Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde
Chapter 6
--Zie, moeder, Messala is altijd min of meer behept geweest met die onaangename eigenschap. Toen hij nog een kind was heb ik hem meermalen vreemdelingen zien bespotten, die toch door Herodes met eerbewijzen worden ontvangen; maar mij liet hij altijd ongemoeid. Vandaag heeft hij voor het eerst op gekscherenden toon gesproken over onze gebruiken en onzen God. Ik heb voorgoed met hem gebroken. Maar nu, lieve moeder, wilde ik gaarne met zekerheid weten, of er werkelijk een grond bestaat voor de minachting, waarmede de Romein ons behandelt. In welk opzicht ben ik zijn mindere? Waarom zou ik mij ooit, zelfs in tegenwoordigheid des keizers, als een slaaf gevoelen? Zeg mij bovenal waarom ik niet, als ik er den lust toe had, wereldsche eer in al haren omvang mag najagen? Waarom mag ik het zwaard niet dragen en ten strijde trekken? Waarom mag ik niet als dichter alle onderwerpen bezingen? Ik mag de edele metalen bewerken, de kudden weiden, een koopman zijn, maar waarom niet een kunstenaar, zooals de Grieken? Zeg mij dat, moeder, en dat is eigenlijk wat mij kwelt: waarom mag een zoon van Israël niet alles doen wat een Romein doet?
De moeder richtte zich op en antwoordde: Mijn zoon, Messala was als kind door zijnen omgang met u en uwe vriendjes bijna zelf een Jood; was hij hier gebleven, dan zou hij mogelijk een jodengenoot geworden zijn; maar de jaren in Rome doorgebracht hebben hunnen invloed doen gelden. Ik verwonder mij niet over de verandering, maar--hare stem beefde--hij had zich tegenover u althans in acht moeten nemen. Slechts een harde, wreede natuur kan de eerste liefde vergeten.
Zachtkens liet zij de hand op het hoofd haars zoons rusten. Zij wilde hem antwoorden naar zijne behoeften; maar dat antwoord moest volkomen bevredigend zijn. Zou zij daartoe in staat wezen?
--Wat gij mij vraagt, mijn kind, is eigenlijk niet door eene vrouw te beantwoorden. Geef mij tijd tot morgen, dan zal ik den wijzen Simeon--
--Neen, moeder, zend mij niet naar hem.
--Wees gerust. Ik zal hem vragen bij ons te komen.
--Neen, moeder, want ik heb iets anders noodig dan een onderwijzing. Hij kan mij niet geven waar ik behoefte aan heb, dat kunt u echter wel. Ik moet een besluit kunnen nemen, en daaraan kunt u alleen mij helpen.
Zij zag smeekend op naar den hemel, alsof zij om wijsheid bad, en zeide: Als wij voor onszelven recht begeeren gaat het niet aan onbillijk te zijn jegens anderen. Door af te dingen op den moed van eenen overwonnen vijand verkleinen wij onze eigene overwinning, en als de vijand sterk genoeg is om ons den terugtocht af te snijden en tot onderwerping te brengen, dan eischt de achting voor onszelven, dat wij naar een andere oorzaak van ons ongeluk zoeken, liever dan zijne verdienste te verdonkeren. Schep moed, mijn zoon. Messala stamt, zooals gij weet, uit een oud aanzienlijk geslacht. Reeds ten tijde der Romeinsche republiek, en hoe lang is dat al niet geleden, was het beroemd, en waren niet weinigen in aanzienlijke betrekkingen geplaatst. Ik herinner mij slechts één consul van dien naam; maar zij hadden allen den rang van Senatoren, en hun patronaat was zeer gezocht, omdat zij altijd rijk zijn geweest.
Als uw vriend vandaag gepocht had op zijne voorvaderen, dan had gij hem echter, door op uw voorgeslacht te wijzen, beschaamd kunnen doen staan. Had hij u, om zijne meerderheid te toonen, op de daden, den rang, den rijkdom van zijne familie gewezen, hoewel dergelijke zinspelingen, behalve wanneer het volstrekt noodig is, van kleingeestigheid getuigen, dan hadt gij u ook daarin punt voor punt onbevreesd met hem kunnen meten.
Hier zweeg zij en dacht een oogenblik na. Toen vervolgde zij: Waarnaar wordt de adeldom van een geslacht of familie berekend? Naar den duur van hun bestaan, zou ik denken. Welnu, in dat opzicht moet een Romein tegenover een Israëliet steeds het onderspit delven. Hij kan niet verder terugrekenen, dan tot aan de stichting van Rome. Messala ook niet. Maar wij? Hoe staat het met ons?
