Part 2
Uit zulk een geslacht, dat het voorregt bezat van het leven van den geest, met liefde voor kunst en wetenschap, in hooge mate te genieten, is Eise Jeltes of, zoo als hij zich later schreef, Eise Eisinga voortgesproten. Den 21 Februarij 1744 te Dronrijp in het huis No. 131 in de Kerkeburen geboren, werd hij door zijn vader van jongs af opgeleid zoowel in het bedrijf van wolkammer als in die wetenschappen, kunsten en liefhebberijen, welke zijnen geest bestendig vervulden en zijne rusturen veraangenaamden. Dat die zoon lust, aanleg en geschiktheid daarvoor betoonde en zich beijverde, den vader behulpzaam te zijn in al zijne verrigtingen, was dezen een onbegrijpelijk genot en eene sterke aansporing, om alles toe te brengen, wat zijne kennis en bekwaamheid kon vermeerderen. Nog zeer jong begaf hij zich nu en dan naar het naburige Franeker, ten einde van een burgerman Willem Wytses eenig onderwijs te ontvangen in het rekenen en de gronden der wiskunde. Hij doorliep bij dezen de zes eerste en de 11e en 12e boeken van Euclides en erlangde eenige opleiding in de klootsche driehoeksmeting, de kennis van het hemelstelsel, het gebruik van de astronomische tafelen en het berekenen van de eklipsen. Hoe onvolkomen dit onderwijs ook ware, mede wegens gemis aan geschikte leerboeken,--zijn ongemeene aanleg en vernuft hadden genoeg aan enkele vingerwijzingen, om het gehoorde te bewerken, uit te breiden en toe te passen, en alzoo voort te streven langs een eigen pad.
Op den ouderdom van 17 jaren had hij het geluk, in kennis te geraken met boven vermelden Wytse Foppes Dongjuma, zeer geacht Wiskundige en Instrumentmaker te Leeuwarden. Toen de aandacht der sterrekundigen bijzonder was gevestigd op het merkwaardige verschijnsel, dat de planeet Venus op den 6 Junij 1761 voorbij de schijf der Zon zou gaan, had deze instrumenten ontworpen tot het doen van naauwkeurige waarnemingen. Zelfs de lands regering trok zich deze zaak aan, en stond hem toe, deze werktuigen op staats kosten te vervaardigen en daarmede waarnemingen te doen op het destijds onbewoonde oude kasteel Camminghaburg bij Leeuwarden. Toen deze observatiën gelukkig uitvielen en Wytse Foppes daarvan in twee werkjes aan de geleerde wereld mededeeling deed [10], behaagde het Gedeputeerde Staten hem bovendien een jaargeld van 100 Daalders te vereeren, welke som daarna met nog 48 Gld. verhoogd werd.
Het mogt den jeugdigen Eisinga gebeuren deze waarnemingen bij te wonen, en aan den gunstigen en eervollen uitslag daarvan sterke aansporing te ontleenen, om zich met ijver op zijne lievelings-studiën toe te leggen. Hij deed dit werkelijk, en als de vrucht dezer oefeningen is nog lang bewaard een folio geschrift, bevattende teekeningen en berekeningen van zonnewijzers, en een dergelijke band van ruim 100 bladz., bevattende naauwkeurige berekeningen van alle Zons- en Maanverduisteringen, welke er van 1763 tot 1800 zouden plaats hebben, vergezeld van teekeningen dergene, welke te Franeker zouden zigtbaar zijn. Deze arbeid van een achttienjarig jongeling, gevoegd bij zijne berekeningen van de standplaatsen der planeten, waarvan hij bij het begin van elk jaar tafels voor elke maand vervaardigde, ten einde dienst te bewijzen bij het doen van waarnemingen, mogten later de bewondering van groote geleerden wegdragen; aangezien hij dien arbeid had volbragt, geheel onbekend met het bestaan zelfs van sterrekundige jaarboeken en tafels, waarin de vooraf berekende standplaatsen der voornaamste hemelligchamen worden opgegeven.
Zonder eenige aanspraak op lof en eere had Eisinga dit alles te Dronrijp in het ouderlijk huis verrigt, geheel in stilte, als uitspanning na volbragte dagtaak, en zonder eenig opzien te baren; zelfs zonder eenig uitzigt, dat deze studiën hem voor de toekomst van eenig ander nut en voordeel zouden zijn, dan dat zij hem bevrediging van weetlust aanboden. Hij volgde eene natuurlijke aandrift en was verder zich zelven genoeg.
