Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname
Part 12
[De bereidinge van het Cassave Brood.] Haar gewoonlijk Brood is eene zekere platte Koeke tamelijk lekker, die zy Cassave noemen, gemaakt van de Manioc-wortel. Het word op deze wijze gemaakt; de wortel, hoe wel zy zomtijds is van de dikte der dije, word gemakkelijk uit d’ aarde gerukt. Men schrapt haar terstond met een Mes, om af te schillen eene kleine, harde huit die haar bedekt, en dan raspt men haar, met een platte raspe van yzer of van koper, van goede grote: en men perst het Meel dat ’er afkomt in eenen lijnen zak, of in langwerpige koussen, of zakken, behendiglijk gevlogten van biezen, of Latanie-bladeren, door de hand der Karaïbanen, om ’er het zap uit te drukken. De Wilden, eer men haar van deze raspen hadde gebragt, gebruikten in plaatze van dit, zekere harde kartelige steenen, die op hare stranden worden gevonden; zy zijn onze puim-steenen gelijk. Als de vogtigheid van den Manioc wel uitgetrokken is, laat men het Meel door eene zeve gaan, en zonder het te mengen met eenige vogtigheid, werpt men het op een Plaat, die zomtijds maar van aarde is, waar onder men vuur stookt. Als het van d’ eene zijde is gebakken, keert men het op d’ andere. En als het genoeg gebakken is, legt men het in de Zon, om het nog harder te doen worden, en op dat het beter zoude konnen bewaart worden, maakt men het gewoonlijk niet dikker als een pink, en zomtijds minder, na de zinlijkheid van d’ Inwoonderen. Het blijft verscheide Maanden goed. Maar om het best te bevinden, moet men het eten eenen dag of twe oud zijnde. Daar zijn ’er die het om ons gewoonlijk Brood niet zouden willen verlaten. En dit is een wonder, dat van een wortel zo zorgelijk van hare nature, men door de konst zulk een uitstekend voedzel kan trekken.
[Van de Maïs.] Men maakt ook eene andere zoorte van Brood met Spaans koren, dat men Maïs noemt. Eenige eten ook in plaatze van Brood de wortel Patate genaamt.
[Wat hare allergemeenste Spijzen zijn.] Wat betreft d’ andere leef-togten die de Karaïbanen gebruiken, hare allergemeenste Spijzen zijn d’ Echdisschen, de Vis van alle zoorten, uit gezondert de Schild-padden; en de Moes-kruiden, gelijk de Kool, d’ Erweten, en de Bonen. Maar haar allergewoonlijkste eten zijn Krabben wel gezuivert van hare schelpen, en geroostert in haar eigen vet, en met zap van Citroenen en Pyman, die zy ongemeen beminnen, en waar mede zy alle zaucen vervullen. Niettemin als zy Europeanen ontfangen, zijn zy ’er zo verkwistende niet af; en zy schikken haar hier in na den smaak van deze, door eene behaaglijkheid en bescheidentheid die niet al te Wild-aardig is. Het binnenste van de Krabbe noemen zy Taumaly: en hier af is het dat zy hare gewoonlijkste honger-verwekkende Spijze maken met water, met Mouchache of fijn Meel van Manioc, en geweldig veel Pyman. Voor het laaste geregt gebruiken zy Vrugten, gelijk wy. En gewoonlijk genoegen zy haar met Vijgen, met Bananien, of met Ananas. Indien zy Vlees of gezoute dingen eten, dat is alleenlijk door behaaglijkheid tot de Vremdelingen, om niet overlastig te vallen aan die haar ontfangen; en om te gemoete te komen de gene die haar gaan bezoeken. Want als dan, bereiden zy ten meesten dele Spijze na de smaak van deze. En hier in is het dat men moet toe geven, dat zy nimmer Zout, Verkens-vlees, nog Schild-padde, nog Lamantin eten.
