Part 1
BESCHRIJVING VAN HET PLANETARIUM VAN EISINGA.
De Schrijver van dit werkje, de beroemde geleerde, Jan Hendrik van Swinden, geboren den 8 Junij 1746 te 's Gravenhage, waar zijn vader Advokaat voor den Hove van Holland was, had slechts drie jaren aan de Hoogeschool te Leiden gestudeerd, toen hij in 1766, en dus op slechts twintigjarigen ouderdom, beroepen werd tot Hoogleeraar in de Wijsbegeerte, Logica en Bovennatuurkunde aan Frieslands Hoogeschool te Franeker. Met voorbeeldigen ijver legde hij zich dáár op de Wis- en Natuurkunde toe, maakte zich verdienstelijk door belangrijke reeksen van waarnemingen, betreffende meteorologische, electrische en magnetische verschijnselen, vormde vele voortreffelijke leerlingen, en schreef een aantal geleerde werken. Voor Franeker was het dus een groot verlies, toen hij in 1785 tot Hoogleeraar aan het Athenæum te Amsterdam werd beroepen. Daar ontwikkelde hij zich in volle grootheid, en was hij, bij alle omstandigheden en staatsveranderingen, voor de geleerde wereld en de belangen des vaderlands hoogst nuttig en als mensch beminnelijk en eerbiedwaardig. Geacht als de vierde in de rij der groote Natuurkundigen, die Neêrlands roem in de Natuurkunde bevorderd hebben, mogt het hem gebeuren aan vreemden, op hunnen eigen bodem, de treffendste blijken te geven van vernuft en geleerdheid, en onder zoo vele beroemde mannen met luister te schitteren. Hij overleed den 9 Maart 1823, in den ouderdom van ruim 76 jaren. Het getal zijner uitgegevene grootere en kleinere geschriften bedraagt ruim 90. Achttien Akademiën en Genootschappen hadden hem met het lidmaatschap vereerd. Zijne nagedachtenis werd op eene waardige wijze gehuldigd door de Hoogleeraren D. J. van Lennep en G. Moll en onderscheidene Dichters.
J. H. VAN SWINDEN,
BESCHRIJVING VAN HET RIJKS-PLANETARIUM TE FRANEKER, van 1778 tot 1780 UITGEDACHT EN VERVAARDIGD DOOR EISE EISINGA.
DERDE, MET BIJVOEGSELS EN AFBEELDINGEN VERMEERDERDE, DRUK,
VOORAFGEGAAN DOOR
HET LEVEN VAN EISINGA EN EENE GESCHIEDENIS VAN ZIJN PLANETARIUM, DOOR
W. EEKHOFF, Archivarius der stad Leeuwarden.
Te SCHOONHOVEN, bij S. E. van NOOTEN.
1851.
VOORBERIGT.
De Heer S. E. van Nooten te Schoonhoven, thans eigenaar van het kopyregt van Van Swinden's Beschrijving van Eisinga's Planetarium, wenschte van dit sedert eenige jaren uitverkochte werkje een nieuwen druk te bezorgen. Bij verzocht mij, om het toezigt over die uitgave te houden en eene historische inleiding daar vóór te plaatsen, ter vervanging der Voorrede van Do. J. Brouwer, voor den tweeden druk geplaatst, welke, als van tijdelijk belang, thans kwalijk herdrukt kon worden. Uit hoogachting voor den waardigen Eisinga en zijn beroemd kunststuk, nam ik dit gaarne op mij, na mij van de hulp eens deskundigen te hebben verzekerd. Aan de volbrenging van die taak was echter veel meer moeite verbonden, dan ik mij had voorgesteld. Ik hoop echter in het volgende Leven van Eisinga en Geschiedenis van zijn Planetarium alles bijeengebragt te hebben, wat ons omtrent beide duurzame belangstelling kan inboezemen.
Bij de voortdurende belangstelling, welke het Planetarium mag ondervinden, moge de uitgave strekken, om de waarde van het kunststuk en de verdiensten van den vervaardiger meer algemeen en duurzaam te doen kennen en op prijs stellen.
Leeuwarden, Julij 1851.
W. Eekhoff.
INHOUD.
Bladz.
Het Leven van Eise Eisinga en beknopte Geschiedenis van zijn Planetarium. 1
Opdragt van den eersten druk dezer Beschrijving aan Mr. S. P. van Swinden, J. U. D. Advocaat voor den Hove van Holland 1780. 46
Beschrijving van een volledig bewegelijk Hemels-gestel. 53
Inleiding. 55
EERSTE HOOFDSTUK.
