Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde

Chapter 5

Chapter 53,926 wordsPublic domain

--Ik heb het Ismaël, den nieuwen gouverneur van het paleis, gij noemt hem den hoogepriester, gisterenavond aan mijn vader hooren vertellen. Ik geef toe, dat het meer geloofwaardig zou zijn, als een Egyptenaar, of zelfs een Idumeër het gezegd had; daarom heb ik het van morgen aan een hoofdman van den burcht gevraagd. Hij zeide dat alles voor de ontvangst in gereedheid werd gebracht, dat de wapenknechten helmen en schilden oppoetsten en de arenden verguldden; dat ongebruikte vertrekken schoon gemaakt en gelucht werden, alsof men eene vermeerdering van garnizoen wachtte; de lijfwacht misschien van den grooten heer.

Een schaduw vloog over Juda's gelaat; hij staarde op den grond.

--Herinnert gij u nog, vraagde Messala, dat wij hier in den tuin afscheid van elkander namen, toen ik naar Rome ging? De vrede Gods vergezelle u! dat waren uw laatste woorden, en ik zeide: Mogen de goden u bewaren. Hoe lang is dat nu al geleden?

--Vijf jaar, antwoordde de ander.

--Nu, gij hebt alle reden van dankbaarheid jegens--ja, jegens wie? De goden?... Wel, het doet er niet toe. Gij zijt flink opgegroeid, de Grieken zouden u mooi noemen. Was Jupiter maar tevreden met één Ganymedes, wat een kostelijke schenker zoudt gij dan niet voor den keizer zijn. Maar zeg mij, Juda, waarom stelt gij zooveel belang in de komst van den procurator?

Juda sloeg de groote ogen op en zag zijnen vriend ernstig aan.--Ja, vijf jaren, zeide hij. Ik herinner het mij nog heel goed. Gij gingt naar Rome. Ik zag u wegrijden en weende, want ik had u lief. De jaren zijn voorbijgegaan en gij zijt tot mij teruggekeerd, goed onderwezen, en vorstelijk in uw voorkomen--neen, ik scherts niet; maar toch, toch wilde ik dat gij dezelfde Messala waart van vroeger.

--Neen, neen, geen Ganymedes, een orakel is mijn vriend Juda. Enkele lessen bij mijn ouden leermeester in de rhetorica, vlak bij het Forum, een weinig oefening in de kunst der mysteriën, en Delphi zal in u Apollo zelven zien. Maar alle gekheid ter zijde, in welk opzicht ben ik niet de Messala, die ik was bij mijn vertrek? Ik heb eenmaal onder het gehoor gezeten van den grootsten philosoof onder de zon. Eén gezegde herinner ik mij nog: Tracht uw tegenstander te begrijpen voordat gij hem antwoordt.--Stel mij in de gelegenheid u te begrijpen.

Een donkere blos steeg Juda naar 't gelaat onder Messala's spottenden blik; toch antwoordde hij op vasten toon: Ik bemerk dat gij uw tijd goed gebruikt hebt. Gij hebt veel kennis opgedaan, gij spreekt met groote gemakkelijkheid, maar in uwe woorden ligt een angel verborgen. Toen mijn vriend Messala wegging was zijne natuur giftvrij. Voor niets ter wereld zou hij zijn vriend gegriefd hebben.

De Romein glimlachte, alsof hij zich gestreeld voelde en hief het hoofd trotsch omhoog. O, plechtstatige Juda, wij zijn niet te Dodona. Laat dien orakeltoon varen, druk u duidelijk uit. Waarmede heb ik u gegriefd?

De ander haalde diep adem, trok de koorden van zijn kleed wat stijver aan en zeide: In die vijf jaren heb ik ook wel wat geleerd. Hillel moge niet gelijk staan met uw onderwijzer in de logica, en Simeon en Shammai niet in één adem te noemen zijn met uw leeraar bij het Forum; maar hunne leer gaat niet op verboden wegen. Die aan hunne voeten zit, gaat heen vervuld met de kennisse Gods, met de kennis der wet en van Israël; en de vrucht daarvan is liefde en eerbied voor alles wat daarop betrekking heeft. Door het bijwonen der vergaderingen van den Grooten Raad en het bestudeeren van hetgeen ik daar vernam, ben ik tot het inzicht gekomen, dat Judea niet is wat het vroeger was. Ik ken het onderscheid tusschen een onafhankelijk koninkrijk en de weinig beteekende provincie, die Judea thans is, en zou een nietswaardige zijn, ellendiger nog dan een Samaritaan, indien de vernedering van mijn land mij niet diep ter harte ging. Ismaël is niet de rechtmatige hoogepriester, en kan dat niet zijn, zoolang de edele Annas leeft; maar toch is hij een Leviet, een van de Godgewijden, die duizenden van jaren den Heer onzen God gediend hebben naar onze wetten. Zijn--

