een zwart jasje en een witten stroohoed. Een in ’t wit gekleede Balineesche voorvechter* stond gereed met zijn klewang Rudolf den schedel te splijten; maar op ’t zelfde oogenblik greep de vreemdeling hem van achter bij de keel en wrong hem met de andere het zwaard uit de vuist. Vervolgens greep hij den nu weerloozen man bij borst en beenen en wierp hem, alsof hij zoo licht als een veer ware geweest, over den muur.

De soldaten die daarna den muur beklommen, vonden den Roemah-tempel verlaten.

De vreemde man, na zoo goed het ging Rudolfs beenwonde verbonden te hebben, knielde bij hem neer, nam zijn hoofd in de armen en bette het met water uit zijn veldflesch, totdat zijn patiënt weer bijkwam en de oogen opsloeg.

„Leo!” stamelde Rudolf, „Leo, jij hier?—Ik had wel gedacht, dat jij het weer zou zijn, die mij moest komen redden, net als toen....”

Onmiddellijk daarop verloor hij echter weer zijn bewustzijn; bloedverlies bracht hem aan ’t ijlen. Hij meende weer als knaap het sneeuwballengevecht bij te wonen aan het Wed en riep: „Leo, Bamboe, ’t is mijn eigen schuld! Ik heb steenen in mijn sneeuwballen gedaan! O, dat is gemeen!—Hier Leo, geef me jou tasch met sneeuwballen!—Gooi mij met een van deze harde!”

Een oogenblik zweeg hij en vervolgde toen, alsof hij in zijn geest weer in een gansch anderen tijd uit zijn jongensleven verkeerde:

„Daar heb je het wak! Leo, Leo, pas op! Je zakt er door!.... Kijk maar, we gaan recht op de Leye af! Ho, ho, Meta! Zwijg toch Henriëtte, zie je niet dat we verdrinken?”

„Verdrinken wij niet?—Neen? dan worden wij vergiftigd! Arm Jokje!—Jokje is dood! Bamboe is ook dood!—en meneer Korvers zit in de gevangenis!—Hier, pa, ik heb het gedaan, ik heb het gedaan!—alles,—alles.”

Zoo ijlde hij geruimen tijd voort, tot eindelijk de officier van gezondheid kwam.

„U hebt dat voorloopig verband uitstekend gelegd, meneer Van Dintelburg,” zei de officier.

„’t Is een ernstige wonde, meneer,” gaf Leo met bezorgden blik ten antwoord, en vragend tot den dokter opziende, zeide hij: „Wat dunkt ù er van?”

„Arme jongen!” zei de dokter, naar het gewonde been voelend, „amputatie is noodzakelijk. Draag hem naar de ambulance.”

HOOFDSTUK XVII,

WAARIN BLIJKT, DAT DE LIEFDE EINDELIJK TOCH MACHTIGER IS DAN DE HAAT.

In de residentie Preanger-Regentschappen, op Java, ongeveer vijf uren ten noord-westen van Tjandjoer [19], ligt het gezondheidsoord Sindang-laya. Tal van lijders, vooral uit de Indische ambtenaarswereld, komen op deze plaats rust en herstel van krachten zoeken. Weinig plekjes in onzen schoonen Archipel zijn dan ook zulk een begeerlijk verblijf voor een Europeaan als dit. Gelegen op een hoogte van 3600 voet boven den zeespiegel, huwt zich hier het koele klimaat van Noordelijk Europa aan de rijke pracht van het Indische berglandschap. Trotsche bergen, als de altijd rookende Gedeh en de Pangherangoe, rijzen er op uit donkere dalen en bodemlooze ravijnen; en een stoorloos blauwe hemel welft er zich over lachende vergezichten en bruisende watervallen.

Op zekeren avond wandelden door de parken van dit lieflijk oord een paar Europeesche jongelieden, de eene in de uniform van onderofficier bij de landmacht, de andere in burgerkleeding. De lezer weet reeds wie het waren: Rudolf en Leo.

Alvorens wij echter van Leo’s verblijf in Sindang-laya verhalen, zijn wij nog verplicht mede te deelen, hoe hij op Lombok kwam, waar wij hem zoo plotseling en ongedacht, maar toch ook zoo te rechter tijd, zagen verschijnen.

Weinige woorden kunnen daartoe volstaan. Nadat Leo zijn studie voor zendeling voltooid had, bleek het dat de Zendingsvereeniging, die hem zou uitzenden, door verschillende omstandigheden voorloopig niet in staat was, de kosten van zijn uitreis te bestrijden. Leo besloot diensvolgens, voor eigen rekening uit te gaan. Nauwelijks op Java aangekomen, hoorde hij van de ontzettende ramp op Lombok, en tevens, dat een aanzienlijk getal troepen derwaarts scheep zou gaan, om de expeditie weer strijdvaardig te maken. Hij hoefde dus niet lang naar werk te zoeken; op een plaats waar zooveel ellende heerschte, waar zooveel gewonden vertroost en aan zooveel stervenden nog eens voor de laatste maal het Evangelie moest worden gepredikt, op zulk een plaats was werk in overvloed, en Leo gevoelde: naar die plaats had God hem geroepen. Hij was vrij man en niets weerhield hem dus te gaan. Bekend als hij was met de genees- en heelkunde, werd zijn aanbod om als vrijwillig verpleger en veldprediker met de versterkingstroepen mee te gaan, door het Gouvernement dankbaar aanvaard.

Hoeveel haast de transportschepen ook maakten om Ampenan te bereiken, zij stoomden Leo nog altijd niet snel genoeg; hij wilde naar zijn werk en—naar Rudolf, zijn neef, van wien hij wist dat hij zich óók daar bevond.

