Bij de ruïnen van Angkor De Aarde en haar Volken, 1906
Part 2
Na een laatsten blik op den kolossus van Angkor-Wat, een blik, die het geheel niet kon omvatten, begaven wij ons naar beneden naar onze boot. Sedert vier dagen wachtten onze roeiers daar op ons, getrouw op hun post. De koelies belastten zich met matrassen en proviand, met de bagage en de toeristen zelven, en in minder dan een half uur was alles aan boord. Vooruit nu maar!
Twee dagen daarna, tegen den avond, zijn wij bij Compong-Chuang. Jonken, gelijk aan de onze, maar mooier versierd, wiegelen op de golven bij de aanlegplaats. Het zijn de equipages van den tweeden koning van Cambodja, die den resident een bezoek is komen brengen. Het gevolg van den monarch _in partibus_ bestaat uit de vrouwen en de dames van het ballet. De prinsessen dragen het lange kleed van siameesche mode, de danseressen alleen een gordel als in Cambodja. Wij worden aan Zijne Majesteit, broeder van koning Norodom, voorgesteld, die naar landsgebruik den vorst heeft opgevolgd. Hij is een man van vijf-en-zestig jaar, gedrongen, krachtig, nog maar even grijs wordend en zich flink voordoend in zijn grijs jasje en wit vest. Zijn beenen zijn half bloot, als die van kinderen en hij draagt kousen en halfhooge laarsjes. Zijne Majesteit ontvangt ons uiterst vriendelijk; een onwankelbare glimlach speelt om zijn mond en onthult het mooiste gebit, dat eenig dentist voor zijn étalage zou kunnen verlangen.
"U is in Angkor geweest?" vraagt hij ons. "Dat is de wieg van ons ras, en mijn broeder en ik zullen altijd aanspraak blijven maken op het bezit ervan."
Daarna boog de vriendelijke man en lachte, wisselde handdrukken met ons en ging in zijn drijvend paleis.
Moet ik de waarheid bekennen? Wij waren wel een weinig teleurgesteld over dien sympathieken maar zoo weinig majestueuzen afstammeling der groote vorsten van Angkor. De resident, onze vriendelijke gastheer, wien wij onze indrukken meedeelden, ried ons aan, in 't voorbijgaan Compong-luong te gaan zien. "Van daar zult u Oedong kunnen bezoeken, de voorlaatste hoofdstad, en u zult u een juister voorstelling kunnen maken van wat een koning van Cambodja wezen kan".
Den volgenden morgen heel in de vroegte deed onze jonk den oever van Compong-luong aan. De inlandsche gouverneur liet ossenkarren voor ons komen, en wij reden over een weg, breed en mooi als een uit Europa, naar Oedong de verhevene, het Versailles van Cambodja. Waarlijk, deze laan ziet er mooi uit, met dien rand van kokospalmen, die uit de vruchtbare vlakte rijzen, en de omgeving geeft ons al van te voren een hoog denkbeeld van de paleizen, waar zij toegang toe geeft.
Hoe verbaasd waren wij dan ook, toen plotseling de breede weg smal werd en doodliep in een rijstveld. Tegenover ons leek iets als een pleintje te liggen en na een omheining van groote palen gepasseerd te zijn met een soort van poort erin, bevonden wij ons in het oude koninklijk paleis. Achter een kleinen vijver ziet men eerst een "sala" of loods van twee verdiepingen, op in het water staande palen. Drie kleine tribunes zijn ervoor aangebracht, gesteund door drie groote palen, die aan het dak bevestigd zijn en wel 10 meter lengte hebben. Al hadden ze wel een beetje van een galg, toch dienden die stellages en pilaren nergens anders voor, dan om den vorst aan zijn volk te vertoonen. Ernaast stond een gewone tempel, wit met goud, die verbrokkelde en afschilferde en een grooten Boeddha bevatte achter een gebloemd katoenen gordijn van een paar stuivers de meter. Een groep bonzen bedient dit heiligdom en woont in de gebouwen van het eigenlijke paleis. Teleurstelling! Het paleis is slechts een hut van stroo, een groote hut wel, lang en diep, maar toch op verre na geen vorstelijk verblijf.
