Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde

Chapter 8

Chapter 83,932 wordsPublic domain

--Ik weet niets van uwe stammen af, vervolgde de hoofdman, maar kan u wel zeggen wie zijn familie is. Misschien hebt gij wel eens van een zekeren Hur, een vorst van Jeruzalem, gehoord, Ben-Hur noemden zij hem. Hij leefde ten tijde van Herodes.

--Ik heb hem gekend, zeide Jozef.

--Nu, dit is zijn zoon.

Van alle kanten hoorde men uitroepen van medelijden en ontsteltenis, hetgeen den hoofdman niet beviel. Daarom liet hij er snel op volgen: Eergisteren heeft hij den edelen Gratus getracht te dooden, door hem een steen op het hoofd te werpen, boven van het dak van zijns vaders huis.

De Nazareners gaapten den jongen Ben-Hur aan, alsof hij een wild dier was.

--Heeft hij hem gedood? vraagde Jozef.

--Neen.

--Is hij veroordeeld?

--Ja, tot de galeien, levenslang.

--God helpe hem! zeide Jozef bewogen.

Een jonge man, die met Jozef medegekomen, doch onopgemerkt gebleven was, legde de bijl, die hij over den schouder droeg, neer, ging bedaard naar de bron, vulde een kruik met water, en boog zich, voordat iemand het verhinderen kon, over den gevangene om hem te laten drinken. Zacht legde hij de hand op Juda's schouder, en toen de arme jongen de oogen opsloeg, zag hij een gelaat om nooit te vergeten, het gelaat van een jonkman, wiens donkerblauwe oogen hem zoo liefdevol en deelnemend aanstaarden, dat hij zich in eens gewonnen gaf. Zijn gemoed, verhard door lichamelijk lijden en zoo verbitterd door het geleden onrecht, dat het aan niets dan aan wraak kon denken, smolt als was onder dien blik. Hij zette den mond aan de kruik en dronk het frissche water met lange gretige teugen. Geen van beiden sprak echter een enkel woord. Toen Juda gedronken had legde zijn nieuwe vriend zijne hand als zegenend op het hoofd van den gevangene, bracht vervolgens de kruik weder waar hij die gevonden had, nam zijn bijl op en voegde zich weder bij Jozef. Aller oogen, zoowel van de Romeinen als van de dorpelingen, volgenden hem.

Nadat de soldaten ook de paarden te drinken hadden gegeven begaven zij zich weder op marsch. Over den hoofdman scheen een verandering gekomen te zijn. Met eigen hand toch hielp hij den gevangene opstaan en zette hem achter een soldaat op het paard.

De Nazareners keerden naar huis terug, onder hen Jozef en zijn metgezel.

Dit was de eerste ontmoeting tusschen Juda en den zoon van Maria.

* * * * *

BOEK III.

* * * * *

EERSTE HOOFDSTUK.

QUINTUS ARRIUS.

De stad Misenum, eenige mijlen van Napels gelegen, heeft haren naam gegeven aan het voorgebergte, welks sieraad zij was. Enkele ruïnes, ziedaar alles wat van haar overbleef; maar in het jaar 24 der Christelijke jaartelling was de plaats een van de belangrijkste aan de westkust van Italië. Van den stadsmuur had men een heerlijk gezicht op de blauwe golf van Napels met hare schilderachtige oevers, op den rookenden Vesuvius, op Ischia hier en Capri daar, en ten slotte op Rome's reservevloot, die voor Misenum ten anker lag. Een doorgang in den stadsmuur voerde toen ter tijde naar een dam, die zich verscheidene mijlen ver in zee uitstrekte.

Op een koelen Septembermorgen werd de wachter op den muur boven den doorgang uit zijne gepeinzen opgewekt door de nadering van een druk pratend gezelschap. Hij zag even op en hernam zijn vorige houding. Het gezelschap bestond uit twintig tot dertig personen; het meerendeel slaven, die brandende fakkels droegen, welke een Indischen nardusgeur verspreidden. De heeren gingen arm in arm vooraan. Een van hen, een vijftigjarige, met een lauwerkrans om de slapen, scheen de held van een of ander feest te zijn. Allen droegen ruime toga's van witte wollen stof, met breede purperen randen afgezet. De wachter had met één blik gezien, dat het lieden van aanzien waren, die na een nachtelijke partij een vriend uitgeleide deden.

--Neen, Quintus, zeide een van hen tot den bekranste, het staat Fortuna niet mooi u zoo spoedig aan ons te ontrooven. Eerst gisteren van de reis teruggekeerd, gaat gij ons nu reeds weder verlaten.