Dat ouderlijk huis kon evenwel zijne bestemming niet zijn. In vier-en-twintig-jarigen ouderdom trad hij in het huwelijk met Pietje Jacobs, van Hilaard, en vestigde zich in 1768 als Wolkammer te Franeker in het huis de Ooijevaar, tegenover het Stadshuis. De wolkammerij toch bloeide daar toenmaals ongemeen, en waren er 21 saaijet-fabrijken in werking, welke honderden handen werk gaven en tonnen gouds in omloop bragten [11]. Als een stil burger, die zich met geene andere zaken dan met zijn beroep scheen bezig te houden, en die enkel jaarlijks voor zijn wolhandel eene reis naar Leiden deed, leefde hij, zonder veel verkeering met anderen en zonder door anderen opgemerkt te worden. Dit was ook een gevolg van zijn aard en karakter, dat geheel den rustigen Fries vertoonde, die, in stille ingetogenheid, bij eene afgetrokkene of geslotene geestgesteldheid, geene behoefte had aan hulp of lof van anderen. Zelfs had hij geen verkeer met personen, die de zelfde vakken beoefenden, waaraan hij zijne rusturen bestendig bleef toewijden. Niemand kon dus in hem een vernuft vermoeden, dat tot de stoutste onderneming zou opklimmen.
Hoe talrijk destijds ook de beminnaren van de Sterrekunde in Friesland waren--het gros der bevolking nogtans voedde omtrent den loop der hemelligchamen nog zulke bekrompene en zonderlinge begrippen, dat ongemeene verschijnselen dikwijls aanleiding gaven tot groote bewegingen. Kerkelijke naauwgezetheid voedde dan de kleingeestige vrees voor schrikkelijke gevolgen, als zoo vele oordeelen Gods wegens de zonden der menschen. Dit bleek ook ten jare 1774, toen het merkwaardig verschijnsel verwacht werd, dat de planeten Jupiter, Mars, Venus en Mercurius, gelijk ook de Maan, zich op den 8 Mei te gelijk in het zelfde hemelteeken de Ram zouden bevinden. Een vroom godgeleerde, die zich een "liefhebber der waarheid" noemde, vond daarin aanleiding tot het schrijven van een werkje, getiteld: Philosophische Bedenkingen over de Conjunctie van de planeten Jupiter enz. Hij betoogde hierin op een gemoedelijken toon, dat deze conjunctie een verderfelijken invloed zou kunnen hebben niet alleen op onzen aardbol, maar ook op het geheele zonnestelsel, ja zelfs, dat dit eene voorbereiding of begin zou kunnen worden van de slooping van het heelal, zoodat de nadering van den jongsten dag als waarschijnlijk werd gesteld [12].
Hoe zouden de gemoederen van onkundigen, die van elke bevolking de meerderheid uitmaken, door zulk eene voorspelling niet verontrust zijn geworden? De algemeene vrees, waarmede de 8 Mei werd te gemoet gezien, werd gevoed door drukkers en liedjeszangers, die op openbare straten de goede gemeente tot boete en berouw vermaanden. Het liep eindelijk zóó hoog, dat de overheid er zich meê bemoeide. Na de liedjes bij de drukkers te hebben laten ophalen en de zangers vastzetten, liet de Regering door een deskundige een berigt in de Leeuwarder Courant plaatsen, dat er op dien dag niets anders zou gebeuren, dan dat men vóór Zons-opgang, bij helder weder, de vier gemelde planeten en de maan in genoemd hemelteeken zou zien, en dat dit verschijnsel, even als de reeds voorgevallene conjunctiën van Mercurius en Mars, en van de eerste en de Zon, geheel geen invloed op de aarde zou hebben [13].
Dit had de gewenschte uitwerking: want de dag, met zoo veel angst te gemoet gezien, ging rustig voorbij, en beschaamde alzoo elke dwaze voorspelling en alle kleingeestige vrees.
Deze volksbeweging was echter niet geheel nutteloos geweest. Integendeel, zij had een belangrijk gevolg: want te midden der algemeene onrust bleef Eisinga bedaard; hij vreesde niets, terwijl de door hem vervaardigde tafelen den juisten stand der planeten aanwezen, gelijk bij de waarneming van het verschijnsel bleek. Hij betreurde alleen de onkunde der menigte, die blijkbaar geen begrip had van den stand en loop der hemelligchamen; terwijl hij met verwondering had ontwaard, hoe algemeen nog de voorstelling was ingeworteld, dat de aarde in het middenpunt des hemelstelsels geplaatst zou zijn, en dat de zon en de planeten zich rondom haar zouden bewegen.
