Part 4
Niet alzoo oordeelden zijne stadgenooten, wier Regering reeds lang gepeinsd had op het meest gepaste middel, om den grijsaard, nog bij zijn leven, een blijk te geven van hunne hoogachting en vereering. Mr. J. Scheltema had daartoe in 1818 reeds een wenk gegeven, en gewenscht, dat men zulk een bewijs van belangstelling, deze hulde van dankbaarheid en eerbied, niet zou verschuiven tot na 's mans overlijden, maar hem zelven nog mogt toebrengen, ten einde ook daardoor den stillen avond van den welbesteden dag des levens te veraangenamen en te verhelderen. Het geviel dan, dat de Burgemeester van Franeker, namens den Stedelijken Raad, daarover kwam spreken met den Gouverneur, Jhr. Aebinga van Humalda. Deze vernam dit oogmerk met veel genoegen, en keurde het niet alleen volkomen goed, maar trachtte het bezwaar, omtrent het vinden der kosten, in eens op te heffen, door te bepalen, dat de hulde aan Eisinga zou toegebragt worden door de stad Franeker, doch dat hij, als oudste vriend, dorpsgenoot en schoolmakker en niet minder als vereerder van den grijsaard, verzocht of aanbood, om uit zijne eigene fondsen de kosten daarvan te dragen [27].
Volgaarne werd dit aanbod aangenomen, en bepaald, dat het blijk van vereering zou bestaan in de vervaardiging van een afbeeldsel van Eisinga, hetwelk geplaatst zou worden in de Raadzaal van het Stadshuis te Franeker. De uitvoering daarvan werd opgedragen aan den beroemden schilder Willem Bartel van der Kooi, den veeljarigen vriend en vereerder van Eisinga, die nu al de kracht van zijn uitstekend kunsttalent scheen te ontwikkelen, om de waarde van dit gedenkstuk te verhoogen. In een levensgroot kniestuk stelde hij den grijzen denker voor, gezeten in een leuningstoel aan eene tafel, waarop de door hem vervaardigde teekening ligt van de groote zon-eklips van den 7den September 1820; terwijl het kleine Planetarium ter linkerzijde nevens hem staat en de achtergrond de afbeelding bevat van de kamer, waarin zich het groote Planetarium bevindt, welks stand juist die is van den 10den April 1827. Dit uitvoerig en meesterlijk behandelde tafereel werd gevat in een eenvoudig schoone lijst, waarboven de smaakvolle schenker de volgende kernachtige woorden van Horatius liet plaatsen:
ARCES ATTIGIT IGNEAS.
Hij bereikte de vurige kasteelen des lichts.
Dit kostelijk gedenkstuk was aan Eisinga en aan Franeker toegedacht; en de 13de November 1827, de dag, waarop het hem zou worden toegeëigend, was een feestdag voor deze stad. Nadat de schilderij was opgehangen, vergaderde de Stedelijke Raad, waartoe ook Eisinga behoorde. Door eene commissie, bestaande uit de heeren Dr. J. Banga en Mr. J. W. de Crane, werd nu Jhr. I. Aebinga van Humalda afgehaald en binnengeleid, waarna hij het pronkstuk, dat, nu ontdekt, zich in al zijn glans vertoonde, ten geschenke aanbood, ten einde der Raadzaal tot een blijvend sieraad en den grooten man ten duurzaam vereerend gedenkteeken voor tijdgenoot en nakomeling te strekken. Hij deed dit met de volgende hartelijke en schoone toespraak:
"Edel Achtbare Heeren! Toen ik ruim een jaar geleden uit den mond van den Heer Burgemeester uwer stad het voornemen van UEA., om een duurzaam en openlijk blijk van achting en hulde aan uwen Eisinga en diens schrander vernuft daar te stellen, mogt vernemen, moest natuurlijk bij mij de wensch ontstaan, om ook het mijne daartoe aan te brengen. Niets konde mij derhalve welgevalliger zijn, dan dat UEA. het voorstel, te dien einde door mij aan Zijn Ed. gedaan, gereedelijk tot mijne blijdschap geliefdet aan te nemen.