Messala viel hem spotachtig lachend in de rede en zeide: O, nu begrijp ik u. Ismaël is, zegt gij, een indringer; maar dat ik een Idumeër eer gelooven zou dan hem steekt u,--bij alle goden van den Olympus, wat zijt gij, Joden, toch zeldzame wezens! Menschen en dingen, hemel en aarde veranderen, maar een Jood verandert nooit. Voor hem bestaat geen voor- of achterwaarts; hij is wat zijne voorvaders in het begin waren. Kijk, ik trek een cirkel in het zand--zoo! en toon mij nu eens aan, waarin het leven van een Jood verschilt. In de rondte, in de rondte, Abram hier, Izaäk en Jakob daar, God in het midden. En de cirkel,--bij den dondergod! de cirkel is nóg te groot. Ik zal een nieuwen trekken.

Hij zweeg, zette zijn duim op den grond en draaide er met de uitgestrekte vingers omheen. Kijk, mijn duim wijst de plaats aan waar de tempel staat, met de vingertoppen trek ik de grenzen van Judea. Is er buiten die grenzen iets, dat ulieden belang inboezemt? De kunsten misschien? Herodes was een bouwmeester, daarom is hij vervloekt. Schilder- of beeldhouwkunst? Het beschouwen van hare voortbrengselen is zonde. De dichtkunst hebt gij gebonden aan uwe altaren. Wie van u waagt het als redenaar op te treden, behalve in de synagoge? In den oorlog verliest gij op de zevenden dag alles wat gij op de zes voorafgaande gewonnen hebt. Zoo is uw leven, uw gezichtskring. Wie zal mij ten kwade duiden als ik daarover lach? Wat is uw God, tevreden met de aanbidding van zulk een volk, vergeleken met onzen Jupiter, die ons zijne adelaars afstaat, om er de gansche wereld mee te veroveren? Hillel, Simeon, Shammai, wat zijn die allen, vergeleken met de meesters, die ons leeren dat alles wat geweten kan worden wetenswaard is?

De Jood stond op, zijne oogen schoten vuur.

--Neen, neen, blijf zitten, Juda, blijf zitten, riep Messala, de hand naar hem uitstrekkende.

--Gij bespot mij.

--Luister nog even, zeide Messala lachend. Ik ben u werkelijk dankbaar, dat gij het oude huis uwer vaderen verlaten hebt om mij hier te komen verwelkomen en onze vroegere vriendschap weder aan te knoopen, indien ons dat mogelijk is. Ga, zeide mijn leermeester bij zijn laatste les, ga, en zoo gij beroemd wilt worden, bedenk dan dat Mars regeert en Eros zijne oogen gevonden heeft. Hij bedoelde: liefde is niets, oorlog alles. Zoo is het in Rome. Het huwelijk is de eerste stap tot echtscheiding. Eros is gevallen, Mars regeert. Ik word soldaat; maar u, Juda, beklaag ik, want wat kunt gij worden?

Juda zweeg.

--Ja, ik beklaag u, arme Juda. Van de school in de synagoge, dan naar den tempel, en dan, o heerlijkheid, een zetel in het Sanhedrin. Een leven zonder vooruitzichten! Maar ik--en Juda zag hem in het van overmoed stralend gelaat,--maar ik--nog is de wereld niet veroverd. De zee bergt onbekende eilanden. In het noorden leven nog volken, waarmede wij een lans kunnen breken. Alexanders tocht naar het verre oosten te voleindigen blijft nog voor den een of ander over. Hoevele gelegenheden heeft een Romein dus om zich te onderscheiden.

