Part 11
Om de Aardemiddelpuntige lengte van iedere planeet vrij naauwkeurig te kunnen vinden, heb ik, na de uitgave der beschrijving van den heer Van Swinden, benevens den draad uit het middelpunt der Zon, waaraan eene groote vergulde bal hangt, ook eenen draad van het Aardbolletje laten afhangen, waaraan een kleiner balletje is vast gemaakt, hetwelk dus met onze Aarde, eens in het jaar, om de bal, die van de Zon afhangt, beweegt. Deze beide vergulden ballen, waarvan de groote of Zonnebal van hout, en de kleine of Aardbal van lood is, dienen alleen, om, door hunne zwaarte, de beide draden of touwtjes regt te houden. Door middel van deze beide touwtjes kan men de schijnbare of Aardemiddelpuntige plaatsen van al de planeten zoeken, op deze wijze: Men gaat aan den kant van de kamer, zoodanig, dat de planeet, welker schijnbare of Aardemiddelpuntige lengte men begeert te weten, achter den graad van onze Aarde komt; dan ziet men te gelijk, waar de draad van de Zon op de ecliptica of zevende sleuf valt: het teeken en de draad van dezelve is de plaats van die planeet, uit onze Aarde beschouwd. Als de planeet met de Zon en de Aarde in eene regte lijn staat, is de ware plaats ook de schijnbare; is de planeet aan de regterhand van de Zon, dan is de schijnbare lengte altijd minder dan de ware lengte; integendeel, de planeet aan de linkerhand zijnde, is de schijnbare lengte altijd meer dan de ware lengte. In het eerste geval komt de planeet voor de Zon op, en gaat voor dezelve onder; en in het tweede gaat zij na de Zon op en onder.
§ 86 (nu § 88).
De lichtgestalten der Maan werden bij de eerste uitgave van dit werk vertoond op de pilaster aan de linkerhand, door den ondersten wijzer op dezelve, met name afstand der Maan van de Zon, volgens het laatste gedeelte van § 8. Zij worden nu vertoond aan den zolder aan de regterhand (zie de plaat), door eenen langen wijzer, die in 29 dagen 12 uren en 44 minuten ééns rondgaat. De plaat voor dezen wijzer is verdeeld in 24 wassende en afnemende lichtgestalten, zoodat men dagelijks de phasis der Maan ziet aangewezen. Binnen de wassende en afnemende lichtgestalten is nog een cirkel, in 29 1/2 dagen verdeeld, verbeeldende den ouderdom der Maan (dat is, het getal van de dagen, die verloopen zijn na de laatste nieuwe Maan), veel duidelijker dan te voren op de pilaster, omdat de cirkel, waarin de 24 verschillende lichtgestalten worden aangewezen, 22 duim in diameter is, daar de opening in de plaat, waarvan § 91 (nu § 93) gehandeld wordt, maar 1 duim middellijn had. De wijzer draagt nu tot opschrift lichtgestalten der Maan. De afstand der Maan van de Zon is voor ieder der afgebeelde 24 lichtgestalten 15 graden of een half teeken. Met de nieuwe Maan staat de wijzer op eene geheel duistere plek; in den eerstvolgenden stand is een klein strookje verlicht; verder teekent de wijzer op het zesde vak, dat is drie teekens van de Zon, het eerste kwartier, half verlicht; wast verder aan, tot dat de wijzer de twaalfde plek aanwijst, dan is het volle Maan; neemt vervolgens weder af, tot dat het licht gedeelte half verdwenen is, dan is het laatste kwartier; neemt vervolgens af, tot dat het licht gedeelte geheel verdwenen is, dan is het weder nieuwe Maan.
De ongelijke lengte der Maneschijnen, dat is, de tijd van de eene nieuwe Maan tot de andere, neemt deze wijzer naauwkeurig in acht, volgens de beschrijving van Van Swinden, § 92 tot 95. (nu § 94 tot 97) ingesloten.
