# Bij De Parsi S Van Bombay En Gudsjerat De Aarde En Haar Volken

## Chapter 2

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/bij-de-parsi-s-van-bombay-en-gudsjerat-de-aarde-en-haar-volken-95977b9c/index.md

Ze zijn bijna de eenige vrouwen in Indië, die hun echtgenooten in het publiek vergezellen. Ik laat den toerist haar smaak voor de fiets, voor tennis en sport bewonderen, want daar hij zelden gelegenheid heeft, haar huiselijke deugden te leeren kennen, omdat hij niet in haar huizen wordt toegelaten, komt hij met die deugden van een hoogere orde niet in aanraking. Als uitstekende huisvrouwen hebben ze de practische deugden van haar grootmoeders niet verloren; maar ze deelen eveneens onze moderne aspiraties. Wanneer ze een loopbaan hebben gekozen, houdt niets er haar van terug; dat heb ik waargenomen in de scholen, de hospitalen en de snijkamers. Ongelukkig doet de overspanning hier ook haar noodlottig werk, en de jonge vrouwen zijn minder sterk dan haar grootmoeders, door de reizigers zoo terecht geprezen om haar schoonheid, de blankheid van haar gelaatskleur en haar bijna mannelijke kracht.

De kleeding van de Parsi's uit Bombay is ontleend aan de Banyanen van Surate; in de achttiende eeuw bestond ze uit een lang kleed, op de heupen geplooid als een rok, en op het hoofd droeg men een mousselinen tulband. In de twintigste dragen de Parsi's tehuis een buis met witte mouwen, een pantalon en een mutsje van verschillend gekleurde chineesche zijde. Als ze uit gaan, trekken ze een witte overjas aan en zetten bovenop hun mutsje een soort van tulband in den vorm van een bisschoppelijken mijter, pagri genoemd, meestal vervaardigd van zwart wasdoek, en soms van bruine zijde. Het groot toilet bestaat uit een lang kleed van wit mousselien, dat tot op de enkels afhangt en om het middel door een breeden gordel wordt vastgehouden. Dat costuum wordt gedragen bij trouwpartijen, begrafenissen en recepties bij den gouverneur.

De vrouwen hebben eveneens haar kleeding ontleend aan die der indische vrouwen uit Grudsjerat. Ze drapeerden zich vroeger in een langen lap stof, meestal van zijde, van vijf meters lang; dien gebruiken ze nog, maar in plaats van het korte hindoesche lijfje, zijn ze overgegaan tot de aansluitende kleedingstukken van de europeesche vrouwen. Mag ik ook nog herinneren aan den tijd, toen de Parsi-dames den gouden ring met drie parelen droegen, die hing aan den neus? Als alle indische dames overlaadden ze zich met een overvloed van juweelen. De ring is afgeschaft; maar bij de groote fortuinen, door sommige geslachten van Parsi's bijeengebracht, is de smaak voor juweelen en kostbaarheden zeer levendig gebleven. Vroeger verborgen ze haar haren onder een doek, die het hoofd nauw omsloot, volgens het godsdienstig voorschrift, dat den aanhanger van de leer van Zoroaster verbiedt blootshoofds te gaan. De meesten hebben echter den hoofddoek afgeschaft, die de reizigers in het oog viel en aan de draagsters het voorkomen gaf der vrome katholieke liefdezusters. De kleeding is trouwens tegenwoordig in voortdurenden staat van verandering; in Europa dragen de parsische dames graag europeesche kleeding en behouden die dan soms in Indië.

Ik heb gezegd, dat het maatschappelijk leven in de hoogere kringen meer en meer op dat der Engelschen gaat gelijken, en als men wordt uitgenoodigd op een five o'clock tea, zooals ik het genoegen had te zijn bij den heer J. Tata bij voorbeeld, bevindt men zich in de tegenwoordigheid van een uitgelezen gezelschap van geleerde mannen en voorname dames, vaak gedoctoreerd of in het bezit van een graad aan de universiteit; maar die nieuwigheid wordt niet door alle Parsi's voldoende gewaardeerd. Er bestaat nog een talrijke klasse van menschen, die orthodoxen worden genoemd en die uit beginsel zich verzetten tegen de moderne nieuwigheden.

