Bij de Parsi's van Bombay en Gudsjerat De Aarde en haar Volken, 1909-1910
Part 4
Alle belangrijkheid van Udvada en de levendigheid van het dagelijksch bedrijf aldaar hangen samen met het heiligdom. Daar brandt, zooals we hebben gezien, het vuur, dat werd ontstoken door de uit hun land verdreven Parsi's, die te Sanjan een toevlucht zochten; dat verder verborgen werd in de grotten van Bahroet op het oogenblik dat de stad werd ingenomen, en dat daarna achtereenvolgens naar verschillende plaatsen werd gebracht, tot het voor vast werd getransporteerd naar Udvada in de 18de eeuw met de priesters uit het geslacht, dat met het onderhoud werd belast.
De tempel trekt de aandacht door een gevel, versierd met elegante zuilen, die eindigen in kapiteelen van ruggelings staande dragende stieren. Trappen leiden naar een hall met mozaïekplaveisel; men vindt rechts de zaal, bestemd voor de viering van de godsdienstige plechtigheden, links die, waar de gebeden worden opgezegd. In de diepte brandt in een kamer het vuur, dat voortdurend nacht en dag met santalhout wordt gevoed en in een groote metalen vaas wordt onderhouden. De kamer is omringd door koperen traliën; een deur geeft toegang; alleen de priester, in staat van zuiverheid met een sluier vóór het gelaat, heeft het recht er binnen te treden, om het vuur te voeden en de gebeden van de liturgie te zingen.
Wat den leek aangaat, hij blijft op den drempel staan, zegt de lofliederen op ter eere van het vuur en stelt vervolgens zijn offerande en eenig santalhout aan den priester ter hand, die in ruil hem een lepel asch aanbiedt uit de heilige vaas; hij neemt uit den metalen lepel een klein weinig en wrijft er zich het voorhoofd, de oogen en den palm der handen mee in, waarna hij zich terugtrekt.
Er zijn drie graden van tempels, naar de hoedanigheid van het vuur, dat er wordt onderhouden. Het vuur is werkelijk geen gewoon vuur. Om de zuiverheid te bereiken, die het waardig maakt de eerbewijzen te ontvangen, moet het velerlei ceremoniën passeeren. Het vuur Behram wordt van alle het hoogst vereerd. De heiliging daarvan vereischt groote onkosten en een reeks van zuiveringen, die soms een vol jaar duren. Het bestaat uit de vereeniging van de meest uiteenloopende vuren, waaronder dat van den bliksem. Op het eind worden ze alle bijeengevoegd en gesteld onder de hoede van de priesters. Het dooven van het vuur Behram zou beschouwd worden als de grootste ramp, die de Parsi's zou kunnen treffen. Vijfmaal per dag gaan de priesters het voeden volgens een nauwkeurig vastgesteld ritueel met santalhout en onder het zingen van kerkgezangen.
Groot of klein, de tempels zijn alle gebouwd naar ongeveer hetzelfde plan, namelijk een rechthoek, tweemaal langer van het Westen naar het Oosten dan breed van het Noorden naar het Zuiden. In het Westen is er een ledige ruimte voor het binnenplein en de dependances, met een put en een aanplanting van boomen, die de plantaardige benoodigdheden leveren; in het midden de adaran of kamer voor het vuur, een overwelfd vertrek, gesloten naar het Westen, breed geopend door een deur naar het Oosten, en voorzien van een venster aan de noord- en de zuidzijde. Het vuur brandt er in een vaas op een steenen voetstuk. De oosthoek van de beide lange zijden wordt ingenomen door een rechthoekig vertrek in tegenovergestelde richting, veel langer van het Noorden naar het Zuiden dan het breed is van het Oosten naar het Westen en op zijn beurt verdeeld in verschillende compartimenten, zoodat men er tegelijkertijd verschillende diensten kan doen plaats hebben. Dit is de urvis-gah.
In het vertrek waar de godsdienstplechtigheden plaats hebben, brandt ook een vuur in een op steenen voetstuk staande vaas; maar het verschilt van dat uit het adaran, waarvan het maar een tijdelijke vertegenwoordiger is. Dat vuur brandt niet voortdurend; het wordt enkel ontstoken op het oogenblik dat de plechtigheid zal beginnen, en men laat het uitgaan, als ze is afgeloopen.