--Bij Castor, zeide een tweede, waartoe dat klagen? Onze Quintus gaat slechts herwinnen wat hij van nacht verloren heeft. Dobbelsteenen op een zwalkend schip staan niet gelijk met dobbelsteenen aan den vasten wal, is 't wel Quintus?

--Beleedig Fortuna niet, waarschuwde een derde. Zij is niet blind of wispelturig. Ontneemt zij hem ons bij tijd en wijle, zij brengt hem ons toch altijd weer terug met nieuwe lauweren beladen.

--De Grieken halen hem weg, zeide een ander. Aan hen de schuld; laat ons dus de goden met rust laten.

Zoo sprekende ging het gezelschap door de poort op den dam. Den zeeman klonk het kabbelen der golven als een welkomstgroet in de ooren. Hij haalde diep adem, alsof het zilte nat hem liefelijker was dan de nardus. Ziet, sprak hij de hand opheffende, de wind waait uit het westen. Heb dank, moeder Fortuna!

De vrienden herhaalden den uitroep in koor, de slaven zwaaiden de fakkels.

--Daar komt zij! vervolgde hij, en wees op een naderende galei. Welk zeeman zou een ander liefje begeeren? Is uwe Lucretia bevalliger, vriend Cajus?

Met stralende oogen keek hij naar de galei, die zijn lof waardig was. Het witte zeil stond bol en de riemen gingen in volmaakte regelmaat en met vleugelslag op en neder. Ja, zeide hij ernstig, den blik op het vaartuig gericht, laat de goden rusten. Zij verschaffen ons de gelegenheden en het is onze eigen schuld, als wij niet slagen. En wat de Grieken betreft, Lentulus, de zeerovers die ik moet gaan straffen zijn Grieken. Eene overwinning op hen behaald is van meer gewicht, dan honderd op de Afrikanen.

--Gij gaat dus naar de Egeïsche zee?

--Ja, en daar ik zo spoedig mogelijk vertrek zal ik u de aanleidende oorzaak vertellen; maar gij moet er niet buitenaf over spreken. Ik zou niet gaarne willen, dat gij er den duumvir, zoo gij hem weder ontmoet, over lastig valt; hij is mijn vriend. De handel tusschen Griekenland en Alexandrië is, zooals gij misschien weet, bijna van evenveel beteekenis, als die tusschen Alexandrië en Rome. Nu vergat het volk in dat gedeelte der wereld de Cerealia te vieren, en Triptolemus gaf hun dientengevolge een oogst, die het inzamelen ternauwernood waard was. Maar de handel is zoo toegenomen, dat van geen staking hoe kort ook sprake kan zijn.

Waarschijnlijk hebt gij ook gehoord van de Chersonesische zeerovers, die in de golf van Euxine nestelen. Brutaler dan zij bestaan niet. Gisteren werd te Rome bericht ontvangen, dat zij met een vloot den Bosphorus waren afgeroeid, de galeien bij Byzantium en Chalcedon in den grond hebben geboord en, op verderen buit belust, de Egeïsche zee opvoeren. De korenkoopers, wier schepen op de Oost-Middellandsche zee zijn, hebben een persoonlijk onderhoud met den keizer gehad. Dientengevolge vertrekken heden nog van Ravenna een honderdtal galeien, en van Misenum--hij zweeg even, alsof hij de nieuwsgierigheid zijner vrienden wilde prikkelen--van Misenum één galei.

--Gelukkige Quintus, wij wenschen u van harte geluk!

--Deze opdracht is de voorloopster van een bevordering. Wij begroeten u als duumvir, niet minder.

--Quintus Arrius de duumvir--dat klinkt nog mooier dan Quintus Arrius de tribuun.

--Dank, hartelijk dank! antwoordde Quintus. Hadt gij lantaarnen bij u, ik zou u auguren noemen. Ja, ik ga nog verder: ik zal u bewijzen dat gij meesters in het raden zijt. Ziet en leest.

Uit de plooien van zijn toga bracht hij een rol te voorschijn, overhandigde die en zeide: Dit ontving ik van Sejanus, terwijl wij aan den maaltijd waren.

Die naam had een goeden klank onder de Romeinen, eerst later werd hij berucht.

--Sejanus! riepen zij als uit één mond, en staken de hoofden bij elkander om het stuk te lezen.

Sejanus aan C. Caecilius Rufus, Duumvir.