Algemeene schets van het geheele kunststuk. 63
TWEEDE HOOFDSTUK.
Beschrijving van het eigenlijk gezegde Planetarium. 69
DERDE HOOFDSTUK.
Vergelijking van dit Planetarium met eenige anderen, voornamelijk die van Roemer, Huigens, Desaguliers, Wricht en de beweegbare Sphaera der bibliotheek te Leiden. 83
VIERDE HOOFDSTUK.
Over de zwarigheden, welke men in het vervaardigen van een Planetarium ontmoet. 93
VIJFDE HOOFDSTUK.
Beschrijving van het Hemelsplein en de Zonwijzers.
I. Van het Hemelsplein. 99 II. Vergelijking van dit Hemelsplein met eenige andere. 110 III. Van de Zonwijzers. 118
ZESDE HOOFDSTUK.
Beschrijving van het derde en laatste gedeelte van het kunststuk, namelijk, van de Maanwijzers. 121
I. Aanwijzing van de lichtgestalten der Maan. 122 II. Aanwijzing van de beweging der Maan om de Aarde. 128 1. Van de loopbaan der Maan. 129 2. Van de breedte der Maan. 131 3. Van de lengte der Maan. 134 III. Verschijnselen van den op- en ondergang der Maan. 135 IV. Van de Eclipsen. 141 1. Van de Maan-eclipsen. 142 2. Van de Zon-eclipsen. 143
Besluit. 145
Bijvoegsels tot de voorgaande Beschrijving, benevens een Aanhangsel wegens een klein Planetarium, door Eise Eisinga, gevoegd bij den tweeden druk van 1824. 147
Aanhangsel. 156
Bijvoegsels tot den derden druk van 1851. 159
I. Overzigt der Planeten, welke sedert het jaar 1780 tot op het einde van 1850 zijn ontdekt. 160 II. Overzigt der Bij-planeten of Wachters, welke sedert het jaar 1780 tot op het einde van 1850 zijn ontdekt. 160 III. Overzigt van de Loopbanen der Hoofd-planeten. 162 IV. Overzigt van eenige Hoedanigheden der Hoofd-planeten. 164
HET LEVEN VAN EISE EISINGA EN BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN ZIJN PLANETARIUM.
Zoo dikwijls er sprake was van verdienstelijke mannen, die, wars van praalzucht, in stille nederigheid wegschuilen, pleeg de hoogbejaarde Professor Van Swinden zijnen vrienden dikwijls te verhalen, dat hij, omstreeks 40 jaren te voren, Hoogleeraar zijnde te Franeker, vernomen hebbende, dat er bij een burgerman aldaar een aardig werktuigje was te zien,--in eene soort van verrukking viel, toen hij daar op eens een volledig en gangbaar Planetarium voor zich zag, waarvan Europa de weergade niet toonen kon;--een kunststuk, door een eenvoudig wolkammer in de snipperuren van zes jaren geheel in zijne eenigheid voltooid, zonder dat hij of zijn collega Ypeij, als Hoogleeraren in de Natuur-, Wis- en Sterrekunde, of iemand der andere Professoren, die in deze kleine Akademiestad slechts eenige schreden verder woonden, iets van 't werk geweten hadden, veel minder geraadpleegd waren [1].
Sedert die verrassende ontmoeting bezocht Prof. Van Swinden bij herhaling het Planetarium; hij onderzocht het in al zijne deelen en bestudeerde al de vereischten van zulk een werkstuk. Met elk bezoek steeg zijne bewondering van het werktuig en zijn eerbied voor den verdienstelijken vervaardiger, en het was dáárom, dat hij zich gedrongen gevoelde, hiervan eene uitvoerige beschrijving in het licht te geven, ten einde der wereld te toonen, welk overheerlijk schoon en voortreffelijk kunststuk zamengesteld was door een eenvoudig burger, wiens vernuft en bekwaamheden aanspraak hadden op roem en vereering.