Afscheidingen geven de plaats aan, waar ieder priester moet staan, als hij den dienst waarneemt. Het heeft alles veel minder pracht en uiterlijk vertoon dan in oude tijden. Het aantal dienstdoende priesters is minder groot dan het vroeger was; twee zijn tegenwoordig voldoende, de officiant en zijn helper.
Telkens als een priester het vuur nadert, trekt hij handschoenen aan en dekt zich het gezicht met een kleinen sluier of padam, dat zijn adem moet beletten, het heilig element te bezoedelen. In het algemeen gesproken, voltrekt hij geen enkele godsdienstige ceremonie zonder den sluier. Hij moet dien geregeld dragen, zelfs onder het eten; maar dat gebruik is langzamerhand vergeten geworden.
De zorg, waarmee de aanhangers van Zoroaster's leer angstvallig den ingang van hun tempels bewaken is te Udvada nog grooter dan overal elders; met de grootste moeite kregen we het gedaan, dat de priesters ons binnenlieten op het buitenplein; maar ze wilden ons wel de gereedschappen van den eeredienst laten zien. Wij gingen daarna een bezoek brengen aan den hoogepriester, een eerbiedwaardigen grijsaard, die ons onder zijn veranda ontving, waar hij omringd was door jeugdige priesterleerlingen. Hij was zeer trotsch op zijn tempel en zegende de nagedachtenis van de edelmoedige schenkster, die hem had doen bouwen. Het vuur Behram was niet altijd zoo goed gehuisvest geweest! Toen Anquetil Duperron door Udvada was gereisd, was het gebouw een gewoon huis, met een dubbel dak en een afdak erbij, zich in niets onderscheidend van de andere woningen. Drie gebouwen waren achtereenvolgens opgericht vóór het tegenwoordige, dat ze te danken hebben aan de milddadigheid van Bai Motlibai Wadia. Die vrouw behoorde tot een rijken tak van het geslacht Wadia, de groote scheepsbouwers van Surate en Bombay. Haar voorvaderen waren bankiers en kooplieden. Toen ze al zeer vroeg weduwe was geworden, wist ze haar fortuin met zeldzaam overleg en helder inzicht te besturen, en daar ze een vurig aanhangster was van de leer van Zoroaster, hield ze zich met liefdadigheid en vrome werken bezig. De tempel van Udvada was haar laatste liefdewerk en het verdienstelijkste in de oogen van haar geloofsgenooten. Bij haar dood wilde men haar naam voegen bij die van de beroemde dooden, die zich voor den dienst verdienstelijk hadden gemaakt.
De dag verliep; de vrouwen kwamen als naar gewoonte des avonds aan den put om water te scheppen. Wij kwamen thuis toen het nacht was, en het was ijzig koud geworden. Reeds om vier uur, toen het pas dag was geworden, moesten wij, nog rillend van kou, in onze palankijns stappen, maar als vergoeding genoten we van het altijd wonderschoone schouwspel der opgaande zon over het indische land, en op den middag kwamen we in onze bungalow te Umbargaon. Ons eerstvolgend doel was Nausari, het Rome van het Parsisme.
III.
Aankomst te Nausari; onze intrek bij den heer J. N. Tata, in het park van Lunsikui.--Bezoek aan de stad. Enkele woorden over haar oorsprong en over de organisatie van haar geestelijken stand.--Wij wonen de processie van de navar bij, dat is, een der stadia van de inwijding tot priester.--Bezoek aan den Dastoer, den afstammeling van Meherji Rana.--Eenige inlichtingen over het weven van de kufti of heiligen gordel.--De torens van het Zwijgen te Nausari.--Plechtigheid van het Afergan en de groote reiniging van het Barashnum.
Men moet twee uren sporen, om van Vevji naar Nausari te komen, waar we zooveel te zien hadden omdat we daar het best het godsdienstig leven der Parsi's konden bestudeeren.
