Beschrijving van het Rijks-Planetarium te Franeker Van 1772 tot 1780 uitgedacht en vervaardigd door Eise Eisinga

Part 12

Chapter 123,400 wordsPublic domain

=========+===============+===============+============================================+===================+====================+==================== | | | OMLOOPSTIJD. | | | | | |=====================+======================+ LENGTE VAN HET | LENGTE DES | HELLING DER BAAN. NAMEN. |GEMIDD. AFSTAND|EXCENTRICITEIT.| | | PERIHELIUM. | KLIMMENDEN KNOOPS. | | VAN DE ZON. | | WARE. | TROPISCHE. | [c] | [c] | [c] | [a] | [b] | | | | | =========+===============+===============+=====================+======================+===================+====================+==================== | | | d. u. m. s. | d. u. m. s. | gr. m. s. s. | gr. m. s. s. | gr. m. s. s. Mercurius| 0,38710 | 0,20562 | 87 23 15 46 | 87 23 14 35 | 74 57 27 + 5,81 | 46 23 55 - 10,07 | 7 0 13 + 0,18 Venus | 0,72333 | 0,00682 | 224 16 49 7 | 224 16 41 25 | 124 14 26 - 3,24 | 75 11 30 - 20,50 | 3 23 31 - 0,07 Aarde | 1,00000 | 0,01678 | 365 6 9 10.7496 | 365 5 48 47.5711 | 100 11 27 + 11,24 | | Mars | 1,52369 | 0,09325 | 686 23 30 25 | 686 22 18 18 | 333 6 38 + 15,46 | 48 16 18 - 25,22 | 1 51 6 - 0,01 Flora | 2,20072 | 0,15638 | 1192 11 38 | 1192 7 27 | 33 3 53 | 110 18 57 | 5 52 54 Vesta | 2,36200 | 0,08856 | 1325 22 5 | 1325 16 55 | 249 11 37 | 103 20 28 | 7 7 57 Iris | 2,37247 | 0,22679 | 1334 18 | 1334 12 45 | 41 46 16 | 259 50 26 | 5 27 59 Hebe | 2,40220 | 0,19240 | 1360 | 1359 18 33 | 16 56 22 | 138 49 14 | 14 42 22 Astraea | 2,57525 | 0,18767 | 1509 11 31 | 1509 4 49 | 135 30 23 | 141 26 41 | 5 19 18 Juno | 2,67050 | 0,25556 | 1593 23 46 | 1593 16 18 | 54 17 13 | 170 52 35 | 13 2 10 Ceres | 2,76536 | 0,07674 | 1679 16 22 | 1679 9 11 | 147 41 24 | 80 53 50 | 10 36 56 Pallas | 2,77114 | 0,24200 | 1684 22 34 | 1684 15 20 | 121 5 1 | 172 38 30 | 34 35 19 Jupiter | 5,20277 | 0,04822 | 4332 14 2 7 | 4330 14 14 10 | 11 45 33 + 6,65 | 98 48 38 - 15,90 | 1 18 42 - 0,23 Saturnus | 9,53885 | 0,05603 | 10759 5 16 23 | 10746 22 30 10 | 89 54 41 + 19,31 | 112 16 34 - 19,54 | 2 29 30 - 0,15 Uranus | 19,18239 | 0,04660 | 30686 19 41 36 | 30586 21 48 5 | 168 5 24 + 2,28 | 73 8 48 - 36,05 | 0 46 29 + 0,03 Neptunus | 30,2026 | 0,00838 | 60624 19 | 60238 11 | 11 13 41 | 130 5 39 | 1 47 2 =========+===============+===============+============================================+===================+====================+====================

Aanmerking. Deze tafel is met eenige verkorting overgenomen uit Populäre Astronomie von J. H. Mädler, Berlin 1849 De daarin voorkomende opgaven gelden voor het jaar 1840, wat de 11 planeten betreft, die destijds bekend waren. De nieuwste berekeningen der loopbanen van Flora, Iris, Hebe, Astraea en Neptunus hebben getallen-waarden opgeleverd, die eenigzins van de bovenstaande verschillen. Dit is almede het geval voor sommige der planeten, die in het begin dezer eeuw ontdekt zijn. Jahn geeft in zijn sterrekundig weekblad (Wöchentliche Unterhaltungen) van 17 Augustus 1850, als slotsom der jongste baan-berekeningen, de navolgende tafel, betrekking hebbende tot 19 der 23 thans bekende planeten.