[Hoe hare drank bereid werd.] Belangende haren drank, even als in vele gewesten van Amerika, de zelve Granen van Maïs die dienen om Brood af te maken, worden gebruikt tot de mengeling van eenen drank die plaatze houd van Wijn: en gelijk wy onder ons, van de zelve koren Granen die ons Brood verschaffen, ook Bier brouwen; zo mede in deze Eilanden, met de wortelen van Pataten en van Manioc, die tot Brood verstrekken, maakt men dranken, die gewoon zijn in dat Land. Den eersten en allergemeensten die gemaakt word van Pataten in water gekookt, is Maby genaamt. Hy verfrist en verslaat den dorst verwonderlijk, en hy heeft ook eene graagmakende kragt, die alle het slijmagtigheden van de lage delen doet af-zetten. Van waar komt dat men niemant der gener die hem gebruiken van Graveel hoort klagen. Den anderen drank die men Ouïcoú noemt word gemaakt met de Cassave zelf, desgelijks in water gezoden. Men laat hem door een Teems lopen, die de Wilden Hibichet noemen. Dees drank is uitnemender als de Maby, en verschilt weinig van het Bier in verwe, en in kragt. d’ Indianen maken hem geweldig aangenaam, maar daar-en-boven van zodanig eene kragt dat zo men hem te veel in neemt, maakt hy dronken als Wijn. Zy maken hem van Cassave wel geroost op de Plate, dan gekneet door de Vrouwen, en gegoten in Vaten vol water: alwaar, na ontrent twe dagen door zijne eigene kragt, zonder vuur, gelijk de nieuwe Wijn doet, gewrogt en gekookt te hebben; men vervolgens hem met instorting door een Teems laat lopen. En het zap dat men ’er aftrekt twe andere dagen bewaart zijnde, word in zijne volkomentheid gevonden om gedronken te worden. Voorts, om deze mengeling te doen koken, legt men in het Vat twe of drie wortelen van Pataten, wel klein geraspt. En het is waar dat deze gewoonte die de Wilden waarnemen, van de Cassave te brijzelen eer men haar in het Vat werpt, zo walgelijk als mogelijk is: maar ook is het vast en zeker, dat de drank die ’er op deze wijze af word gemaakt, onvergelijkelijk beter is als den genen die anders gemaakt word.
[Verzameling van de Wijn de Palm.] Boven deze dranken, maakt men nog in verscheide plaatzen wellustige Wijnen. De Negeren, die Slaven op deze Eilanden zijn, maken in-snijdingen in de Doornige-palm-bomen, waar uit druipt eene zekere vogtigheid den witten Wijn gelijk, dewelke zy verzamelen in verscheide Kalebassen die zy hegten aan d’ openingen van deze Bomen, die ’er yder op elken dag twe pinten af geven, en zomtijds meer. d’ Aller-oudste Schrijveren leren ons dat onder d’ Oosterlingen de Wijn van de Palmen geweldig in gebruik was, gelijk hy ’er nog heden is: Men dient ’er zig ook mede in eenige gewesten van Afrika, gelijk in Monomotapa.
[Bananien drank.] Dat meer is, zy maken met Bananien eenen anderen drank, die ook elders word gevonden, en die eenige Couscou noemen. Maar om dat deze Wijn, hoewel zeer aangenaam en vol van kragt, grote winderigheden veroorzaakt, zo is hy weinig in gebruik.
[Klugtig onthaal dat zy doen aan die haar gaan bezoeken.] De Karaïbanen der Zuiderlijke vaste Kust, onthalen hare Gasten op eene geweldige klugtige wijze. Want de Cacikes van de Karaïbanen, geleid den genen die hem komt bezoeken, in het openbaar Huis, zonder eenigzins te spreken; dan bied men hem een Stoel en Tabak aan, en men laat hem aldus eenigen tijd zonder een woord te zeggen, tot dat hy wat gerust, en zelf ge-eindigt heeft van zijn Tabak te zuigen. Dan nadert de Cacikes, en vraagt hem of hy gekomen is? d’ Ander antwoordende, dat ja, zo gaat hy by hem zitten, en onderhoud hem. Daar na komen die van het gemeen, hem op de zelve wijze vragende, of hy gekomen is? En hem t’ eten aangeboden hebbende, onderhouden zy ook elkander geweldig vermakelijk. Maar als zy Europeanen ontfangen, die het stilswijgen zo lange niet kunnen bewaren, dan spreken zy tot haar, en onderhouden haar van stonden aan, gelijk wy gezegt hebben, haar schikkende na de zinlijkheden van d’ andere, en doen, om hun te behagen, tegen de regelen van hare eigene plegtigheden.