Zeventig jaren zijn er thans (in 1850) verkopen, sedert Van Swinden deze Beschrijving uitgaf. Voorzeker heeft hij daarmede zijn doel bereikt: want binnen- en buitenlands werd de hooge waarde van dit Planetarium erkend; duizenden, en daar onder de aanzienlijkste, zelfs vorstelijke personen, kwamen het beschouwen en bewonderen, en ver boven verwachting waren de eerbewijzen, welke Eisinga daarvoor bij zijn leven en ook na zijn overlijden ontving. Maar opmerkelijk is het vooral, dat--in weerwil der vorderingen van de kunsten en wetenschappen in die zeventig jaren; in weerwil de werktuigkunde in Engeland, Duitschland en Frankrijk sedert zulke reuzenschreden heeft gemaakt en de sterrekunde door talrijke nieuwe ontdekkingen en grondiger onderzoek in omvang en gewigt zeer is toegenomen,--dat dit Planetarium, én als vrucht van wetenschappelijk onderzoek én als kunststuk der werktuigkunde, nóg zijne waarde heeft behouden en door geen ander voortreffelijker werkstuk van dien aard is overschaduwd geworden. Aangenaam zijn daarom de belangstellende bezoeken, welke Franeker (na bijna alle sporen van zijne vroegere wetenschappelijke grootheid verloren te hebben) nog bestendig van landgenooten en vreemden mag ontvangen, als eene hulde aan Eisinga's kunstgewrocht, hetwelk ook door de Friezen steeds op hoogen prijs wordt geschat. Daardoor is het mede noodzakelijk geworden, een derden druk ter perse te leggen van Van Swinden's Beschrijving, welken wij thans onzen landgenooten aanbieden. Wij wenschen dit te doen naar de behoeften van onzen tijd [2]. Wij durven toch vertrouwen, dat allen, die belang stellen in de beschrijving van het werktuig, behoefte zullen hebben om te weten: door wien en onder welke omstandigheden het werd vervaardigd; welke gevolgen daaruit voor den vervaardiger zijn voortgesproten; hoedanig zijne lotgevallen zijn geweest; welke veranderingen het Planetarium sedert 1780 heeft ondergaan, en welke verder de voornaamste omstandigheden en gebeurtenissen zijn geweest, die daarop betrekking hadden.
Door de volgende Levensschets van Eisinga en Beknopte Geschiedenis van zijn Planetarium (beide zoo naauw met elkander vereenigd) hopen wij aan die behoefte te voldoen, en daardoor tevens op nieuw een blijk te geven van onze zucht, om Frieslands roem in kunsten en wetenschappen, waartoe Eisinga zoo veel heeft bijgedragen, te bevorderen [3].--Slaan wij vooraf het oog op zijne tijd- en kunstgenooten.
Meermalen is het opgemerkt, dat in der Friezen aard eene bijzondere neiging ligt voor de beoefening van de mathematische wetenschappen in het algemeen en voor die van de Sterre-, Meet- en Werktuigkunde in 't bijzonder. De laatste drie eeuwen hebben daarvan talrijke voorbeelden gegeven, waarvan vele vermeld zijn in de bekende Redevoering van den Hoogleeraar C. Ekama [4]. Welligt was er echter geen tijdperk rijker in het voortbrengen van zoodanige vernuften dan de laatste helft der vorige eeuw. De langdurige vrede, rust en welvaart, die van 1713 tot 1780 bijna onafgebroken werden gesmaakt, gaven aanleiding, dat velen voedsel voor den geest zochten in die degelijke studiën, waartoe, behalve gezond oordeel, geschiktheid tot afgetrokken nadenken met de zucht om naauwkeurig te toetsen en te overwegen, en niet minder volharding vereischt worden:--eigenschappen, welke in vele Friezen van den echten stempel voorzeker in hooge mate worden aangetroffen. Opmerkelijk is het tevens, dat de neiging tot gezegde studiën het meest gevonden werd bij lieden uit den eenvoudigen burgerstand of bij landbouwers, die in hun bedrijf ter naauwernood eenige aanleiding schijnen te vinden, om zich juist op die vakken toe te leggen. Misschien werkte het voorbeeld en onderwijs van den beroemden Willem Loré, die te Leeuwarden in een Weeshuis was opgevoed en zich door groote mathematische bekwaamheden tot buitengewoon Hoogleeraar te Franeker wist te verheffen, nog lang na zijn dood (1744) op velen gunstig voort [5]. Evenwel is het bekend, dat de meeste der volgende Wis- en Werktuigkundigen weinig of geen onderwijs van anderen genoten, maar zich door de kracht van hun eigen genie en door volhardende inspanning uitstekende bekwaamheden verwierven.
