Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde
Chapter 9
Arrius zag met bewondering naar het slanke gespierde lichaam en dacht aan de arena. Het optreden van den jongeling trof hem. Zijn toon en manier van spreken bewezen, dat hij zijn jeugd onder beschaafde lieden doorgebracht had. Zijne oogen stonden helder en klaar, en de uitdrukking was meer nieuwsgierig dan uitdagend. Den onderzoekenden trotschen blik van den tribuun doorstond hij kalm, toonde geen spoor van haat of wraakgevoel, alleen diep gewortelde droefheid. Dientengevolge liet de tribuun zijn hoogen toon varen en sprak den slaaf vriendelijk toe: De hortator heeft mij gezegd dat gij de beste roeier zijt.
--Dat is heel vriendelijk van hem.
--Zijt gij reeds lang in dienst?
--Bijna drie jaar.
--Aan de riemen?
--Ja, ik heb geen dag rust gehad.
--Het werk is zwaar. Menig volwassen man houdt het geen jaar uit en gij--gij zijt nog zoo jong.
--De edelen tribuun vergeet, dat de geest ook een woordje meespreekt. Door zijn toedoen leeren de zwakken soms verdragen wat de sterken doet bezwijken.
--Naar uwe spraak te oordeelen zijt gij een Jood.
--Mijne voorvaderen waren Hebreën lang voordat de eerste Romein bestond.
--Gij zijt een echte Jood, even trotsch als al de anderen, zeide Arrius, den verhoogden blos op het gelaat van den jongeling ziende.
--Trots doet zich nooit zoo sterk gelden, dan wanneer hij geketend ligt.
--Welke reden hebt gij dan om trotsch te zijn?
--Dat ik een Jood ben.
Arrius glimlachte. Ik ben nooit in Jeruzalem geweest, zeide hij, maar ik heb wel van de vorsten van Jeruzalem gehoord. Ik heb er zelfs een van gekend. Hij was koopman en voer ter zee. Hij was waard koning te zijn. Tot welken stand behoort gij?
--Ik moet u van de galeibank antwoorden. Ik ben een slaaf, maar mijn vader was een vorst van Jeruzalem en voer als koopman ter zee. Keizer Augustus kende hem en ontving hem met eerbewijzen aan zijn hof.
--Hoe heette hij?
--Ithamar, uit het huis van Hur.
--Wat! riep de tribuun verbaasd, gij een zoon van Hur--gij? Na een oogenblik zwijgen vraagde hij: Hoe zijt gij hier gekomen?
Juda boog het hoofd, hij ademde zwaar. Toen hij zichzelven genoeg meester was zag hij den tribuun flink aan en zeide: Ik werd beschuldigd van een moordaanslag op Valerius Gratus, den procurator.
--Gij! riep Arrius, wiens verbazing nog grooter werd. Gij die moordenaar! Geheel Rome was er over verontwaardigd. Ik lag met mijn schip te Lodinum, en hoorde het daar.
Beiden zagen elkander zwijgend aan. Ik dacht dat het geslacht Hur uitgeroeid was, zeide Arrius eindelijk.
Een stroom van liefelijke herinneringen deed Juda's trots bezwijken, de tranen vloeiden over zijne wangen. Moeder--moeder! en mijn lieve Tirza! Waar zijn zij? O tribuun, edele tribuun, als gij iets aangaande haar weet, riep hij, de handen smeekend opheffend, vertel het mij dan. Zeg mij of zij nog leven, en waar dan, en hoe? O, ik bid u, zeg het mij dan.
Al sprekende was hij tot vlak voor den tribuun getreden.