Als er wat meer licht geweest was had Juda kunnen zien hoe de oogen zijner moeder fonkelden. Stel voor een oogenblik, hernam zij, dat de Romein ons den handschoen toewierp, ik zou hem vastberaden te gemoet treden. Hare stem trilde, een liefelijke herinnering bracht een wijziging in den vorm harer redeneering.--Uw vader, mijn zoon, is ter ruste gelegd bij zijne vaderen; maar ik herinner mij als den dag van gisteren het oogenblik, waarop hij en ik met tal van vrienden opgingen naar den tempel, om u den Heer voor te stellen. Wij offerden de duiven, ik gaf den priester uw naam op. In mijne tegenwoordigheid schreef hij dien in het boek der geslachten van Israël: Juda, zoon van Ithamar, uit het huis van Hur. Ik zou u niet kunnen zeggen wanneer men met die inschrijvingen begonnen is. Wij weten echter dat die gewoonte reeds bestond vóór den uittocht uit Egypte. Ik heb Hillel hooren zeggen, dat Abraham het register met zijn eigen naam en de namen zijner zonen geopend heeft, toen God hem riep om zich af te zonderen van de andere volken, om hem tot den stamvader van zijn eigen uitverkoren volk te maken.
Ons volk heeft in menig opzicht de wet overtreden, maar op het geslachtsregister heeft het altijd zeer nauwkeurig toegezien. Hillel heeft zelf de boeken bestudeerd. Zij loopen over drie perioden: van de belofte tot aan den tempelbouw, van den tempelbouw tot aan de ballingschap, van de ballingschap tot op den huidigen dag. Eenmaal slechts werd het onderbroken en wel op het einde der tweede periode; maar toen het volk uit de ballingschap was teruggekeerd, heeft Zerubbabel als een heilige plicht de Boeken in orde gebracht, en ons in staat gesteld de lijn onzer afkomst gedurende volle twee duizend jaren rugwaarts te volgen.
Wat blijft nu over, denkt gij, van de Romeinsche pocherij op oud bloed? Naar dien maatstaf gemeten zijn de zonen Israëls, die op gindsche bergen de kudden weiden, edeler dan de edelsten onder de Romeinen.
--En ik, moeder, wie ben ik volgens de Boeken?
--Wat ik gezegd heb, mijn zoon, was een inleiding op uwe vraag. Als Messala hier was zou hij kunnen zeggen, dat wij met zekerheid niet verder kunnen terugrekenen dan tot den tijd, toen de Assyriërs Jeruzalem innamen en den tempel van zijne kostbaarheden beroofden; maar dan zou ik hem op Zerubbabels werk wijzen. Neen, onze registers zijn trouw en waarachtig, en als gij zo naslaat in omgekeerde orde, eerst tot de ballingschap, dan tot aan den bouw van den eersten tempel, terug tot aan den uittocht uit Egypte, dan kunt gij met den vinger aantoonen, dat gij lijnrecht afstamt van Hur, den tijdgenoot van Jozua. En is u dat niet genoeg, neem de Torah en doorzoek het boek Numeri, en onder de tweeënzeventig generaties na Adam kunt gij uw eigen stamvader vinden.
Diepe stilte heerschte een tijdlang in het vertrek, toen zeide Juda: Dank, lieve moeder, dank. Ziet u wel, dat ik gelijk had, toen ik er den eerwaarden Hillel niet bij begeerde? Hij kon mij niet zoo goed helpen, als u. Maar is om een geslacht waarlijk te adelen niets meer noodig dan tijd?
--O, nu vergeet gij, dat wij nog op iets anders dan op den tijd alleen bogen. Wij beroemen ons voornamelijk daarop, dat wij door God zijn uitverkoren.
--U spreekt van het geheele volk, moeder, en ik van een enkel geslacht, van onze familie. Wat heeft mijne familie gewrocht in de jaren na vader Abraham, welke groote daden verheffen hen boven anderen?
De moeder was niet dadelijk met een antwoord gereed. Zou zij zijne bedoeling verkeerd begrepen hebben? De grootste voorzichtigheid werd hier geëischt, dat voelde zij. Daarom zeide zij: Ik vermoed, mijn zoon, dat ik met een werkelijken en niet met een denkbeeldigen vijand te doen heb. Als Messala die vijand is, zeg het dan en laat mij niet in het duister strijden. Vertel mij alles wat hij gezegd heeft.