Maar het Gastmaal dat zy willen houden is voortaan bereid; laat ons dan zien hoe dat zy haar daar [Tafel en geregten die zy aan de Vreemdelingen geven.] in bestieren. Zy geven aan yder zijne kleine Tafel, en zijne geregten alleen. Eenige brengen gebakkene Echdissen; d’ andere gesnerkte Krabben; eenige Moeskruiden; en andere Vrugten, enz. Gedurende de Maaltijd, onderhouden zy u en dienen u met eene verwonderlijke zorgvuldigheid. Men zoude haar geen groter vermaak konnen aandoen als wel te eten en te drinken, en zy houden niet op u daar zeer minlijk toe te prangen, met u wel te drinken te schenken, en agt te nemen of ydere Tafel wel voorzien is. Men moet als men drinkt niet in de kroes laten, indien men haar niet misnoegen wil. Dat zo gy alle de Cassave die zy u gegeven hebben niet kunt op eten, moet gy het overschot by u steken, en mede dragen; anders zoud gy haar kwalijk verpligten.
Na de Maaltijd, geleiden de Karaïbanen u uit wandelen in hare byzondere Huizen, en Tuinen, tonen u hare Wapenen, hare zinlijkheden, en hare snuisterijen; en geven u geschenken van Vrugten, of van eenige kleine werken op hare wijze gemaakt.
[Voor de beleeftheit die zy gedaan hebben moet ook iets geven.] Maar dit zoude eene onbehoorlijke onbeleeftheid wezen deze goede lieden te gaan bezoeken, en van hare milde hand t’ ontfangen, zonder haar ook met iets te beschenken. Daarom is het dat de vremden die haar gaan bezien, altijd eenige granen van Glas-koraal of van Kristal by haar hebben, of eenige Vishaken, Naalden, Spellen, of kleine Messen, en andere kleine snuisteringen. En op het einde van de Maaltijd, leggen zy op de kleine Tafel, waar aan zy gegeten hebben, eenige van deze dingen. Die het Gastmaal hebben bereid, houden haar hondert malen vergolden, en betonen ’er een grote voldoening voor, en eene onvergelijkelijke erkentenisse.