Rome, XIX Kal. Sept. De keizer heeft het goede nieuws vernomen aangaande Quintus Arrius, den tribuun. Met name heeft hij den moed hooren roemen, door hem in de westelijke zeeën betoond. Daarom beveelt hij dat genoemde Quintus zonder verwijl naar het oosten verplaatst worde.

Voorts is het de wil van onzen keizer, dat gij onmiddellijk een honderdtal der best drieriemige galeien afzendt tegen de roovers, die zich in de Egeïsche zee vertoond hebben, en dat aan Quintus het bevel over die vloot worde opgedragen.

Aan u, Caecilius, wordt de bezorging van een en ander overgelaten.

De zaak dringt, zooals gij zien zult uit de berichten, die hier bijgevoegd worden, opdat gij en Quintus er kennis van zoudt nemen. SEJANUS.

Arrius luisterde slechts ten halve. Het naderende vaartuig nam zijne aandacht geheel in beslag. Nu zwaaide hij met een slip van zijn toga; als antwoord op dat signaal werd op het schip een roode vaan geheeschen, en het zeil ingehaald. De boeg werd landwaarts gekeerd, de riemslag versneld,--Arrius sloeg het met welgevallen gade. Op zulk een vaartuig kon men staat maken in den tijd van nood.

--Bij alle goden! zeide een van de vrienden, hem de rol teruggevende, wij mogen niet meer zeggen: onze vriend zal een groot man worden; hij is het reeds. Hebt gij nog meer belangrijks voor ons?

--Neen, was het antwoord. Wat gij zooeven vernomen hebt is thans reeds oud nieuws in Rome, ten minste tusschen paleis en Forum. De duumvir is voorzichtig; wat ik doen moet en waar ik mijn vloot kan vinden zal ik straks aan boord vernemen. Als gij echter vandaag aan een der altaren gaat offeren, bidt dan voor uwen vriend, die in de richting van Sicilië vaart. Maar daar is het schip. Zijne bestuurders boezemen mij belang in, want zij moeten met mij zeilen en strijden. Dit is geen gemakkelijke kust om aan te leggen, ik heb dus een kostelijke gelegenheid om over hunne vaardigheid te oordelen.

--Wat? is het schip u dan vreemd?

--Ik zie het nu voor de eerste maal, en weet zelfs niet, of ik er één bekende op zal aantreffen.

--Is dat niet gewaagd?

--Neen, het doet niets ter zake. Op zee leert men elkander spoedig kennen. In de ure des gevaars wordt onze liefde zoowel als onze haat geboren.

Het vaartuig behoorde tot de soort van oorlogsschepen, die op groote snelheid en plotselinge wendingen waren berekend. Lang, smal, schoot het als een zwaan door het water. Onder den boeg, in het water vooruitspringend, was de snavel, uit hard hout vervaardigd en met ijzer beslagen, die in den strijd als stormram dienst deed. Hecht lofwerk, langs de volle lengte van het schip, begrensde de verschansing. Daaronder waren drie rijen openingen voor de roeiriemen, aan iederen kant zestig. Twee dikke touwen, die over den boeg liepen, gaven het getal ankers aan, die op het voordek bewaard werden. De eenvoudige inrichting van het verdek deed zien, dat men zich voornamelijk op de roeiers verliet.

Nagenoeg in het midden rees de mast omhoog, die door stangen en staggen overeind werd gehouden. Het touwwerk diende om een groot vierkant zeil te besturen. Behalve de manschap, die het zeil gereefd had, was van den dam gezien nog slechts één man zichtbaar. Deze stond bij den boeg en droeg een helm en schild. De honderdtwintig eikenhouten riemen, glanzend wit gehouden door afwrijvingen met puimsteen, gingen zoo regelmatig op en neer, alsof één hand ze bestuurde. De snelheid waarmee de galei voortschoot was zoo groot, dat de vrienden van den tribuun hun hart vasthielden.

Eensklaps hief de man bij den boeg zijne hand op. Alle riemen gingen naar boven, bleven een oogenblik omhoog en vielen toen pijlsnel neder. Het water kookte en borrelde, de galei trilde tot in de voegen, en bleef dan als verschrikt stil liggen. Een tweede handbeweging van den commandant, en wederom gingen de riemen op, bleven omhoog en vielen; maar ditmaal roeiden die van de rechterzijde vooruit, die van de linkerzijde daarentegen achteruit. Tot driemalen werd deze manoeuvre herhaald, toen draaide de galei als om hare as naar rechts, ving wind, en legde zijwaarts bij den dam aan.