Te Leeuwarden had de bekende Hortulanus van Prinses Maria Louisa, Johann Hermann Knoop, die in verschillende vakken een aantal werken heeft uitgegeven, reeds lang onderwijs in de Wiskunde, gelijk Hayke Haanstra van Buitenpost in de Rekenkunde gegeven, toen de timmerman Wytse Foppes Dongjuma, naar zijne geboorteplaats Dongjum bij Franeker dus genoemd, onder begunstiging van genoemde Prinses, zich hier nederzette, als Mathematisch Instrumentmaker, Landmeter en Wijnroeijer. In 1763 vervaardigde hij een toestel, door hem Magnetimeter genaamd, en gaf verscheidene grondig bewerkte schriften in het licht. Hij vormde een kring van leerlingen, met wie hij vele sterrekundige waarnemingen deed. Van sommigen hunner, als Jarich Tjeerds, A. Posthumus en H. Balk, zijn nog mathematische geschriften in de Bibliotheek dezer stad voorhanden. De onderwijzer Tjeerd Ringneery maakte zich door zijne handboeken voor het boekhouden en den graanhandel verdienstelijk (1763). De schilder Rienk Jelgerhuis beoefende mede de Wiskunde, blijkens zijne Aanmerkingen op de Perspectiva van Caspar Philips (Leeuw. 1769). Luitjen F. Wiersma, van Wartena geboortig, had reeds in 1754 (te Dokkum wonende) eene Wiskunstige Arithmetica uitgegeven, toen hij zich in 1777 te Leeuwarden vestigde, waar hij twee jaren later gevolgd werd door den bekwamen Lucas Oling, van Weender geboortig, door zijn belangrijk Rekenkundig Exempelboek vermaard. Grooten naam verwierf zich mede Mattheus Siderius, die als Luit. Kol. en Ingenieur der V. Ned. in 1781 la Théorie de la Fortification en in 1784 Gronden der Vestingbouwkunde uitgaf, en J. W. Karsten, die in 1797 te Leiden met goud bekroond werd als schrijver eener Handleiding tot de kennis der Meetkunde.
Ook aan de eertijds bloeijende Akademie te Franeker vond de Wis-, Natuur- en Sterrekunde in dit tijdvak ijverige beoefenaars in de Hoogleeraren Anthonius Brugmans, van Hantum, Van Swinden, Nicolaas Ypeij van Bergum, Jacobus Pierson Tholen, van Leeuwarden en Adolphus Ypeij, van Franeker. Aan deze Akademie waren mede verbonden, als Hortulanus David Meese, van Leeuwarden, bijzonder door kruidkundige schriften vermaard, en Jan Pieters van der Bildt, van L. Vrouwe-Parochie, als Amanuensis en verzorger der verzameling physische instrumenten; een man van geringe afkomst, die eerst door het maken van uurwerken en daarna van optische instrumenten zich zeer verdienstelijk gemaakt en een grooten naam verworven heeft, daar vooral zijne teleskopen lang op hoogen prijs werden geschat. In genoemde betrekking werd hij in 1791 opgevolgd door Sybrand Taekes van der Fliet, van Franeker, die lang trekschipper was, doch door vlijt en inspanning, ten gevolge der verkeering met de zonen van Van der Bildt, het zoo ver bragt, dat ook hij optische en andere instrumenten vervaardigde. Bij zijn dood in 1806 werd hij opgevolgd door Bauke Eisma van der Bildt, van Franeker, die, als bekwaam werktuigkundige, den naam zijns grootvaders ophield en eene menigte teleskopen, kijkers en andere werktuigen heeft vervaardigd, welke algemeen geacht zijn [6]. Bovendien waren er destijds in den eenvoudigen burgerstand te Franeker verscheidene personen, die voor zich zelve de mathematische wetenschappen beoefenden, en van wie dus weinig meer dan hunne namen bekend is. Deze waren Willem Wytzes, Douwe Wytema, Dirk Dodenga, Marten Claver en Pieter Idserds Portier, die tevens als een zeer bekwaam teekenaar van schepen en landschappen bekend is. Nog was Wouter Martens van der Werff, van Woudsend geboortig, daar als leermeester in de Wis- en Sterrekunde zeer geacht; terwijl Pibo Steenstra, de zoon van een tigchelaarsknecht, het geluk had, opgemerkt te worden door Prof. Ypeij, die zijn gunstigen aanleg dermate ontwikkelde, dat hij als Lector in de Wis-, Zeevaart- en Sterrekunde te Amsterdam, verscheidene goede leerboeken uitgaf, welke bij het publiek lang grooten bijval vonden. Ook de scheikundige Boudewijn Tieboel en de beroemde wijsgeer Frans Hemsterhuis, beide te Franeker geboren, behooren nog bij dit getal genoemd te worden.
