Beschrijving van het Rijks-Planetarium te Franeker Van 1772 tot 1780 uitgedacht en vervaardigd door Eise Eisinga

Part 3

Chapter 33,696 wordsPublic domain

Gelukkig, dat deze daarin raad en voorlichting vroegen van den man, die het meest bevoegd was, over de zaak te oordeelen. Zij vroegen de consideratiën van Prof. van Swinden en deze voldeed zeer gaarne aan hun verzoek. Bij eene uitvoerige missive (groot 17 bladz. [19]) beantwoordde hij den 7 September 1783 de twee vragen: "of het kunststuk de zigtbare blijken der goedkeuring en deelneming van de Regering verdiende, en of die blijken ook zoodanig zouden kunnen worden gegeven, dat ook de Universiteit er nut en eere van hebbe." Hij stemt de eerste vraag toe, ten eersten, omdat dit Planetarium in zich zelf uitnemend en zonder weêrga is, dewijl er geen ander kunststuk bekend was, waarop de schikking, bewegingen en verschijnselen der hemelligchamen zóó talrijk, zóó zigtbaar en zóó naauwkeurig vertoond worden, gelijk bleek uit de vergelijking met andere werktuigen, en ook uit den hoogen lof, door buitenlandsche geleerden van den eersten rang, zelfs door Engelsche Journalisten, na het uitgeven van zijne Beschrijving hieraan toegekend.

Ten tweeden, omdat de uitvinder eene schranderheid van geest, een vernuft en verbeeldingskracht had aan den dag gelegd, welke de meeste bewondering verdienden in eene zaak, die den oppervlakkigen beschouwer het minst in het oog valt, namelijk: de kunstige zamenstelling van het Raderwerk, dat alle en zeer ongelijke bewegingen op de eenvoudigste wijze te weeg brengt, en daardoor de meest moeijelijke bezwaren der mechanica overwonnen heeft. Ja, Van Swinden betuigt, dat hij meermalen verstomd had gestaan bij het beschouwen van het geheele zamenstel der raderen, hoe zich in een man als Eisinga (zonder eenig onderwijs in de werktuigkunde genoten te hebben, zonder iemand of eenig boek te raadplegen, zonder te weten, dat er soortgelijke werktuigen bestonden, ja die vroeger nimmer op werktuigen had nagedacht) zich op eens een ongemeene mechanische geest heeft ontwikkeld, waarvan deze zich zelven niet bewust was. "Waarlijk," dus besluit hij dit punt, "hoe meer ik het kunststuk beschouw, hoe meer ik de eenvoudigheid van het raderwerk en van het geheele zamenstel bewonder, en deskundigen zijn er met mij over verwonderd geweest."--Vandaar, dat hij ten derden uitvoerig betoogt, hoe eervol het voor de Staten zoowel als voor Eisinga zou zijn, als hem (in navolging van Frankrijk, Engeland enz. die uitstekende bekwaamheden erkenden en vereerden) door de Hooge Overheid ter belooning, ter aanmoediging en ter vergoeding der zware onkosten en onbegrijpelijke moeite, eene som gelds wierd toegekend, waardoor zijne verdiensten en eere als met het zegel van den Souverein bestempeld zouden worden, tot geene geringe aansporing van vele andere Friezen, ten einde al hunne krachten en vermogens in te spannen, om den lande, de kunsten en de wetenschappen nuttig te zijn, en den roem en de eere der Friezen uit te breiden.

Maar nog grooter blijk van zijne hooge ingenomenheid met het kunststuk gaf Prof. van Swinden, toen hij, ter beantwoording van de tweede vraag, niets minder voorstelde, dan om Heeren Staten te bewegen, Eisinga uit te noodigen en in staat te stellen, om, tot roem en sieraad van de Akademie en van de stad Franeker en tot groot nut van de studenten, op Lands kosten in het Akademiegebouw een geheel nieuw en meer volmaakt Planetarium te vervaardigen dan dat, hetwelk hij naar de bekrompene ruimte van zijne woning had moeten schikken en niet wel verplaatst kon worden; alsmede, dat daarvan eene uitvoerige en met goede platen verrijkte Beschrijving op Lands kosten mogt worden uitgegeven; waardoor het nut daarvan voor de studerende jeugd bevorderd en de roem der Akademie, zoo als ook de milddadigheid en prijzenswaardige ijver der Hooge Overheid tot het aankweeken van nuttige kunsten en wetenschappen algemeen ruchtbaar en verspreid zouden worden.