* * * * *
VIJFDE HOOFDSTUK.
EEN ISRAËLITISCHE VROUW.
Aldus aangemoedigd deelde Juda zijn moeder uitvoerig mede wat tusschen hem en Messala was voorgevallen, en stond vooral stil bij de minachting, waarmede deze over de Joden, hunne gebruiken en beperkten kring gesproken had. De moeder luisterde zwijgend. Thans begreep zij alles. Juda was naar het paleis gegaan in de verwachting van na lange scheiding den speelmakker te zullen weervinden; in plaats daarvan vond hij een man, die slechts van roem en rijkdom en macht droomde. Gekrenkt in zijn trots en tevens van een ongekende eerzucht vervuld, was Juda teruggekomen; de moeder zag het, en niet wetende in welke richting die eerzucht zich zou ontwikkelen, sloeg haar, de vurige Jodin, de schrik om 't hart. Indien hij eens afgetrokken werd van het aartsvaderlijk geloof! Kon zij zich iets verschrikkelijkers voorstellen? Neen, dat moest zij tot iederen prijs zien te voorkomen, en daarom begon zij op vasten, bijna plechtigen toon: Ieder volk dat wat beteekent houdt zichzelf voor het grootste. Wanneer de Romein uit de hoogte neerziet op den Israëliet en hem bespot, dan doet hij slechts wat de Egyptenaar, de Assyriër en de Macedoniër vóór hem gedaan hebben, en daar de spot tegen God gericht is, zal het einde hetzelfde zijn.
Er bestaat geen wet, die de opperheerschappij der natiën vaststelt; daarom is de aanspraak op de opperheerschappij ijdel en de strijd daarover tevergeefs. Heeft een volk zijn glanspunt bereikt en zijne taak volbracht, dan sterft het òf zijn eigen dood, òf door toedoen van een ander volk, dat zijne plaats inneemt, zijne macht erft en nieuwe namen schrijft op zijne monumenten. Dat is de geschiedenis.
Als iemand mij opdroeg God en den mensch op de eenvoudigste wijze te symboliseeren, dan zou ik een rechte lijn en een cirkel trekken, en van de lijn zou ik zeggen: dit is God, want hij beweegt zich onveranderlijk vooruit, en van den cirkel: dit is de mensch, zijn voortgaan gelijkt een kringloop. Daarmede wil ik niet zeggen, dat er geen verschil zou zijn tusschen den voortgang der volken, want geen twee zijn volkomen aan elkander gelijk. Het verschil ligt echter niet, zooals sommigen meenen, in de grootte van den cirkel, dien zij beschrijven, maar in de sfeer, waarin zij zich bewegen. De hoogste sfeer is het dichtst bij God.
Laat ons nu eens zien in welken cirkel het volk der Hebreën en het volk der Romeinen zich bewegen. Wil men weten in welke verhouding ze tot God staan, men heeft slechts te letten op het gewone dagelijkse leven. Daarvan wil ik alleen zeggen, dat Israël God meermalen heeft vergeten, terwijl de Romeinen Hem nooit gekend hebben. Van vergelijking kan hier dus geen sprake zijn. Uw vriend, of liever uw voormaligen vriend, heeft, als ik u goed begrepen heb, beweerd dat wij geen dichters, geen kunstenaars, of krijgshelden gehad hebben, dus geen groote mannen. Maar wat is een groot man? Dat is iemand wiens leven doet zien, dat God hem, zoo niet geroepen, dan toch in zijn werk bevestigd heeft. Een Pers werd gebruikt om onze vaderen te tuchtigen, hij voerde ze in gevangenschap; een andere Pers werd verkoren om aan hunne kinderen het heilige land terug te geven; grooter dan die beiden was echter de Macedoniër, die de verwoesting van Judea en van den tempel moest wreken.
Wat die mannen in het bijzonder onderscheidde was, dat zij door God uitverkoren werden, om zijnen raad te volbrengen. Dat zij heidenen waren verkort hun roem niet. Houd dit vooral in het oog. Menigeen verkeert in den waan, dat een man zich geen beter levensdoel kan kiezen, dan het zwaard te trekken. Laat u daardoor echter niet misleiden. Dat de mensch behoefte heeft om iets te aanbidden is een wet, die zich zal laten gelden, zoolang er iets is dat wij niet begrijpen. Het gebed van den barbaar is een angstkreet tot de Kracht, de eenige goddelijke eigenschap, die hij bevatten kan; vandaar zijn geloof in helden. Wat is Jupiter anders dan een Romeinse held? De Grieken waren de eersten, die het Verstand boven de Kracht stelden. In Athene waren redenaar en wijsgeer meer gezien dan de krijger. Den hardlooper moge men nog steeds toejuichen, de schoonste lauwerkransen worden voor den zanger bewaard.