Dat Eisinga dit stelsel van Ptolemaeus en Tycho Brahé verwierp, en dat van den miskenden Copernicus aankleefde, was natuurlijk na zoo vele jaren van onderzoek en oefening. De wensch, om ook anderen daarvan te overtuigen; de inval, hoe aangenaam het zou zijn, een werktuig te bezitten, waardoor men te allen tijde den waren stand der hemelligchamen zou kunnen gewaar worden en aantoonen; de mogelijkheid, om dit op eene eenvoudige wijze ten uitvoer te brengen--dit alles vervulde zijnen geest. Na ernstige overpeinzingen, mat hij zijne krachten, en--de inval werd een voornemen en dit een vast besluit, om zelf handen aan het werk te slaan, ten einde, tot eigen gemak en genoegen en bij gelegenheid tot voorlichting van anderen, aan den zolder zijner woonkamer een geregeld bewegend werktuig te vervaardigen, hetwelk hem den stand des hemels, de ware plaats en den geregelden gang van zon, maan en dwaalsterren bestendig voor oogen zou stellen. Behalve het genoegen, dat zulk eene huiselijke werkzaamheid in zijn liefhebberijvak hem scheen aan te bieden, meende hij door zulk eene aanschouwelijke voorstelling bij den zamenstand of conjunctie der planeten ook de ongegrondheid te zullen kunnen aantoonen van de vrees voor nadeelige gevolgen daarvan voor onze aarde.
Na zijne huisvrouw het plan medegedeeld en den duur van den arbeid op zeven jaren bepaald te hebben, werden de handen ijverig aan het werk geslagen, echter zonder verwaarloozing van zijn beroep, dat altijd hoofdzaak bleef. Het geheele zamenstel werd nu berekend en overwogen, en vervolgens gewijzigd naar plaatselijke omstandigheden en de bekrompene ruimte, waarover hij te beschikken had. Ten gevolge daarvan deden er zich weldra bezwaren en moeijelijkheden op, welke hij vooraf kwalijk kon voorzien en die toch door geduld of vernuft moesten overwonnen worden. Wij noemen daarvan enkel de belemmering, welke de bedstede veroorzaakte, waarop hij zijne nachtrust genoot. Deze kon hij niet anders dan met vele moeite overwinnen door de verkorting van den slinger, welke het gansche uurwerk in beweging moest brengen, tot op 80 slagen in eene minuut, dewijl eene meerdere lengte, voor 60 slagen, volgens zijn eerste plan, die bedstede onbruikbaar gemaakt zou hebben. Ook de dikte der balken van het gebouw, waarvan de plankenvloer verhoogd en aan welke een nieuwe zolder, waarin het werk zich zou bewegen, verbonden moest worden, veroorzaakte een bezwaar bij de plaatsing van al de raderen, zoodat hij zich verpligt zag, drie assen in plaats van ééne te gebruiken. De berekening van de vereischte tanden in een honderdtal raderen en rondsels, bij zoo verschillende bewegingen, kostte hem mede groote moeite en zorg, bijzonder, omdat hij vervolgens ook een hemelsplein en maanwijzers daarmede in verbinding bragt. Alle krachten van geest en ligchaam moesten daarbij ingespannen worden, dewijl hij zélf alles verrigtte. Beurtelings toch was hij wolkammer en rekenaar, teekenaar en werktuigkundige, timmerman en uurwerkmaker, draaijer en schilder en wat dies meer zij, zonder ooit eenig Planetarium of plaat daarvan gezien te hebben, zonder gebruik te maken van de vele hulpmiddelen en geschriften, welke er destijds reeds bestonden, en zonder dat hij van iemand eenige andere hulp genoot, dan dat hij de vier benoodigde koperen raderen naar zijn voorschrift door een klokmaker liet bewerken, en dat zijn vader, wien hij over het werk geraadpleegd had, eenige schijven en assen op de door dezen vervaardigde kunstdraaibank heeft gedraaid. Voor elks oog verborgen, verstoken van alle aanmoediging en de minste vertooning of opspraak vermijdende, werkte hij rustig voort en vorderde dagelijks in stilte. En dat hem bij dat alles een vrome geest bezielde, vol van eerbied voor den grooten Schepper van het bewonderenswaardig heelal, daarvan getuigt de nog op zijne werkplaats aanwezige spreuk, die hij dagelijks voor oogen had: GEDENKT DAT GODT BIJ U ALTIJD HIER TEGENWOORDIG IS [14].