Immers, ik herinnerde mij met een dankbaar gevoel aan de gelukkige jaren, welke ik ten tijde van een vorig geslacht aan de vermaarde Hoogeschool in deze stad doorbragt, werwaarts men niet alleen uit alle hoeken van ons Nederland, maar uit de verste streken van Europa en andere werelddeelen opkwam, om wetenschap te halen; en waar ter plaatse de geleerdheid zich nog boven het lot der tijden moedig blijft verheffen.
Ik dacht aan de gelegenheid, welke mij nog eens hierdoor stond geboren te worden, om te toonen, hoe zeer mij alles, wat den roem van ons Friesland verhoogt, steeds ter harte gaat: een roem, waaraan Franeker zoo rijkelijk toebrengt.
Ik beschouwde het oogenblik als met verlangen, wanneer ik uwe Stad, plegtig en hartelijk, de verzekering van de hooge achting zoude geven, welke mij bezielt. Maar waartoe deze verzekering? Het is U, Mijne Heeren! bekend, wat ik gedaan heb ter bevordering van hare belangen. [28]
Ontvangt dan, Edel Achtbare Heeren! dit geschenk van mijne hand tot een aandenken van mijne erkentelijke genegenheid. Dat het uwe Raadzaal versiere, en dat elk aanschouwer den grooten man bewondere en eerbiedige! Een bijzonder genoegen intusschen is het mij, U, Eise Eisinga! hier te kunnen begroeten. Gij zult in de hulde, U nu toegebragt, geen ijdel droombeeld, zoo als trotsche grooten gewoon zijn aan te nemen, vinden. Neen, maar uwe nederigheid zal er toch wel in willen opmerken, eene innige begeerte van uwe stadgenooten, om, nog lang na dezen tijd, het levendig Afbeeldsel van eenen beminden en waardigen Medeburger te bezitten.
Ik huldig U met eerbied, en ben grootsch op U, als mijn dorpsgenoot en schoolmakker van vroegere jaren. Uw leven blijve nog lang gespaard, totdat gij het geluk zult deelachtig worden van het groote werk der schepping in al zijn omvang van nabij te beschouwen!
In het algemeen, Mijne Heeren! ik bedank U voor de menigvuldige blijken van welwillende genegenheid en vertrouwen aan mij bewezen; ik bewaar die in mijn hart, en ik zal mijne achting voor U voegen bij die, welke gij met regt van uwe ingezetenen ontvangt.
Het ga uwe stad altijd voorspoedig!
Wel mogen ze varen, die haar beminnen!"
Deze treffende toespraak van den grijzen staatsman werd namens den Raad, met welmeenende betuigingen van erkentelijkheid beantwoord door den Burgemeester I. de Swart, die Jhr. van Humalda en den geheelen Raad vervolgens te zijnen huize onthaalde, en allen eene aangename gelegenheid schonk, om dezen feestdag verder door te brengen in gezellige vrolijkheid, vol gevoel van eerbiedige dankbaarheid jegens den edelen Frieschen Maecenas en van hartelijke deelneming in de bedaarde vergenoegdheid des braven grijsaards, die dezen dag onder de gelukkigste zijns levens telde. [29]
Dat leven van Eisinga, zoo rijk aan zorg en inspanning, maar nog rijker aan wetenschappelijk genot, aan eerbetoon en aan de volkomenste bevrediging van al zijne billijke wenschen en verwachtingen, spoedde nu weldra ten einde. Zacht ontsliep hij in den morgen van den 27sten Augustus 1828, den ouderdom van 84 jaren en 6 maanden bereikt hebbende. Naar zijne begeerte werd zijn stoffelijk deel op het kerkhof van zijne geboorteplaats Dronrijp in de ouderlijke grafstede begraven.