--Drie jaren zijn voorbijgegaan sedert dien vreeselijken dag, vervolgde hij, drie jaren, edele tribuun, en ieder uur was een marteling voor mij. De arbeid was mijn enige afleiding. In al dien tijd heb ik geen woord, geen enkel woord, met iemand gewisseld. O, konden wij, vergetenen, toch ook maar zelf vergeten. Kon ik dat vreeselijk tooneel maar uit mijn geheugen bannen! mijn zusje weggerukt van mijne zijde, en die laatste blik van mijne moeder! In gevaren van pest, stormen en krijgsgewoel heb ik gelachen, terwijl anderen baden, want de dood zou mij van mijne ellende verlost hebben. Zeg mij, dat zij dood zijn, want zij kunnen toch niet gelukkig zijn, zoolang zij over mijn lot in het onzekere verkeeren. Ik heb haar stemmen 's nachts gehoord, ze roepen om mij. Ik heb ze op de golven zien wandelen. O mijne moeder, mijn lieve moeder! En Tirza, mijn zusje, zoo mooi, zoo lief, zoo aardig! Altijd vroolijk, altijd zingende. En mijne hand, de mijne, heeft haar neergeveld! Ik--
--Bekent gij schuld? vraagde Arrius streng.
De uitdrukking van Juda's gelaat veranderde als met een tooverslag. Zijn stem werd scherper van toon, zijn geheele lichaam trilde, zijn oogen schoten vuur, toen hij, de handen opheffende zeide: Gij kent den God mijner vaderen, Jehova, den eenige. Bij zijne waarheid, zijne almacht, en bij de liefde, waarmede hij Israël van den beginne heeft liefgehad, betuig ik: Ik ben onschuldig!
De tribuun was diep bewogen.
--O edele Romein! vervolgde Ben-Hur, schenk mij geloof, en doe een straal van licht vallen in mijne duisternis.
Arrius wendde zich af en wandelde het dek op en neer.
--Hebt gij een verhoor ondergaan? vraagde hij, eensklaps stilstaande.
--Neen.
De Romein zag verbaasd op. Niet verhoord--geen getuigen opgeroepen? Wie heeft het vonnis over u uitgesproken?
De Romeinen, het zij hier even herinnerd, waren nooit méér gesteld op het in acht nemen van wettelijke formaliteiten, dan in den tijd van hun verval.
--Zij hebben mij gebonden en in de gevangenis geworpen. Ik zag niemand, en niemand sprak tegen mij. Den volgenden dag werd ik door soldaten weggebracht naar de galeien.
--Wat hadt gij tot bewijs van uwe onschuld kunnen aanvoeren?
--Ik was nog een kind, te jong om aan een moord te denken. Gratus was mij geheel vreemd. Als ik hem had willen dooden zou ik een ander uur en een andere plaats hebben uitgekozen. Hij reed te midden van zijne troepen, en het was helder dag. Ik zou niet hebben kunnen ontkomen. Ik behoorde tot een geslacht, dat met Rome op goeden voet stond. Mijn vader was door den keizer met onderscheiding behandeld, om de diensten, die hij den staat bewezen had. Wij hadden een groot fortuin te verliezen. Niet alleen ik, maar ook mijne moeder en zuster zouden moeten boeten. Ik had geen reden om zulk een misdaad te begaan, en de gedachte aan huis, familie, geweten, Wet, zou mijne hand hebben tegengehouden, al was de begeerte ook nog zoo sterk in mij geweest. Ik was niet krankzinnig. De dood was te verkiezen boven de schande en, geloof mij, zoo denk ik er nog over.
--Wie was bij u, toen de procurator getroffen werd?
--Ik was op het dak van ons huis. Tirza was bij mij. Zij stond naast mij. Ik leunde over de borstwering om de soldaten te zien voorbijgaan. Een losgeraakte steen kantelde door de drukking van mijne hand, en viel op Gratus. Ik was doodelijk ontsteld.
--Waar was uwe moeder?
--Beneden in haar kamer.
--Wat is van haar geworden?
Ben-Hur balde de vuisten en hijgde naar adem. Ik weet het niet. Ik zag dat zij haar meesleurden--dat is alles. Alle levende ziel werd uit het huis verdreven, zelfs het stomme vee, en de poorten werden verzegeld. De bedoeling was dat zij er niet meer zou terugkomen. Waar is zij? O, dat ik het wist! Zij ten minste had er geen schuld aan. Ik kan vergeven,--maar 't is waar, een slaaf moet maar zwijgen van vergeven of van wraak nemen. Ik ben levenslang tot de galeien veroordeeld.