Om te geraken tot de tegenwoordige periode, heeft men een overgangstoestand gehad met nog al strijd, want niet maar zoo op eenmaal is de gelijke van de Banyanen uit Surate ertoe overgegaan, onze gewoonten te volgen, bij het leger van den koning in hofcostuum te verschijnen met een degen op zij, en niet plotseling is zijn echtgenoote de klant geworden van Redfern of Paquin. De europeesche reiziger ziet het resultaat, zonder te kunnen waardeeren hoeveel eraan is voorafgegaan. Die periode van strijd begon tegen het midden van de negentiende eeuw, toen de engelsche opvoeding veel aanhangers had verworven in de gemeente, die al gauw zich in twee groepen splitste, de eene de liberale, die neigde tot verandering, en de andere, die getrouw bleef aan de oude gebruiken, door de voorvaderen gevolgd. De beweging op het pad van den vooruitgang, die overal in Indië wordt waargenomen, ging gauwer bij de Parsi's dan bij de Hindoes. Die laatsten hebben er gewoonlijk niet veel ooren naar; al hebben reeds velen van hen van de westersche gewoonten overgenomen wat hun van nut kan zijn om uitstekende ambtenaren te worden, of geletterden en geleerden, er zijn weinigen, die zoo volledig als de Parsi's onze gebruiken aannemen en onze wijze van zien.

Een der invloedrijkste organen, die voor maatschappelijke hervormingen pleitten bij de Parsi's, is de Rast Goftar geweest, of de Waarheidsvriend, geleid door den betreurden Kabraji; vijftig jaren lang is hij het hoofd van den vooruitgang geweest en heeft zijn blad gemaakt tot een strijdperk voor alle groote vragen. Er werden leerrijke discussies in gehouden. In de kolommen van het orgaan zag men, met hoeveel tegenzin de Parsi's ertoe zijn overgegaan, met de Europeanen te zamen, het middagmaal te gebruiken en messen en vorken ter hand te nemen; hoe de vrouwen ertoe zijn gekomen, den hoofddoek weg te laten, die haar haren bedekte, schoenen te dragen, parapluies te bezigen enz. enz. Wat het aan de vrouwen gegeven onderwijs aangaat, de tegenstand, dien men daarbij te overwinnen had, was aanvankelijk even heftig, als thans de ingenomenheid groot is.

En verder, wat komt er voor den Parsi zijn kleeding op aan, zoolang hij de voorschriften van zijn godsdienst opvolgt? Inderdaad stelt hij in dien godsdienst zijn trots; die geeft den Parsi zijn beteekenis en wekt sympathie voor het volk. De geschiedenis van een kleine buitenlandsche gemeente, afgezonderd levende eeuwen lang te midden der bevolking van Gudsjerat, zou maar matige belangstelling wekken, als die kleine gemeente niet de houdster was van de heilige boeken van een der machtigste volken uit de oude wereld, de Perzen, en als ze niet vroom en trouw haar ouden eeredienst had bewaard en de voorschriften van zedelijkheid en wijsbegeerte van Zoroaster, haar profeet en leidsman. De plechtigheden in de kerk zijn schoon en eenvoudig; ze hinderen op geen wijze de geesten, die het meest afkeerig zijn van bijgeloovige gebruiken, evenmin als het ritueel, dat nog gelijk is aan dat uit vervlogen eeuwen, waardoor het, ofschoon schijnbaar weinig samengesteld, moeilijk te verklaren is voor wie het wil bestudeeren of het verleden bij het tegenwoordige wil doen aansluiten.

Sommige ceremoniën, die vroeger plaats hadden enkel in de tegenwoordigheid van leden der gemeenschap, worden nu in het openbaar uitgevoerd, en de niet-aanhanger van Zoroaster's leer wordt er als gast genoodigd. Die plechtigheden zijn de bekleeding met de kenteekenen en het huwelijk.