Die rustplaats werd weder gedekt met den zelfden steen, welke het vroeger vermelde grafschrift zijns vaders bevatte. Vreemd was het echter, dat men bleef verzuimen, daarbij een tweede grafschrift voor zijn grooten zoon te voegen. Het plan van Jhr. van Humalda, om hierin te voorzien, bleef ten gevolge van zijn overlijden, in 1834, onvolvoerd [30]. Nog in 1841 uitte Prof. de Crane den wensch, dat dáár eerlang een eenvoudig schoon gedenkteeken den wandelaar aan zijne rustplaats en zijne verdiensten mogt herinneren. Het was voor het Friesch Genootschap van geschied-, oudheid- en taalkunde bewaard, dit verzuim te herstellen, en der nagedachtenis van Eisinga eene hulde toe te brengen, waarop zijne verdiensten regt hadden. Op voorstel van den heer J. van Leeuwen werd dan op den 12den April 1845, nadat op de vermelde grafzerk alleen den naam tot herkenning was gesteld, in den muur der schoone dorpskerk van Dronrijp, naast den hoofdingang en nevens het familiegraf, een groote steen geplaatst, bevattende tusschen eenvoudig lof- en lijstwerk het volgende opschrift:
Hulde aan EISE EISINGA, uitvinder en vervaardiger van het beroemd PLANETARIUM te Franeker; geboren te Dronrijp den 21 Februarij 1744, overleden te Franeker den 27 Augustus 1828, op dit kerkhof begraven; toegebragt door het Friesch Genootschap van Geschied-, Oudheid- en Taalkunde, MDCCCXLIV.
Ik heb hiermede de voorgestelde taak, zoo kort en zakelijk als mij moogelijk was, ten einde gebragt [31]. Baart het altijd een groot genot, wanneer het ons vergund wordt de verdiensten van een groot man in het licht te stellen en zijner nagedachtenis de hulde onzer vereeniging toe te brengen,--hier ging de vermelding van Eisinga's leven gepaard met de herinnering aan mannen, wier nagedachtenis mij dierbaar is als het onvergankelijke gevoel van vriendschap en geestverwantschap. Ja, Humalda en De Crane, Brouwer, Sannes en Van der Kooi, ook zij, die Eisinga om strijd hunne hulde bragten, hebben Friesland tot eer en roem verstrekt, en wij, die met allen vriendschappelijk hebben omgegaan en thans tot hunne nakomelingschap behooren, hebben de denkbeelden en gevoelens van die grijsaards opgevangen, om die onder een volgend geslacht voort te planten. Onbepaald was hun eerbied en lof voor het kunstgewrocht van Eisinga; maar zij paarden daaraan eene wijze voorzigtigheid of voorzigtige wijsheid, die ook wij niet onopgemerkt moeten laten, willen wij hem naar waarheid vereeren en niet door overdreven lof onteeren. Mogten zij het al betreuren, dat de éénige wensch van Eisinga onvervuld was gebleven, om elders een meer volkomen Planetarium te stichten; zij verloren, evenmin als Van Swinden (vooral aan het slot der Opdragt), uit het oog, dat voor zijn persoon en dit kunstwerk de grootste eer dáárin was gelegen: dat hij, onder ongunstige omstandigheden en met zeer beperkte middelen, een grootsch doel had weten te bereiken;--en