Te midden van dezen ijverigen arbeid deden er zich echter onvoorziene verhinderingen op, welke hem op het verlies van kostbaren tijd te staan kwamen. Hij werd tot verscheidene onvermijdelijke lastposten geroepen, als: tot Collectant voor de armen, tot Officier der Schutterij, tot Vroedsman of lid der Stedelijke Regering en tot Armvoogd. Bovendien zag hij zich aangesteld tot Collecteur of Ontvanger van 's Lands middelen op den brandewijn en de havenspeciën. In deze betrekking vervaardigde hij zeer naauwkeurige lijsten, waarop men den impost van allerhande waren uitgerekend vond. Vermits deze ook voor kooplieden en andere ontvangers zeer dienstig konden zijn, liet hij ze in 1778 drukken, en maakte bij die gelegenheid eenige melding van het werktuig, dat hij onder handen had. Dan, deze lijsten kwamen enkel onder de oogen van hen, voor wie ze vervaardigd waren, en zijne mededeeling trok dus geheel niet de aandacht van deskundigen [15].
Als blijken van onderscheiding en vertrouwen waren al die betrekkingen hem wel aangenaam en nam hij ze met zorg waar, doch de uren van werkzame uitspanning, welke hij zoo gaarne en met liefde aan zijn planetarium besteedde, zag hij daardoor zeer inkrimpen. Met des te meer geestkracht en vlijt werkte hij voort, en nog waren er in 1778 geene vier jaren verloopen, of het werktuig was reeds gangbaar en het geheel in Februarij 1780 nagenoeg voltooid. Zie hier een overzigt van het gansche zamenstel:
In het midden van de kamer had hij aan den zolder een stilstaande Zon afgebeeld, uitschietende 24 stralen, waarvan om de andere eene zwarte lijn voortkomt, strekkende tot aan den buitenrand, welke de Ecliptica verbeeldt en deelende dezen cirkel in 12 vakken, welke de hemelteekens of den dierenriem voorstellen. Tusschen dezen rand en de zon had hij in het plafond zeven nagenoeg cirkelvormige sleuven aangebragt, waarin de planeten (door hangende bolletjes voorgesteld) hun bepaalden omloopstijd rondom de zon volbrengen; in beweging gebragt door een uurwerk, waarvan de slinger zich boven de bedstede en de raderen zich tusschen twee zolders (op en onder de balken) bevinden.
Het bolletje in de eerste sleuf verbeeldt de planeet Mercurius, die in 88 dagen haar loop om de zon volbrengt;--dat in de tweede, Venus, de morgen- en avondster, die 225 dagen daartoe noodig heeft;--de derde cirkel is de weg, welke onze Aarde in 365 1/4 dagen om de zon volbrengt, nevens wier bol eene kleinere de Maan verbeeldt, welke in ruim 27 dagen om de Aarde en tevens om haar eigen as draait, en met de aarde eens in 't jaar om de zon gevoerd wordt, waardoor dit maan-bolletje (dat half verguld en half zwart is) altijd de vergulden kant naar de zon gekeerd houdt;--de vierde bol is de planeet Mars, met 687 dagen omloopstijd;--de vijfde, Jupiter, met 4 kleinere bolletjes, welke zijne wachters of manen voorstellen, loopt in 11 jaren en 315 1/3 dagen rond;--in de zesde sleuf stelt eene bol, met een platten breeden ring omvangen en van 5 manen vergezeld, Saturnus voor, welke in 29 jaren en 164 dagen zijn loop om de zon volbrengt;--de zevende en uiterste sleuf verbeeldt den weg van de Zon, waarin een wijzer, in 365 dagen ééns rond gaande, aan de binnenzijde de teekens en graden van de lengte der zon op de ecliptica en aan de buitenzijde de maanden en dagen van het jaar en de declinatie der zon aanwijst [16].--Tot aanwijzing van de beweging der Maan om de Aarde had hij verder aan den zolder twee en aan de bedschutting twee groote en vier kleine cirkels met wijzers geplaatst; waar tusschen zich in het midden gelijke aanwijzingen bevonden van den dag der week, het uur van den dag en het jaartal, alsmede van de schijnbare beweging der zon en vaste sterren. Dit laatste Hemelsplein en niet minder de Maanwijzers, die de ongeregelde beweging der maan zeer naauwkeurig voorstellen, veroorzaakten Eisinga bij de zamenstelling de meeste moeite en zorg.