De bekleeding met de gewijde kenteekenen, den gordel of kusti, en het hemd of sudrah, die, om zoo te zeggen, de liverei van den aanhanger van Zoroaster zijn, heeft in het algemeen plaats, als het kind, een jongen of een meisje, zeven jaar en drie maanden oud is; ze kan worden uitgesteld tot veertien jaar en drie maanden, maar nooit langer. Van het oogenblik der bekleeding af wordt het kind lid van de gemeenschap der Parsi's, een trouw aanhanger van den goeden godsdienst en een leerling van den profeet. De eenvoudige en treffende plechtigheid, wordt gevierd in de gezinnen. De candidaat wordt, nadat hij een bad heeft genomen, gebracht in het vertrek, waar zich de priesters en de bloedverwanten met de genoodigden bevinden. De dienstdoende priester, omringd door zijn op een tapijt gehurkte leerlingen, doet hem neerzitten op een laag stoeltje en bekleedt hem met het gewijde hemd, terwijl hij zijn geloof in Zoroaster betuigt; daarna doet hij den nieuweling opstaan en achter hem staande, slaat hij den nieuweling den gewijden gordel om, dien de aanhanger van Zoroaster nooit meer mag afleggen. De dienstdoende priester zegt dan een gebed op ter eere van de waarheid, de eerlijkheid en de reinheid, en brengt op het voorhoofd van het kind een weinig rood poeder aan; eindelijk legt hij den nieuweling een krans om den hals en legt hem coconoten in de hand en betel met nog eenige zilverstukken, die onder de priesters zullen worden verdeeld.

De plechtigheid, die nauwelijks een uur duurt, heeft onder het diepste zwijgen plaats en eindigt met een dankgebed en een zegening. De bloedverwanten en genoodigden nemen vervolgens deel aan een feest, en rijken en armen doen op zulk een dag groote uitgaven.

Het huwelijk wordt bij de Parsi's hoog in eer gehouden. Niemand heeft het recht, zich eraan te onttrekken; hun heilige boeken spreken luide de voorkeur uit voor een getrouwd man boven een ongehuwde, en de ouders van een jong meisje begaan een groote zonde, als ze haar niet op een passenden leeftijd uithuwelijken. Wat de keus der echtgenooten betreft, die kan niet geschieden buiten de gemeenschap om, en oudtijds moest men bij voorkeur een lid kiezen uit de leden van dezelfde familie, vooral de germain-neven waren gezocht. Tegenwoordig treft men voorbeelden aan van ongetrouwde heeren en van oude jongejuffrouwen en ook van huwelijken met menschen, die geen aanhangers van het geloof van Zoroaster zijn. Het is een feit, al is het niet naar den zin van de orthodoxe partij. Na mijn vertrek heeft zich de vraag naar huwelijken buiten de gemeenschap en het geloof reeds weer eenige malen voorgedaan.

Bij de Parsi's is het huwelijk niet als bij de Hindoes een plechtigheid, waarvan de contracteerende partijen in de meeste gevallen den ernst in het geheel niet inzien. De mode van vroege verlovingen en huwelijken, waarbij zeer jonge kinderen werden verbonden, die nauwelijks tot oordeelen in staat waren, heeft lang onder de Parsi's heerschappij gevoerd; maar men is daarna een tegenovergestelden weg ingeslagen, en het is mij voorgekomen, dat mannen en vrouwen thans trouwen in ongeveer gelijke omstandigheden als in Europa. De uitwendige praal is zuiver hindoesch gebleven, ofschoon de gebeden uit hun eigen heilige geschriften worden genomen.

De plechtigheid begint op het oogenblik van zonsondergang. De mannen nemen plaats op stoelen en banken, die gerangschikt staan onder veranda's of in den tuin aan weerszijden van den openbaren weg tegenover de woning van den bruidegom. Het inwendige van het huis wordt voor de vrouwen afgezonderd. Alle genoodigden hebben hun mooiste pakjes aangetrokken; de mannen de statige, lange, witte jas; de vrouwen hun lichtste gewaden, zonder haar juweelen te vergeten. Kort vóór het vertrek van den optocht, die zich naar de bruid begeeft, komen, zoo wil het gebruik, de vriendinnen van de laatste aan den bruidegom de geschenken aanbieden op een blad, dat de moeder van het jonge meisje in haar rechterhand draagt. Is die plicht vervuld, dan komt de afgevaardigde haastig terug, en nadat aan de gasten geurige bouquetten zijn aangeboden en fleschjes rozewater en kleine driehoekige pakjes, bestaande uit een betelblad en een noot, gewikkeld in een stukje bladgoud, wordt de stoet gevormd en begeeft zich naar het huis der verloofde met muziek, waarbij er soms twee orkesten zijn, een nationaal en een europeesch, die tegelijk spelen. De bruidegom, naast wien de dienstdoende priester, gaat voorop, gevolgd door de ouders en de genoodigden, mannen en vrouwen.