[Maaltijden waar in de Karaïbanen de Raads-besluiten van den Oorlog nemen.] Het is gemeenlijk in hare algemene Maaltijden dat de Karaïbanen de Raads-besluiten van hare Oorlogen nemen. Maar om te komen tot t’ ontlediging van de Raads-plegingen harer Oorlogen; als zy beginnen de herzenen verhit te hebben door hare drank, komt eene oude Vrouw in hare vergadering treden met een klagend gebaar, en een droevig gelaat, en met de tranen in d’ oogen, verzoekt zy gehoor. Het gene haar ligtelijk word toegestaan ter oorzake van d’ eerbiedigheid en het ontzag dat men tot haren ouderdom draagt: met eene klagende stemme, en doorbroken met zugten, vertoont zy de schade die de gehele Natie heeft ontfangen van d’ Arouâges, hare oude en voornaamste Vyanden. En na dat zy eene optellinge heeft gedaan van de grootste wreedheden, die zy ten anderen tijde tegens de Karaïbanen hebben geoeffent, en van de dappere Mannen die zy hebben gedood, of gevangen genomen in de Veldslagen, die gegeven zijn tusschen haar, zo daalt zy byzonderlijk af tot die verschelijk zijn gevangen, vermoort en gegeten, in de laaste ontmoetingen; en eindelijk zy besluit, dat dit in hare Natie eene schadelijke en onverdragelijke lafhertigheid zoude wezen, indien zy de wrake van zo vele kwalen niet namen; navolgende de kloekmoedigheid van hare Voorzaten, strijdbare Karaïbanen, die niets in grotere gebiedenisse hebben gehad als reden te vorderen van de beledingen die men haar hadde gedaan: En die, na dat zy hadden afgeschut, het juk dat de Geweldenaren haar wilden opleggen om hare oude vryheid dienstbaar te maken, zo dikmalen hare overwinlijke Wapen hebben gevoert op de gronden van hare Vyanden, die zy hebben vervolgt met de Pijle en het vuur tot op hare hoogste Bergen, haar hebbende gedwongen te verschuilen in de holen van d’ allerdiepste Afgronden, in de geopende kloven der Steen-rotzen, en in de yslijkheid van d’ allerdigtste en dikste Wouden: met zulk eene gelukkige uitkomste, dat zelf tegenwoordig zy niet te voorschijn zouden derven komen op de Kusten van hare zeën, ende en zouden zulk eene afgelegene woonplaatze niet konnen vinden daar zy haar beschutten mogten tegen d’ aanvallen van de Karaïbanen; de schrik en de vervaartheid haar hebbende vervult na zodanige grote overwinningen. Dat men dan moediglijk dit spoor moet volgen, en zig niet vermoeijen, voor dat dit Vyandelijk geslagt, t’ eenemaal is uitgeroeit.
[Gesprek van de Hoofdman over de Oorlogs-zaken.] Alzo ras als het gesprek van d’ oude Vrouw geeindigt is, redeneert de Hoofdman op het zelve onderworpzel, om de geesten nog meer te bewegen, waar na men de gantsche vergadering als uit eene mond op zijne voorstelling ziet toestemmen, en alle zoorten van teikenen geven, dat zy de Geregtigheid van de zake erkennen. En van dien oogenblijk aan, geprikkelt zijnde door de woorden, die zy verstaan hebben, zo snakken zy niet als na bloed en moord. De Hoofd-man, wel oordelende door de toejuiging, en door hare mijnen en toedraging, dat zy tot den Oorlog besluit, hoewel zy het niet zegt door hare woorden, zo maakt hy, ter zelver uure de schikking, en bepaalt den tijd van d’ onderwinding door eenige van hare wijzen van tellen. Want als zy ten Oorlog moeten gaan, en haar bereid moeten vinden aan d’ algemene wijkplaats, ten gestelde dagen, nemen zy yder d’ een na d’ ander even gelijk getal van Erweten, in hare gehoude by-een-komste, gelijk drie of vier tien getallen, en eenig getal onder de tien indien het nodig is, na dat zy beraadslaagt hebben haren aanslag te vorderen. Zy storten deze Erweten in eene kleine Kalebasse, en elken uchtent nemen zy ’er een af, en werpen hem weg; als ’er nu geen meer overschieten, dit is te zeggen dat de vast gestelde tijd tot het vertrek is vervallen, en dat men zig bereid moet maken om des anderendaags voort te trekken. Of anders, zy doen yder zo vele knopen in eene kleine koorde, en ontknopen ’er eenen op yderen dag: en als zy tot de laaste gekomen zijn, laten zy haar op de wijkplaats vinden. Zomtijds ook nemen zy kleine stukjes hout, op de welke zy zo vele kerven maken, als zy dagen willen besteden tot hare toebereiding. Alle dagen snijden zy eene van deze teikenen af: en als zy de laaste hebben, begeven zy haar op d’ aangewezene plaatze.