bijzonder, dat bekrompenheid van tijd en vooral van ruimte, bij den ongeschikten toestand van zijn huis, zijn geest gescherpt en een vernuft en bekwaamheid ontwikkeld had, welke, in de vinding en schikking der stukken en de hoogste eenvoudigheid der uitvoering, groote bezwaren hadden overwonnen. Dáárdoor toch had hij blijken van een bijzonder genie voor de werktuigkunde gegeven en de meeste bewondering verworven. Die opvatting werd steeds te veel uit het oog verloren; en daarom zou Eisinga zijne eer weinig vermeerderd hebben, al had hij ook later elders het volkomenste Planetarium op de grootste schaal mogen tot stand brengen. Eene andere opvatting bedreigde zelfs de wetenschappelijke beoefening van de sterrekunde in Friesland met eene verkeerde rigting. Want vele begaafde liefhebbers, vele bewonderaars van den sterrenhemel, die Eisinga, op grond van den roem van zijn Planetarium, voor een groot Astronoom hielden, werden daardoor in den waan gebragt, dat het vervaardigen van een dergelijk werktuig de schoonste eerekroon voor den sterrekundige ware. Naar de eer jagende, welke zij van eene zoodanige zamenstelling verwachtten, verspilden zij alzoo tijd en vermogen, en sloegen zij den weg niet in, die de eenige is, welke tot de sterrekunde leidt. Verscheidene, anders verdienstelijke personen zou ik kunnen noemen, die op deze misvatting schipbreuk hebben geleden, en daardoor verzuimden kunde en waarneming vruchtbaar te maken aan de wetenschap, waartoe bij zoo velen in deze provincie werkelijk de aanleg aanwezig is.
Eisinga's kunstgewrocht heeft nu langer dan 70 jaren een gunstigen invloed gehad op veler duizenden voorstelling van den loop der hemelligchamen. Dat het dien invloed duurzaam behouden en geene verkeerde opvatting of naijver opwekken moge, is mijn hartelijke wensch. Ook daarom nam ik gaarne laatst vermelde aanmerking op, welke mij is medegedeeld door dien geachten deskundige, welke mij ook door zijne hulp en raad bij de bezorging van dezen derden druk verpligt heeft, doch die verlangde daarbij niet genoemd te worden. Op ons allen rust toch de dure verpligting, om Eisinga's eer en roem duurzaam tegen miskenning en overdrijving te handhaven en die in het belang der wetenschap te heiligen voor volgende geslachten.
Leeuwarden, den 5 Januarij 1851.
W. EEKHOFF.
OPDRAGT VAN DEN EERSTEN DRUK DEZER BESCHRIJVING, AAN DEN WELEDELEN HEER Mr S. P. VAN SWINDEN, J. U. D. ADVOCAAT VOOR DEN HOVE VAN HOLLAND.
Waarde Broeder!
Zie hier eene Beschrijving, welke, zoo ik hoop, de gevoelens van verwondering, door welke ik, op het zien van het kunststuk van den Vroedsman Eisinga, ben aangedaan geweest, en die in de brieven, welke ik u over dit onderwerp geschreven heb, zeer sterk doorstraalden, ten volle zal billijken. Die verwondering echter, welverre van door den tijd te slijten, is, daar ik nu het stuk dóór en dóór ken, nog grooter, dan zij in den beginne was.