Arrius luisterde aandachtig. Hij riep al zijne ondervinding met slaven te hulp. Als dit comediespel was, dan was de Jood een geboren acteur; maar was hij werkelijk onschuldig, met welk een blinde woede was men dan tegen hem te werk gegaan! Een gansche familie weggevaagd, om voor een ongeluk te boeten. Dat ging te ver.--De tribuun was een zeer streng man; maar hij was ook rechtvaardig. Zijne onderhoorigen noemden hem den goeden tribuun.
In het verhaal van den jongeling was veel dat ten zijnen gunste sprak. Misschien kende Arrius Valerius Gratus, maar voelde hij zich niet tot hem aangetrokken. Misschien had hij den ouderen Hur gekend.... Hoe het zij, ditmaal wist de tribuun met recht wat hij doen zou. Zijne macht aan boord was onbeperkt. Alles noopte hem om genade te bewijzen. Hij geloofde den jongen roeier. Maar, zooals hij tot zichzelf zeide, er was geen haast bij, terwijl hij wèl haast had om Cythera te bereiken. Den besten roeier vrij te geven, dat ging niet. Hij zou wachten, hij moest nog meer zien te vernemen; hij moest ten minste zeker weten dat dit vorst Hur was, en dat hij een goede inborst had. Gewoonlijk waren slaven leugenaars.
--Het is goed, zeide hij, gij kunt gaan.
Ben-Hur boog, zag nog eenmaal zijnen gebieder aan, maar ontdekte niets dat hem hoop kon geven. Langzaam wendde hij zich af, keek nog eenmaal om en zeide: Indien gij bij geval weder aan mij denken mocht, edele tribuun, wil u dan vooral herinneren, dat ik alleen om tijding gevraagd heb van mijne moeder en zuster.
Hij ging. Arrius volgde hem met bewonderende blikken. Bij alle goden, dacht hij, met een weinig leiding zou hij in de arena kunnen schitteren. Wat een looper! Welk een arm voor het zwaard!--Halt! riep hij luid.
Ben-Hur bleef staan. Wat zoudt gij doen als gij vrij waart? vraagde de tribuun.
--De edele Arrius spot met mij, antwoordde de jongeling met bevende lippen.
--Neen, bij alle goden, neen!
--Dan wil ik u gaarne antwoorden. Vóór alle dingen zou ik mijn plicht doen. Ik zou mijzelven geen rust gunnen, voordat ik mijne moeder en Tirza weder thuis gebracht had. Iederen dag, ja ieder uur zou ik aan haar geluk wijden. Ik zou haar dienen, trouwer dan de trouwste slaaf. Zij hebben veel verloren; maar bij den God mijner vaderen, ik zou haar méér terugbezorgen!
Zulk een antwoord had de Romein niet verwacht. Hij aarzelde een oogenblik. Maar, zeide hij, als uwe moeder en zuster dood waren, of niet gevonden konden worden, wat zoudt gij dan doen?
Het gelaat van Ben-Hur werd met een doodelijken bleekheid overtogen. Hij staarde in de golven. Hij scheen een zwaren strijd te strijden. Toen hij tot bedaren gekomen was vraagde hij: Welk beroep ik zou kiezen?
--Ja.
--Tribuun, ik zal u naar waarheid antwoorden. Den avond vóór dien vreeselijken dag had mijne moeder mij toegestaan soldaat te worden. Daar wensch ik bij te blijven, en daar er in de geheele wereld slechts ééne leerschool is, zou ik daar heengaan.
--De arena! riep Arrius.
--Neen, een Romeinsch kamp.
--Maar gij moet toch eerst de wapenen leeren hanteeren.