[Bereidinge ten Oorlog.] Van des anderendaags van deze vergadering, zo ziet en hoort men in alle kwartieren van het Land, niet anders als de toerustingen tot den Oorlog. Eenige maken hare Bogen glad; andere maken hare knodzen gereed; andere bereiden, slijpen en vergiftigen hare Pijlen; andere, eindelijk, stellen en vaardigen hare Pirauges. De Vrouwen aan hare zijde, bereiden en verzamelen de noodzakelijke leeftogten voor het Leger. En op den verschenen dag laat yder hem vinden zonder missen op den Oever van de zee, met zijne gehele toerusting, om in te schepen.
Zy voorzien hun alle met eenen goeden Boog, en met eenen dikken tros van Pijlen die gemaakt zijn van een zeker klein glad Riet, aan het einde gewapent met een yzer, of met een been uit een Rochestaart, getant, en uit muntende steklig. De Karaïbanen voegen aan de hare, om haar ontzaglijker te maken, nog een vergif ten alleruiterste doodelijk, gemengt met zap van Mansenillien, en andere vergiften; de minste schrabbinge die zy geven, is eene doodelijke wonde. Zy dragen ook yder dat swaart van hout dat zy Boutou noemen, of om beter te zeggen, die swaarwigtige knodze die by haar de plaatze van het swaart bekleed, en waar mede zy verwonderlijk schermen.
[Grote verwoedheid indien zy Veldslag leveren.] Als zy malkanderen een opentlijke Veldslag leveren, zo is het kwalijk te geloven wat een schrikkelijke en verwoede grote battalie dat zy houden, even eens of ’er een Donderslag in de wolken, die zy Canopo noemen, gehoort wierde. Wijzende malkanderen de gebeentens der dooden, en der zilver bekkenelen. En de tanden harer Vyanden, die eenige hele snoeren vol meer als twe ellen lang, aan de hals hebben hangen; stellende zig zo gruwelijk aan dat men zig daar voor ontzetten zoude.
Schietende de wraak gierige Pijlen zo menigvuldig onder malkanderen, dat het schijnt of ’t een menigte Muggen zijn. Trekkende uit liefde de gewonde malkanderen de Pijlen, met grote moet en gretigheid, uit de borst of gekwetste huit; daar in bijtende als gulzige honger balgende Honden, latende niet na tot verlies der Vyanden zo lang zy adem-halen konnen; zo dat men nooit gehoort heeft, dat deze anders lafhertige guilen ligtelijk geweken zijn.
Indien zy iemant van hare Vyanden levendig mogen krijgen; binden zy hem, en voeren hem gevankelijk [Zorgvuldigheid die ze dragen voor hun dooden of gekwetsten.] in hare Plaatzen. Dat zo iemant van haar Volk dood of gekwetst op het Oorlogs-veld nederstort, dit zoude haar een eeuwig en onverdraaglijk verwijt zijn, dat zy hem zouden laten in het vermogen van hare Vyanden. En daarom werpen zy haar als razende in het midden van d’ allergrootste gevaarlijkheden; en met bukkende hoofde doordringen zy met een gemeen geweld alles wat haar wederstand bied, om de lighamen van hare medegezellen op te nemen, en die met kragt uit de handen van hare Vyanden hebbende gerukt, gaan haar in hunne Schepen brengen.
[Vreugde-geschreeuw indien zy d’ overwinning hebben.] De Karaïbanen genoegen haar, indien zy d’ overwinning hebben gehad, dat zy een vreugde-geschreeuw aanvangen op de doode lighamen van d’ Aroüages, en op hare stranden met gejuig de tonen van hare vrolijkheid te doen klinken, om dit Vyandelijk land nog te beswaren, eer zy ’er afscheiden. Maar na dat zy op dezen uitheemschen bodem een gedeelte van hare zege-pralende liederen hebben uitgestort, zo klimmen zy weder neerstelijk in hare Schepen, om het overschot in den schoot van hun Vaderland te brengen.