Zeer vermoeid van het rijden in de ossenkarren, in draagstoelen en booten, hadden we prozaïsch den trein gekozen. In het begin gingen we enkele stations voorbij, die we reeds gezien hadden op weg naar Udvada; op het perron van den spoorweg der kleine portugeesche stad Daman kregen we enkele groepen katholieke priesters in het oog, omringd door hun geloovigen, kleurlingen van geringen stand en armoedig gekleed, wier aanblik op ons trouwens denzelfden triesten indruk maakte als de ruïnen van hun stad. Een kader van groen past beter bij gescheurde muren en instortende klokketorens dan de teekenen van armoede en verwaarloozing, die Daman te zien geeft.
Nadat we de Damagunga langs een mooie brug waren overgegaan, loopt het tracé van den spoorweg, dat de beide helften van het kleine stukje portugeesch grondgebied scheidt, langs de kust verder door dat deel van het district Surata, dat uit duinen en zoutmoerassen bestaat; de bebouwde vlakte begint eerst daarachter.
Tusschen de Damagunga en de Poerna, waaraan Nausari is gebouwd, storten kleine waterloopen zich in zee en vormen evenveel estuaria, waarin eb en vloed zich doen gevoelen, hetgeen het aan de schepen mogelijk maakt, er zich als in veilige havens te verschuilen, geschikt voor den uitvoer van de producten des lands. De spoorwegstations dienen daardoor voor sommige belangrijke plaatsen, bij voorbeeld Bulsar, een uitmuntende haven, waar we een Parsi-bevolking aantreffen van een duizendtal zielen, bestaande uit handelaars in spiritualia, winkeliers en landbouwers. Zoo is het ook te Billimora, waar ongeveer 700 Parsi's wonen. In laatstgenoemde stad drijven ze vooral handel in een soort van bloemen, plaatselijk mowra genoemd, waaruit door gisting een likeur wordt bereid.
Toen wij te Nausari aankwamen, was het station vol Parsi-priesters in witte gewaden, die afscheid namen en elkaar de gebruikelijke kransen om den hals hingen. Ik herken velen van onze vrienden uit Bombay, die zich in de Kerstvacantie gingen ontspannen in de buurt van de oude stad, waar hun godsdienstige overleveringen en hun familietradities bewaard waren gebleven. Met een geleerden en beminnelijken priester stapten wij in een shigram, een rijtuig, dat daardoor van onze ossenkarretjes verschilde, dat men, hoewel beschut door een dak van zeildoek, niet op kussens lag uitgestrekt, maar op banken was gezeten. Zoo kwamen wij aan de deur van den heer J. N. Tata, onzen gastheer, in de wijk waar de Parsi-bevolking woont. Het huis is in modernen stijl opgetrokken, heeft één verdieping met een groote galerij beneden; het staat op dezelfde plaats als de oude familiewoning met leemen muren en een rustieke veranda, ondersteund door ruwe houten pilaren. In plaats van ons in de stad te doen blijven, bracht men ons in een bijgebouw naast dat, 't welk de heer Tata had laten bouwen in de boschrijke streek van Lunsikui, bij de poort van Nausari. Het einde van den dag verliep in het zoetste nietsdoen in de schaduw, die gevormd werd door kokospalmen, manggaboomen, tamarinden, palmen en eenige buitenlandsche boomen, die de kweekers trachten te acclimatizeeren.
Nausari heeft den naam van vruchtbaarheid, dien de reizigers eraan hebben gegeven, wel verdiend, een vruchtbaarheid, die aan de stad den bijnaam heeft bezorgd van den tuin van Gudsjerat. Volgens een gewoon gezegde brengt een steen, dien men te Nausari plant, vruchten voort. De grond levert in overvloed rijst, graansoorten, katoen, vlas en tabak; een tijdlang leefden veel boeren alleen van de opbrengst van den verkoop hunner mangga's, die mooie gouden vruchten! Anquetil spreekt van boomgaarden vol boosaardige apen, die Nausari omringden; die boomgaarden bestaan nog, maar de apen zijn handelbaarder geworden. Het voor ons bestemde paviljoen was zeer aardig, met palmen op zij en een laan van kokospalmen ervoor; rechts is er in het groen een eetzaal in zoogenaamd perzischen stijl met een zoldering, gedragen door sierlijke zuilen. Op mooie zomerdagen komt men er en familie samen, om toddy te drinken en te babbelen; die toddy is een der groote aantrekkingspunten van de plaats. De hier bereide likeur gaat voor de beste door en heeft enkele geneeskrachtige eigenschappen. De smaak is lekker, en er volgt op het te veelvuldig gebruik een vrij onschuldige dronkenschap. De temperatuur was onder de boomen aangenaam koel; het jaargetijde in aanmerking genomen, was dat niet verwonderlijk; maar het klimaat van Nausari is gezond en versterkend, zelfs in de zomermaanden, omdat de zeewind er de zonnehitte tempert op die breedte van 20 graden.