Het is altijd gevaarlijk voor een meester een slaaf raad te geven. Arrius zag dadelijk zijne fout en veranderde van toon. Ga nu, zeide hij, en bouw geen hoop op wat wij nu verhandeld hebben. Wie weet of ik mij misschien wat met u heb willen vermaken. Of--indien gij er toch met hoop voor de toekomst aan denken wilt, kies dan tusschen den roem van een gladiator en den dienstplicht van een soldaat. Het eerste kan de gunst des keizers u bezorgen, als soldaat hebt gij op niet te hopen. Gij zijt geen Romein. Ga!
Twee minuten later zat Ben-Hur weder op zijne plaats. Het zwaarste werk wordt gemakkelijk als het hart luchtig is. Het roeien viel Juda niet meer zoo hard. Een straal van hoop was in zijne ziel gevallen. Hij kon het niet onder woorden brengen, maar zijn gevoel zeide hem dat hij zich niet bedroog. Telkens als de waarschuwing van den tribuun: misschien heb ik mij met u willen vermaken,--hem voor den geest kwam, verdreef hij haar. Dat de groote man hem geroepen had en hem zijne geschiedenis had laten vertellen was het voedsel, waarmee hij zijn hongerige ziel voedde. Ja zeker, er zou iets goeds uit voortkomen. Hoopvol en dankbaar bad hij: o God, ik ben een echte zoon van het volk Israël, dat gij zoozeer bemind hebt. Help mij, o help mij!
* * * * *
VIERDE HOOFDSTUK.
EEN LICHTSTRAAL
In de baai van Antemona, ten oosten van het eiland Cythera, lagen de honderd galeien bijeen. De tribuun wijdde één dag aan de inspectie der vloot. Toen vertrok hij naar het eiland Naxos, het grootste van de Cycladen, dat halverwege de kust van Griekenland en Azië als een rots in zee omhoog rijst. Hier kon geen enkel voorbijzeilend schip aan zijn oog ontsnappen, en kon hij tevens de zeeroovers dadelijk nazetten, hetzij zij zich in de Egeïsche of in de Middellandsche zee vertoonden. Terwijl de vloot in goede orde koers zette naar de rotsachtige oevers van het eiland, kwam van het noorden een galei aanzeilen. Arrius ging haar te gemoet. Zij kwam rechtstreeks van Byzantium, en haar bevelhebber kon hem de bijzonderheden mededeelen, die hij noodig had te weten.
De zeeroovers waren allen geboortig van de verder gelegen kusten der Zwarte zee. Zelfs Tanaïs was vertegenwoordigd. Met de grootste geheimzinnigheid hadden zij hunne toebereidselen gemaakt. Onverwachts hadden zij zich in den Tracischen Bosphorus vertoond, en de daar liggende vloot verbrand. Vandaar tot aan de Hellespont waren alle mogelijke schepen hun in handen gevallen. Hun eskader bestond uit zestig goed bemande en goed uitgeruste galeien. De bevelhebber was een Griek. Ook de loodsen, op al de Oostelijke zeeën goed bekend, waren Grieken. Zij hadden ongeloofelijk veel buit behaald, zoodat niet alleen op zee, maar ook in de steden angst en schrik heerschten. De handel stond bijna geheel stil.
Waar bevonden de zeeroovers zich thans?
Op deze vraag, voor Arrius van het meeste gewicht, kreeg hij nu het antwoord.
Nadat de vijand Hephestia op het eiland Lemnos geplunderd had, was hij overgestoken naar de Thessalische eilanden en tusschen Euboea en Hellas verdwenen.
Zoo luidde het bericht.
Door het zeldzaam schouwspel uitgelokt hadden de bewoners van het eiland Naxos zich aan de kust verzameld en zagen zij Arrius' schoone vloot eensklaps den steven noordwaarts wenden. Zij hadden het stout bestaan der zeeroovers vernomen, en toen zij de witte zeilen naoogden grepen zij moed. Wat Rome met sterke hand vasthield verdedigde zij ten allen tijde; als tegengift voor de opgelegde schatting, gaf zij hare schatplichtigen bescherming en veiligheid.