[Onthaal aan hare Oorlogs-gevangenen.] De rampzalige die by de Karaïbanen op een krijgstogt gevangen genomen worden, zitten omtrent drie weken opgesloten en ook geboeid; gedurende welke tijd dat zy hem van goede spijs en drank verzorgen. Ondertusschen houden zy haar gedurig bezig, om in deze bekommerlijke staat wat tijd passering te hebben, met een Pagaal of Bennetje te maken; werdende by de nagt bewaakt. En tegens dat iemant van de zelve door verbrandinge ter dood gedoemt word, zo bereiden de Vrouwen een menigte van drank, Pernou genaamt. Onthalende de elendige deftig met spijs en drank, op dat hy dog sterk en dapper ter dood mogte gaan. Op de nademiddag, tot een voorbereiding, word deze zukkelaar als tot een spot zijn ’er geslagte van ’t eene Huis in ’t ander te zien geleid; by welke gelegentheid hy wel onverwagt een slag op ’t hoofd krijgt, dat daar het bloed by nederloopt; bijtende den miesserabele toe, uwe Vrienden hebben ’t aan de onze ook wel gedaan. De Zon aan het duiken der kimmen zijnde, vraagt een Kapitein aan de gevangene of hy de Zon nog wel ziet? waar op de bedroefde ja geantwoord hebbende: Antwoord de Kapitein gy zult hem niet weder zien; zijnde dit dan in ’t geheel zijn vonnis. Waar op de Patient zegt, het lot is tegenwoordig op my gevallen, dog mijne Vrienden zullen ook wel ter eeniger tijd by u komen, en rekenschap eischen van de tormenten die gy my staat aan te doen, maar dit moeit my dat ik sterven moet zonder wraak over mijn dood te konnen nemen. Met den avond langen zy hem weder eten en drinken zo veel hy begeert, brengende een iegelijk het hem al eens toe; daar na binden zy hem de handen op de rug, en aan yder voet een touw, by haar Mussurana genaamt. Ondertusschen hebben de genodigde Schouw-speelder zig aldaar vervoegt, elk voorzien met een Maquary of Sweep, zijnde met een zeker zoort van goed bestreken, het welk de hoedanigheid van Pek heeft, op dat het dies te beter zoude branden. Daar op begint men ’s avonds omtrent zeven uuren rondom en binnen het Huis vuur te maken, waar na de gevangene in ’t midden zijn ’er Vyanden gesteld zijnde, word door den Oudsten Kapitein een groot misbaar bedreven, schreeuwende luit keels, uw Volk heeft van mijne Vrienden gekregen en hem zodanig gehandelt. Hier op stoot een yder, die hem kan bereiken, met deze brandende Sweep tors op de huit en in ’t gezigt, wordende alzo gemartilariseert; en ook met de touwen, by andere Iwerapemme, getrokken. Stoppende de Wijven hem het agter fondament zijns lighaams toe; gevende hun in middels korte verpozinge om iets by zig zelven te komen, drinkende in middels eens om. Nagaans neemt elk een Mes, en snijden een yder een stuk na zijn welgevallen uit de gevangen zijn lijf, en andere hem de beenen en armen af passende, alzo elk wat te raken. De tong en herssenen zijn voor de Jongens, het afgesnede vlees word gekookt en in de Peper-pot gedaan, en op zijn tijd, uit wraakgerigheid onder malkanderen gegeten, roepende de elendige, uw komt alle ongelukken over aan mijn etende lijfs-kost, ik zal uw nog heden dezen dag de kop stukken slaan, mijner Vrienden dood te wreken: ben ik hier gekomen, uw vlees zal eer de Zon ondergaat aan dezen dag mijn gebraad zijn.
