Bij de Parsi's van Bombay en Gudsjerat De Aarde en haar Volken, 1909-1910

Part 7

Chapter 7 3,809 words Public domain Markdown

De normaalschool voor meisjes ligt aan de oevers van een vijver, omringd door boomen, en verdient dat we er afzonderlijk van gewagen, want het is een der belangwekkendste instellingen van den staat, en ze is geroepen, de belangrijkste diensten te bewijzen. Wij hebben gezegd, dat het onderwijs zich uitstrekt over alle klassen; het lager onderwijs heeft behoefte aan onderwijzers, die gevormd zijn in een zeer goede normaalschool en deze bestaat in de hoofdstad. Wat de onderwijzeressen betreft, die volgen in dit mooie gebouw drie jaren lang bepaalde cursussen. Er zijn reeds 97 scholen van lager onderwijs voor meisjes, bezocht door meer dan tienduizend kinderen; dus is er een kweekplaats noodig van vrouwen, die toewijding bezitten en genegen zijn zich naar dorpen te laten verbannen en daar een bij uitstek nuttig maar onbekend werk te verrichten. De cursussen worden gegeven in de inlandsche taal; de meeste der kweekelingen hebben beurzen; naar de laatste volkstelling, die plaats had toen ik te Baroda vertoefde, leverde de school reeds 56 onderwijzeressen, die gediplomeerd waren en een plaatsing vonden. Een groot aantal van haar waren hindoesche weduwen; het onderwijs is inderdaad met de studie der medicijnen een vak, dat haar een eervolle onafhankelijkheid kan bezorgen.

De recruteering geschiedt ook nog op andere manier; veel onderwijzers zenden hun jonge vrouwen naar de normaalschool van Baroda, om haar te doen benoemen in het dorp, waar ze zijn gevestigd, een uitstekende wijze om de inkomsten van het gezin te vermeerderen en aan de landelijke bevolking vertrouwen in te boezemen, wat wel noodig is, want deze is meestal weinig geneigd, de dochters onderwijs te doen ontvangen.

Het behoeft niet gezegd, dat dit stelsel van opvoeding niet passen zou voor alle deelen van Indië, niet voor die bijvoorbeeld, waar de vrouwen streng teruggetrokken leven. Maar daar de mohammedaansche vrouwen uit Baroda toch veel van haar gewoonten hebben behouden, moest men om haar te lokken, speciale klassen openen, die door dames werden geleid en geopend waren op die uren van den dag, als de leerlingen, velen van rijperen leeftijd, vrij zijn van de huiselijke zorgen en zich aan de studie kunnen wijden. Nu we van de Parsi-dames hebben gesproken, kunnen we haar Hindoezusters niet met stilzwijgen voorbijgaan, de vrouwelijke onderdanen van Zijne Hoogheid den Gikwar. Ze zijn zeer ernstig en ijverig, die jonge vrouwen, die sinds eeuwen aan tucht en zwijgen gewend zijn. Allen wenschen te leeren; de school trekt haar aan, en het indische spreekwoord, dat onvriendelijk genoeg is, om de meisjes naar den haard te verwijzen, dat wil zeggen, naar de keuken, zal weldra uitgediend hebben. Men moet nu echter niet gelooven, dat de Hindoesche een opstandelinge is; in Indië gaat het initiatief tot de vrouwelijke eischen altijd uit van het hoofd der familie, den vader of den echtgenoot. Laat ons niet vergeten melding te maken van het mooie hospitaal voor vrouwen, aan het hoofd waarvan een dame-dokter staat, een Hindoesche; het aantal zieken vermeerdert ieder jaar, en de medische hulp is goed georganiseerd.

Misschien heb ik mij hier te veel verdiept in deze bijzonderheden, maar het was onmogelijk, over Baroda te spreken zonder ook te doen kennen dengene, die de nieuwe geschiedenis van het land heeft gemaakt en de resultaten, verkregen gedurende zijn dertigjarige regeering, te vermelden.

Baroda is, als veel indische steden, verdeeld in twee verschillende wijken; het kamp, dat, naar wij al hebben gezien, door de Engelschen is bezet, en de eigenlijke stad. Die beide gedeelten zijn van elkander gescheiden door de rivier Vishwamitri. Het park, waar wij logeerden, is nog pas aangelegd en wordt prachtig onderhouden door europeesche tuinlieden; men gebruikt er de gevangenen, die er met de ketenen aan de beenen, harken, schoffelen, gieten en nog al ingenomen schijnen met deze halve vrijheid. Naast den Kamati Bagh is er een menagerie en een museum voor natuurlijke historie. Aan de rivier strekken zich tuinen uit en paleizen, en bruggen verbinden de beide oevers.