Zulk een advies van den meest bevoegden beoordeelaar was voor Eisinga zeker veel meer vereerend dan het Staatsbesluit, dat dien ten gevolge den 6 Maart 1784 werd genomen. Ondanks de hooge ingenomenheid van Prof. van Swinden met het kunststuk en de krachtigste bewoordingen, om deszelfs uitstekende verdiensten aan te duiden, werd zijn laatste voorstel daarin voorbijgegaan, en, op vroeger vermelde gronden, alleen besloten: "de kundigheid en ijver van Eisinga allezins te lauderen, en hem, ten teeken van het genoegen der Staten in zijn arbeid, aan te bieden een stuk gewerkt zilvers ter zijner keuze, ter waarde van ten hoogste honderd zilveren Dukatons" (f 315).

Zeker steekt het bedrag van dit geschenk "als blijk der goedkeuring en deelneming van de hooge Overheid," sterk af bij de schatting van Prof. Van Swinden, en zou Eisinga dáárin en in de wijze, waarop het door hem gekozene zilverwerk (bestaande in eene koffijkan en theepot) hem, zonder eenige opdragt, toeëigening of geleide, door den knecht van een zilversmid aan hem werd bezorgd, redenen van kleinachting gevonden hebben,--indien hij mindere zelfgenoegzaamheid had bezeten, en als hij in de gansche behandeling van deze zaak niet reeds de blijken van den bekrompen geest van den toenmaals reeds smeulenden staatstwist had gemeend te bemerken, welke hem zoo zeer bedroefden, en later op zoo vele tranen kwamen te staan.

Het was er verre af, dat Eisinga met de voltooijing van zijn werktuig, in Mei 1781, zijn arbeid als geëindigd beschouwd zou hebben. Neen, bestendig bleef hij aan de verbetering en volmaking van het geheel werkzaam. Spoedig kwam het hem beter voor, de wijzers, welke de lichtgestalten der Maan voorstellen (onder op de pilasters van de bedschutting geplaatst), nog tegen den zolder te brengen, waar meer ruimte was om de zaak naauwkeurig voor te stellen [20]. Daar eene verplaatsing en verschikking van het geheele raderwerk dezer beweging hieraan verbonden was, volbragt hij deze verbetering met zeer veel moeite. Doch hij zette de kroon op zijn werk, door de zamenstelling van een geschrift, dat de duurzame waarde van zijn kunststuk, ook voor het nageslacht, zou verhoogen.

In November 1784 vervaardigde hij namelijk eene Naauwkeurige Beschrijving en Afteekeningen van de uitwendige vertooning en de inwendige zamenstelling van het gansche Planetarium. Dit met zorg bewerkte geschrift (groot 100 folio bladzijden) bestemde hij voor zijne zonen, aan wie hij het opdroeg, opdat zij en hunne nakomelingen na zijn overlijden in staat mogten zijn het werktuig in orde en gangbaar te houden. In zeven hoofdstukken beschreef hij, met bijvoeging van afbeeldingen, de uitwendige vertooning en de inwendige beweging van ieder ring, rad, rondsel of as, met het getal tanden, staven en bonkels en den tijd van hunnen omloop, waartoe hij elk stuk met een nommer had voorzien; hij wees hun aan, hoe alles uit elkander genomen, hersteld en ineengezet moest worden, en onderrigtte hen omtrent het vermogen van den slinger, de kracht der gewigten, en hoe sommige gedeelten van de beweging afgesloten en het geheel door het ronddraaijen van een kruk naar verkiezing bewogen kon worden enz. Met eene bewonderenswaardige naauwkeurigheid en duidelijkheid legde hij hierin het gansche zamenstel bloot en gaf hij rekenschap wáárom hij alles zóódanig had ingerigt [21]. Naar deze aanwijzingen onderhouden, vleide hij zich, dat het werktuig met zeer weinig moeite en kosten gangbaar kon blijven tot eene lengte van jaren, ja van geslachte tot geslachte.