In het inwendige vertoonden de vertrekken van den koning, vader van Norodom, tusschenschotten van planken en witkalk, waar nog overblijfselen van fresco's op te zien waren. Maar er is geen enkele steen gebruikt voor den bouw van deze koninklijke residentie en geen stukje beeldhouwwerk wekt eenig idee van kunst. Geheimzinnige bouwmeester van Angkor, wat is er uit uwe afstammelingen geworden!
Rondom het koninklijk paleis, en waar vroeger de volkrijke stad lag, breiden zich velden en moerassen uit. Toch lag daar nog in de eerste helft der 19_de_ eeuw een groote stad. De bewoners zijn geëmigreerd, zonder zelfs ruïnen achter te laten als sporen van hun verblijf, want bamboes en stroo verrotten spoedig, en de woning der koningen wekt geen schitterende voorstelling van de hutten hunner nederige onderdanen.
In een hoekje van de vlakte heeft de koningin-moeder een gedenkteeken voor haar echtgenoot opgericht, een mausoleum voor den slecht behuisden monarch. Het is een vierkante toren, omgeven door slanke zuilen, zooals 't geval is bij alle heiligdommen in het land. Het opgewipte dak is gedekt met gekleurde pannen. Een drievoudig terras met een balustrade dient tot voetstuk voor het monument, en op de treden zijn allerlei godenfiguren aangebracht, ook monsters, die er als vogelverschrikkers uitzien. Zij houden de wacht bij elke trede van de trappen, aan iederen hoek van een muur, als om de schatten van het heiligdom te beschermen. Noodelooze moeite, er is niets te halen, en men moet er binnen treden, als men een echt voorbeeld van slechten smaak wil zien. Fresco's zijn op de wanden aangebracht in schreeuwende kleuren, door spiegels in vergulde lijsten, die aan de pilaren hangen, schril weerkaatst. Op de verhooging, waar Boeddha is gezeten, ligt een kermisuitstalling van allerlei voorwerpen uit goedkoope winkels, bloempotjes met papieren bloemen erin, blauwe en gele glazen knikkers, dieren van verguld pleister, poppetjes van beschilderd karton, en eindelijk als pronkstukken van de etalage vier prachtige apothekers-uitstalflesschen, twee roode en twee groene.
Toch bevat Oedong-de-Verhevene nog enkele interessante overblijfselen. Er ligt niet ver van het grafteeken een groep heuvels, oprijzend midden uit de rijstvelden. Het woud, dat door den landbouw teruggedrongen is tot den voet der heuvels, beklimt ze, en te midden van 't geboomte ziet men scherpe spitsen van bouwwerken. Dat zijn obelisken van een eigenaardigen vorm, dikker en lomper dan die uit Egypte, met massief vierkant voetstuk en afgeronde punt. Ze worden _pnoms_ genoemd, en 't gebruik wil, dat ze op hooggelegen punten worden geplaatst. Een eindelooze reeks van treden bracht ons naar den top. Daar stonden op een groot terras twee pnoms naast elkander, precies gelijk, alleen was de eene ingelegd met guirlanden en rozetten van gekleurd porselein. Rondom ieder voetstuk droegen enorme olifantskoppen het zware monument.
Van dit punt is het uitzicht over de vlakte van rijstvelden en plassen prachtig mooi; het oog reikt van Pnom-penh tot aan de grens van Siam. Op de golvende kruinen der andere heuvels stonden een tiental pnoms, die hun spitse toppen verhieven boven de boomen, zoodat die voorgrond den indruk maakte van een doodenstad. Ik weet niet juist, of die monumenten gebouwd zijn om heiligen-relieken te bewaren of voor de asch van een koning. Maar die tweede veronderstelling doet mij het aangenaamst aan, en ik mag gaarne denken, dat, om tot de onsterflijkheid in te gaan, de souvereinen van Cambodja tot de grootheid van hun voorvaderen meenden te moeten terugkeeren.