===========+======================+=================== |GEMIDD. AFSTAND VAN DE|SIDERISCHE OF WARE NAMEN. | ZON, OF HALVE | OMLOOPSTIJD IN | GROOTE AS. | DAGEN. ===========+======================+=================== Mercurius | 0,387 | 88 Venus | 0,723 | 225 Aarde | 1,000 | 365 Mars | 1,524 | 687 Flora | 2,202 | 1,321 Vesta | 2,361 | 1,325 Iris | 2,384 | 1,344 Metis | 2,386 | 1,346 Hebe | 2,426 | 1,380 Parthenope | 2,442 | 1,392 Astraea | 2,577 | 1,511 Juno | 2,669 | 1,593 Ceres | 2,771 | 1,685 Pallas | 2,773 | 1,686 Hygiea | 3,122 | 2,015 Jupiter | 5,203 | 4,333 Saturnus | 9,539 | 10,759 Uranus | 19,182 | 30,686 Neptunus | 30,174 | 165-1/2 jaar. ===========+======================+===================

Dienaangaande is o.a. aan te merken, dat in plaats van 1321 voor den omloopstijd van Flora behoort gelezen te worden 1193; alsmede, dat volgens latere berekeningen van Luther, de halve groote as van Parthenope gelijk 2,451, en de omloopstijd dier planeet gelijk 1401 moet gesteld worden; eindelijk, dat, volgens de berekening van Goldschmidt, de halve baan-as van Clio (Victoria) 2,333 en hare omloopstijd 1302 bedraagt.

IV.

OVERZIGT VAN EENIGE HOEDANIGHEDEN DER HOOFD-PLANETEN.

=========+=================+===================================+===========+============== | | MIDDELLIJN. | | NAMEN. |OMWENTELINGSTIJD.|/--------------/\-----------------\|AFPLATTING.|BETREKKELIJKE | |SCHIJNBARE. | WARE. |BETREKKELIJKE.| | VOLUMEN. =========+=================+============+=======+==============+===========+============== | u. m. | s. | m. | | | Mercurius| 24 5 | 6,69 | 671| 0,39 | | 1 : 16,8 Venus | 23 21 21 | 17,10 | 1,715| 0,99 | | 1 : 1,004 Aarde | 23 56 4 | | 1,719| 1,00 | 1/299 | Mars | 24 37 22 | 5,8 | 884| 0,51 | | 1 : 7,33 Vesta | | 0,29 | 66| 0,03 | | 1 : 17688 Pallas | | 0,55 | 145| 0,08 | | 1 : 1661 Jupiter | 9 55 26 | 38,4 | 20,018| 11,65 | 1/17 | 1491 : 1 Saturnus | 10 29 17 | 17,1 | 16,305| 9,49 | 1/10 | 772 : 1 Uranus | | 4,1 | 7,866| 4,57 | 1/9 | 87 : 1 Neptunus | | 2,4 | 7,300| 4,25 | | 77 : 1 Zon | 610 u. | 1920,8 |192,608| 112,05 | | 1409725 : 1 =========+=================+===================================+===========+==============

EINDE.

AANTEEKENINGEN

[1] J. H. Halbertsma, Hulde aan Gysbert Japiks, Leeuw. 1827, II 305.

[2] Behoudens eenige taalkundige wijzigingen, is de tekst der Beschrijving onveranderd gelaten. Daar zij echter door velen vereerd wordt als een nuttig Leesboek over het Zonne- en Planetenstelsel, zoo heeft een deskundige bij deze uitgave eenige opgaven en tabellen gevoegd, welke de hoofd-elementen van het Planetenstelsel, naar den tegenwoordigen stand der wetenschappen, bevatten.

[3] Om verdere bijzondere aanhalingen te vermijden, zij het mij vergund, de bronnen hier in eens aan te wijzen, waaruit het volgende is geput: 1º. De opdragt en Beschrijving van Prof. Van Swinden, waarin verscheidene bijzonderheden voorkomen; 2º. de Voorrede van Do. Jan Brouwer voor de 2e uitgave dezer Beschrijving, van 1824; 3º. Mr. Jac. Scheltema, Leven van Eisinga, in zijn Geschied- en Letterkundig Mengelwerk, Amst. 1818, 2e dl. 2e st. 186; 4º. Prof. J. W. de Crane, Letter- en Geschiedkundige Verzameling van eenige Biographische Bijdragen en Berigten, Leeuw. 1841, 79 en verv.; 5º. J. van Leeuwen, Hulde aan E. Eisinga, in de Vrije Fries, 1847, V 86. Verder hebben Jacobus Eisinga, de tegenwoordige bewoner van het Planetarium, en zijn neef Ane Stephanus Eijsinga te Dronryp mij eenige berigten omtrent hunne vaders (Eise en Stephanus) medegedeeld en de verder verlangde hulp bewezen. De eerste heeft mij bovendien verpligt door mij de verklarende beschrijving van het raderwerk, benevens de albums ten gebruike te verleenen.