Zóó waande de brave en verdienstelijke man, die nu alles meende verrigt te hebben wat in zijne magt stond, om den onafgebroken gang van zijn geliefkoosd en beroemd kunstwerk te verzekeren. Maar spoediger dan hij kon vermoeden, ja nog bij zijn leven, zou het stilstaan, om jaren aaneen als in vergetelheid weg te kwijnen. De vrede en rust, welke Nederland bij het genot van welvaart en eensgezindheid zoo lang had genoten, waren sedert 1780 verstoord door staatkundige geschillen en burgerlijke verdeeldheden. Ten jare 1787 hadden deze het toppunt bereikt. Franeker werd het middelpunt der beroerten, waarin de gewapende misnoegden tegen het stadhouderlijk gezag zich vereenigd hadden, en Eisinga, de stille, rustige burger, bevond zich aan het hoofd der stedelijke burgermagt, dewijl hem door Magistraat en Vroedschap, bij de jaarlijksche verdeeling van de commissiën, in dát jaar de last was op gedragen van toezigt over de zaken der Schutterij. Weldra herstelde de overmagt der Pruissische troepen het stadhouderlijk gezag; het lang versterkte Franeker werd hernomen, en--honderden Friezen vonden het geraden, huis, have en vaderland te verlaten, om alzoo door de vlugt nog grootere bezwaren te ontgaan.

Ook Eisinga deelde in dit lot. Hoezeer zijner onschuld en goede bedoelingen bewust, moest ook hij gade en kinderen verlaten, en, van zijn geliefd Planetarium verwijderd, doelloos in den vreemde rondzwerven. Daar moest hij na verloop van weinige maanden den dood zijner beminde huisvrouw beweenen, zonder dat het hem vergund was geweest haar in de laatste ure bij te staan. De opvoeding van zijne zonen moest hij aan bloedverwanten overlaten. Zijn huis werd verhuurd, zijne meubelen verkocht, en niemand sloeg acht op het stilstaande kunststuk, om welks vervaardiging hij nog kort geleden met zoo veel lof en eere gekroond was. Een tijdlang hield hij zich te Steinfort en te Gronau op, gebogen onder diepe smart. Te Enschedé verzachtte de vriendschap van den bekwamen Lambertus Nieuwenhuis, even als hij beoefenaar van de natuur- en wiskundige wetenschappen, in wiens familie hij gastvrij werd opgenomen, eenigen tijd zijn bijna onduldbaar lijden. In April 1790 waagde hij het, Gronau te verlaten, en over Koevorden en Assen naar Groningen te wandelen, waar hij wilde rondzien naar eene gelegenheid, om zich ergens als wolkammer te vestigen. Hij meende die te Visvliet, aan de Friesche grenzen, gevonden te hebben, en mogt daar bijna een jaar lang veilig wonen en zijn beroep hervatten. Doch de vijand, waarvoor hij gevlugt was, sliep niet. In het begin van April 1791 werd hij daar namens het Hof van Friesland gevat, naar het Blokhuis te Leeuwarden gevoerd, en, na een breedvoerig proces, op de beschuldiging, van als lid van het defensiewezen deelgenomen te hebben aan de oproerige bewegingen te Franeker in 1787, eerst den 27 April 1792 veroordeeld, om voor vijf jaren uit deze provincie te worden gebannen. Hij begaf zich toen weder naar Visvliet, en mogt daar vele bewijzen van ondersteunende hulp ontvangen en ook eene tweede gade vinden in Trijntje Eelkes Sickema, die vervolgens de steun en vreugde van zijn leven bleef en bij welke hij twee dochters verwekte.

De omwenteling van 1795 maakte een einde aan zijne ballingschap. Hij kwam te Franeker terug, doch vond zijn huis verhuurd aan vreemden, zoodat hij voorloopig eene andere woning moest betrekken. Eerst in het volgende jaar keerde hij in zijn huis terug, hervatte hij zijn vorig bedrijf en werd zijn Planetarium, na een stilstand en gemis aan toevoorzigt van negen jaren, weder het groote voorwerp zijner zorgen in de uren van verpoozing. Met vernieuwden lust werd het hersteld en gangbaar gemaakt, zoodat het eerlang weder ter bezigtiging van het algemeen werd opengesteld, en op nieuw, als vroeger, talrijke belangstellende bezoekers vond [22].

Onder het genot van huiselijk geluk en de welverdiende hoogachting zijner medeburgers, sleet Eisinga nu vele rustige en gelukkige jaren. Door het algemeen vertrouwen zag hij zich met de waarneming van verschillende betrekkingen vereerd. In 1797 werd hij zelfs benoemd tot Curator van 's lands Akademie te Franeker, en werkte hij ijverig mede tot herstel van deze beroemde Hoogeschool uit haren deerlijk vervallen toestand. Bestendig hield hij zich als uitspanning met sterrekundige berekeningen en werktuigen bezig. Hiervan getuigt nog een in zijne familie bewaard: Stereographisch ontwerp der Sterrenhemel, van de Noorderpool tot de 35 graden zuider-afwijking, van J. E. Bode, voor het gebruik gemakkelijk gemaakt. Hiertoe had hij deze kaart op eene draaijende schijf geplakt en van een rand voorzien, waarop de maanden en dagen uitgedrukt zijn. Daar vóór is een glas, waarop de horizont, de hoogte, de cirkels en 16 kompasstreken zijn getrokken; alles zeer geschikt, om op een bepaald tijdpunt den stand der vaste sterren te kunnen voorstellen [23].