De stad, die meer dan honderd duizend inwoners telt, is omringd door een vijftien tot achttien voeten hoogen muur. Er zijn zeventien wijken en twaalf voorsteden; het zag er alles wat oud en stoffig uit, vooral door de tegenstelling met de nieuwe gebouwen, zooals de gevangenissen, de scholen en de hospitalen. De Bhadar of citadel uit den mohammedaanschen tijd, gelegen ten noorden van de stad, steunt met twee harer zijden tegen den ringmuur, en in het Noorden zijn in het oudste fort van Baroda of de Juni Kothi de diensten der regeering onder gebracht. Daar het gebouw vroeger door de Gikwars werd bewoond, ziet het uit op de arena's, die bij de wallen lagen. Een der wijken trok mij bijna even sterk aan als de paleizen, namelijk die der goudsmeden. De opeenhooping van straten, die deze wijk vormden, is bij uitstek schilderachtig en bovendien hebben de goudsmeden een gilde tot stand gebracht, dat de moeite der bestudeering loont.

Als men naar de voorstad Fatehpur gaat door de poort van Champanir, vindt men een groep groote gebouwen; een daarvan is het paleis van Khandi Rao met een doolhof van kamertjes, veel trappen, door valluiken verborgen, en eenige terrassen boven elkander. Onmiddellijk erachter verrijst het Nazarbagh, gebouwd door Mulhar Rao, een reuzengebouw zonder stijl opgetrokken. Daar worden de juweelen en edelgesteenten der kroon bewaard. De schatten vullen groote vertrekken met dikke muren, gesloten door ijzeren deuren, door talrijke schildwachten bewaakt. Deze verzameling is het mooiste, wat men zich in het genre kan voorstellen; rivières van diamanten, diademen, halskettingen, ringen, armbanden, parelen enz. enz... van ongehoorden rijkdom en waarvan de waarde alleen bij millioenen zich laat schatten. De schat is beroemd door geheel Indië, en er wordt beweerd, dat geen enkele andere vorst zich hierin kan meten met den Gikwar van Baroda.

Op een naburig plein worden de gouden en zilveren kanonnen bewaard, de trots van den staat Baroda. De zilveren kanonnen werden gegoten op bevel van Khandi Rao; maar Mulhar Rao, die altijd ijverzuchtig was op den roem van zijn broeder, liet nog twee van goud gieten. Die laatste hebben zilveren affuiten, en de zilveren hebben gouden affuiten. Ze worden getrokken door reuzenossen, onder prachtige dekkleeden van damast, wier horens zijn gevat in scheeden van kostbaar metaal.

De beide door den Gikwar bewoonde paleizen liggen buiten de stad; dat van Makarpura zeven kilometer ten zuiden, dient als landhuis. Het was door Khandi Rao gebouwd, die door de nabijheid der bosschen was verleid, met het oog op de jacht; later werd het verwaarloosd door Mulhar Rao, die alles verfoeiend wat hem aan zijn voorganger herinnerde, het massieve maar onsierlijke gebouw van Nazar Bagh had laten oprichten. Makarpura is bewonderenswaardig gerestaureerd en ligt in een omlijsting van groen midden in tuinen, die vervroolijkt worden door fonteinen en beelden. Het verblijf moet er heerlijk wezen, zelfs voor een vorst, die geen zin heeft voor sport. De gewone verblijfplaats van den Gikwar is Laxmivilla voor de poort van Baroda. De eerste steen ervan is gelegd in 1880 op het oogenblik van het huwelijk van den vorst met prinses Tanjore, die al vroeg stierf. Het heeft bijna zestig lakh roepijen gekost, dat is meer dan vier millioen gulden. Uit architectonisch oogpunt is het een gelukkige vereeniging van verschillende bouwstijlen; de gothische stijl gaat er met den moorschen samen en met den Hindoestijl, en het geheel voldoet ten volle. In het inwendige is er veel te zien; binnenpleinen, met palmen beplant en met fonteinen versierd, kleine vertrekjes met afsluitingen van opengewerkten steen, herinneringen aan het paleis van Grenada. De zaal van den Durbar, dat is van de officiëele recepties, is zeer groot, zeer hoog, en als ze gevuld is met de hoogwaardigheidsbekleders en ambtenaren in costuum, moet de aanblik indrukwekkend zijn.