De tribuun was meer dan tevreden. De fortuin was hem gunstig. Zij had hem niet alleen dadelijke en zekere inlichtingen verschaft, maar ook zijne vijanden in een vaarwater gelokt, waar dood en verderf hen wachtte. Hij wist welke schade een enkele galei op een zee als de Middellandsche kon veroorzaken, en hoe bezwaarlijk zulk een galei te achterhalen en aan te vallen was. Hij wist ook, dat juist die omstandigheden zijn roem verhoogen zouden, indien het hem gelukte met een enkelen slag de vijandelijke vloot te vernielen.
Als de lezer een kaart van Griekenland en de Egeïsche zee vóór zich neemt, zal hij zien dat het eiland Euboea zich als een bolwerk tegen Azië in de lengte langs de Grieksche kust uitstrekt, zoodat het kanaal tusschen vasteland en eiland bij een lengte van honderdtwintig mijlen nauwelijks acht breed is. De bocht in het noorden had eenmaal de vloot van Xerxes geborgen, thans hadden de overmoedige zeeroovers er zich genesteld. De steden langs den oever waren rijk en beloofden een kostelijken buit. Alles wel beschouwd meende Arrius te ogen aannemen, dat de roovers ergens ten zuiden van de Thermopylen zouden te vinden zijn. In dat geval kon hij niet beter doen, dan hen in het noorden en zuiden in te sluiten, maar dan ook zonder een minuut te verliezen. Hij zette dus tot den meest mogelijken spoed aan, met het gevolg dat zij nog vóór den nacht den berg Ocha in het gezicht kregen en de loods de kust van Euboea meldde.
Op een gegeven teeken lieten de roeiers hunne riemen rusten. De tribuun verdeelde de vloot in twee deelen, ieder van vijftig galeien. De eene helft voerde hijzelf aan, om er het kanaal mede in te varen, terwijl de andere bevel kreeg zoo snel mogelijk het eiland aan de zeezijde om te varen en het kanaal aan den bovenkant in te sluiten.
't Is waar, geen van de afdeelingen had over zooveel mannen te beschikken als de vijand; maar zij hadden toch iets op dezen voor, onder anderen de strenge tucht, waaraan bij de bandeloozen troep, hoe onverschrokken ook, niet gedacht kon worden. Voorts rekende de tribuun er op, dat, zoo bijgeval de eene helft de nederlaag moest lijden, de andere den vijand in den rug zou aanvallen en gemakkelijk overmeesteren kon.
Ben-Hur was op zijne plaats en werd iedere zes uur afgelost. De rust in de baai van Antemona had hem goed gedaan, zoodat het roeien hem niet vermoeide, en de hortator geen reden tot klagen had.
Over het algemeen waardeert de mensch veel te weinig het rustig gevoel, dat hij smaakt, als hij een vast doel voor oogen heeft. Blindelings op een onbekend punt af te gaan is verschrikkelijk. De gewoonte had bij Ben-Hur dat gevoel slechts in slaap gesust, en dan nog maar ten deele. Als hij zoo uur op uur, soms dagen en nachten achtereen, op de onmetelijke wateren voortroeide, verlangde hij altijd te weten waar hij was en waarheen hij ging; maar na zijn onderhoud met den tribuun was dat verlangen veel levendiger, en nieuwe hoop bezielde hem. Het was hem als hoorde hij ieder geluid op het schip; hij luisterde er naar, alsof het zoovele stemmen waren, die hem iets kwamen vertellen. Hij zag naar het traliewerk boven zijn hoofd, en staarde in het licht dat hem zoo schaars werd toegemeten, verwachtende--hij wist zelf niet wat. Meer dan eens voelde hij een onweerstaanbaren lust om den hortator iets toe te roepen, wat natuurlijk ten strengste zou gestraft worden.