Het laatste stuk, door hem uitgedacht en geteekend, was een klein Planetarium, waarop de loopbanen van Mercurius, Venus, de Aarde met de Maan, Mars, Jupiter en Saturnus waren geplaatst in hare betrekkelijke afstanden van de Zon, waarvan de bijzonderheden in het Aanhangsel tot de Beschrijving zijn medegedeeld.

Zijne bestendige zucht, om het Planetarium van tijd tot tijd te verbeteren, werd gevoed door een heimelijken wensch, welke steeds zijn geest vervulde en scherpte. Het was de hoop, dat het hem in de kracht zijns levens mogt gebeuren, zich in de gelegenheid gesteld te zien, om (zoo als Prof. van Swinden het eerst had voorgesteld) ergens elders op grootere schaal een veel volmaakter Planetarium zamen te stellen, waartoe hij al de vereischte berekeningen gemaakt en de ontwerpen gereed had. Hij had dien wensch meermalen te kennen gegeven, en zelfs eenmaal, als balling, zich tot de uitvoering daarvan aangeboden, slechts tot den prijs van vrij en veilig in zijn vaderlijk gewest te mogen wederkeeren; maar te vergeefs [24].

Die hoop werd verlevendigd, toen de voortreffelijke Gerrit Hesselink, Hoogleeraar bij de Doopsgezinden te Amsterdam, het Planetarium in Augustus 1800 met zóó veel belangstelling en bewondering bezigtigde, dat hij zich opgewekt vond, in de maatschappij: Felix Meritis daarover eene verhandeling voor te dragen. Deze had ten doel, om genoegzame belangstelling te verwekken, dat Eisinga uitgenoodigd zou worden, om, op kosten en in het gebouw dier Maatschappij, zulk een kunstwerk met alle gewenschte verbeteringen te vervaardigen. Die wensch werd ondersteund door den achtenswaardigen kunstminnaar J. d'Amour van Amsterdam, die, in dezelfde maand Eisinga bezoekende, hem diep getroffen zijne bewondering en dank betuigde, en eene som van duizend guldens aanbood, indien men kon besluiten Eisinga uit te noodigen, in Amsterdam een dergelijk Planetarium te vervaardigen. Doch ook deze zaak had geen gevolg.

Nog krachtiger werd die hoop verlevendigd, toen Eisinga in 1808 een bezoek ontving van den Admiraal de Winter, Marschalk van Holland, zoo als hij zich in het album betitelde. Na met zijn gevolg het kunststuk met ongemeene deelneming bezigtigd te hebben, was hij voornemens, om Koning Lodewijk, bij zijne voorgenomene reis naar Friesland, de zaak met zoo veel aandrang voor te dragen, dat de Vorst overgehaald wierde, om het vervaardigen van een vollediger Planetarium en Hemisphærium, in het gebouw der Franeker Akademie of elders, aan Eisinga op te dragen. Mogt hij hierin niet slagen, dan hoopte hij dit plan door vereenigde krachten van vele beminnaars der wetenschappen en het vaderland te verwezenlijken. Doch weder te vergeefs: de reis des Konings had geen voortgang, en latere gebeurtenissen bragten dit plan in vergetelheid. Dáárom is het bijzonder vreemd, dat bij al de bemoeijingen van het toenmalig bewind, om verdiensten en talenten op te sporen en aan te moedigen, waaraan Arjen Roelofs, Sieds Johannes Rienks and Bauke Eisma van der Bildt eereblijken en onderscheidingen te danken hadden, Eisinga werd voorbijgegaan, en dat hij zelfs niet genoemd werd in het bekende verslag van den Heer J. Meerman, Directeur-Generaal der Wetenschappen en Kunsten, van Zomermaand 1810 [25].