Als de nacht is aangebroken, wordt de huwelijksplechtigheid voltrokken, die gewoonlijk plaats heeft in een vertrek van de eerste verdieping. De tegenover elkaar gezeten bruid en bruidegom zijn gescheiden door een gordijn van dunne stof, waarvan de uiteinden samengeknoopt zijn met een dubbelen knoop; daarna omsluiten de priesters onder het opzeggen van gebeden het paar zevenmaal met een touwtje; bij den zevenden rondgang wordt het touwtje zevenmaal toegeknoopt boven de gevouwen handen der echtgenooten, evenals boven den dubbelen knoop der uiteinden van het gordijn, dat hen omhult. Als dat gedaan is, wordt er op het vuur wierook gebrand in een metalen vaas, en met een vlugge beweging laat men het gordijn vallen. De jonggehuwden, aan wie rijstkorrels zijn ter hand gesteld, haasten zich, die elkander toe te werpen onder de toejuichingen der aanwezigen en gaan dan naast elkaar zitten, terwijl de dienstdoende priester den Heer smeekt, hen te zegenen met een groot aantal kinderen en hun een lang leven te gunnen, een teedere liefde in het hart, een bestaan van minstens honderdvijftig jaren, enz.

Daarna wordt aan de echtgenooten hun toestemming gevraagd, en als die is geschonken, zeggen de priesters weer andere gebeden op. Het is afgeloopen, het huwelijk is gesloten en is onverbrekelijk; de getuigen teekenen een stuk, dat in het register wordt geschreven door een bijzonderen griffier.

De feestelijkheden worden door de mannen tot laat in den nacht voortgezet; de vrouwen gaan vroeger naar huis. Er is bij de huwelijken van de Parsi's altijd veel muziek en rumoer. Ik heb meer dan tien huwelijken bijgewoond, zoowel in Bombay als in Gudsjerat, en ik ben er altijd van teruggekeerd met voldoening, maar zeer vermoeid, behalve een keer in een eenvoudig gezin in een kleine provinciestad, waar alles ouderwetsch en bescheiden was ingericht, waar inlandsche muziek speelde, en de maaltijd op banaanbladeren werd voorgediend. De Parsi houdt van luidruchtige feesten, en de rijkste dames zien er geen bezwaar in, te voet in den optocht mee te gaan, die zich naar het huis der verloofde begeeft. Voor reizigers is het overigens gemakkelijk die feesten bij te wonen, hetzij in particuliere woningen, hetzij in de baghs of zalen voor dergelijke feestelijke bijeenkomsten.

Wij hebben zoo juist gezien, dat alle godsdienstige plechtigheden van het huwelijk plaats hebben in het huis der bruid. Dat is, omdat de tempel alleen wordt gebruikt voor den eeredienst en voor het onderhouden van het vuur. De aanhangers van de leer van Zoroaster, het is vaak gezegd, en men kan het niet genoeg herhalen, aanbidden slechts een onzienlijken God van hooge moraliteit; maar het vuur neemt bij den dienst in hun heiligdommen een eereplaats in, omdat het is het zuiverste van de door de godheid geschapen elementen, een soort goddelijke emanatie, en de vrome vereering, die eraan wordt gewijd, heeft men gemakkelijk voor een soort van afgodendienst kunnen aanzien. De tempel, waar het heilige vuur wordt bewaard, dat symbool van het geloof van den Parsi, dat hun zoo lang ten onrechte den naam van "vuuraanbidder" heeft bezorgd, is streng gesloten voor de niet-geloovigen; de heiligste van die tempels heet Atash Bahrams; er zijn er vier te Bombay. De andere plaatsen des gebeds bedragen in geheel Indië een aantal van 150. Sommige hebben rijk versierde gevels; oudtijds onderscheidden ze zich niet van de andere huizen.

Wat de begrafenisplechtigheden aangaat, ze hebben volkomen hun ouderwetsch karakter behouden; ten allen tijde is een der karakteristieke trekken van de kleine gemeenschap geweest de manier, waarop ze met de lijken handelde en haar vreemde gewoonte, de dooden over te laten aan de roofvogels op akelige stellages van steenen, omringd door muren, zooals men vinden kan in al hun vestigingen. Te Bombay verrijzen die sombere kerkhoven op den top van den mooien heuvel Malabar Hill; dakhmans heeten ze met het oude woord, of Torens des Zwijgens, als men de dichterlijke uitdrukking bezigt, die uitgevonden is door mevrouw Postans, een reizigster uit het begin der negentiende eeuw. "De Parsi's," zegt zij, "kunnen als aanbidders van de elementen hun dooden noch begraven noch verbranden; ze brengen de lijken onder weegeklaag en tranen naar de Torens van het Zwijgen, om daar de prooi te worden van adelaar en gier". Het is inderdaad een voorschrift van de Avesta, die wil, dat men de dooden op verheven plaatsen brengt, om ze over te laten aan de verscheurende dieren van het geslacht der gieren.