Twee redenen hebben mij aangezet, om deze Beschrijving in 't licht te geven. Vooreerst, omdat het mij is voorgekomen, dat Eisinga ten hoogste verdient, wegens zijn vindingrijk vernuft en bijzondere vermogens voor de werktuigkunde, overal bekend te worden. De Engelschen roemen te regt op eenen Harrison, een timmerman, die eensklaps, door zijn vernuft, een der grootste werktuigkundigen geworden is, en, tot zijn geluk, op een stuk viel, waardoor hij zich verrijkt heeft [32]. Zij prijzen hemelhoog eenen Ferguson, die, maar een boer zijnde, zich op de werktuigkunde toegelegd, en daarin groote vorderingen gemaakt heeft [33]. Waarom dan zouden de Friezen zich niet, met evenveel reden, beroemen op eenen Fries, die, in dergelijke omstandigheden, niet minder vernuft en kundigheden heeft getoond te bezitten, en die, ten opzigte zijner vermogens in die stukken, voor velen niet behoeft te wijken? Geen ander middel, om dit te weeg te brengen, was er in mijne magt, dan het werk te beschrijven, en den maker door hetzelve aan het algemeen te doen kennen. Met dit te doen, heb ik aan den pligt van een geletterd persoon voldaan, die niets, dat tot bevordering van kunsten en wetenschappen dienen kan, verwaarloozen mag; en ik meen dien van een goed burger niet te verzuimen, met iemand, die tot roem strekt der stad, in welke ik leef, zoo veel ik kan bekend te maken. Dit doe ik nu, naar mijne vermogens, ten opzigte van ons land, door deze Beschrijving; dit heb ik reeds ten opzigte van het buitenland gedaan, door eene korte schets van dit kunststuk aan de Akademie der wetenschappen te Brussel, aan Zijne Excellentie den heer prins van Gallitzin, aan den vermaarden heer De Luc te Londen, aan den beroemden vader Copte te Montmorenci, en aan den heer Gaussen te Montpellier toe te zenden. Uit deze Beschrijving zult gij kunnen opmaken, of die schetsen, welke gij voor het afzenden gelezen hebt, genoegzaam naauwkeurig waren. Niets, dan gebrek aan tijd, heeft mij belet, dit overheerlijk stuk, tot nu toe, aan mijne correspondenten te Parijs, te Petersburg, in Duitschland, Zwitserland en Italië mede bekend te maken. Meer te doen tot aankweeking van vernuft en nuttige bekwaamheden, is buiten mijn bereik. Vergeldingen van eenen anderen aard, hangen van mij niet af.
Bij deze reden, die bij mij veel gewigts heeft, omdat zij met het denkbeeld van pligt gepaard gaat, voegt zich nog eene andere: het nut, namelijk, dergenen, die liefhebberij hebben, om het kunststuk te bezigtigen. Mijne eigene ondervinding heeft mij doen besluiten, dat het niet mogelijk is, alles grondig na te gaan, ten zij men eerst wete, wat men behoort te zien, en op welke stukken men zijne aandacht vooral behoort te vestigen. Gij begrijpt wel, dat ik hier niet van sterrekundigen spreek: aangaande deze kan ik uit mijne ondervinding niets besluiten; ik spreek alleen van dezulken, die, zoo als wij beiden, enkel uit liefhebberij iets van de sterrekunde verstaan, en voor wien het derhalve noodig is, dat ieder stuk afzonderlijk ontwikkeld worde om het te beter in zijnen zamenhang te onderscheiden.
Hoewel ik verscheidene planetaria, en van verschillende soorten, gezien heb, en mijne gedachten weleens over dergelijke stukken heb laten gaan, zoo als gij u misschien herinneren zult, dat ik u reeds voor vele jaren eene schets van een zeer eenvoudig planetarium gezonden heb; hoewel ik ook verscheidene werken over die stof heb doorbladerd, moet ik echter bekennen, dat, toen ik het kunststuk van Eisinga, met twee mijner ambtgenooten en vrienden, op den 22 Februarij 1780, voor de eerstemaal bezigtigde, ik daartoe wel twee uren besteedde, en in eene wezenlijke verrukking over deszelfs fraaiheid vervoerd was geworden, ik echter op verre na niet alles volkomen had ingezien. Ik was