Welverre dat dit Eisinga, die in zedige nederigheid en zelfgenoegzaamheid zijne grootheid zich zelven bijna onbewust was, zou gekrenkt hebben. Maar aangenaam was het hem nogtans, na de heugelijke herstelling des vaderlands, in Februarij 1816 vereerd te worden met de benoeming tot Broeder der orde van den Nederlandschen Leeuw en in dat zelfde jaar tot Lid van den Stedelijken Raad;--dat Koning Willem I, die hem eerstgenoemde onderscheiding toekende, met Prins Frederik der Nederlanden den 30 Junij 1818 zijn Planetarium met een bezoek vereerde, en zich alles tot in de minste bijzonderheden liet aanwijzen, waarbij beide vorsten de moeite niet schroomden, om in de enge ruimte van het raderwerk te kruipen, vooral om de ongelijke bewegingen der maanwijzers te bezigtigen;--dat ook de Kroonprins, later Willem II, hem den 29 Julij 1820 met gelijke belangstelling bezocht, en dat Mr. Jacobus Scheltema in 1818 zijne verdiensten openlijk in het licht stelde door de uitgave van zijne Levensbeschrijving [26].

Niet minder verblijdend was het voor Eisinga, in 1824 een herdruk van van Swinden's Beschrijving van zijn Planetarium te beleven. De geleerde en smaakvolle Jan Brouwer, rustend leeraar bij de Doopsgezinden te Leeuwarden, leidde deze nieuwe uitgave bij het publiek in met eene uitvoerige Voorrede, welke sommige levensbijzonderheden vermeldde en van zijne warme ingenomenheid zoowel met Eisinga en Van Swinden als met beider arbeid getuigde. De belangrijkheid van dezen druk werd verhoogd, eensdeels door de bijvoeging van drie groote platen, het vertrek, de zoldering en de bedschutting voorstellende, door Eisinga en zijnen vriend, den schranderen Klaas Johannes Sannes, in 1820 geteekend en nu in het koper gebragt; en anderdeels door Bijvoegsels van Eisinga zelven, bevattende eene opgave van de veranderingen en verbeteringen, welke het kunststuk sedert 1780 had ondergaan, benevens eene beschrijving van de platen. Hij voegde daar achter nog een Aanhangsel betrekkelijk het kleine Planetarium, door hem uitgedacht en geteekend, en door Willem Jans Jansen, landbouwer te Dongjum, in hout vervaardigd. Bovendien werd deze uitgave versierd met het welgelijkend afbeeldsel van den eerbiedwaardigen grijsaard, door gemelden K. J. Sannes, graanhandelaar te Franeker, geteekend en door Do. J. Brouwer met een gepast bijschrift voorzien.

Was het getal bezoekers van het Planetarium in de laatst voorgaande jaren reeds aanmerkelijk toegenomen, nog meer was dit het geval, nu de herdruk van Van Swinden's Beschrijving (waarop ruim 200 personen hadden ingeteekend) in veler handen was gekomen en de algemeene aandacht op nieuw op het kunststuk had gevestigd. Streelend was het den waardigen man, bij voortduring en als bij toeneming zoo vele blijken van belangstelling te ontvangen. Deze waren ook inderdaad een opmerkelijk verschijnsel. Het tijdstip der uitvinding was ter bevordering van den bijval zeer gunstig geweest. Immers, in het midden der 18e eeuw had de beoefening van de natuurkundige wetenschappen, in het algemeen en in vergelijking van andere tijdvakken, in een staat van kwijning verkeerd. 't Was toen de gouden eeuw van natuurkundige aardigheden, der physique amusante. Maar die wetenschappen, en met name de sterrekunde, herleefden op het laatst dier eeuw met nieuwe kracht. De mécanique céleste werd beoefend en gaf aan de sterrekunde eene nieuwe rigting en hoogere vlugt. De eischen der wetenschap waren strenger, de kunst van waar te nemen was eene moeijelijke taak geworden, naarmate het veld der beschouwing zich meer uitbreidde. Want belangrijke en talrijke ontdekkingen volgden elkander op. Deze vingen aan met den jare 1781 en hielden sedert niet op, zoodat er in de jongst verloopene 70 jaren alleen 13 nieuwe planeten zijn ontdekt geworden. Het jaar 1780, waarin Van Swinden schreef en den naam van volledig Planetarium aan Eisinga's kunstwerk gaf, was alzoo het laatste jaar, waarop dit van eenig dergelijk werktuig gezegd kon worden. 't Was vervolgens toch bijna niet mogelijk, den zoo ver verwijderden nieuweling Uranus op behoorlijken afstand in het gelid der oude planeten te brengen, en nog minder de in het begin dezer eeuw ontdekte vier nieuwe planeten, wier loopbanen elkander doorkruisen en omslingeren. Toen hielden alle nabootsingen van het planetenstelsel, zouden ze den naam van volledig dragen, voor altijd op, en waren de bestaande planetaria zeer onvolledig geworden. Ook om die reden was hunne waarde in het oog van kenners zeer gedaald, en die zelfde reden was eene hinderpaal te meer geweest, om Eisinga tot de vervaardiging van een Planetarium op grootere schaal in staat te stellen.