Maar was de Griek de eerste, die het oude barbaarsche geloof liet varen? Neen; die roem komt ons toe. Onze vaderen stelden God in de plaats van al die valsche godheden. In onzen godsdienst werd de angstkreet vervangen door het Hosanna en psalmgezang. De Hebreën en Grieken zochten de menschen voorwaarts en opwaarts te voeren, maar helaas, de Romein, die de geheele wereld wil overheerschen, stelt den oorlog als volstrekt noodzakelijk voor, en heeft zijnen keizer geplaatst boven het verstand en boven God, en hem tot het eenige begrip van macht en grootheid gemaakt.
De heerschappij der Grieken was de bloeitijd voor het genie. De schitterende vernuften, de bekwaamste kunstenaars zijn uit dat volk voortgekomen, zoo zelfs, dat in alles, behalve de krijgskunst, de Romein bij hen ter schole moest gaan. Op het Forum neemt de redenaar den Griek tot model, in ieder Romeinsch lied kunt gij den rhytmus der Grieken opmerken. Als een Romein den mond opent om lessen van wijsheid of zedenkunde te geven, of de geheimenissen der natuur te behandelen, dan is hij òf een leerling van de eene of andere Griekse school, òf hij ontleent zijne wijsheid aan hunne boeken. De Romein kan in niets op oorspronkelijkheid aanspraak maken, behalve in het voeren van den krijg. Zijne kampspelen zijn van Griekschen oorsprong, door bloedige bijvoegselen genietbaar gemaakt voor zijn ruwen smaak. Zijn zogenaamde godsdienst is samengesteld uit de godsdiensten van andere volken, zelfs zijn Mars en Jupiter zijn aan den Olympus ontleend.
Ziedaar, mijn zoon, de reden waarom alleen Israël de Grieken hunne meerderheid kan betwisten, met hen om den voorrang kan strijden. Maar de zelfzucht van den Romein is zoo hard en ondoordringbaar als metaal. O, de godvergeten roovers! Onder hunnen voet beeft de aarde, als de dorschvloer onder den vlegel der dorschers. Met de anderen zijn ook wij afgevallen; ach, mijn zoon, het is hard dat te moeten erkennen! Onze hoogste, heiligste plaatsen hebben zij genomen, en niemand kan zeggen wat het einde zijn zal; maar dit weet ik--zij mogen Judea vernielen en Jeruzalem, die liefelijke bloem, vertreden, Israëls roem zal blijven stralen als een lichtende ster; want zijn geschiedenis is Gods geschiedenis. Hij was hun wetgever op Sinaï, hun leidsman door de woestijn, in den krijg hun aanvoerder, hun koning. Is het denkbaar, mijn zoon, dat onze vaderen, met wie Jehova op zulk een wijze verkeerde, niets van Hem zouden geleerd hebben? dat hunne gewone menschelijke eigenschappen niet in zekere mate den invloed der goddelijke zonden hebben ondergaan? dat zij, zelfs na verloop van vele eeuwen, in niets het hemelsche zouden weerspiegelen?
Zij zweeg eenige oogenblikken, daarna zeide zij: Het is waar, als men onder kunst alleen de schilder- en beeldhouwkunst verstaat, dan heeft Israël geen kunstenaars voortgebracht.
Het kostte haar moeite deze bekentenis te moeten doen, want als Sadduceeuwsche was het haar, in tegenstelling met de Pharizeën, geoorloofd het schoone in iederen vorm lief te hebben, onverschillig waaraan het zijn oorsprong te danken had.
--Wil men ons echter rechtvaardig beoordelen, hernam zij, dan moet men niet vergeten, dat het werk onzer handen gebonden was door het gebod: Gij zult u geen gesneden beeld noch eenige gelijkenis maken; welks bedoeling door de Sopherim hoogst willekeurig uitgebreid is. Evenmin moet men vergeten, dat twee Israëlieten, Bezaliël en Aholiab, de bouwmeesters van den eersten tabernakel, van wie geschreven staat dat zij bedreven waren in alle handwerk, de cherubim van het verzoendeksel gemaakt hebben, lang voordat Daedalus in Attica verscheen en met zijn houten statuen in de beeldhouwkunst zulk een ommekeer teweegbracht, dat de scholen van Corinthe en Aegina mogelijk werden en triomfeerden. Van dicht goud waren de cherubim gemaakt, de beide vleugelen omhoog uitbreidende, en hunne aangezichten waren tegenover elkander,--zoo staat er geschreven. Wie zal durven beweren, dat zijn niet schoon waren? Of dat zij niet de eerste statuen geweest zijn?