In de nabijheid van Franeker, in de buurt Salwerd, woonden toenmaals de broeders Rients en Klaas Piers Salverda, die uitmuntten door vernuft, oordeel en bekwaamheid, vooral in het maken van fraaije zonnewijzers. Uit dit geslacht was mede afkomstig de geleerde Wybo Fynje, Doopsgezind Leeraar te Deventer, bekend wegens zijne ongemeene bekwaamheden in de hoogere Wiskunde.
Te Harlingen gaf de Oud-Secretaris Mathys Adolph van Idsinga in 1787 blijken van groote bedrevenheid in de Sterre- en Zeevaartkunde in zijne werkjes: Aanwijzinge van het seekere Middel waardoor de zeeman iederen nacht zijne waare langte kan te weeten komen, met Vervolg, en niet minder zijn tegenschrijver Abe Jans Hingst aldaar. Te dier stede woonde destijds mede een zeer bekwaam uurwerkmaker, Tjeerd Radsma, die met veel vernuft een beweegbaar Planispherium vervaardigde, waarvan Prof. Van Swinden in § 82 zijner Beschrijving van Eisinga's Planetarium eene korte aanwijzing en vergelijking heeft gegeven, nadat hij toen reeds acht dezer werkstukken vervaardigd en te Harlingen en Amsterdam geleverd had.
In het dorp Achlum bij Franeker was destijds de landbouwer Klaas Gerrits Wieringa een vernuft, dat, zeer bedreven in de Wis- en Werktuigkunde, door het vervaardigen van eene electriseermachine en andere kunststukken, algemeen opzien baarde. Uit het daar bij gelegene dorp Arum kwam de bekwame Obbe Sikkes Bangma voort, die, even als Henricus Aeneae van Oudemirdum, door hunne bekwaamheden en uitgegevene geschriften in Holland eervolle wetenschappelijke betrekkingen mogten verwerven.
Overigens waren er in die laatste helft der 18e eeuw nog een aantal stille beoefenaars der Wis- en Sterrekunde in Friesland, waarvan wij niet de woonplaatsen, maar alleen de namen kennen, en die zich, onder den titel van: Mathematicus, of van: Liefhebber der Mathematische kunsten, verdienstelijk hebben gemaakt als berekenaars van de Almanakken der jaren, achter hunne namen geplaatst. Zij zijn: Gerrit Tresling, 1755, vermoedelijk te Leeuwarden; Leendert Holder, 1764, denkelijk onderwijzer te Arum; H. D. Hylkema, 1770; Hanso Lemstra van Buma, 1775, later, in 1791, Boekhandelaar te Sneek; S. Sjoerds en S. van der Werf, 1782; Popke Sluiter, 1784; Gerrit Hendriks, 1793; Marten Jonker, 1794; Tiede Dykstra, 1795; Joris de Haan, 1797; Johannes Egberts, 1799 en daarna Evert Sjerps Ferwerda, timmermansknecht te Leeuwarden, dien wij nog gekend hebben.
Wij zouden nog meerdere namen kunnen noemen, als: van Hendrik Anjema, van Franeker, die een Tafel der Devisoren van alle de natuurl. getallen (Leiden 1767) uitgaf; van Nicolaas Epkema, van Wirdum, die Wolff's Tafelen tot de Trigonometria (Amst. 1765) in 't Ned. overbragt; van de voortreffelijkste gebroeders Pieter, Albert en Arjen Roelofs, van Hijum, die zich eerlang tot eene verwonderlijke hoogte verhieven;--doch reeds meer dan genoeg, om aan te toonen, dat Friesland, inzonderheid in de laatste helft der 18e eeuw, vruchtbaar was in het voortbrengen van mathematische vernuften [7].