Den volgenden morgen kwamen vrienden ons reeds bij zonsopgang halen, om de stad te bezoeken, een bescheiden hoofdplaats van een afdeeling der staten, die onder den inlandschen vorst van Baroda staan; er wonen bijna 22.000 inwoners, waaronder 4766 Parsi's. De straten zijn smal en bochtig; de huizen van twee verdiepingen zijn bouwvallig; de moskeeën en de Hindoetempels hebben geen stijl. Vroeger waren er lakenfabrieken; er wonen nu nog wevers, die voor het meerendeel Parsi's zijn. Onder de mongoolsche heerschappij werd er een beroemde geparfumeerde olie bereid.
De gouverneur bewoont de gebouwen met blauw geverfde muren rondom het paleis. Daar werd in 1874 het huwelijk gevierd van den Maharadja, den regeerenden vorst van Baroda, en zijn concubine Laxshmibai, die hij aan haar echtgenoot had ontstolen. Aan dat huwelijk ging vooraf een zonderlinge plechtigheid, waarbij de Maharadja plechtig een boompje trouwde, een katoenboompje, dat, geloof ik, dadelijk werd gekapt. Daar de vorst tweemaal gehuwd was geweest zonder kinderen te hebben, meende men, dat de vernietiging van den katoenboom, die beschouwd werd als zijn derde vrouw, de kwade kansen zou doen keeren en zijn nieuwe verbintenis met kinderen zou zegenen.
Mijn belangstelling bij dit bezoek richtte zich voornamelijk op de Parsi's. Nausari is door de reizigers beschouwd als hun voornaamste vestiging. Ze kwamen er reeds in de twaalfde eeuw, zoo meldt een oud document, dat ons leert, hoe op dat tijdstip een priester van Sanjan er werd uitgenoodigd, om de plechtigheden van den eeredienst te leiden voor de aanhangers van Zoroaster, in de plaats gevestigd. De overlevering wil, dat de Parsi's aan Nausari den naam hebben gegeven. Daar zij namelijk het klimaat er even prettig vonden als dat van een hunner perzische steden, noemden ze de plaats Nausari of Nieuw Sari, ter herinnering aan het verre vaderland. Sari in Mazenderan is werkelijk omringd door tuinen en bebouwde velden, en in den omtrek groeien veel moerbeiboomen en veel katoenplanten. Te Nausari is ook de omgeving zoo vriendelijk, men treft er dezelfde vruchtbaarheid aan, maar kokos- en andere palmen komen in de plaats van de perzische boomen.
Wij hebben te Bombay kennis gemaakt met de groote kooplieden en aan de kust met de parsische dorpelingen; hier zijn we in de tegenwoordigheid van den geestelijken stand, in het centrum van het traditioneele godsdienstige leven van het Parsisme. Men moet zich herinneren, dat de Parsi's in twee groepen verdeeld zijn, die der leeken en die der priesters. Men wordt priester geboren, maar men kan het niet worden; men kan intusschen wel ophouden het te zijn en in de groep der leeken treden. De geestelijke klasse, die eerst weinig talrijk was, groeide aan na de inneming van Sanjan met een groot aantal uitgewekenen, en te Nausari begonnen de Parsi's in de 16de eeuw aan het licht te treden uit de duisternis en onbekendheid, waarin ze te voren hadden verkeerd.