Tot de aanwijzing van de beweging der Maan om de Aarde (zie bl. 100 van den 1sten, bl. 113 van den 2den en bl. 128 van den 3den druk) behooren vijf Maanwijzers. Er waren, bij de eerste uitgave van de beschrijving, twee groote aan de zoldering (§ 5), de twee kleine op de regter pilaster, en de bovenste op de linker pilaster (§ 8); nu heeft men drie groote aan den zolder, genaamd lengte der Maan op de ecliptica, het verste punt der Maan, en de Maans noordknoop, en op ieder pilaster een kleine; die aan de regterhand voor den afstand der Maan van den noordknoop, en die aan de linkerhand voor den afstand van het verste punt (zie de Plaat).
§ 109 (nu § 111).
De wijzer onder op de regter pilaster, die de lengte der Maan aanwijst, is nu van de pilaster aan den zolder gebragt, aan de linkerhand, op de plaat genaamd lengte der Maan op de ecliptica.
De redenen, welke mij bewogen hebben, om de beide onderste wijzers van de pilasters weg te nemen en aan de zoldering te plaatsen, was, omdat aan den zolder meer ruimte was, om de wijzers te verlengen, daardoor grootere cirkels te beschrijven, en de teekens en lichtgestalten naauwkeuriger te kunnen doen zien; ook had ik tot de beweging van die beide wijzers nog andere tanden berekend, die nog iets nader bij de waarheid kwamen.
Hierdoor ontstond eene geheele verschikking en verplaatsing in meest al het raderwerk voor de Maanwijzers, De beide bovenste wijzers moesten zakken tot in het midden, en voor de aan den zolder overgebragte moesten nieuwe assen en verscheidene nieuwe raderen worden gemaakt.
Over de Platen, bij den tweeden druk gevoegd.
De drie, bij den tweeden druk gevoegde, platen kunnen dienen, om aan liefhebbers, die, wegens verafgelegene woonplaats, ouderdom of beroep, niet, of althans bezwaarlijk, in de gelegenheid zijn, om het werk, door den Hoogleeraar Van Swinden zoo naauwkeurig beschreven, in natura te komen bezigtigen, nog klaarder denkbeeld te geven van de uiterlijke vertooning van het geheele werktuig. Ook kunnen ze dienen, om de betrekkelijke of uitgestrekte grootte van iedere loopbaan der planeten aan te toonen: want ze zijn naar het werk zelf in mijne kamer afgeteekend, volgens de schaal op plaat No. 1, welke schaal ieder voet in 1 1/2 duim oude Friesche maat bevat, en dus zijn de afteekeningen net 1/8 van de grootte van het eigenlijke werk. Dit is almede de betrekkelijke grootte van de wijzerplaten, op de platen No. 1 en 2 afgeteekend.
De platen No. 1 en 2 zijn door mij zelven, met behulp van mijnen vriend, den koopman Klaas Joh. Sannes, in de maanden Maart en April 1820 gemaakt, en de standplaatsen der planeetbollen, Zon- en Maanwijzers zijn gesteld, zoo als het werktuig, hetwelk door de schommeling van eenen slinger bewogen wordt, dezelve aanwees op Vrijdag den 24 Maart 1820, des morgens om 7 1/2 uur. Toen stond de Zon- en Datumwijzer, die langs de grootste of buitenste sleuf aan den zolder beweegt, en op de plaat No. 1 is afgeteekend, op 3 3/4 graad in Aries, voor de lengte van de Zon, met het binneneinde, en op het 1/3 gedeelte van den 24 dag der maand Maart, en wees 1 1/3 graad noorder declinatie der Zon met het buiteneinde aan. De planeet Saturnus was ook 3 3/4 graad in Aries, en dus in conjunctie met de Zon. Jupiter was bijna 3 graden in Pisces. Mars 26 graden in Leo. De Aarde 3 3/4 graden in Libra. De Maan 11 graden in Leo. Venus 11 en Mercurius 26 graden in Cancer. Het verste punt van de Maan was 28 graden in Leo, en de noorder knoop van dezelve was 2 graden in Aries. De wijzer voor de lichtgestalten der Maan teekende deszelfs ouderdom 10 1/2 dagen. De dagwijzer Vrijdag morgen tusschen 7 en 8 uur, en het jaargetal binnen den cirkel der dagen 1820.