De marmeren trappen, de lange gangen en de salons waren ingenomen door ploegen werklieden, die wreven en boenden en stoften met het oog op de komst des meesters. Ons bezoek werd een oogenblik vervroolijkt door den schrik van een troepje mohammedaansche prinsessen, die, als wij, door de zalen wandelden en zonder sluiers verrast waren door de werklieden! De ayahs of volgvrouwen stieten kreten uit als papegaaien en beleedigden de arbeiders, die haar antwoordden met grapjes van twijfelachtig allooi. Dat geloof ik ten minste, want zonder het Mahrattisch te begrijpen, kon ik het wel raden uit de houding der dames, die gevraagd hadden ons te mogen begroeten. Haar bekoorlijkheden waren niet van dien aard, dat ze de bescherming van de muren van een harem noodig hadden; noch de leeftijd, noch de schoonheid vereischten de pardrah, het gordijn. Vandaar de opmerkingen der Mahratten, wier vrouwen veel vrijheid genieten.

Het ameublement is opmerkelijk door den overvloed van europeesche voorwerpen, vooral italiaansche, schilderijen, beelden enz. Ik zou er de voorkeur aan hebben gegeven, daar voortbrengselen van indische kunst te hebben gezien, en met een waar genoegen bemerkte ik in een der zalen het mooie schilderwerk van den inlandschen schilder Ravi Varma, onlangs overleden. Uit Travancore geboortig, dat gezegende hoekje, waar zooveel kostbare herinneringen worden bewaard, en bloedverwant van de regeerende familie, was hij beroemd geworden door de voorstelling van tooneelen uit het oude leven van Indië. Een episode uit het beroemde drama van Sakuntala trof mij bijzonder door de getrouwe weergave van het vrouwelijke Hindoetype, waarvan men altijd geneigd schijnt de trekken te veel europeesch te schilderen.

Wij keerden tegen zonsondergang naar de stad terug, maar eer we den Kamati Bagh weer bereikten, drong ik erop aan, dat we een bezoek zouden brengen aan de olifanten van den Gikwar. Hun stal, dicht bij het kamp voor de manoeuvres gelegen, is een onmetelijk groot plein, waaromheen overdekte hokken zijn aangebracht met betonzoldering, waar het dier, bewaakt door zijn cornac, met den poot is geketend. Vroeger waren er een honderdtal, een dure weelde, want het voedsel van een enkelen olifant kost 2000 roepijen per jaar, dat is meer dan 1600 gulden. Tegenwoordig is hun aantal veel verminderd; er waren ongeveer een dertigtal te zien. Het was het uur, waarop ze gewoon waren te gaan drinken; de olifant van den Gikwar met de met goud versierde snijtanden, een kolossus, waardig den draagstoel van den vorst te torsen, was reeds weer in zijn hok gebracht; de anderen waren stevig geketend, en terecht! Ze betreurden hun bosschen en haakten ernaar, een wijfje te vinden, in welk geval men alles te vreezen heeft van het dier, dat razend wordt door de gevangenschap. Als het zijn vrijheid herkrijgt, sticht het onherstelbaar kwaad. Het vorig jaar had een der dieren, toen het ontsnapt was, zestig personen gedood in de straten van Baroda.

Rustig en vol majesteit gingen de olifanten ons voorbij en bewogen hun slurf, terwijl ze tersluiks naar ons keken; jonge dieren plasten in een vijver of dronken met lange teugen uit groote emmers. Dat was niet geruststellend voor ons, want het gaat bij dat spel zeer onhandig toe, en wij hadden licht plassen of spatten op ons kunnen krijgen, die niet voor ons bestemd waren. Ik vroeg mijzelve af hoe het toch mogelijk was, dat die zware dikhuiden, die ik daar bij het vallen van den avond in die strenge omgeving hun lompe bewegingen zag maken, in Indië hun naam hebben geschonken aan een uitdrukking van teederheid, een liefdewoord, en hoe de vergelijking van de démarche van dat dier, de minst elegante van de heele wereld, een vleierij is kunnen worden voor een vrouw, die men bemint.

V.