Die torens ten getale van zeven zijn gebouwd te midden van prachtig onderhouden tuinen en worden verborgen door boschjes van palmen. Van een kleinen tempel dicht bij de ingangspoort van den grooten Toren heeft men een prachtig gezicht op de stad en de reede, met de keten van het gebergte der Ghats aan den horizon. Dat is voorzeker een der mooiste panorama's ter wereld, en het doet iemand vergeten, welk treurig werk niet ver van daar door roofvogels wordt verricht.

II.

Bij Parsische boeren.--Patriarchaal leven te Umbargaon.--De aankomst der Parsi's in Indië in de achtste eeuw.--Landbouwers en kooplieden van spiritualiën.--Zelfde godsdienstige verplichtingen als de stedelingen.--Te Nargol.--Het moderne dorp Sanjan.--Uitstapje naar den tempel van Udvada.--Het heilige vuur en zijn dienst.

Den 18den December vertrokken wij van Bombay naar Gudsjerat, mijn moeder en ik, om de herinneringen op te zoeken van de komst der Parsi's in Indië. Gudsjerat bestaat uit vijf engelsche districten, een zeker aantal inlandsche staten, waarvan de belangrijkste die is van den Gikwar van Baroda, en het schiereiland Kathiawar. Wij waren voornemens, een deel te exploreeren van het gebied, dat zich langs de zee uitstrekt. Onze eerste etappe werd bepaald naar Umbargaon, haven van het district Thana, vier mijlen ten westen van liet station Vevji aan de lijn van Noord-Indië.

De plaats was gunstig gelegen om van daar uitstapjes te maken en de parsische dorpen te bezoeken, waarvan enkele nog de eerste vestigingen voorstellen van de perzische uitgewekenen. We hadden aanbevelingsbrieven bij ons van den gouverneur van Bombay voor de "Collectors", dat zijn de engelsch-indische ambtenaren aan het hoofd van elk district, en van den heer Malabari voor de vrienden, die ons zouden herbergen in de kleine plaatsen. We hadden zorg gedragen niet te vergeten zijn boek: "Gudsjerat en de Gudsjeraten", de beste gids om land en volk te leeren kennen. Wij vormden een vroolijk groepje met de kinderen van onzen gastheer, die zich voorstelden een prettige Kerstvacantie te genieten ver van het rumoer en de warmte der stad, en als eenig personeel namen we hun mahrattischen bediende mee en onzen knecht, een geboren christen uit Pondichéry, dien wij negen maanden in onzen dienst hebben gehouden.

We namen een morgentrein; ons compartiment, dat voor de inlandsche vrouwen was afgezonderd, was reeds ingenomen door parsische en mohammedaansche vrouwen met haar kinderen en meiden, een gezelschap, dat soms wat luidruchtig was, maar niet weinig interessant voor vreemde dames, die het inlandsche leven wenschten te leeren kennen.

De spoorweg bedient de aardige stations van het eiland Salsette, sierlijk in het groen gelegen, en komt dan op vasten grond te Bassein Road, nadat hij een zee-arm over twee bruggen is overgestoken. Tot onze groote verbazing haastten zich onze gezellinnen, toen we de bruggen passeerden, naar de vensters, en trouw aan een plaatselijk bijgeloof, wierpen ze coconoten in de golven, om een booze zeegodheid te kalmeeren, die, schijnt het, dagelijks als schatting een zeker aantal hoofden voor zich opeischt! Van de bruggen ziet men op de grijze profielen van het portugeesche fort Bassein, dat zoo merkwaardig blijft in zijn verlatenheid.