Vernemende dat de afdeeling, waartoe Rudolf behoorde, op den bewusten dag naar Pasingaban was getrokken, had hij zich gevoegd bij de troepen, die in den loop van dien dag derwaarts waren gezonden ter versterking.

Juist op het oogenblik van den aanval was hij daar aangekomen, en toen hij Rudolf aan de spits van de aanvalslinie zag vooruitsnellen, had een onverklaarbaar gevoel hem gedrongen, dezen, zoo ongewapend als hij was, te volgen en hem in de versterking na te springen. Was deze daad ook onberekend en onvoorzichtig van hem geweest, van achteraf moest hij bekennen, dat een Hoogere Macht voor een wijle zijn koel verstand buiten werking had gesteld, om te doen, wat bij menschen onmogelijk had moeten schijnen, maar wat mogelijk was gebleken bij God.

Rudolf werd opgenomen in het hospitaal, en moest, wijl zijn been was afgezet, daar enkele weken blijven.

Intusschen wijdde Leo al zijn krachten aan den soldaat. Hij schreef voor hem brieven, bezorgde hem lectuur, bracht versnaperingen aan de zieken, voedsel aan de gezonden, en had voor allen een opwekkend woord, maar dat tevens zóó innig en zóó ernstig was, als, helaas, maar zelden door den Indischen soldaat wordt vernomen. Ongewapend ging hij des avonds geheel alleen langs de voorposten en dreef hij de manschappen van de veldwachten, door zijn gemoedelijke en onderhoudende verhalen, den slaap uit de oogen en de verveling uit den geest. Europeaan en Inlander, bij beiden was hij even geliefd.

„Toewan moet niet zoo alleen en ongewapend loopen,” zeiden hem eens een paar inlandsche soldaten; „er zwerven nog altijd hier Baliërs rond, en één klewanghouw is voldoende om toewan het leven te benemen.” En ofschoon zij pas den vorigen nacht nachtwachtdienst hadden gedaan, kon Leo niet verhinderen, dat zij hem dien geheelen nacht als vrijwillige patrouille op zijn zwerftochten vergezelden.

Helaas! een andere vijand stond gereed Leo te bespringen, een vijand, waartegen geen liefdevol geleide ook van geen duizend brave soldaten kon vrijwaren: de geduchte en gevreesde malaria-koorts.

Leo had te veel van zijn lichaam gevergd; de natuur wreekte zich, en doodziek werd hij ingescheept naar Java. De expeditie was trouwens zoo goed als afgeloopen.

Daar Rudolf naar Sindang-laya werd geëvacueerd, besloot Leo óók derwaarts te gaan, en zoo kwam het dat de beide neven op dien bewusten avond gezamenlijk door den tuin van het gezondheids-etablissement wandelden.

Leo was nog zwak, maar Rudolf was het nog meer. Het loopen met een kunstbeen viel hem o, zoo moeilijk, en zonder kruk ging het in ’t geheel niet.

„Leun maar op mij, Rudolf,” sprak Leo. „Leun maar op mij!”

Rudolf lei de hand op zijn schouder. Tranen kwamen in zijn oogen, en terwijl hij zijn hoofd tegen Leo’s borst lei, zeide hij: „M’n goeje, beste Leo, waarmee heb ik dat verdiend, dat je altijd zoo trouw voor me geweest bent en dat je mij nu nog met je eigen zwakke lichaam wilt steunen! Ik heb je altijd gehaat! Welke stille kracht heeft je toch altijd gedreven om mij lief te hebben. Ik heb je getergd; ik meende door mijn haat je liefde te overwinnen, maar de liefde is machtiger geweest dan de haat, en heeft mij overwonnen! Vergeef mij, Leo, vergeef mij!”

Bewogen drukte Leo hem de hand.

„God zij geprezen, Rudolf!” zeide hij. „Zoo zullen we dan voortaan vrienden zijn!”

Hand in hand wandelden zij eenigen tijd zwijgend naast elkaar voort. Eindelijk zetten zij zich neder op een bank, en toen begon Leo te spreken over die stille kracht, die hem in staat had gesteld, altijd weer te vergeven en altijd te blijven liefhebben: de kracht van de liefde van Jezus.

Rudolf luisterde met zijn geheele hart en zijn gansche verstand.

Reeds vroeger op Lombok had hij aanvankelijk geleerd zichzelven te verfoeien, hier sloeg hij nog dieper blik in zijn eigen hart. Hij kreeg een afschuw van zijn vroeger leven, maar tevens werd hem het uitzicht geopend, in Gods kracht een nieuw leven aan te vangen.

Ver achter de altijd rookende Gedeh ging de zon onder en kleurde den grauwen, vuilen rook met wonderbare tinten van violet en rose. Ook over Rudolf’s ziel was voortaan een andere tint gekomen, verlicht als zij was door de stralen der liefde Gods.

Hij keerde zwijgend-dankend naar zijn logies terug. De oude Rudolf van Dintelburg, met al zijn haat en al zijn laatdunkendheid en zijn wereldlust, was begraven in den Gedeh; een nieuwe zou eerstdaags naar Europa terugkeeren.

Binnengekomen, werd hem een telegram overhandigd. Doodsbleek reikte hij het, na ’t gelezen te hebben, aan Leo over, en deze las: „Vader ernstig ziek. Beroerte.”

Een paar dagen later bracht de post, wat Rudolf en Leo reeds gevreesd hadden: de doodstijding van Rudolfs papa.