Vertrek naar Surate.--Een hindoesch hospitaal.--Beschrijving van Surate.--Een kijkje op de parsische gemeenschap in de 18de eeuw.--Bezoek aan het geslacht van den dastoer Darab, den leermeester van Anquetil Duperron.--Ruïnen van de fransche factorij en hollandsche en engelsche graven.--Een paar woorden over Mohammedanen en Hindoes.--Toekomst van de gemeenschap der Parsi's.

Op Maandagmorgen in de vroegte liet ik mijn moeder in den Kamati Bagh achter en vertrok, om een bezoek te brengen aan Baroda in gezelschap van een jongen Parsipriester, dien men zoo beleefd was geweest, mij als gids mee te geven. De Parsi-kolonie is niet uitgebreid te Baroda; ze bestaat uit hoogstens 600 individuen; ook zijn er maar twee kleine tempeltjes, eenvoudige bedehuizen, die in het minst niet gelijken op de groote heiligdommen van Udvada en Nausari. Een ervan ligt in de wijk Anandpura, en ik vond er een oud huishouden van de geestelijke klasse, brave lieden, die niet rijk waren en zich verheugden over mijn komst en, om mij hun dank te betuigen, mij bloemen aanboden en gebeden beloofden.

Van daar gingen wij naar de Torens des Zwijgens. Toen we terugkeerden, gebeurde er een ongeluk; het lichte rijtuigje, tonga geheeten, bespannen met ossen, waarin ik met den jongen priester had plaats genomen, kantelde en ik viel op mijn zijde met het gevolg, dat ik ernstig gekwetst werd. Ik haastte mij dus, om na twee dagen van rust naar Surate te komen, waar mij vrienden wachtten, die mij konden ontvangen en mij de zorgen konden wijden, waaraan ik behoefte had.

Toen wij te Surate waren aangekomen, vertrouwde ik mijn moeder aan den collector, den heer Weir toe, en aan zijn vrouw, en om mij te laten verplegen wegens het rijtuigongeluk, dat te Baroda had plaats gehad, bracht ik drie weken door in een hospitaal, dat de eigenaardigheid had van te worden bestuurd door een Hindoe-dame, de vrouwelijke dokter Rukhmabai, een der meest geziene persoonlijkheden in het moderne Indië.

Mevrouw Rukhmabai is een slachtoffer van die zonderlinge gewoonte, waarover wij hierboven reeds spraken. Als kind reeds uitgehuwelijkt aan een ander kind, dat nooit voor haar een echtgenoot werd, had ze den moed haar verontwaardigd protest te doen hooren voor de engelsche rechtbanken. Eindelijk bevrijd van dat huwelijk, ging ze in Engeland in de medicijnen studeeren en keerde terug, om zich te wijden aan de medische hulp voor haar geloofsgenooten. Ik stond al lang met haar in betrekking; ik vermoedde toen niet, dat ik nog eenmaal haar gastvrijheid en haar zorgen zou inroepen! Ze was toen pas 35 jaar, en nadat ze de inlandsche en de engelsche pers een oogenblik had beziggehouden, was ze uit eigen vrijen wil weer in het duister teruggeweken, terwijl ze geheel opging in haar ambtelijke plichten.

Wat het hospitaal betreft, dat was onlangs gebouwd door een mild en edelmoedig Hindoe ten gebruike voor indische vrouwen en kinderen. Het is een groot steenen gebouw, met schuin dak, staande midden in een omheinde ruimte. In den rechtervleugel voert een trap naar de particuliere vertrekken van mevrouw Rukhmabai, waar ze zoo vriendelijk was geweest, mij te installeeren; beneden is de apotheek, het vertrek voor de consulten en een kleine kliniek. Daar maken de vrouwelijke dokter en de pleegzuster, die gediplomeerd en aan het hospitaal verbonden is, met helpsters en een intelligent personeel de geneesmiddelen gereed, doen de operaties en leiden pleegzusters op. Er liep langs het geheele gebouw een open veranda, die zich herhaalde op de bovenverdieping langs onze vensters.

Eiken morgen brachten de gratisconsulten heel wat leven en beweging. Het overige van den tijd werd de stilte niet verbroken dan door de doordringende stem van onzen muezzin, een buurman, die de geloovigen moest oproepen ten gebede. Er stond namelijk tegenover ons een witte moskee, om welker minarets op enkele uren mooie vluchten groene papegaaien rondvlogen.