--O, nu begrijp ik waarom de Grieken ons voorbijgestreefd zijn, zeide Juda, die met de grootste belangstelling geluisterd had. En de ark;--vloek over de Babyloniërs, die haar vernield hebben!
--Neen, Juda, wees gerust. Zij is niet vernield; zij is verloren geraakt, te goed verborgen in de eene of andere spelonk. Hillel en Shammai gelooven beiden dat zij eenmaal, op 's Heeren tijd, teruggevonden zal worden. Dan zal Israël evenals vanouds voor het aangezicht des Heeren dansen en zingen. En zij, die dan het gelaat der cherubim mogen aanschouwen, zouden, al hebben zij ook de elpenbeenen Minerva gezien, als het mogelijk was den Jood de handen kussen, wiens genie zulk een kunstwerk ontwierp.
De moeder was in hare opgewondenheid welsprekend geworden. Zij hield even stil om tot kalmte te komen.
--Gij zijt zoo goed, moeder, zeide Juda dankbaar. Shammai zou niet beter hebben kunnen spreken en Hillel evenmin. U hebt mij weder tot een echten Israëliet gemaakt.
--Vleier! Ik herhaal slechts wat ik Hillel heb hooren zeggen, toen hij onlangs in mijne tegenwoordigheid met een Romeinsch sophist redetwistte.
--Nu ja, maar u legt er het leven in.
--Waar ben ik ook weer gebleven? vraagde zij. O ja, ik trachtte onzen voorvaderen de eer te verzekeren van de eerste statuen gemaakt te hebben. De beeldhouwkunst, Juda, is niet de eenige kunst; evenmin als de kunst zelf het eenige is, dat groot genoemd mag worden. Ik stel mij de groote mannen van vroegere eeuwen voor in groepen en afdeelingen, volgens hunne nationaliteit; hier de Indiër, daar de Egyptenaar, ginds de Assyriër, voortgaande onder trompetgeschal en met vliegende vanen, terwijl rechts en links de voorgeslachten, als eerbiedige bewonderaars geschaard staan. Ik hoor den Griek zeggen: Ha, de Helleen wijst den weg; en de Romein antwoordt: Zwijg, uwe plaats is ingenomen door ons, wij hebben u verre achtergelaten.--En zonder dat de strijders het bemerken straalt boven die gansche schare een licht, het licht der Openbaring! Wie zijn de dragers van dat licht? Het oude volk der Hebreën! Klopt uw hart niet hooger bij die gedachte? Aan dat licht kennen wij hen. Weest gezegend, onze vaderen, dienstknechten Gods, die het verbond bewaarden! Gij zijt de leidslieden der menschheid, gij staat aan de spits, en al ware iedere Romein een Cesar, gij zult die plaats niet verliezen!
Juda was diep bewogen. Ga voort, bid ik u! riep hij. Het is mij, als hoor ik het geluid van trommelen en reien. Ik wacht op Mirjam en de vrouwen, die haar volgden.
--Goed, mijn zoon. Als gij het gezang der profetes kunt hooren, dan kunt gij in uwe verbeelding met mij aan en weg gaan staan, om de uitverkoornen Israëls aan het hoofd van den optocht te zien voorbijtrekken. Daar komen zij--eerst de patriarchen, dan de vaders der stammen.
Het is mij als hoor ik de schelletjes hunner kameelen en het blaten hunner kudden. Maar wie gaat daar zoo alleen te midden van de menigte? Een oud man; maar zijn oog is niet verduisterd en zijn kracht niet verzwakt. Hij zag onzen God van aangezicht tot aangezicht. Als de zon in haren opgang staat hij daar--krijger, dichter, redenaar, wetgever, profeet. Zijn roem verduistert den roem van alle anderen, zelfs van den eersten en edelsten der Cesars.