Gedurende zijn langen diensttijd had hij geleerd uit het spel der zonnestralen af te leiden welken koers de galei nam. Die kennis was hem te pas gekomen na hun vertrek van Cythera. Daar hij in de meening verkeerde, dat zij in de richting van zijn vaderland zeilden, gaf hij nauwkeurig acht op iedere afwijking. De plotselinge wending naar het noorden deed hem smartelijk aan. De oorzaak kon hij in de verste verte niet bevroeden; want evenmin als de andere roeiers kende hij het doel der vaart en had daar ook niet het minste belang bij. Zijn plaats was op de roeiersbank, en daar bleef hij, hetzij zij voor anker lagen, of onder zeil waren. Eenmaal in deze drie jaren had hij het dek mogen betreden, en dat was geweest, toen de tribuun hem ontboden had. Hij wist niet dat zijn galei de aanvoerster was van een schoone, goed geordende vloot, wier roeiers op hunne beurt even onwetend waren als hij.
Toen de zon haar laatste stralen in de kajuit wierp, ging het nog steeds noordwaarts. Het werd nacht, en nog kon Ben-Hur geen verandering bespeuren. Van het verdek drong een sterke wierookgeur tot hem door.
--De tribuun offert bij het altaar, dacht hij. Zouden wij misschien slaags raken?
Hij luisterde scherp toe. Hij had reeds verscheidene zeeslagen mee doorgemaakt, zonder er één gezien te hebben. Boven zijn hoofd had hij den strijd hooren woeden, zoodat hij met ieder geluid vertrouwd was geworden. Dus kende hij ook de verschillende toebereidselen voor den slag, waarvan zoowel bij Romeinen als Grieken het offeren aan de goden een der eerste was. De plechtigheid verschilde niet van die der offerande bij een afvaart, en zoodra hij ze in volle zee bespeurde wist hij waaraan zich te houden.
Een slag had voor hem en zijne mederoeiers een eigenaardig belang; een nederlaag toch kon verandering brengen in hun toestand, hen misschien wel bevrijden, in ieder geval andere meesters geven, die wellicht minder zware diensten van hen zouden vorderen.
Op den gewonen tijd werden de lichten ontstoken en bij de trappen opgehangen. De tribuun daalde van het verdek af. Op zijn bevel trokken de mariniers hunne wapenrusting aan. De werktuigen werden nagezien, speren, werpspietsen en pijlen werden in groote hoopen op den grond gelegd, benevens kruiken met ontvlambare olie en manden vol katoenen ballen. En toen Ben-Hur ten slotte zag, dat de tribuun zijn platform besteeg, zijn wapenrok aantrok, zijn helm en schild gereed hield, begreep hij goed geraden te hebben. Thans wachtte hem nog de zwaarste vernedering van zijne dienstbaarheid.
Aan iedere roeiersplaats ging een ketting, van zware ringen voorzien. Van nummer tot nummer gaande legde de hortator den roeiers ketenen aan de voeten, zoodat zij in geval van tegenspoed geen kans van ontvluchten hadden.
De ongelukkigen voelden de schande diep. Ben-Hur zeker het diepst. Wat zou hij niet hebben willen doen, om dàt te kunnen ontgaan! Weldra meldde hem het naderend gerinkel dat hij aan de beurt kwam,--zou de tribuun misschien voor hem in de bres springen?
Men moge die gedachte aan ijdelheid toeschrijven, zeker is, dat zij hem op eens in beslag nam. Hij geloofde, dat de Romein voor hem een uitzondering zou maken, in ieder geval zou hij nu de ware gezindheid van den tribuun leeren kennen. Als hij in dit gewichtig oogenblik aan den armen slaaf dacht, zou Ben-Hur weten, dat de Romein hem boven zijn lotgenooten stelde, zou hij weten dat zijne hoop hem niet bedrogen had.
Ben-Hur wachtte in de grootste spanning. Die paar minuten schenen hem een eeuwigheid toe. Bij iederen riemslag keek hij naar den tribuun, die, na zich gekleed te hebben, op zijn rustbank ging liggen om te slapen. Toen Nummer 60 dat zag lachte hij bitter en besloot niet meer dien kant uit te zien.