[4] Corn. Ekama Oratio de Frisia ingeniorum Mathematicorum inprimis fertili, dicta Fran. 1809. Dikwijls heb ik het mijn hooggeachten vriend Prof. J. W. de Crane hooren betreuren, dat hij het plan niet volbragt had, om van deze rede, waartoe hij de historische bouwstoffen verschaft had, eene vertaling te geven, met bijvoeging van levensschetsen der daarin vermelde personen, gelijk Prof. G. de Wal zijne oratie over de Friesche Regtsgeleerden in 1825 vermeerderd heeft uitgegeven.

[5] Zie over dezen voortreffelijken man het werkje: Willem Loré en zijne Dijken en Sluizen, in 1835 door Prof. De Crane en mij uitgegeven.

[6] Zie uitvoeriger berigten over laatstgenoemde personen in Scheltema, Mengelwerk, 3e dl. 3e st. bl. 225, en De Crane, Verzameling, 97, 105; N. Mulder, Oratio, de meritis Dav. Meese, Gron. 1823.

[7] Meest al de vermelde werken zijn door mij verzameld in eene reeds vrij talrijke bibliotheek van Werken van Friezen, in verschillende vakken, welke, als letterkundige bronnen, mij hier voor het eerst zeer te stade kwamen.

[8] Dit voortreffelijk handschrift in folio berust thans in de Bibliotheek van het Friesch Genootschap van Geschied-, Oudheid- en Taalkunde te Leeuwarden.

[9] Hij werd begraven nevens den hoofdingang der kerk van Dronrijp. Nog is daar op de zerk het grafschrift leesbaar, waarmede de zoon den vader vereerde, en hetwelk een zeldzaam blijk draagt van beider geestrigting. Het luidt:

JELTE EISES EISINGA

Was in den tijd van dit noodlottig leven Van God een wonderbaar vernuft gegeven, Die door zijn eigen vinding dingen wrocht, En door zijn eigen hand tot rijpheid brogt, Zoodat men boven zijn Natuurgenoten Den lof en roem van vele zag vergroten. 't Ligchaam is hier ter ruste neergeleid Tot dat de Heer het wekt tot d' eeuwigheid.

Zijn ouderdom doe hij stierf met de jaren Christy geaddeerd maakt 1854 204/365. En de jaren Christy met het 1/4 van zijne jaren gemultipliceert komt 31,120 292849/332900.

[10] Het eerste werkje was getiteld: de Conjunctie van Venus met de Zon in 1761, waar bij aangetoont wort, de grote Nuttigheid van deze zo aanmerkelijke verschijning op de aarde. Met bijvoeging wegens de Conjunctie van Saturnus met Jupiter in 1762, met 7 Platen; en het tweede: Korte dog zakelijke Aantekening, wegens de vinding der Zons Paralaxis, grootheit der Zonne, en afstand van de aarde enz. met eene plaat van Venus voor de Zon. Uit dankbaarheid droeg hij dit geschrift aan Gedep. Staten op, en noemt al de personen, welke de berekeningen mede hebben opgemaakt, als zijne leerlingen: Pieter Christoffels, Rinnert Johannis, Joh. Loyenga, Reiner Buising, Albartus Bloem, Joh. Sardor en zijne twee zonen W. W. en T. W. Foppes. In de Leeuw. Courant van 10 Junij 1761 komt een kort verslag van deze waarnemingen voor.

[11] Deze hoofdnering van Franeker, welke toen jaarlijks 200,000 ponden wol, tegen 10 à 14 stuivers het pond, meest door vrouwen en kinderen liet verdienen, is van lieverlede dermate achteruit gegaan, dat er thans geene of nog eene halve wolkammerij meer in werking is. Men is voor buitenlandsche mededinging bezweken, daar de Friesche wol thans, als grondstof, over de grenzen wordt uitgevoerd.