De plaat No. 2 verbeeldt dat gedeelte van het werktuig, dat aan de schutting is te zien. Zij is naar de zelfde schaal als de plaat No. 1 afgeteekend, en het hemelsplein, met de Zon en vaste sterren (voor zoo veel de kleinheid der teekening toeliet), benevens de Zon- en Maanwijzers zijn ook volgens aanwijzing van het originele werk geteekend, op Vrijdag den 24 Maart 1820, des morgens om 7 1/2 uur. De wijzer boven de kast aan de linkerhand, die tot opschrift heeft: de Maan komt op, teekende toen een half kwartier over 12 uur; dat dit op den middag, en niet na middernacht was, blijkt uit den stand des wijzers, op plaat No. 1, die de lichtgestalten der Maan aanwijst, met haren ouderdom, zijnde toen tusschen het eerste kwartier en de volle Maan, of 10 1/2 dagen na de nieuwe; dus kwam zij bij dag op.
Het wijzertje op de pilaster aan de linkerhand, dat den afstand der Maan van het verste punt aanwijst, teekende O teekens en 17 1/2 graden.
Het wijzertje op het middelste paneel aan de linkerhand wees den Zons-opgang iets voor 6 uur.
Het hemelsplein, waarop de schijnbare beweging der Zon en vaste sterren vertoond wordt, teekende op gemelden tijd de plaats der Zon op de ecliptica 3 3/4 graad in Aries, in het oost-zuid-oosten, 14 graden boven den horizont. De voornaamste sterren, die destijds boven den horizont waren, zijn: Capella, in het noord-noord-oosten, 12 graden hoog; Pleiades, noord-oost ten oosten, 3 graden hoog; Alamak Mirach, het hoofd van Andromeda en de Ram, in het oost-noord-oosten; de Zwaan, in het zuid-oosten, 70 graden hoog; Atiar, de heldere in den Arend, in het zuiden, 46 graden hoog; Wega, of de heldere in de Lier, in het zuid-westen, 73 graden hoog; Hercules en de noorder Kroon, in het westen; Bootes, de helderste in dezelve, Arcturus, in het westen ten noorden, 20 graden hoog; de groote Beer in het noord-westen, en de kleine Beer in het noord-noord-westen enz. Deze standplaatsen van eenige vaste sterren zijn hier aangeteekend, omdat dezelve op de plaat No. 2, wegens de kleinheid van het hemelsplein, niet wel duidelijk konden vertoond worden.
Het wijzertje aan de regterhand, naast het hemelsplein, wees den ondergang der Zon, op gemelden 24 Maart, iets na 6 uur.
Het wijzertje op de regter pilaster, dat den afstand der Maan van den noorder-knoop aanwijst, teekende IV teekens en 11 graden, zoodat de teeken- en de graadwijzer bijna regt boven elkander waren [94].
De wijzer boven de kast aan de regterhand, die tot opschrift heeft de Maan gaat onder, teekende 4 1/2 uur; dat dit in den morgenstond was, blijkt uit de vergelijking van den wijzer, die de lichtgestalten der Maan, of haren ouderdom, zie plaat No. 1, aanwijst, zijnde toen tusschen het eerste kwartier en de volle Maan.
De plaat No. 3 is eene perspective afteekening van het geheele vertrek, waarin het werktuig geplaatst is, uit het oogpunt te zien voor den schoorsteen, 3 voet boven den vloer, geteekend door den koopman Klaas Joh. Sannes. De planeetbollen en Zon- en Maanwijzers zijn aldaar afgebeeld, zoo als zij zich vertoonden op meergemelden 24 Maart 1820, des morgens om 7 1/2 uur. De beide vergulden ballen, die uit de Zon en van onzen Aardbol afhangen, zijn op deze plaat, naar hunne betrekkelijke grootte, afgeteekend. De voor liefhebbers zeer aangename dienst, welke door de dagelijksche beweging van den kleinen bal om den Zonnebal wordt te weeg gebragt, is alhier, in de verandering op § 42 van de beschrijving, naauwkeurig aangewezen.
Voor het overige, daar men de binnenkamer moest afteekenen, gelijk zij bij de bezigtiging van het werktuig zich vertoont, vindt men haar betimmerd en gemeubileerd, gelijk zij was sedert het jaar 1774. Alleen het zilver, dat in het vertrek gewoonlijk staat op eene tafel, is een present van de Staten van Friesland, in 1784 ontvangen, en onder op deze plaat, aan de regterhand, afgeteekend. Het overige, dat tot den toenmaligen smaak van betimmering eener burgerlijke kamer behoorde, is op de beide laatste platen, No. 2 en 3, afgebeeld; en ik vond geene reden, om niet in mijne hooge jaren voor de wereld, of beter voor liefhebbers der wetenschappen, mij niet ongenegen, openlijk aan den dag te leggen, dat de betimmering en meubilering van mijne kamer eene halve eeuw ten achteren zijn bij den hedendaagschen smaak.