Als herstellende nog mengde ik mij in het actieve leven te Surate.

Onze wijk Bagha Talad, bewoond door een bevolking van Hindoes en Mohammedanen, grensde aan die van het slot, dat het eigenlijke centrum van de stad is. Op de oevers van de Tapti gebouwd door de mohammedaansche vorsten van Ahmedabad, doet de oila of het kasteel zich voor als een onregelmatig vierkant, geflankeerd door dikke torens van veertig voet hoog. Na de inneming van Surate plaatste keizer Akbar er een gouverneur en gaf ook een aan de stad. Twee lijnen van vestingwerken sluiten de eene de wijken der stad, en de andere de voorsteden in. De binnenmuur is lang verdwenen; de buitenmuur is op vele plaatsen nog in zeer goeden staat; hij dagteekent uit de 17de eeuw. Surate is trouwens geen oude stad, ofschoon ze reeds genoemd wordt in legendarische tijden en voorkomt op de kaarten van Ptolemaeus. Wij willen van de Hindoe-kunst er alleen noemen het prachtige meer of groote waterbekken, aangelegd midden in de stad door een rijken Brahmaan, Gopi geheeten. Het bekken wekte nog in de 17de eeuw de bewondering der reizigers; maar langzamerhand werd het verwaarloosd; het raakte in verval en thans, nu het is volgespoeld, heeft men er tuinen van gemaakt; op de vroegere oevers groeien broodboomen en tamarinden, waaronder enkele mohammedaansche graven liggen.

De bloei van Surate begint eerst met de Mogols, en de welvaart werd buitengemeen groot onder Aurang Zeb, ondanks de strooptochten der Mahratten. Het was een handelsbloei, want Surate is eigenlijk nooit iets anders geweest dan een groot kantoor, beschermd door het kasteel, een opeenhooping van slecht onderhouden straten en groote markten. Wat de bevolking aangaat, het was een samenraapsel van lieden uit allerlei streken; maar er was leven en beweging; de rivier was met schepen bedekt en op de kaden woeien de vlaggen van vreemde naties.

Op het eind van de 18de eeuw leidden de verplaatsing van den handel en de toenemende bloei van Bombay tot het verval van Surate; van 800 000 verminderde het aantal inwoners tot 250 000 in 1815, daarna tot 80 000 in 1847; thans telt de stad meer dan 100 000; er is dus weer een begin van vooruitgang. Twee oorzaken hebben tot den achteruitgang bijgedragen, namelijk de overstroomingen en de branden van 1837; binnen den tijd van zes weken lieten die beide rampen betreurenswaardige sporen achter. Er is niets somberders dan de aanblik van die verlaten wijken, die slechts hoopen puin zijn; in de nauwe stoffige straten bladderen de muren af, de huizen verliezen hun versieringen van houtsnijwerk, dat, hetzij tusschen haakjes gezegd, op niet onvoordeelige wijze aan den man wordt gebracht. De eigenaars zijn te arm of te gierig om hun huizen te onderhouden, en de gemeente bekommert er zich niet om! Hier en daar treft men intusschen toch bewijzen van eenigen welstand, maar de indruk is triest, vooral op de oevers van de Tapti, waar geen schepen zich meer vertoonen en waarboven zich het slot verheft, thans in gebruik genomen voor de kantoren van de administratie van het district. In den maneschijn neemt dit landschap grootsche allures aan; ik kan aan droomers een wandeling aanbevelen langs de kaden, vooral als toevallig op dien avond de jakhalzen hun klagend gejank laten hooren in de bosschen van Bander.

Een brug, de Hope Bridge, verbindt de beide oevers dichtbij het slot; ze heeft bijna 1 200 000 francs gekost en is een zeer mooi kunstwerk geworden, waar de gemeenschap terecht trotsch op is. De Tapti is met de Nerbudda de grootste rivier, die zich in de Cambaye-golf stort; oudtijds lieten schepen van een grooten tonneninhoud het anker vallen in de monding in de haven Swally; de andere gingen verder tot Surate. Tegenwoordig is alle scheepvaart opgehouden, en de rivier stroomt langzaam te midden der met dorpen bezaaide velden. Evenals de Nerbudda heeft ze haar roep van heiligheid, een roep, die, naar het mij scheen, zuiver plaatselijk is.