Men ziet in Amerika Wilden die zo wild en zo beestelijk zijn, dat zy niet weten wat het Huwelijk voor een zaak is, maar zy vermengen haar zonder onderscheid, [Huwelijken der Karaïbanen.] gelijk de beesten. Maar als de Karaïbanen begeren te Trouwen hebben zy regt om alle hare naaste Nigten te verkiezen, en niet anders te zeggen als dat zy haar tot hare Vrouwen nemen; zy zijn haar natuurlijk toegeschikt, en zy mogen haar in hare Huizen mede brengen zonder andere Plegtigheid; en van als dan worden zy voor hare wettige Vrouwen gehouden. Zy hebben zo vele Vrouwen als het haar behaagt: Boven al de Hoofd-mannen verheerlijken haar hier in dat zy ’er vele hebben. Voor yder Vrouwen bouwen zy een byzondere Hutte; en wonen zo langen tijd als zy willen met die haar de meeste behaagt, zonder dat ’er d’ andere minne-nijdig op zijn. Die, met de welke zy zijn, dient haar met eene onvergelijkelijke zorge en genegentheid.
Hare Mannen beminnen haar geweldig: maar deze liefde is als een vuur van stroo, aangezien zy haar dikwils alzo ligt verlaten als zy haar aannemen; zy verlaten evenwel hare eerste Vrouw zeer zelden, voornamentlijk als zy ’er Kinderen uit hebben geteelt.
[Nemen ook Vrouwen die ze in den Oorlog verovert hebben.] Wanneer zy eenige Oorlogs-gevangenen hebben die haar behagen, dan nemen zy haar tot Vrouwen. Maar hoewel de Kinderen die uit haar geboren worden vry zijn, zo worden zy wat haar aangaat, altijd voor Slavinnen gehouden. Alle de Vrouwen spreken met wie zy willen: Maar de Man derft hem niet onderhouden met d’ Ouderen van zijne Vrouwe, als in buiten gewone gelegentheden.
[Geboorte harer Kinderen.] Men ziet onder deze arme Indianen weinig gewoonten die zo beestelijk zijn, als die zy gebruiken in de Geboorte van hare Kinderen. Hare Vrouwen baren zonder grote moeite; en zo zy eenige swarigheid gevoelen, nemen zy haren toevlugt tot de wortel van Bieze, waar uit zy het zap drukken, en dat gedronken hebbende, zijn zy terstond verlost. Zomtijds op den zelven dag van hare baring, gaan zy haar met haar Kind afwasschen, in de naast-gelegene Riviere of Spring-ader; en begeven haar weder tot het gewoonlijk werk van het Huis-houden.
[Waar over de Man in ’t Kraambed gaat leggen.] Ter zelver tijd als de Vrouwe verlost is gaat de Man in ’t bedde leggen, om hem te beklagen en den gelegenen te maken: gewoonte, die hoewel zy wild en belachelijk is, niettemin gevonden word, na men zegt; onder de Boeren in eene Provintie van Vrankrijk; en zy noemen dat faire la Couvade. Maar het gene moeijelijk valt voor den armen Karaïbaan, die hem te bedde heeft begeven in de plaatze van de Kraam-vrouwe, dat is, dat men tien of twaalf dagen agter een zobertjes, en zieke-lieden kost doet eten, hem op yder dag niet meer gevende als een klein stukje van de Cassave, en een weinig water, in het welke men ook een weinig van dit Wortel-brood heeft doen koken. Daar na eet hy een weinig meer: maar hy tast de Cassave die hem aangeboden word niet aan, als by het midden gedurende de veertig dagen, en latende de randen geheel die hy ophangt aan zijne hutte, om te dienen tot het Gastmaal dat hy in het gevolg gewoonlijk voor alle zijne Vrienden aanregt. En zelf hy speent hem hier na, zomtijds tien Maanden, of een geheel Jaar, van verscheide spijzen, gelijk van de Lamantin, van de Schild-padde, van Verkens-vlees, van Hoenderen, van Vis, en van andere lekkere dingen: vrezende door eene erbarmelijke dwaasheid, dat dit schadelijk aan het Kind zoude wezen. Maar zy houden deze grote Vasten niet als op de geboorte van haar eerste Kind: want op die van d’andere, zijn hare Vasten by-verre zo gestreng niet, en veel korter, wezende gemeenlijk niet als van vier of vijf dagen ten hoogsten.