Op het oogenblik dat de Mohammedanen Grudsjerat veroverden, werd aan de overleveringen niet meer de hand gehouden, en er zou vergetelheid gevolgd zijn, als niet een leekenhoofd met name Sjanga Asa was opgetreden, die op het eind der 15de en het begin der 16de eeuw de godsdienstige gevoelens bij zijn geloofsgenooten wist te verlevendigen, gordels en heilige hemden aan de behoeftigen uitdeelde, en weer betrekkingen aanknoopte met de broeders in Perzië; ten slotte liet hij het heilige vuur naar Nausari overbrengen, dat na de inneming van Sanjan naar verschillende plaatsen was vervoerd. Op dat tijdstip was Nausari een soort van leengoed der Parsi's; het hoofd had er een groot grondgebied verworven, dat hij bestuurde in naam der mohammedaansche regeering. Die functie werd erfelijk in zijn familie tot het eind der 16de eeuw, het tijdstip, waarop ze overging in de handen van den Dastoer Meherji Rana. We komen met hem bij den tweeden persoon uit Nausari, die beroemd is geworden; zijn naam is zeer populair in de gemeenschap, en de kinderen zingen nog den roem van hun priester, die de groote eer genoot, den grooten Mongolenkeizer Akbar in de geheimen van den godsdienst van Zoroaster in te wijden.
Thans is Nausari een kleine geestelijke republiek. Het geslacht van Meherji Rana heeft de waardigheid van dastoer behouden, die aan den voorvader op het eind der 16de eeuw was verleend door zijn geloofsgenooten, en de vergadering der priesters en notabelen heeft enkele van zijn betrekkingen en prerogatieven bewaard, als het oppertoezicht over de geestelijken en het handhaven van de goede zeden in de gemeenschap; maar de invloed van het geslacht neemt af met dien van alle plaatselijke raden. De geestelijke klasse vermindert; velen harer leden treden het burgerlijke leven binnen, waar ze dikwijls een zeer goed figuur maken. De beroemde Dadahhai Naorozji, die tweemaal tot president van het Nationale Congres werd verkozen, is het beroemdste voorbeeld van een kind van Nausari, dat den hoogsten trap heeft bereikt van de eerzucht van den Indiër, die engelsch onderdaan is geworden, dat is: een afdeeling te mogen vertegenwoordigen in de Volksvertegenwoordiging.
Als de Parsi in de geestelijke klasse blijft, is zijn toekomst niet bijzonder schitterend, of hij moet behooren tot bepaalde families, waar de tradities van studie zijn in eere gehouden en waarin de hooge waardigheden duurzaam gehandhaafd blijven. Voor de minder bevoorrechten is het bestaan nog al onzeker. De tijd is ver, waarin de priesters van de Parsi's geheel en al leefden op kosten van de leeken en waarin ze bij menigten, onverschillig of ze genoodigd waren of niet, verschenen bij de plechtige feesten, die in de families werden gevierd, waarbij ieder van hen ook nog een meer of minder groote gift in geld eischte. De voorschriften hebben langzamerhand aan de priesters verboden, zich bij hun geloofsgenooten te vertoonen, als ze niet genoodigd waren. De leden der geestelijkheid hebben dus naar andere werkzaamheden uitgezien, en velen van hen zijn thans genoodzaakt de rol te vervullen van den kleinen ondernemer en boekdrukker te worden of zelfs koopman in palmwijn.
Te Nausari heeft die groep van priesters haar dagen van strijd gekend; laat ons er dadelijk bijvoegen, dat de theologie geen aanleiding heeft gegeven tot den strijd. De twisten hadden enkel plaats naar aanleiding van de verdeeling der baten, voortvloeiend uit het werk in de tempels, en stelden tegenover elkander de beide corpsen van priesters, dat van degenen, die zich het eerst te Nausari vestigden en dat van diegenen, die uit Sanjan waren uitgeweken.
Het was een heftige en tegelijk bloedige strijd; in de 17de eeuw vermoordden de priesters van Nausari zes leeken, die zich aan den kant hadden geschaard van de priesters van Sanjan, en in de 18de, toen er nieuwe troebelen waren uitgebroken, omdat de leeken de Sanjana's gebruikten als familiegeestelijken, namen die laatsten achtereenvolgens hun vuur naar verschillende plaatsen mee en brachten het ten slotte naar Udvada, waar wij het hebben gezien.