We spraken over huizen. Men vindt er in verschillende stijlen; die uit de mohammedaansche periode, van 1600 tot 1759, zijn gebouwd om een binnenplein, waarvan het midden door een fontein wordt ingenomen, met de ontvangkamers of divan Khana beneden. Van 1759 af, toen de Engelschen het bestuur met de Mohammedanen deelden, veroorloofde de veiligheid de Hindoes meer in het openbaar te leven, en van dien tijd dagteekenen de aardige huizen met fijn houtsnijwerk aan de gevels; er is nu ongelukkig weinig van over sedert den brand van 1837.

Om enkele bijzonderheden te noemen, eerst de kelders, soms eenvoudige verscholen bergplaatsen voor de schatten, vaak ook enorme onderaardsche verblijven, waar men kon wonen in tijden van belegering; dan waren er de waterleidingen binnenshuis, waar men nog het regenwater bewaart, om het te drinken, als dat uit de Tapti ongezond wordt; daarna de trappen, die opengewerkt waren en op echte ladders geleken, lastig om te beklimmen ondanks het touw, dat erop berekend is u te helpen bij het stijgen. Maar die ongemakkelijkheid had haar reden van bestaan; in geval van een aanval trok men de ladder in en was veilig, en als bewijs voor de onrust der voorbijgegane tijden kan dienen, dat men iets dergelijks in heel Gudsjerat terug vindt. Sedert enkele jaren zijn echter tal van huizen op engelsch-indische manier gebouwd.

Buiten het kasteel, dat een model is van mohammedaanschen stijl, heeft Surate geen oude gebouwen. De moskeeën, de tempels, de hospitalen en de rechtbanken zijn òf stijlloos òf modern. Het paleis van den Nabab, gelegen in Asurbeg Sjaklo, bestaat niet meer. De echte bezienswaardigheden van Surate zijn de ruïnen van de factorijen en de europeesche graven. We zullen er later op terugkomen.

Hoewel de elementen van de bevolking minder verscheidenheid vertoonen dan vroeger, is ze toch nog een mengeling van kasten en nationaliteiten, waardoor de straten en markten een eigenaardig aanzien hebben. De vrouw speelt hier een belangrijke rol; ze gaat vrij haarsweegs, en de rijke Banyanen-vrouwen gaan uit met onbedekt gelaat; alleen de Mohammedaanschen, behalve de arme, sluiten zich in haar vertrekken op of verbergen zich onder een wijden mantel, boerqa geheeten, en achter het traliewerk van haar palankijnen. De Hindoes en Mohammedanen wisselen op straat af met de Parsi's, waarvan Surate een groot contingent levert; hun verblijf aldaar is belangrijk in hun geschiedenis. Ze vestigden er zich tegen de 15de eeuw, toen de stad nog maar een gewoon dorp was, en verspreidden zich in de dorpjes uit den omtrek.

De reizigers uit de 17de eeuw leeren ons, dat ze de beroepen van wevers, timmerlieden en scheepsbouwers uitoefenden, en dat ze zelfs bankiers waren. Ze stonden weldra in betrekking tot het hof van Delhi en waren bij de Groot-Mogols in de gunst, maar hun verheffing dateert vooral van de komst der Europeanen, toen Surate het groote emporium was geworden van het Oosten. Ze vervingen langzamerhand de Banyanen, die in de factorijen waren aangesteld, als makelaars en werden de vertrouwensmannen der Engelschen, die ze in 1759 hielpen, zich van het kasteel meester te maken en het bestuur uit te oefenen samen met de Mogols. De vreemdelingen herkennen hen altijd aan hun begrafenisplechtigheden en aan hun eeredienst van het vuur. Ze woonden in afzonderlijke wijken, zooals Rustumpura, naar den naam Rustum, den makelaar van de engelsche factorij. In het midden van de 18de eeuw bezaten ze de mooiste huizen, de prachtigste tuinen en verscheiden woningen in mohammedaanschen stijl geven blijk van den rijkdom en de weelde van de eigenaars.

De achteruitgang van Surate leidde tot hun uittocht naar Bombay; er zijn nu nog maar 5754 Parsi's in de stad en 12516 in het district; er zijn eenige notabelen, ambtenaren, handelaars, reizigers, meubelmakers te Nanpura, en wevers in Rustumpura; maar de raad van notabelen vervult er tegenwoordig de bescheiden rol van het uitdeelen van liefdegaven en behoort onder Bombay. De misdaden en overtredingen worden voor engelsche rechtbanken gebracht.