Zoo verre was het werktuig voltooid, hoewel nog niet opgeschilderd, toen zich op den 22 Februarij 1780 onverwacht drie Franeker Hoogleeraren bij Eisinga aanmeldden, hem te kennen gevende, vernomen te hebben, dat hij een aardig werktuigje had vervaardigd, hetwelk zij gaarne eens zouden willen zien. Het waren de Proff. J. H. van Swinden, G. Coopmans en E. Wigeri. Met de hem eigene bescheidenheid en nederigheid antwoordde Eisinga, dat hij niet wist of zijn werktuig de belangstelling der Heeren wel verdiende; dat het nog lang niet geheel voltooid was, waartoe hem de tijd had ontbroken, doch dat hij evenwel bereid was het hun te laten zien. Men trad de burger-woonkamer binnen, hief de oogen op, en vroeg nu en dan eenige verklaring van den maker. Wat de twee laatstgenoemde Hoogleeraren dachten en gevoelden, is ons onbekend gebleven; maar Prof. van Swinden, die elders "onderscheidene Planetaria had gezien; die dikwijls over dergelijke werktuigen had nagedacht, ja, die zelf eens eene schets van een eenvoudig Planetarium had ontworpen",--zoodra had deze het geheel niet overzien en begrepen, of hij werd "door eene wezenlijke verrukking over de fraaiheid van dit kunststuk vervoerd," en, ofschoon hij twee volle uren aan de bezigtiging besteedde, twijfelde hij nog, of hij, "door de verwondering als overstelpt, alles wel volkomen had ingezien en nagegaan." Te huis gekomen, ging hij alles na, teekende het voornaamste op, overwoog de vereischten van zulk een werktuig, las verscheidene schrijvers, om zich van de waarde van dit Planetarium te overtuigen, en stelde eenige gedachten en vragen tot nader onderzoek op het papier. Den 13 Maart bezocht hij Eisinga op nieuw in gezelschap van Prof. Schrader, Prof. Garcin, Baron van Aylva, Do. P. Stinstra en anderen. Bij een onderzoek van eenige uren bleek hem nu, dat de eerste reis veel zijner aandacht ontglipt was, en dat het kunststuk meerdere voortreffelijkheden bezat, dan hij verwacht had. En na eene derde bezigtiging en veelvuldige inlichtingen van den vervaardiger, was "zijne verwondering, wel verre van door den tijd te slijten, bij eene naauwkeurige kennis van het geheel, nog grooter dan zij in den beginne was." "Verrukkend was het hem, gewaar te worden, hoe de grootste zwarigheden voor een groot vernuft als kaf verdwijnen, en hoe men, door de eenvoudigste middelen, wanneer men een daartoe geschikten geest bezit, de meest zamengestelde stukken kan vervaardigen. Naarmate hij ieder stuk in deszelfs wezenlijke waarde leerde kennen, voelde hij zijne achting voor den vervaardiger groeijen en zijne blijdschap vermeerderen, van door diens onderrigtingen vorderingen te maken in sommige deelen der werktuigkunde."