[12] Dit werkje, te Leeuwarden door A. Ferwerda en G. Tresling uitgegeven, begint: «Van de Aarde, derzelver Verbranding, de wijze op welke, over de tijd wanneer deze grote gebeurtenis zal zijn» enz. De in de Leeuw. Courant breed aangekondigde uitgave werd echter opgehouden tot na 8 Mei, toen de vrees geweken was.

[13] Zie over het deswege voorgevallene de Nieuwe Nederl. Jaarboeken, 1774, 1e st. bl. 412; het 12e dl. van het Tijdschrift de Denker, en de Leeuw. Cour. van 16 April.

[14] Deze spreuk, welke ook boven den ingang der voormalige Schepenskamer op het Raadhuis te Franeker gevonden wordt, had hij geschilderd op eene smalle plank, welke nog bewaard is. Zoo had ook mijn vriend Arjen Roelofs eene spreuk, die hij bij zijne oefeningen in de graveerkunst herhaaldelijk in het koper sneed, en als levensgids trachtte op te volgen:

Laat geen dag voorbij gegaan, Of gij hebt iets goeds gedaan.

[15] De titel van dit werkje was: de Vriesche Koopman, zijnde een uitreekening van alle Impositiën en Binnenl. Middelen, vervat in 's Lands Lijst of Placaat enz., benevens een Aanhangzel van de Verhooging op die Waaren enz. in smal folio of lang 4o. 140 bl. à 22 stuiv. In 1780 verscheen daarvan eene tweede verbeterde uitgave.

[16] Deze korte beschrijving van den toestand en uitwendige vertooning van het kunststuk, toen Prof. van Swinden het voor het eerst zag, is genomen uit het hierna te vermelden HS. van Eisinga: beschrijving van het zamenstel, raderwerk enz.

[17] Thans reeds bestaat dat Album uit zes banden en bevat het, volgens eene globale berekening, een getal van 60 à 70 duizend namen van personen, die gedurende 70 jaren het Planetarium hebben bezocht. Daaronder bevinden zich handteekeningen van zeer gewigtige en beroemde mannen, wier namen wij hier gaarne zouden vermelden, als wij wisten wáármede wij zouden beginnen en wáár eindigen.

[18] De menigvuldige blijken daarvan heb ik voor eenige jaren bijeenverzameld en medegedeeld in eene Voorlezing bij het Friesch Genootschap.

[19] Deze missive bezit ik in originali onder mijne groote Verzameling oorspronkelijke stukken betreffende de Franeker Akademie uit de 17e en 18e eeuw, voor een groot deel uitmakende het Archief der Heeren Curatoren dier Akademie, welke mij voor eenige jaren, uit den boedel van een aanzienlijk en uitgestorven geslacht, zijn vereerd.

[20] Op bl. 7 van het hierna te melden HS. en bij Scheltema, bl. 214 worden deze en meerdere verbeteringen uitvoeriger vermeld, en vooral in de Bijvoegsels tot deze Beschrijving.

[21] Volgens het slot der Bijvoegsels tot deze Beschrijving, was Eisinga, op uitnoodiging van velen, bijzonder van den Leidschen Hoogleeraar C. Ekama, voornemens deze Beschrijving en Afbeeldingen te laten drukken, waaraan echter geen gevolg is gegeven.

[22] Volgens het Album hebben van September 1787 tot Junij 1797 alleen Lodewijk, Graaf van Bentheim en drie andere personen het kunststuk bezigtigd en zich ingeschreven.

[23] Dit stuk is nog aanwezig bij 's mans schoonzoon J. B. Hoffman, Koek- en Banketbakker te Franeker. Later zijn daarvan nog twee ex. vervaardigd, welke de Heer O. W. Roelofs te Amsterdam en Paulus Everts Scheltema te Franeker hebben bezeten.

[24] Eisinga's eigene denkbeelden, over aan te brengen verbeteringen in een lokaal drie maal zoo lang als breed, heeft Scheltema, 222 medegedeeld. In brieven aan zijne familie uit Gronau, van Jan. en Maart 1790, heeft hij het plan medegedeeld van een op nieuw door hem uitgevonden «uitmuntend schoon en nuttig Hemisphærium en Planetarium, veel eenvoudiger, veel volmaakter en met de natuur meer overeenkomstig dan het bestaande.»