door de veelvuldigheid der stukken, en misschien door de verwondering, als overstelpt. Te huis gekomen zijnde, ging ik alles na; teekende het aanmerkelijkste op; liet mijne gedachten over dergelijke werktuigen gaan; las verscheidene schrijvers, om, zoo veel mij doenlijk was, de innerlijke waardij van het stuk, naar vereisch, te overwegen, zelfs afzonderlijk van de omstandigheden des makers. Dit overdenkende, bleek het mij niet mogelijk te zijn, dat ik alles volmaakt gezien had: want ik bevond, dat hij, die bekwaam geweest was, om hetgene, dat ik wel gezien had, te maken, voorzeker vernufts genoeg gehad moest hebben, om verder te gaan, en dingen te vervaardigen, welke ik dacht dat ontbraken, omdat ik mij niet herinnerde, dezelve gezien te hebben. Ik stelde dan eenige gedachten en vragen op, ten deele ook, om mij daardoor in staat te stellen, om in het vervolg met meerder grond over dit stuk te kunnen spreken. Kort daarna, namelijk den 13 Maart, bekwam ik met eenige goede vrienden de gelegenheid, om hetzelve nader te beschouwen, waartoe wederom eenige uren besteed werden; toen vernam ik inderdaad, dat mij de eerste reize, niettegenstaande mijne aandacht en oplettendheid, vrij wat ontglipt was; ik bespeurde, wat ik gemeend had te ontbreken; ik ontdekte nieuwe fraaiheden; en waarlijk, toen ik, eenigen tijd daarna, het stuk voor de derdemaal bezag, bevond ik nog niet alles opgemerkt te hebben. Het is dus niet dan door herhaalde gesprekken en beschouwingen, dat ik alles volkomen heb leeren kennen. Wat mij gebeurd is, kan anderen, die zich, door hun beroep, niet meer dan ik op de sterrekunde hebben toegelegd, ook wel gebeuren, en dit konde den roem van het kunststuk benadeelen. Dit oordeelde ik noodig te voorkomen; en dit konde ik, dacht mij, gevoegelijk doen, door den staat van het geheele kunststuk naauwkeurig te beschrijven. Dit was te meer noodig, omdat er eenige dingen, en welverre de vernuftigste, in gevonden worden, van welke men het fraaije niet kan opmerken, zonder vooraf onderrigt te zijn. Men ziet, bij voorbeeld, de Maanwijzers; doch men ziet in den eersten opslag niet, en dit is het gewigtigste, dat zij zich, om de ongeregelde beweging der Maan te volgen, met eene zeer ongelijkvormige snelheid bewegen. Dit wordt men eerst gewaar, óf met de bewegingen van die wijzers, als het kunststuk met de kruk bewogen wordt, zeer aandachtig en opzettelijk na te gaan; óf wanneer men het raderwerk, hetwelk de maker ook laat zien en geheel uitlegt, beschouwt, zoodat men uit deszelfs schikking besluiten moet, dat de snelheid der wijzers inderdaad ongelijkvormig is.
Voor het overige, mijne beschrijving is niet opgesierd. Ik heb getrouwelijk beschreven, wat ik gezien heb. Zijn er, die twijfelen, of alles wel zoo is; ik geef hun gerust tot antwoord: komt en ziet; en ik houd mij verzekerd, dat zij, na eene naauwkeurige en aandachtige beschouwing, overtuigd zullen zijn, dat dit kunststuk niet alleen fraai is, in aanmerking van de omstandigheden des makers; maar dat het, in zich zelf en in het afgetrokkene beschouwd, overheerlijk schoon, en tot vertooning der verschijnselen ongemeen geschikt is.
Het kunststuk is, uitgenomen eenige dingen, die nog geschilderd en verguld moeten worden, voltooid. Ik heb het beschreven, alsof het reeds naar het bestek geschilderd ware. De maker, die niet minder zedig dan vernuftig is, zal gaarne alle onderrigtingen, welke men hem zal willen geven, zoo veel mogelijk, in acht nemen. De bezigheden van zijn beroep hebben den uitvinder nog niet toegelaten, het schilderen, vergulden enz. in het werk te stellen; doch hij heeft voorgenomen, de maanden Augustus en September van dit jaar daartoe te besteden. Gedurende dien tijd zal het kunststuk niet wel aan liefhebbers kunnen vertoond worden.