De reiziger vindt gemakkelijk in de herinneringen, opgeroepen door de kerken met ingestorte daken en de kloosters, overgroeid door kokos- en andere palmen, de reden voor den val van de heerschappij der Portugeezen, de groote bouwers van kathedralen en forten, die naar Indië gekomen om er specerijen te zoeken en er te koloniseeren, er niet anders achterlieten dan ruïnen en een ras van kleurlingen. In den omtrek zijn overal in het veld instortende forten verspreid en onbewoonde kloosters en kasteelen. Weldra begint de streek der vlakten, bedekt met rechtstammige palmen, waar palmwijn uit wordt getrokken, en dan arecapalmen, welker kostbare noten tot balletjes gewreven worden en door de inboorlingen, mannen en vrouwen, worden gekauwd bij den maaltijd.

Aan het station van Vevji-Road, 28 mijlen van Bombay verwijderd, wachtte ons een Parsi, onze vriend, inspecteur van de rebia, om ons naar Umbargaon te geleiden met de rijtuigjes van het land, de ossenkarretjes of ghada's, zware houten machines, beschut door een linnen kap van rood of geel bedrukte stof, en voorzien van matrassen, waar de reiziger op gaat liggen. De koetsier, die vooraan gezeten is op een plankje, spoort zijn ossen, die zeboes zijn, aan. De dieren zijn stevig ingespannen en bedekt met dekkleeden; ze worden met de zweep gekitteld of krijgen een schop of worden wreed aan de staarten getrokken.

Onze dieren draafden over een uitstekenden weg, die door de velden was aangelegd, en het dorp Umbargaon daagt eindelijk op met boomgroepen en troepjes boeren en kudden, opgehoopt bij huizen met rieten daken. Het huis van den inspecteur, aan het marktplein gelegen, ziet naar de zee; het was een mooie woning, van steen opgetrokken in twee verdiepingen, met een ruim portaal. De eerste verdieping vertoonde ruime, luchtige zalen, en een deel van het huis was bewoond door den heer des huizes, terwijl een ander gedeelte door het personeel der administratie werd ingenomen. In een bergplaats stonden de kisten, die het kasgeld in metaal bevatten en de geweren, geladen en wel, om tegen de smokkelaars te worden gebruikt. Onze jonge vrienden van de familie uit Malabar zullen daar verblijven; wat ons betreft, wij zullen bezit gaan nemen van de bungalow, die te onzer beschikking was gesteld.

Die bungalow is het huis, dat gereserveerd is voor den eersten ambtenaar van het district, als hij zijn dienstreizen maakt; te Umbargaon staat het huis op het marktplein bij de duinen met een veranda er omheen en is verdeeld in twee vertrekken van een gemiddelde hoogte van acht meter. De wanden zijn bleekgroen geschilderd, de luiken, deuren en kozijnen zijn roodbruin van een sombere tint, die de kleur van onze gerechtszalen zonderling nabij komt. Daar installeert zich de collector, die er voor zorgt, bedden, tapijten, een cantine, koffers enz. enz. zelf mee te nemen... Na deze beschrijving behoeft men nooit meer te spreken van de weelde der engelsch-indische ambtenaren! Ik wensch aan de welmeenende critici, die vinden, dat ze het te goed hebben, de gelegenheid om hun leven te deelen. Ons ameublement bestond uit onze beide bedden, eigenlijk indische veldbedden, niet meer dan een kader van gevlochten riet op vier pooten, twee leunstoelen en een groote tafel.

Bij onze aankomst was het zeer druk in de plaats; een deel van het dorp maakte jacht op een buffel, die uit de kudde was ontvlucht en in dolle vaart wolken stof opjoeg. Een eenvoudig ijzerdraad scheidde ons van die rumoerige wereld, zonder voor ons een waarborg te wezen tegen de bezoeken van honden en jakhalzen, noch tegen de familiariteiten van de kraaien, die plaag van Indië. Vóór ons lag een lange rij palmen, hier en daar afgebroken door groepen hutten; rechts lag de weg naar Vevji; links het dorp en zijn put, de sociëteit der huisvrouwen en der godsdienstige bedelaars; achter ons strekte zich het strand uit met de golvende duinen. Hier zou een twaalftal dagen ons _home_ wezen en zoo ver zou onze horizon zich uitstrekken. Toen het avond was geworden, rolden wij, bij gebrek aan sloten, twee zware steenen tegen onze deur, en onze bediende zou slapen onder de veranda met de soldaten, die geacht worden ons te beschermen; maar onze beste bescherming was per slot van rekening de eerbied, dien de collector inboezemt en de vrees voor de geweren van onzen buurman.