Hij wilde dit plaatsen in een rond gebouw van 28 voet middellijn of meer, met koepeldak, en de bol der zon in het midden daarvan op een kolom, omgeven met een trap, waaronder zich het uurwerk zou bevinden. De zich daar om heen bewegende planeten wenschte hij zóó te plaatsen, dat, als hij op den bovensten trap stond en het oog hield bij het bolletje der aarde, hij dan van daar den geheelen sterrenhemel met zon, maan en planeten ieder op zijn tijd en plaats kun zien op- en ondergaan, en door den meridiaan en verdere streken van het kompas passeren. Het is dit plan, dat hij in 1790 aan Curatoren heeft medegedeeld, echter zonder gevolg.

[25] Zie dat Verslag in de Kon. Courant, 1810, 144, 145; Jaarboeken van Wetenschappen en Kunsten, II 187; Konst- en Letter-bode, 1810, II 4 en 19; De Crane, Verzameling, 98.--In 1809 onderging Eisinga een grievend verlies door het overlijden van zijn oudsten zoon Jelte, die, door zijn vader gevormd, in lust en geschiktheid voor de Wis- en Werktuigkunde aan dezen gelijk was.

[26] Daar hij als Wolkammer ijverig zijn beroep bleef waarnemen, viel hem in 1820 de onderscheiding te beurt, dat de monsters saaijet, door hem uit zijne fabriek op de tentoonstelling te Gent ingezonden, met eene medaille van brons vereerd werden. Reeds toen was dit bedrijf zeer in vertier gedaald.

[27] Zoodanig was de toedragt der zaak, gelijk ik mij levendig herinner die vernomen te hebben uit den mond van den edelen Jhr. van Humalda, in die gelukkige uren van de jaren 1828 tot 1834, toen hij mij wekelijks een dag bij zich noodigde, en hij mij met vaderlijke goedheid in altijd leerzame gesprekken onderhield over dichtkunst, geschiedenis en andere wetenschappen, waarin hij een schat van kennis bezat. Uit de voorstelling van den Hoogl. de Crane, Verz. 85, zou toch kunnen afgeleid worden, alsof het denkbeeld der hulde van Jhr. van Humalda was uitgegaan, terwijl het der Regering van Franeker toekomt. Genoemde Jhr. te Leeuwarden den 12 Sept. 1754 geboren, was op Hobbema-state te Dronryp opgevoed, en had daar te gelijk met Eisinga op de dorpsschool onderwijs ontvangen.

[28] De edele spreker had hierbij vooral op het oog zijne pogingen, om (toen A. G. Camper's overdrevene aanzoeken tot herstel van de Akademie in 1815 mislukten) te Franeker een Rijks Athenæum te stichten, ten einde niet alles te verliezen. Dat hij daartoe «geene moeite, geene pogingen had onbeproefd gelaten,» daarvoor bedankte Camper hem openlijk in zijne Redevoering bij de inwijding van het Athenæum, bl. 48.

[29] Ook de hoogbejaarde voortreffelijke Hoogleeraar de Crane deed dit, zoo als ik dikwijls uit zijnen mond mogt vernemen, toen ik, na den dood van Jhr. van Humalda (1834), in hem een dergelijken vaderlijken vriend mogt vinden, bij wien ik vele dagen, vol van wetenschappelijk genot, doorbragt. In zijne belangrijke Verzameling van Biographische Bijdragen, 85, beeft hij dezen feestdag uitvoeriger beschreven. Zelden zag men in iemand zoo veel humaniteit en geleerdheid vereenigd als in dezen beminnelijken man. Ook dáárom verlangen wij zoo zeer naar de Levensbeschrijving, welke zijn kleinzoon, de Heer Mr. A. Telting, van hem zou geven.

[30] Niet lang na Eisinga's dood werd zijn kunststuk met veel lof vermeld door Bowring in zijn Iets over de Friesche Letterkunde, bl. 48, eerst geplaatst in de Foreign Review en door Mr. A. Telting vertaald vóór zijne Brieven, in 1829 uitgegeven; alsmede door W. van den Hull, Over de belangrijkheid eens zestigjarigen ouderdoms, in 1832, bl. 132. Ook in Collot d' Escury, Hollands Roem, VI 260 en in het Aanhangsel op Nieuwenhuis Woordenboek, II 516, wordt hij naar waarde vermeld.