Op hem volgen de richters, dan de koningen, de zoon van Isaï, een held in den krijg, een dichter van onsterfelijke gezangen; vervolgens zijn zoon, die alle koningen overtreft in rijkdom en wijsheid. Buig u neder, mijn zoon! Die nu komen zijn de eersten in hunne soort en tevens de laatsten. Hun aangezicht is naar boven gericht, alsof zij naar een stem uit den hemel luisteren. Hun leven was vol zorg, hunne kleederen rieken naar graven en spelonken. Hoor! een vrouw onder hen spreekt: looft den Heer, want Hij heeft heerlijk getriomfeerd! Buig u nog dieper voor hen, mijn Juda; zij waren Gods dienaren en profeten, die in de toekomst schouwden en opschreven wat zij zagen. Koningen verbleekten bij hunne nadering, volken sidderden op het geluid hunner stem. De elementen gehoorzaamden hun bevel. In hunne hand hielden zij zegen en vloek. Zie den Thisbiet en zijnen knecht Elisa! Zie den droeven zoon van Hilkia! Zie de drie jonge mannen, die het beeld weigerden te aanbidden; zie hem, die op het feestmaal de sterrenwichelaars beschaamde. En daar, mijn zoon, zie den zoon van Amos, van wien de wereld de belofte ontving van den Messias!
Zij haalde diep adem en ging toen voort: Ik heb u onze groote mannen getoond, Juda, laat ons nu de besten van Rome bezien. Plaats tegenover Mozes Cesar, en Tarquinius tegenover David; Sylaa tegenover een van de Makkabeën; de besten der consuls tegenover de richters; Augustus tegenover Salomo,--welk een vergelijking!
Zij lachte verachtelijk.
--Vergeef mij, ik dacht aan den waarzegger, die Julius Cesar waarschuwde tegen den 15den der maand Maart, en stelde mij voor hoe hij de ingewanden van een kuiken onderzocht, om de kwade voortekens te vinden. Dank dan eens aan Elia, hoe hij den zoon van Achab voor den toorn Gods waarschuwt. En ten slotte, met allen eerbied zij het gezegd, hoe zullen wij Jehova en Jupiter beoordeelen, tenzij dan naar wat hunne dienaren gedaan hebben in hunnen naam? Wat nu uwe toekomst betreft, mijn zoon, dien de Heer, den God van Israël, niet Rome. Voor een zoon van Abraham bestaat geen andere roem, dan die welke in 's Heeren dienst te behalen is.
--Mag ik dus soldaat worden?
--Waarom niet? Heeft Mozes God niet den Heer der heirscharen genoemd?
Beiden zwegen eenige oogenblikken, toen hernam de moeder: Ik geef u mijn toestemming, indien gij namelijk den Heer onzen God en niet den keizer zult dienen.
Juda nam die voorwaarde aan, en daar moeder en zoon stil bleven zitten, ieder in eigen gedachten verdiept, viel de knaap weldra in een zoete sluimering. Toen stond de moeder op, legde hem een kussen onder het hoofd, spreidde een deken over hem uit, en verliet zachtkens het vertrek.
* * * * *
ZESDE HOOFDSTUK.
HET ONGELUK.
Toen Juda ontwaakte was de zon reeds boven de bergen verrezen; de duiven fladderden over het platte dak, of zaten kirrend op den rand der borstwering. In het zuidoosten staken de vergulde tinnen des tempels, badend in de zonneschijn, heerlijk af tegen de diep blauwe lucht. Maar daar had Juda geen oogen voor, want op den divan, vlak bij hem, zat een bevallig meisje van ongeveer vijftien jaar. Zij speelde op de harp en zong daarbij met zachte, welluidende stem.
Toen zij haar lied geëindigd had liet zij de handen in den schoot rusten en zag hem aan, als verwachtte zij dat hij het gesprek beginnen zou. Wij willen van dat oogenblik gebruik maken, om het meisje aan onze lezers voor te stellen en tevens enkele bijzonderheden mede te deelen aangaande Juda's ouders.
Herodes was tijdens zijn leven zeer mild geweest met het bewijzen van vorstelijke gunstbetoon aan lieden, die hij onderscheiden wilde, zoodat menig Israëliet in het bezit gekomen was van een groot vermogen. Trof het nu samen, dat zulk een bevoorrechte bewijzen kon, dat hij in rechte lijn afstamde van een beroemd man, met name uit het geslacht van Juda, dan werd hij gerekend te behooren tot de "Vorsten van Jeruzalem", eene onderscheiding, die hem de onderdanigheid zijner minder bevoorrechte landslieden verzekerde en de achting, zoo niet meer, van de heidenen, met wie maatschappelijk verkeer of handelsbetrekkingen hem in aanraking brachten.