Van Oedong bracht de sloep ons, door den stroom geholpen, tot Pnom-penh. Daar resideert de tegenwoordige koning van het land, Norodom met zijn populairen naam; en nog vol van de pas opgedane indrukken over zijn vader, legden we bij hem onze eerste visite af. Wij treden in de omheinde ruimte van de koninklijke verblijven. In plaats van een eigenlijk gezegd paleis, zooals wij, Europeanen, ons dat voorstellen, bevinden wij ons tusschen een complex van allerlei kunstelooze gebouwen. Overal groeit gras tusschen de steenen, stukken puin liggen op den grond; op de binnenpleinen loopt gevogelte. Eerst was er dan de troonzaal, een lange loods, die mij denken doet aan de zaal, waar in onze jeugd de prijzen op school werden uitgereikt; verder allerlei goedkoope meubels in de andere vertrekken, verkleurd parijsch goedje, leelijk brons en onecht porselein, want de handelaars beschikken over een groot deel van de civiele lijst des konings, door hem die zoogenaamde kunstvoorwerpen duur te verkoopen.
Iets verder wijst men ons een huisje, leelijk en burgerlijk van stijl, zeker kant en klaar op de eene of andere tentoonstelling gekocht. In een villa van die soort woont de vorst, met veranda en gekleurde ramen, juist zooals een koopman in ruste het verlangt.
Een enkele maal krijgt Norodom verlangen naar iets groots; dan kwellen hem de groote ruimten van het oude Angkor in den droom. Zoo heeft hij nu een bouwwerk opgericht, dat zijn bestuur tot eer moet strekken, een vergulde pagode, en de inwijding van dit monument verleent aan de Têtfeesten dit jaar een ongewonen glans.
Vóór den tempel prijkt het standbeeld van Norodom I. Hij is te paard voorgesteld in generaalscostuum met den hoed in de hand. De monarch is geheel van goud, en zijn paard is hemelsblauw gekleurd. De houding is niet kwaad, maar zoo bekend! Waar kunnen wij die toch meer hebben gezien? Een woord van onzen gids helpt ons terecht. Het is het standbeeld van Napoleon III, door de republikeinsche regeering op zij gezet, en waarvan men een presentabelen Norodom heeft gemaakt, door het baardje weg te laten en den neus wat af te platten.
Namaak, het standbeeld van den vorst! Namaak, zijn paleizen en zijn tempels! Namaak, alles in Cambodja, zoozeer dat die tot beginsel schijnt geworden.
Het gebeurt, dat volken, evenals oude menschen, kindsch worden. De rijpe leeftijd van dit ras was ook zijn gouden tijd. Sinds dien ouden tijd hebben de ontaarde afstammelingen van de Khmers uit hun roemrijk verleden slechts onbewuste herinneringen overgehouden, een soort van instinct, dat hen van groote gebouwen doet houden. Zij voelen veel voor al wat blinkt en schittert, en verbergen hun gebrek aan inspiratie onder indigo en goud en oker. Bij de bouwkunstige wonderen van Angkor vergeleken, lijken hun monumenten op kinderspeelgoed.
Zij werken niet voor de toekomst, en soliditeit is niet van hun gading. Het tegenwoordige is hun genoeg, de duur van een menschenleeftijd of van een koningsgril. Als de muren maar wit zijn, als de daken en de sieraden maar schitteren in de zon, is alles in orde. De koning, die een monument heeft laten bouwen, zal mogelijk voor het onderhoud zorgen; zijn opvolger zal het zeker verwaarloozen.
Die onvastheid schijnt altijd een kenmerk van het ras geweest te zijn; zij is de oorzaak van de verwaarloozing, waaraan de Khmers zooveel grootsche monumenten ten prooi hebben gelaten, en hun afstammelingen, door het voorbeeld van vroegere geslachten gewaarschuwd, hebben de gewoonte verloren, degelijk materiaal te gebruiken voor werken, die toch bestemd zijn spoedig te vervallen.
Pnom-penh zal hoofdstad worden van Cambodja. Wij hebben er huizen gebouwd van degelijke steenen, en wij hebben er westersch streven naar ontwikkeling ingevoerd. Nu moeten wij verder gaan en voor koning Norodom opkomen, dien wij onder ons protectoraat hebben genomen, en trachten, hem weer in 't bezit te stellen van de oude ruïnen, die zijn voorgeslacht heeft achtergelaten.