De Parsi-geestelijkheid is er nooit op gesteld geweest, nieuwe dogma's in de wereld te brengen; al zijn er te Nausari geoefende schrijvers geweest, men treft er geen spoor van een school aan, zooals bij de Brahmanen steeds het geval is. Wanneer de geestelijke klasse onderricht verlangde, wendde ze zich tot de broeders in Perzië. De inrichting der burgerlijke regeering was al niet beter geregeld; er was wel een verdeeling in districten en sferen van invloed, maar de hoofden hadden, voor zoo ver ze er waren, slechts weinig gezag over hun ondergeschikten.
Het leven der priesters heeft altijd iets aparts gehad en hield hen afgezonderd van de rest der gemeenschap. Naar den graad, dien ze bekleedden in de hiërarchie, waren er, die niet mochten eten dan wat klaargemaakt was door een vrouw uit de geestelijke klasse. Bovendien was de ritueele reinheid iets zoo onmisbaars voor een priester en ze werd zoo gemakkelijk verloren, bij voorbeeld reeds door een eenvoudige reis, dat een geestelijke onophoudelijk, om haar terug te erlangen, de reeks der lange en moeilijke zuiveringen weer moest doorloopen, waardoor hij haar deelachtig was geworden. Een van die zuiveringen duurt niet minder dan negen dagen, gedurende welken tijd de priester zich in zijn huis moet opsluiten, zonder iemand te spreken. Van daar die volkomen afzondering en de schrik voor eenige aanraking met niet-geloofsgenooten, een schroom, waarvan de anderen niet altijd de aanleiding hebben begrepen. De kleeding van den priester is volkomen wit, alsook zijn tulband; hij draagt een vollen baard. De woning is eenvoudig, en de kaalheid der vertrekken geeft er iets rustigs ouderwetsch aan; er zijn slechts enkele voorwerpen, die aan het Westen herinneren.
In het gedeelte van de stad, dat Motafalla heette, bracht ik mijn belangrijkste bezoeken. Er wordt gezegd, dat deze wijk ongeveer de plek is, waar de eerste parsische kolonisten zich vestigden. Op het oogenblik van hun aankomst was er niet anders dan een dorp van inboorlingen. De tegenwoordige indeelingen, aangeduid met de namen van sommige geslachten, werden ingenomen door de Koli's en de Dubla's. De straten bleven langen tijd steil en bergachtig, en rondom waren er in het geaccidenteerde land geen wegen. In de 18de eeuw maakte Anquetil Dupperron die opmerking, en de apen, die in de boomgaarden stoeiden, kwamen soms kinderen weghalen uit de straten, terwijl vijftig of zestig jaren geleden de tijgers nog Nausari bezochten. Men heeft zelfs den naam bewaard van diegenen, die er jacht op maakten, en men spreekt over hen met eerbied en dankbaarheid.
De tempels en de bibliotheken zijn vereenigd in Motafalla. De tempels zijn geen meesterstukken van bouwkunst; de grootste klimt op tot de 18de eeuw en werd gebouwd door de geloovigen, om zich te troosten over het verlies van het heilige vuur en de verplaatsing naar Udvada. De jonge priesters worden gewijd in een kleineren, zeer ouden tempel. Een andere wordt onderhouden door een afvallige secte. Wat de bibliotheken aangaat, ze bevatten documenten van groote waarde voor de plaatselijke geschiedenis; maar het zijn vooral de archieven, die hetzij in de tempels, hetzij in sommige families van geestelijken worden bewaard, die een werkelijke waarde hebben uit historisch en godsdienstig oogpunt. Enkele documenten, die tot den dag van mijn komst angstvallig waren onttrokken aan het oog van vreemdelingen, hebben eindelijk door mijn smeekingen en mijn eerbiedige en belangelooze belangstelling het licht gezien. Ik heb allen grond te hopen, dat mijn vriend, de heer J.J. Modi de inderdaad zoo nuttige uitgave wel zal willen voortzetten.
De Parsi-bevolking verdient onze volle aandacht. Alle reizigers, Mandalslo, la Boullaye le Gouz, Fryer, Stavarinus, hebben van het perzische volk in Indië een zeer gunstige voorstelling gegeven. Ze leggen in het algemeen sterk den nadruk op de blankheid der gelaatskleur en op de zorg der Parsi's, om vooral hun vrouwen te kiezen uit de vrouwen van hun volk.