Mijne beschrijving is veel langer geworden, dan ik in den beginne gedacht had. De voorname oorzaak daarvan is zekerlijk het vermaak, hetwelk ik in het opstellen ondervonden heb. Hoe aangenaam is het voor iemand, die niet geheel ongevoelig is, de vermogens, door Gods goedheid aan des menschen verstand geschonken, na te gaan! Hoe verrukkend is het gewaar te worden, hoe de grootste zwarigheden voor een groot vernuft als kaf verdwijnen! en hoe men, door eenvoudige middelen, wanneer men eenen daartoe geschikten geest bezit, de meest zamengestelde stukken kan vervaardigen! Naarmate ik ieder stuk in zijne wezenlijke waardij leerde kennen, voelde ik mijne achting voor den maker aangroeijen, en mijne blijdschap vermeerderen, van deze gelegenheid, om vorderingen in eenige deelen der werktuigkunde te maken, bekomen te hebben: want ik kan u niet ontveinzen (en al konde ik, waarom zou ik het toch doen?), dat ik uit de vinding en schikking der stukken in dit werktuig, en uit de redeneringen, die den maker daartoe gebragt hebben, veel geleerd heb, vooral in hetgene, dat men te regt eenvoudigheid, om iets uit te voeren, noemen kan. De eenvoudigheid der middelen, welke men gebruikt, om zamengestelde uitwerkselen voort te brengen, is het eigenaardig kenmerk der groote geesten, even als van de natuur. Deze aangename genietingen zijn echter somtijds door één éénig denkbeeld wat gestoord geworden. Wat is het te beklagen, zeide ik in mij zelven, dat die man zich niet van der jeugd af op de werktuigkunde, en hetgene daarbij behoort, heeft kunnen toeleggen! Wie weet, hoe ver hij het gebragt zoude hebben! Wie weet wat hij nog zoude kunnen doen, indien hij niet verpligt ware zich met een ander beroep bezig te houden! indien hij, even als Harrison en Ferguson, ware in staat gesteld geweest, om zich geheel op de werktuigkunde toe te leggen!
Vaarwel, waarde broeder! ontvang dit stukje met die toegenegenheid, waarmede ik het u aanbied, en wees verzekerd, dat ik met ongeveinsde achting ben en altijd blijven zal,
Uw zeer toegenegen broeder, J. H. van SWINDEN.
Franeker, den 15 Junij 1780.
BESCHRIJVING VAN EEN VOLLEDIG BEWEGELIJK HEMELS-GESTEL,
DOOR DEN HOOGLEERAAR J. H. VAN SWINDEN, UITGEGEVEN IN DEN JARE 1780.
Machina haec non contemnendi usus est, vel ipsis Astronomis, qui, unico oculi jactu, inde cognoscere possunt omnium planetarum primariorum loca, eaque, porrecto baculo, demonstrare; ut saepius, si quid quaestionis habuerint praesentes, ephemerides, in hisce minus versatis non intelligendus, taediose evolvendi et configurationes supputandi labore supersedere queant. Majori vero usui est tyronibus, qui facile ex Machinae contemplatione non contemnendam Astronomiae ideam sibi comparere valent: quae utilitas quoque ad docentem redundat, cujus labor et taedium in tradendo valde levatur: non enim facile ex parvis schematibus, in quibus nihil movetur, comprehendunt incipientes, in quo consistant Planetarum directiones, stationes, retrogressiones. Praecipuus vero ejus usus est in commendanda Astronomia Principibus et Magnatibus, quibus plerumque non conceditur tempus libros evolvendi, atque haec Sacra, diu multumque meditando, expendendi. Etc.
Dus spreekt de vermaarde Horrebow over het Planetarium van Roemer, Opera, t. III, p. 149. Zie over hetzelve § 39, 41 en volgende van dit werkje.
BESCHRIJVING VAN EEN VOLLEDIG BEWEGELIJK HEMELS-GESTEL.
INLEIDING.