Door die beweging kreeg men het achterschip beter te zien, waar, onder het hooge gebeeldhouwde en fraai vergulde windhuisje, op een verhevenheid de stuurman zat, een statige figuur in volle wapenrusting.

Trompetgeschal weerklonk, en op dat signaal verscheen de bemanning op het verdek, allen in groot tenue, met glinsterende helmen, schilden en speren. Terwijl de soldaten front maakten, klommen de matrozen in den mast en zetten zich op de ra. De officieren en muzikanten namen hunne plaatsen in. Alles geschiedde met de grootste orde, zonder noodelooze drukte. Zoodra de galei aan den dam lag werd van het stuurmansverdek een plank naar den wal gelegd.

Toen wendde de tribuun zich tot zijne vrienden en zeide met grooten ernst: Mijn plicht roept mij, waarde vrienden.

Hij nam den krans van zijn hoofd en gaf hem aan den dobbelaar. Neem gij den krans, gunsteling der dobbelsteenen! Als ik terugkeer zal ik gaarne mijn geluk weer beproeven. Overwin ik niet in den strijd, dan kom ik niet terug. Hang den krans in uw atrium.

Nu breidde hij de armen uit en omhelsde hen allen.

--Mogen de goden u vergezellen, Quintus! riepen zij.

--Vaartwel, zeide hij, groette de slaven, die met de fakkels zwaaiden, met de hand en keerde zich toen naar het schip. Zoodra hij de plank betreden had werden de trompetten geblazen, en boven het windhuisje ontplooide zich de purperen vlag ten teeken dat de vlootvoogd aan boord was.

* * * * *

TWEEDE HOOFDSTUK.

DE ROMEINSCHE GALEI.

De tribuun stond op het verdek, met de order den duumvir in de hand en sprak tot den overste der roeiers: Hoeveel mannen hebt gij?

--Tweehonderd tweeënvijftig roeiers en tien om in te vallen.

--Dat geeft een aflossing van....

--Vierentachtig.

--Hoe dikwijls?

--Om de twee uur.

De tribuun dacht een oogenblik na, en zeide: Een zware dienst. Dat moet veranderd worden, maar niet dadelijk, want wij moeten dag en nacht door.

Toen wendde hij zich tot den loods: Hoeveel jaren dienst hebt gij?

--Tweeëndertig.

--Welke zeeën hebt gij voornamelijk bevaren?

--Tusschen Rome en het oosten.

--Uitnemend.

De tribuun zag zijn order nogmaals in.

--Onze weg gaat langs kaap Camponella, naar Messina. Dan langs de kust van Calabrië, totdat gij Melite links hebt, dan--kent gij de sterren, die in de Jonische zee den boventoon hebben?

--Ja zeker.

--Goed. Dan van Melito oostwaarts naar Cythera. Als de goden ons gunstig zijn zullen wij het anker niet uitwerpen, voordat wij de baai van Antemona binnen loopen. De tijd dringt: ik verlaat mij op u.

Arrius was een voorzichtig man. Hij behoorde tot de soort van menschen, die, terwijl zij den goden rijke offers brachten, niettemin van meening waren, dat het welslagen eener onderneming meer afhing van eigen wijs beleid, dan van gaven en beloften. Als held van het feest had hij den ganschen nacht met drinken en spelen doorgebracht; maar de frissche zeelucht riep den zeeman in hem wakker en hij dacht niet aan rust, voordat hij zijn schip kende. Na met de officieren en de verschillende opzichters gesproken te hebben, doorliep hij de galei van onder tot boven en liet zich van alles volkomen op de hoogte brengen. Dat afgedaan zijnde bleef hem alleen nog over zijn personeel te leeren kennen, en daar dit het moeilijkste deel van zijn taak was en nogal tijd vereischte, zette hij zich dadelijk aan den arbeid.

Tegen den middag naderde de galei Paestum. De wind woei nog steeds uit het westen en deed het zeil zwellen. De wachten waren verdeeld. Op het voordek was een altaar opgericht en met zout en gerst bestrooid. De tribuun had plechtige gebeden opgezonden tot Jupiter en Neptunus en de Oceaniden, en onder het doen van velerlei geloften den wijn uitgegoten en wierook gebrand. Thans zat hij, een recht krijgshaftige figuur, in de groote kajuit, en bestudeerde de manschappen.