Prof. van Swinden gaf zijne ingenomenheid met dit voortreffelijke kunststuk het eerst lucht, door het ontwerpen van eene korte schets daarvan, welke hij toezond aan zijnen broeder den Advokaat S. P. van Swinden te 's Hage, alsmede aan de Akademie der Wetenschappen te Brussel, aan den Prins Van Gallitzin, aan de beroemde geleerden De Luc, destijds te Londen, Cotte te Montmorenci en Gaussen te Montpellier; en alleen gebrek aan tijd verhinderde hem vooreerst gelijke mededeeling te doen aan zijne correspondenten te Parijs, te Petersburg en in Duitschland, Zwitserland en Italië. Doch ook als burger en geleerde besefte hij zijne verpligting jegens zijn vaderland, om de verdiensten van een voortreffelijk burger en stadgenoot algemeen bekend te maken. "Wegens vindingrijk vernuft en bijzondere vermogens voor de werktuigkunde mogten toch de Friezen zich evenzeer op Eisinga beroemen als de Engelschen op Harrison en Ferguson, aan wie uitstekende belooningen ten deel vielen. Dáárom en om ieder voor te lichten, die het Planetarium voortaan zou willen beschouwen en in zijne waarde leeren kennen, doch vooral, om geringschatting en verkeerde beoordeeling te vermijden,--besloot Van Swinden eene uitvoerige beschrijving van het gansche Planetarium in het licht te geven. Hij deed dit in Junij 1780 en dus nog vóór het schilderen en vergulden van het vertrek en van de voorwerpen, waarmede Eisinga van Augustus 1780 tot Mei 1781 is bezig geweest, waardoor het geheel een veel fraaijer en meer sprekend voorkomen bekwam. Hij deed dit met eene vlijt en studie, welke geëvenredigd waren aan de waarde, welke hij aan het kunststuk hechtte, en "werd daarbij veel uitvoeriger dan hij zich voorstelde, uit hoofde van het genoegen, hetwelk hem het opstellen verschafte." Hij droeg het werkje, waarmede hij groote eer behaalde, op aan zijnen broeder bovengenoemd, die na verloop van weinige weken in persoon overkwam, om met eigen oogen het Planetarium te zien en in de bewondering zijns broeders te deelen.
Naauwelijks toch was deze beschrijving in het licht verschenen, en was het algemeen op de hooge waarde van het Planetarium oplettend gemaakt, of de stille woning van Eisinga werd bijna dagelijks door een aantal personen bezocht, dat, uit nieuwsgierigheid of belangstelling, de bezigtiging kwam verzoeken. Van den 22 Februarij tot den 4 Junij was de beschouwing slechts aan een twintigtal personen, meest Hoogleeraren en Doopsgezinde Predikanten, veelal onder geleide van Prof. van Swinden, vergund geworden. Doch pas was de beschrijving in het licht, of het getal groeide dermate aan, dat van den 22 Junij tot den 31 Julij het getal bezoekers, waaronder vele aanzienlijke personen en geleerden, ruim honderd bedroeg. Hoe aangenaam deze blijken van belangstelling Eisinga ook waren, zij hinderden hem, omdat het werktuig zich zeer onaanzienlijk voordeed, en nog afgewerkt en geschilderd moest worden. Hij moest dus den toegang weldra een tijdlang weigeren, om zich daarmede bezig te houden. In dien tusschentijd liet hij slechts enkele personen toe. Na de voltooijing, in het laatst van Mei 1781, werd de bezigtiging weder opengesteld, en groot was van nu af aan de toeloop van beschouwers, uit alle oorden des lands. Gansche gezelschappen maakten eene afzonderlijke reis naar Franeker, om een kunststuk te zien, dat sedert als de meest bezienswaardige bijzonderheid dezer stad werd vereerd. Algemeen was de bewondering en groot de lof, welke den eenvoudigen maker daarover (vaak al te uitbundig) werd toegezwaaid, zoodat deze eerbewijzen hem dikwijls meer hinderlijk dan aangenaam waren. Vroeger had hij de namen der bezoekers aangeteekend, doch nu voerde hij het gebruik in, dat ieder bezoeker zijne handteekening zette in een eenvoudig boekje of album, hetwelk hij als herinnering bewaarde [17].
Een kunstwerk, dat dermate de algemeene bewondering opwekte, moest ook wel de aandacht trekken der Staten van Friesland, die weleer door zoo vele eervolle gunstbewijzen de beoefening van wetenschap en kunst in dit gewest hebben aangemoedigd [18]. Op den Landsdag van den 18 Julij 1783 werd namelijk voorgedragen, "dat door den Vroedsman Eisinga te Franeker uitgevonden en met grooten arbeid en kosten vervaardigd was een uitmuntend "Hemisphærium," hetwelk meer wereldkundig was geworden door de beschrijving, welke Prof. van Swinden daarvan in het licht had gegeven, waardoor het de verwondering en aandacht der geleerden, zoo binnen- als buitenlands had tot zich getrokken, en hetwelk wel verdiende de zigtbare blijken van goedkeuring en deelneming der Hooge Overheid te ontvangen, opdat ook 's Lands Universiteit aldaar in het toekomende daarvan nut en eere mogt hebben." Voorloopig werd hierop, vooral wegens het laatst aangevoerde, besloten, daarop de consideratiën te verzoeken van de Heeren Curatoren der Hoogeschool te Franeker.