Ik sluit mijne Bijvoegsels in de hoop, dat deze tweede druk van des hoogleeraars beschrijving goeden aftrek vinden moge, en dat behalve de inteekenaars, ook andere liefhebbers zich dien mogen aanschaffen.
Mag het mij, door gunst van den Albestuurder, gebeuren, de jaren mijns levens verlengd te zien, en die zielsvermogens in mijnen ouderdom te behouden, welke zijne liefde mij nog schenkt, ik wensch dan opregtelijk aan het verzoek en de uitnoodiging van velen, bijzonder van den hooggeleerden heer C. Ekama, professor te Leiden, te voldoen; en vlei mij, onder medehulp van deskundigen, in staat te zullen zijn, om eene naauwkeurige Beschrijving van het inwendige zamenstel van het werkstuk, door mij vervaardigd, en door de vereischte platen toegelicht, te kunnen uitgeven. Alleen, hoe ligt deze wensch, vooral in mijnen ouderdom, kan uitblijven, gevoel ik ten volle, en laat het Gode aanbevolen, of de nakomelingschap zulk eene beschrijving, althans onder mijn eigen toezigt, zal mogen ontvangen.
Om echter iets van mijne latere werkzaamheden nog aan de lezers mede te deelen, ontvangen zij nog van mijne hand het volgende Aanhangsel.
AANHANGSEL.
Het laatste stuk, door mij uitgedacht en afgeteekend, is een planetarium, waarop de loopbanen van Mercurius, Venus, de Aarde, met de Maan, Mars, Jupiter en Saturnus zijn geplaatst, in hare betrekkelijke afstanden van de Zon en hare uitmiddelpuntigheden en knoopen. Saturnus loopbaan, in derzelver middelbaren afstand van de Zon, is gesteld op 43 duim (oude Friesche maat); de andere planeten in evenredigheid, als 4 Mercurius, 7 Venus, 10 Aarde, 15 Mars, 52 Jupiter en 95 Saturnus. Deze afteekening is gezien door Willem Jans Jansen, landbouwer te Dongjum, een buitengewoon natuur- en werktuigkundige onderzoeker en liefhebber (deszelfs stand in de maatschappij in aanmerking genomen zijnde), en net werkman in hout, koper, ivoor, ijzer enz., die ook zich zelven eene draaibank en meer andere gereedschappen had vervaardigd, waarmede hij, door zijn vindingrijk vernuft, in staat is, om velerhande kunstwerk te maken. Na het zien van dit mijn afgeteekend planetarium, werd deze opgewekt, om hetzelve te vervaardigen. Hiertoe werd verkozen een vlak bord, groot 20 duim in middellijn, verbeeldende de ecliptica. Hetzelve is aan den buitenrand verdeeld in teekens en graden van den zodiak, en in maanden en dagen, ons jaar uitmakende. De wegen der genoemde planeten zijn daarop van 5 tot 5 graden doorboord, om de bolletjes, die op koperen laafjes geplaatst zijn, te kunnen zetten, waar ze behooren (voorondersteld zijnde, de plaats, waar ze op zekeren tijd moeten staan, bekend te zijn); ze worden van onderen op het bord met een schroefje vastgezet. Jupiter en Saturnus zijn ieder op een stokje geplaatst, omdat hun afstand ver buiten het bord valt. Onze Aardbol is omringd door eenen meridiaan, waarin hij om zijne aspunten kan draaijen. Binnen dezen meridiaanring is een platte ring, verbeeldende den horizont; op dezen zijn de zestien hoofdstreken van het kompas geteekend. Op het Aardbolletje zelf zijn de hoofdcirkels, als de aequator, ecliptica, keerkringen en poolcirkels, alsmede de hoofdsteden van ieder keizer- of koningrijk, en land en zee, door mijnen neef Sipke Eisinga netjes afgeteekend, voor zoo veel de kleinheid van het bolletje dit toeliet. De horizont kan, door het losmaken van een schroefje, op alle poolshoogten geplaatst worden. De aspunten der Aarde gaan door den meridiaan; op het eene aspunt is een koperen plaatje geschroefd, waardoor men het bolletje met de hand kan ronddraaijen; op het andere aspunt wordt een wijzertje tusschen een borstje en een plaatje vast bekneld, en op den meridiaanring is om de as eene koperen plaat vastgemaakt, welker buitenrand verdeeld is in maanden en dagen van ons jaar. Binnen dezen jaarcirkel is nog een cirkel, in 2 maal 12 uren verdeeld; deze uurcirkel kan in den jaarcirkel ronddraaijen.