[31] Als latere bijzonderheden, het Planetarium betreffende, zouden hier nog melding verdienen, dat het in 1828 geheel nieuw is opgeschilderd;--dat van den tweeden druk dezer Beschrijving in 1831 bij G. Ypma te Franeker eene Nieuwe Uitgave is verschenen, welke alleen een anderen titel heeft;--dat in 1838 de toegang tot het raderwerk veel verbeterd is, evenwel met opoffering van het kleine en karakteristieke studeervertrekje van den maker;--dat Z. M. Willem II den 20 Julij 1841 het kunststuk andermaal heeft bezocht, toen met H. M. de Koningin en Prinses Sophia, benevens aanzienlijk gevolg;--dat het gebouw in 1843 is overgenomen door den Gouverneur van Friesland met al het materieel van het opgeheven Athenæum;--dat in 1848 door het wegnemen van den schoorsteen het vertrek een ruimer aanzien en tevens grootere vensters en glazen bekomen heeft, terwijl boven het raderwerk losse planken gelegd zijn, om het te beter te kunnen naderen;--dat dit raderwerk jaarlijks door Eisinga, den zoon, wordt uit elkander genomen, schoon gemaakt en ineengezet, zonder ooit eenige noemenswaardige herstelling te behoeven, en dat het Planetarium verder zijn geregelden loop behoudt en bij voortduring door talrijke bezoekers beschouwd wordt.

[32] Namelijk, op het vervaardigen van tijdmeters of zee-horologiën, om de lengte op zee te bepalen. Harrison heeft eene belooning van tien duizend pond sterling, meer dan eene ton gouds uitmakende, ontvangen. Zie de geschiedenis van deze merkwaardige uitvinding in de Uitgelezene Filozofische Verhandelingen, deel III, bladz. 355-397. Die geschiedenis wordt aldaar tot het jaar 1762 beschreven; het overige vindt men in de Uitgezochte Verhandelingen, deel IX, bladz. 309-331, en vooral bij Pezenas, Principes de la montre de M. Harrison, p. 20. In dit werkje treft men de beschrijving en teekening van Harrisons tijdmeter aan. De heer Mudge, van wien ik in de noot van § 52 gesproken heb, heeft ook onlangs eene belooning van vijfhonderd pond sterling ontvangen, als eene aanmoediging, om zijne zee-horologiën verder te volmaken. Zie Journal de Physique, t. XI, p. 537.

[33] Deze Ferguson is door vele werken en vernuftige uitvindingen zeer beroemd geworden. Onder de laatstgemelde is ook een planetarium, van hetwelk men eene plaat en beschrijving aantreft in het werk van den uitvinder, dat ten titel voert: Astronomy explained upon sir Isaac Newton's Principles etc., 4o. London 1757, § 434, 435, 436. Hoewel de twee planetaria, aldaar door den heer Ferguson beschreven, zeer vernuftig uitgedacht, en tot aanwijzing der bewegingen van de Aarde en van de Maan wel geschikt zijn, zijn zij echter, als planetaria beschouwd, veel minder volledig, dan dat van Wright (zie het derde hoofdstuk van dit werkje, § 38). Ik oordeel het bijgevolg niet noodig, breeder over die van Ferguson te handelen. Alleen zal ik aanmerken, dat er op het planetarium van Ferguson, even als op dat van Eisinga, een wijzer vlak over de Aarde is, die den schijnbaren weg en de plaats der Zon aantoont. Ferguson heeft ook (§ 437), in navolging van Desaguliers, een cometarium, of werktuig om den loop der kometen te verklaren, geschreven. Wat hieromtrent door onzen landgenoot, den heer Struik, gedaan is, vindt men uitvoerig behandeld in deszelfs Vervolg op de beschrijving der Staartsterren, vijfde afdeel. bl. 113.

[34] Deze uitmuntende man, die derdehalve eeuw vóór de geboorte van Christus leefde, heeft een werktuig vervaardigd, dat door Cicero (de nat. Deorum, lib. II, cap. 35) eene sphæra genoemd wordt, waarop, zoo als uit den zelfden schrijver (Tusc. Quaes., lib. I. c. 25) en het bekende vers van Claudianus blijkt, de bewegingen van Zon, Maan en van de vijf overige hoofddwaalsterren aangewezen werden. Meer kan er van dit werktuig, omdat er geene beschrijving van tot ons is gekomen, niet gezegd worden. Proclus, een Grieksch wiskundige van de vijfde eeuw, telt onder de deelen der werktuigkunde de kunst, om sphæra's, ter nabootsing der hemelsche omwentelingen, te maken, zoo als, voegt hij er bij, Archimedes er eene gemaakt heeft. Comment. in prim. lib. Euclides lib. I, cap. 13, in fine, p. 24, ed. lat. Baroccii.