De kajuit bevond zich in het midden der galei, was zesenvijftig voet lang en dertig breed en ontving haar licht door drie breede luiken. De zoldering rustte op twee rijen dunne palen, en in het midden verrees de mast uit een gansche verzameling van bijlen en speren. Bij ieder luik voerde rechts en links een trap naar beneden, en daar de luiken openstonden had het licht er vrijen toegang. Deze ruimte was om zoo te zeggen het hart van het schip, de plaats van samenkomst voor allen: eetkamer, slaapkamer, exercitieveld.

Aan het achtereinde der kajuit voerde een trapje naar een platform, waarop de hortator, of overste der roeiers zat, die met een stokje de maat aangaf voor de roeiers. Rechts van hem stond een wateruurwerk, om de aflossingen naar te berekenen. Boven hem, op een nog hooger gelegen platform, behoorlijk afgesloten door een vergulde balustrade, was het kwartier van den tribuun. Van daar kon hij alles overzien. Een rustbed, een tafel en een leunstoel, alles zeer gerieflijk en kostbaar, maakten het ameublement uit.

In dien armstoel gezeten hield Arrius een waakzaam oog over zijne manschappen, die hem van hunnen kant ter sluik menigen blik toewierpen. Het langst verwijlde zijne aandacht bij de roeiers. Wat hij daar zag was overigens zeer eenvoudig. Langs de kajuit, aan de zijwanden van het schip bevestigd, waren twintig bankjes aangebracht, ieder voor drie roeiers, in dier voege, dat de tweede op de bank hooger zat dan de eerste, en de derde hooger dan de tweede. De roeiers op de eerste en tweede plaats zaten, die van de derde stonden, omdat hunne roeispanen zooveel langer waren. Het bovengedeelte van de roeispanen was met lood gevuld. Zij hingen in lenige lederen riemen, die een zwevende beweging mogelijk maakten, maar tezelfder tijd groote bedrevenheid eischten, daar een onverwachte golfslag den onoplettenden roeier in eens kon omverwerpen. De zestig openingen waren even zoovele luchtkokers, zoodat het hun niet aan frissche lucht behoefde te ontbreken. Licht ontvingen zij door een traliewerk, dat tot vloer diende van de gang tusschen het dek en de borstwering boven hun hoofd.

In sommige opzichten had het lot dier armen dus nog erger kunnen zijn; maar men moet zich niet verbeelden, dat hun leven genoeglijk was. Het was hun streng verboden een woord met elkander te wisselen. Dag aan dag namen zij zwijgend hunne plaatsen in, onder het werk konden zij elkander niet aanzien, hun korte rusturen werden ingenomen door slaap en een haastig maal. Nooit zag men hen lachen, nooit hoorde men hen zingen. Het leven van deze rampzaligen geleek op een onderaardschen stroom, die langzaam maar zonder ophouden voortzwoegt, totdat hij, onverschillig waar, vervloeit.

O, Zoon van Maria! In onzen tijd heeft het zwaard een hart--en dat danken wij U! maar in de dagen, waarvan wij nu spreken, moesten de gevangenen slavendienst verrichten op de wallen, in de straten en mijnen, terwijl de handels- en oorlogsgaleien onverzadelijk waren. Bijna ieder volk had zijn aandeel geleverd, meest krijgsgevangenen. Britten, Libyërs, Scythen, Galliërs, Romeinsche boosdoeners, Gothen, Longobarden, Joden, Ethiopiërs, Grieken, Kimbren, alles zat daar door elkander.

Het roeien had niets om het verstand, hoe weinig ontwikkeld ook, bezig te houden. De bewegingen waren zelfs bij onstuimig weer zeer automatisch. Langzamerhand werden de ongelukkigen stompzinnig, geduldig, geesteloos, terende op weinige maar liefelijke herinneringen, ten slotte geheel verstompt en gewoon aan lijden en ontbering.

Uur op uur zat de tribuun in zijn armstoel en overdacht al wat maar te overdenken was; alleen niet het ongelukkig lot der slaven op de roeiersbanken. Het kijken naar hunne regelmatige bewegingen ging hem na een poosje vervelen. Tot afwisseling wilde hij eens trachten te ontdekken, of er ook een bijzonder goede of slechte onder school.