Als men nu dit werktuig gebruiken wil, plaatst men de planeetbollen ieder op zijne plaats op het bord, alsmede onzen Aardbol, met zijne aspunten paralel met de lijnen, die op het bord getrokken zijn. De horizont om den Aardbol kan men plaatsen, op welke poolshoogte men verkiest; men draait de verkozene plaats onder den meridiaan, en zet den uurcirkel met het middaguur op de maand en den dag van het jaar, en het wijzertje op 12 uur; dan ziet men de Zon, de Maan en de planeten, door het ronddraaijen van de Aarde, op- en ondergaan en in welke streek van het kompas ze staan, alsmede den tijd, wanneer ze opkomen, door den meridiaan gaan en ondergaan, op die poolshoogte en meridiaan, waarop men den horizont gesteld heeft.
Het werktuig is geplaatst op een langwerpig vierkant stoeltje, op welks langste hoeken twee pilaartjes zijn, waarin het bord in Aries en Libra kan draaijen. Aan het bord is een halve cirkel van hout, 3 1/2 duim breed, vastgemaakt, en schuift langs eene sleuf in een voetje, dat in het midden van het langwerpig vierkant stoeltje staat. Deze halve cirkel is aan den eenen kant, van de evennachtslijn tot aan de noordpool, verdeeld in 90 graden, en aan den anderen kant, van de evennachtslijn tot aan de zuidpool, ook in 90 graden, om het bord, dat de ecliptica verbeeldt, te kunnen stellen, op wat poolshoogte men verkiest. De 66 1/2 graden zijn aan weêrskanten het middelpunt van den halven cirkel, omdat onder de poolcirkels de ecliptica in Cancer en Capricornus horizontaal ligt: want onder den noorder-poolcirkel komt de Zon in Capricornus op den middag wel in, maar niet boven den horizont, en in Cancer komt zij te middernacht wel in den horizont, maar gaat er niet onder. Bij den zuider-poolcirkel is het regt omgekeerd.
BIJVOEGSELS TOT DEN DERDEN DRUK VAN 1851.
Sedert de hoogl. J. H. van Swinden het kunstig planetarium van Eisinga beschreef, zijn ruim 70 jaren verloopen,--jaren, waarin door sterrekundige waarneming en navorsching eene meer volledige en naauwkeurige kennis aangaande het zonnestelsel is verkregen. Het is derhalve niet te verwonderen, dat in de voorgaande, op nieuw in het licht gegevene Beschrijving eenige opgaven voorkomen, waarvoor de hedendaagsche, meer volmaakte sterrekunde andere in de plaats heeft te stellen. Die verouderde opgaven betreffen inzonderheid het aantal der bekende hoofd- en bijplaneten, de hoedanigheden (elementen), waardoor de eene planetarische loopbaan van de andere onderscheiden is, alsmede eenige eigenschappen, welke de planeten zelven aan den dag leggen.
Evenmin als wij vrijheid vonden, wezentlijke veranderingen aan te brengen in Van Swinden's Beschrijving, en hem in de uitlegging van het zonnestelsel op een standpunt te plaatsen, 't welk eerst 70 jaren na de vervaardiging van Eisinga's kunstgewrocht bereikt is; evenmin meenen wij eenige voorname opgaven te mogen achterhouden, welke soortgelijke, minder naauwkeurige, in den tekst of in de noten voorkomende, zouden behooren te vervangen. Wij zullen deze verbeteringen aanbrengen in eenige beknopte overzigten, en daarmede hopen wij menigen lezer van dit werkje, die belang stelt te vernemen, wat thans van het zonnestelsel bekend is, eenigermate te gemoet te komen.