De blijken van duurzame belangstelling, welke het Planetarium van Eisinga, in weerwil van dat alles, mogt ondervinden, waren eensdeels gegrond op den roem, dien het eens bij zijne voltooijing had verworven, en anderdeels op het mechanisme van den toestel, dat altijd belangstelling en bewondering zal verdienen. Doch het is alsof het algemeen, boven de hulde van eerbied voor zulk een kunstgewrocht van menschelijke kennis en bekwaamheid, dit Planetarium nog eene schatting van dankbaarheid toebrengt voor de diensten, welke het eens der volksverlichting heeft bewezen. Door dit middel van astronomische verzinnelijking toch heeft het stelsel van Copernicus bij het publiek gereeder ingang gevonden, is het een volksgeloof geworden en heeft het wanbegrippen verdrongen. En thans, nu het vroegere bijgeloof aangaande de betrekking der aarde tot zon en planeten geweken is, zijn de aanwijzingen van het Planetarium in volkomene overeenstemming met hetgene ieder geleerd heeft en ieder gelooft; thans is de vatbaarheid van het algemeen meer dan vroeger geschikt om de voorstelling te begrijpen, en de hooge waarde van het kunstwerk op prijs te stellen.

De kalme tevredenheid van Eisinga werd echter soms verstoord door eene grievende gedachte. Het was de vrees voor het lot van zijn geliefd kunstwerk na zijn verscheiden. Dat zijn huis dan verkocht en door vreemden bewoond zou worden, die, minder achting voedende voor kunst en wetenschap, een stuk van zooveel waarde, door stilstand en roest, zouden laten bederven, en, eenmaal verwaarloosd zijnde, eens zouden kunnen sloopen,--dit was eene mogelijkheid, waaromtrent hij, blijkens de ervaring gedurende zijne verbanning, de zekere verwachting moest voeden. Vele bezoekers deelden in die vrees, en gaven hun verlangen te kennen, dat het op eenige wijze voor kunst en wetenschap bewaard en in stand gehouden mogt worden. In genoemde voorrede had Do. Brouwer op zulk een gevreesd verlies, dat tot oneer en schande van Friesland en Nederland zou strekken, gewezen en de hoop gevoed, dat de grootmoedige belangstelling van den Koning het behoud van het kunststuk ten algemeenen nutte mogt verzekeren.

Die wenk ging niet verloren. Jhr. Idsert Aebinga van Humalda, zelf smaakvol beoefenaar en nog grooter beschermer van kunst en wetenschap, was destijds Gouverneur van Vriesland. Door zijne bemiddeling behaagde het Koning Willem I, bij besluit van den 28 December 1825, het Planetarium voor het Rijk aan te koopen. Groot was de vreugde van den waardigen grijsaard over deze eervolle beschikking. Op den 4 October 1826 begaf de Gouverneur met een Notaris en twee getuigen zich naar de woning van Eisinga, en werd daar de acte van transport geteekend, waarbij hij zijn Huis en Planetarium voor de som van tien duizend gulden aan het Rijk overdroeg, met bepaling, dat hem daarin vrije woning en 200 Gld. 's jaars voor het toezigt werd toegekend, al hetwelk vervolgens op zijnen zoon Jacobus Eisinga zou overgaan. Daarbij werd het oppertoezigt aan den tijdelijken Hoogleeraar in de Astronomie aan 's Rijks Athenæum te Franeker opgedragen. Niet lang daarna heeft Eisinga, de vader, een naburig huis betrokken, en de zoon het huis van het Planetarium.

Zóó was dan de langgevoede vrees geweken en het voortdurend bestaan van het kunststuk ten algemeenen nutte verzekerd. Zóó waren dan bijna al de wenschen van Eisinga vervuld, en kon de 81jarige man de ure der ontbinding met gerustheid tegengaan. Hij had nu geene wenschen meer, daar hij deze koninklijke gunst als de hoogste hulde beschouwde, welke hem en zijn kunstgewrocht bij zijn leven kon worden toegebragt.