Dat het onnoodig werd geoordeeld de namen der veroordeelden bij te houden, behoeven wij wel niet te verzekeren; het nummer van hun zitplaats was voldoende om hen uit elkander te houden. De scherpe blik van den tribuun ging alle rijen langs, totdat hij ten laatste op Nummer 60 bleef rusten. Deze roeier was nog zeer jong, zoo op het oog nauwelijks twintig jaar. Behalve een doek om de lenden was hij, evenals zijne lotgenooten, geheel naakt, waardoor zijne schoone vormen, zijn krachtig spierweefsel op hun voordeeligst uitkwamen. De wijze waarop hij zijn werk verrichte, kunstvaardigheid en kracht verradende, ja zijn gehele houding trokken de aandacht van den tribuun, die eene bijzondere voorliefde koesterde voor alles wat met athletische oefeningen in verband stond, en zich vleide een kenner te zijn op dat gebied.

Kon hij hem nu maar eens in het gelaat zien. Het hoofd was welgevormd en werd gedragen door een forschen en toch slanken nek. Het profiel was fijn en van Oostersche type, lang niet alledaagsch, zoodat de tribuun werkelijk belang in hem ging stellen.

Bij alle goden, zeide hij hardop, die knaap belooft wat. Ik moet weten waar hij vandaan komt.

De toeleg gelukte--de roeier keek om en zag den tribuun aan.

--Een Jood! Nog een knaap.

De onderzoekende blik van den tribuun dreef den slaaf het bloed naar de wangen, zijn groote oogen werden nog grooter, de riem bleef rusten ... daar sloeg de hortator met een toornig gebaar tegen de tafel. De roeier schrikte, keek voor zich, en hervatte met verdubbelden ijver zijn werk. Toen hij later nog eens naar den tribuun omzag steeg zijne verwondering ten top--hij ontmoette een vriendelijk glimlachje.

Intusschen stevende de galei de straat van Messina in, liet de stad van dien naam rechts liggen, en keerde oostwaarts, den Etna met zijn rookwolken achter zich latende.

Telkens als Arrius naar zijn zetel op het platform terugkeerde zocht zijn oog N°. 60 op, en moest hij bij zichzelven herhalen: Daar steekt iets achter. Een Jood is geen barbaar. Ik moet weten wie hij is.

* * * * *

DERDE HOOFDSTUK.

DE GALEISLAAF.

Vier dagen later vinden wij de Astrea, zoo heette de galei, in de Jonische zee. De lucht was helder, de wind gunstig. Daar het niet onmogelijk was de vloot in te halen vóór het aangewezen punt, bracht Arrius een groot gedeelte van den dag op het dek door. Hij ging alles zelf na en was over het algemeen zeer tevreden. N°. 60 verloor hij intusschen niet uit het oog.

--Kent gij den man, die daar juist zijn plaats verlaat? vraagde hij den hortator, die een aflossing bevolen had.

--N°. 60?

--Ja.

--De opzichter keek den roeier na en antwoordde: Zooals gij weet is het schip eerst sedert een maand uit de hand van zijn maker gekomen, en de mannen zijn al even nieuw voor mij, als het schip.

--Hij is een Jood, zeide Arrius nadenkend.

--De edele Quintus heeft een scherpen blik.

--Hij is zeer jong, vervolgde Arrius.

--Maar onze beste roeier. Ik heb zijn riem zien buigen tot brekens toe.

--Hoe is zijn aard?

--Hij is gehoorzaam, meer weet ik er niet van. Hij heeft mij slechts eenmaal een verzoek gedaan.

--Welk?

--Hij vroeg mij, of ik hem bij afwisseling nu eens aan de rechter en dan weer aan de linkerzij wilde plaatsen.

--Gaf hij een reden op?

--Ja. Hij had opgemerkt dat de mannen, die altijd aan denzelfden kant werken, ten laatste scheef worden. Hij zei ook, dat men hem in geval van storm of gevecht eensklaps aan den anderen kant kon noodig hebben, en dan zou hij niet van zessen klaar zijn.

--Zoo, zoo; dat is iets nieuws. Wat hebt gij meer van hem opgemerkt?

--Hij is veel zindelijker dan de anderen.

--Daarin is hij dan een Romein, zeide Arrius welvoldaan.

--Weet gij niets van zijne geschiedenis?

--Niets hoegenaamd.

De tribuun dacht een oogenblik na en zeide toen: Mocht ik op het dek zijn als zijn tijd om is, zend hem dan bij mij; maar alleen.

Ongeveer twee uren later stond Arrius onder het windhuisje. De stuurman zat aan 't roer, enkele matrozen lagen in de schaduw van het zeil te slapen, op een van de stangen zat een wachter. Opziende zag de tribuun N°. 60 naderen.

--De hortator noemde u den edelen Quintus Arrius, en zeide, dat ik volgens uw bevel hier moest komen. Hier ben ik.