I.
OVERZIGT DER PLANETEN, WELKE SEDERT HET JAAR 1780 TOT OP HET EINDE VAN 1850 ZIJN ONTDEKT.
Uranus 13 Maart 1781 ontdekt door W. Herschel. Ceres 1 Jan. 1801 J. Piazzi. Pallas 28 Maart 1802 H. M. W. Olbers. Juno 1 Sept. 1804 C. L. Harding. Vesta 29 Maart 1807 H. M. W. Olbers. Astraea 8 Dec. 1845 K. C. Hencke. Neptunus 24 Sept. 1846 G. Galle [95]. Hebe 1 Julij 1847 K. C. Hencke. Iris 13 Aug. 1847 J. R. Hind. Flora 18 Oct. 1847 J. R. Hind. Metis 26 April 1848 A. Graham. Hygiea 14 April 1849 De Gasparis. Parthenope 11 Mei 1850 De Gasparis. Clio (Victoria) 13 Sept. 1850 J. R. Hind. Egeria 2 Nov. 1850 De Gasparis.
Buitendien is den 20 Mei 1851 door Hind nog eene planeet ontdekt, welke Irene wordt genoemd. Eindelijk heeft De Gasparis den 29 Julij 1851 er nog eene ontdekt.
II.
OVERZIGT DER BIJ-PLANETEN OF WACHTERS, WELKE SEDERT HET JAAR 1780 TOT OP HET EINDE VAN 1850 ZIJN ONTDEKT.
In 1780 waren er vijf wachters van Saturnus bekend; een van hen was reeds in 1655 door Christiaan Huygens ontdekt: de vier andere van 1671 tot 1687 door Cassini. Sedert, en wel het eerst in 1788 en 1789 door W. Herschel, zijn nog twee andere Saturnus-manen waargenomen. Om verwarring te vermijden of te doen ophouden, heeft J. Herschel aan die zeven satellieten eigene namen gegeven. Zij heeten nu, in volgorde der afstanden van de hoofd-planeet, te beginnen met den naasten: Mimas, Enceladus, Tethys, Dione, Rhea, Titan, Japetus. Tusschen Titan (den door Huygens ontdekten) en Japetus heeft Lassell onlangs nog een achtsten ontdekt, die Hyperion wordt genoemd.
De ring, welke Saturnus omgeeft, is niet enkelvoudig, maar bestaat uit eenige, van elkander afgezonderde, concentrische deelen. De voornaamste kring van afscheiding in den ring werd het eerst in 1787 door W. Herschel ontdekt. Later werd eene tweede dergelijke, doch minder breede tusschenruimte door Kater en Encke opgemerkt; en naar luidt van 't geen gemeld wordt, zou aan de sterrekundigen te Rome gebleken zijn, dat de gordel, welken men voor het uiterste gedeelte van den ring hield, zelf voor een drieledig ringen-stelsel was te houden.
Nopens het aantal der wachters, die om Uranus omloopen, heerscht groote onzekerheid. Twee althans zijn op voldoende wijze bekend. Zij zijn die, welke W. Herschel den 11den Januarij 1787 ontdekte. Van 1790 tot 1794 kwamen in den telescoop van denzelfden sterrekundige nu en dan lichtpunten te voorschijn, die insgelijks Uranus-wachters schenen te zijn. Latere waarnemingen hebben het bestaan dier wachters niet buiten twijfel gesteld; alleen meent Lamont een hunner op nieuw te hebben gezien, 't welk aan geen anderen sedert Herschel had mogen gelukken. Onlangs hebben zich echter Lassell en O. Struve overtuigd, dat, behalve de twee wel bekende, nog twee andere wachters hunne loopbanen om Uranus beschrijven.
Ook om Neptunus beweegt zich ten minste ééne maan. Zij werd het eerst door Lassell, den 10den October 1846, gezien en later door Bond en A. Struve vlijtig waargenomen. Een tweede satelliet zou den 17den October 1847 door Bond ontdekt zijn. Buitendien meenen Lassell en Challis bespeurd te hebben, dat Neptunus, even als Saturnus, omgeven is door een ring.
III
OVERZIGT VAN DE LOOPBANEN DER HOOFD-PLANETEN.