De hortator kwam naderbij. Nu was hij bij Ben-Hurs buurman--het rinkelen der ketenen klonk hem afschuwelijker dan ooit in de ooren. Eindelijk N°. 60. Met de kalmte der wanhoop liet Ben-Hur de riem rusten en stak den beambte zijn voet toe. Daar bewoog zich de tribuun--kwam overeind--wenkte den hortator.
Het hart van den jongeling klopte tot berstens toe. De tribuun liet zijn oog op hem rusten. Ben-Hur nam zijnen riem weder op, het was hem alsof de geheele kajuit in een lichtglans baadde. Hij verstond geen woord van wat gesproken werd; maar dat was ook niet noodig--de ketting bleef hangen, de hortator keerde naar zijne plaats terug, en begon als altijd de maat te slaan. Als muziek klonk hem dat geluid in de ooren, en hij hanteerde zijn riem zoo flink, dat de hortator naar den tribuun ging en glimlachend zeide: Welk een krachtsontwikkeling!--En welk een vuur! antwoordde de tribuun. Bij alle goden! hij moet geen ketenen dragen, leg ze hem nooit meer aan.--Toen hij dat gezegd had legde hij zich weder ter ruste.
Zoo gingen eenige uren voorbij. Pijlsnel schoot de galei over het kalme watervlak. Die niet aan het werk waren sliepen, Arrius op zijn platform, de mariniers op den grond. Eenmaal, tweemaal werd Ben-Hur afgelost, maar hij kon niet slapen. Drie jaren zwarte nacht en eindelijk een zonnestraal! Een schipbreukeling en eensklaps land. In zulke oogenblikken vliedt de slaap. Gedragen op de vleugelen der hoop vloog hij in zijne verbeelding verre vooruit. Vergeten alle kommer en verdriet, have en goed terug- gekregen, moeder en zuster weer bij hem--dat waren de hoofdgedachten, die hem tot den gelukkigsten mensch maakten. Dat hij in pijlsnelle vaart misschien dood en verderf te gemoet ging, had voor het oogenblik geen vat op hem. Zijn blijdschap was zoo groot, zoo volkomen, dat in zijn hart geen plaats meer was voor wraak. Messala, Gratus, Rome, en al de bittere, martelende herinneringen aan die namen verbonden, waren hem als de miasmen eener aarde, waaraan hij ontrukt was, waarboven hij vrij en hoog in reiner sfeer zweefde.
In het geheimzinnige duister, dat het aanbreken der schemering voorafgaat, liep op het verdek der Astrea een wachter met haastigen stap naar het platform van den tribuun en wekte hem uit den slaap. Arrius sprong op, gordde zijn zwaard aan, zette zijn helm op, nam zijn schild en ging tot den hoofdman der mariniers.
--De zeeroovers zijn vlak bij. Op, ten strijde! zeide hij en ging verder, kalm en vol vertrouwen, alsof hij niet twijfelde aan den uitslag.
* * * * *
VIJFDE HOOFDSTUK.
DE ZEESLAG.
Allen aan boord van de galei ontwaakten. De hoofdmannen begaven zich op hun post. De soldaten grepen naar de wapenen en werden op het verdek gevoerd, waar bergen van pijlen en werpspietsen reeds gereed lagen. Bij de middeltrap lagen de oliekruiken en vuurballen opgestapeld. Verscheidene lantaarns werden ontstoken; vaten werden met water gevuld. De afgeloste roeiers werden onder bewaking bij den hortator gebracht. Ben-Hur was een van hen. Boven zijn hoofd hoorde hij de laatste toebereidselen maken: het ophalen van het zeil, het uitspreiden van netten, het bekleeden van het want met ossenhuiden. Weldra werd alles weder stil, een stilte vol onbestemde, bange verwachting.
Op een teeken van het verdek, dat den hortator door een onderofficier werd overgebracht, hielden de roeiers plotseling stil.
Wat beteekende dat?