In het aanzienlijke en fraai gelegene dorp Dronryp, in Menaldumadeel, tusschen Leeuwarden en Franeker (waar eertijds Riemer Sybes woonde, die de eerste leermeester in de Wiskunde was van den later zoo beroemden Willem Loré) was omstreeks het midden der vorige eeuw, bovendien, een geslacht gevestigd, waarin de zucht en de geschiktheid voor de mathematische wetenschappen en de werktuigkunst erfelijk scheen te zijn. Daar woonden de broeders Jelte Eises en Ane Eises, van Oosterlittens in Baarderadeel afkomstig, die het beroep uitoefenden van wolkammer. Van jongs af hadden beide zich in de uren van uitspanning toegelegd op de Reken- en Meetkunst, en bestendig bleef het hen eene aangename bezigheid zich te oefenen, en den tijd, welke hen van hunne kostwinning overschoot, te besteden tot het zamenstellen van een of ander kunstwerk of aardigheid, waarbij eene zeldzame handigheid beider vernuft ten dienste stond. Van de verschillende stukken, door Jelte vervaardigd, zijn bekend, dat hij, in jeugdigen leeftijd, een tweemast galjootscheepje vervaardigde, van 9 voet lengte, met alle toebehooren en in juiste evenredigheid, zóó zelfs, dat er twee man meê te water konden gaan. Als liefhebber van muzyk en zang maakte hij voor huiselijk gebruik een klavier en daarna een kabinetorgel, waarvan hij de inrigting had gadegeslagen bij gelegenheid der herstelling van het kerkorgel van Dronryp, waarover hij als Kerkvoogd het opzigt had. Doch inzonderheid hielden zij zich bezig met het berekenen en zamenstellen van zonnewijzers, in onderscheidene en soms zonderlinge vormen, waarvan vele in den omtrek aan de huizen en als tuinsieraden werden geplaatst. Eene door Jelte mede vervaardigde kunst-draaibank, van bijzondere vinding, bewees bij al deze werkzaamheden groote diensten.
De jongste der broeders, Ane, vertrok eerlang naar Franeker, waar hij Waagmeester en Ontvanger of Collecteur van het Gemaal, den Turf enz. is geworden. Jelte bleef bestendig te Dronryp wonen, als wolkammer, en trad in het huwelijk met Hittje Steffens, van het naburige dorp Winsum, bij wie hij twee zonen en twee dochters verwekte. De jongste dezer zonen heette Stephanus Jeltes, waarbij hij later den naam van Eijsinga aannam. Hij werd geboren den 24 Maart 1755 en onderscheidde zich, even als zijn oudere broeder Eise, spoedig door een zeldzamen aanleg voor de Wis- en Sterrekunde, welke door het dagelijks onderwijs van den vader werd ontwikkeld en gevoed. De vrucht van zijne ijverige oefeningen bragt hij in 1776 bijeen in een groot boek (van 257 bladz.), hetwelk hij tot titel gaf: Grondbeginselen der Astronomie of Sterreloopkunde, op eene theoretische wijze verhandeld, waarin hij met keurig schrift en nette teekeningen en berekeningen de gronden dezer wetenschap ontvouwde. In het volgende jaar voegde hij daar achter een kunstwerk, hetwelk hij noemde: Gnomonica of Sonnewijzers, Alle door passer en lijnjaal afgepast op de noorderbreedte van Dronryp. Dit bevat in 170 bladz. de afbeeldingen en beschrijvingen van 86 verschillende soorten van zonnewijzers, welke evenzeer van zijne nette manier van werken als van zijnen vindingrijken geest getuigen [8]. Ook na den dood zijns vaders, die den 24 October 1785, oud ruim 69 jaren overleed [9], bleef hij in het ouderlijk huis en bedrijf werkzaam, en zijne snipperuren gedurig besteden zoowel aan de Sterre-, Reken- en Werktuigkunde, als aan de muzyk en het vervaardigen van fraai teeken- en schrijfwerk. Hij overleed den 27 Januarij 1814. Als vader viel ook hem het geluk te beurt, den lust en aanleg voor genoemde vakken te ontwikkelen en aan te kweeken in zijn oudsten zoon Jelte, die eerlang blijken gaf van groote verwachting. Want reeds op zijn zeventiende jaar vervaardigde deze, bij wijze van uitspanning, een beweegbaar astronomisch kunststuk, in den vorm van een staand uurwerk, waarop de vaste sterren met de zon op- en ondergingen, met aanwijzing van den waren en middelbaren tijd, van den ouderdom en de schijngestalten der maan enz. Doch die vadervreugde werd eerlang vadersmart, toen deze jongeling in de Fransche conscriptie viel, naar Rusland trok, en, na de groote vermoeienissen van dien veldtogt, in 1812, in een hospitaal te Kauno in Polen stierf, door zijne familie diep betreurd.