Na een korte pauze hervatte hij: een veldtocht naar Afrika, een veldtocht naar Scythië, dan--een legioen! De meesten eindigen hunne loopbaan daarmede, niet alzoo ik. Ik, bij Jupiter, welk een vooruitzicht, ik zal mijn legioen opgeven voor een prefectuur. En wat wil dat niet zeggen! een leven in Rome met geld--geld, wijn, vrouwen, spelen, dichters bij het feestmaal, intriges aan het hof, dobbelspel het gansche jaar door. Ziedaar het leven dat ik verlang--een voordeelige prefectuur, en ik heb alles wat ik begeer. O Juda! hier is Syrië! Judea is rijk; Antiochië een hoofdstad voor de goden. Ik word de opvolger van Cyrenius, en gij--zult mijn geluk met mij deelen.

Romeinsche sophisten en rederijkers zouden Messala waarschijnlijk toegejuicht hebben; maar den jongen Jood klonken deze dingen vreemd in de ooren. Het was zoo geheel anders dan hij gewoon was. De wetten en zeden van zijn volk lieten satire noch humor toe, geen wonder dus dat hij met gemengde gewaarwordingen naar zijn vriend luisterde, het eene oogenblik verontwaardigd, het andere niet wetende wat er van te maken. Messala's hooghartige houding had hem dadelijk onaangenaam getroffen, weldra werd zij hem zeer hinderlijk, ten slotte onverdragelijk. In zulke gevallen is men licht geneigd tot toorn, en niet dan met de grootste moeite bedwong Juda zich, om met een stijf lachje te kunnen zeggen: Ik heb wel eens hooren beweren, dat er menschen zijn, die met hunne toekomst kunnen spotten; ik bemerk dat ik niet tot hun getal behoor.

De Romein zag hem onderzoekend aan en zeide: Waarom zou men de waarheid niet even goed in schertsenden vorm mogen voorstellen, als in een parabel? Onlangs ging de groote Fulvia visschen; zij ving meer dan het geheele overige gezelschap te samen. De reden daarvan was, zeide men, dat zij een gouden haak aan haar hengel had.

--Dan was wat gij daar straks zeidet niet alles in scherts gezegd?

--Vriend Juda, ik zie dat ik u niet genoeg geboden heb. Zoodra ik prefect ben, met Juda om mij te verrijken, maak ik u tot hoogepriester.

Juda wendde zich toornig af.

--Ga niet heen, bad Messala.

De ander bleef besluiteloos staan.

--Groote goden, Juda, wat wordt het warm! riep de Romein, om een wending aan het gesprek te geven. Laat ons een plekje in de schaduw zoeken.

Maar Juda antwoordde koel: Het is beter als wij van elkander gaan. Ik wilde dat ik niet gekomen was. Ik zocht een vriend en vond--

--Een Romein, vulde Messala aan.

Juda balde de vuisten krampachtig; maar zich nogmaals bedwingende ging hij heen. Messala stond op, nam zijn mantel, wierp dien over zijn schouder en volgde zijn vriend. Toen hij hem ingehaald had legde hij zijn hand op Juda's schouder en liep naast hem voort. Weet gij nog wel, zeide hij, dat wij als kinderen altijd zoo liepen, ik met mijn hand op uw schouder? Laat ons zoo voortgaan tot aan de poort?

Messala deed klaarblijkelijk zijn best om ernstig en vriendelijk te zijn; maar zijn gelaat behield de gewone spotachtige uitdrukking. Juda onttrok zich niet aan dat bewijs van toenadering.

--Gij zijt een knaap, ik ben een man; sta mij toe als man tot u te spreken.

Het zelfbehagen, waarmede de Romein dit zeide, was werkelijk eenig. Mentor, den jongen Telemachus wijze lessen gevende, had het hem niet kunnen verbeteren.

--Gelooft gij aan de Parcen? Maar 't is waar, ik vergat dat gij een Sadduceër zijt. De Esseërs, dat zijn bij u de verstandige lieden; zij gelooven aan de zusters. Ik ook. Wat zit dat drietal ons altijd in de weg bij het plannen maken! Ik ben bezig een plan te maken. Ik baken mijn weg af, hierheen en daarheen, bij Apollo, op het oogenblik dat ik de hand uitstrek om mijn doel te bereiken, hoor ik achter mij haar schaar knarsen. Ik zie om, en daar is zij!--Maar Juda, waarom werdt gij half razend toen ik van de mogelijkheid sprak, dat ik Cyrenius zou opvolgen? Dacht gij dat ik mijzelven wilde verrijken door uw Judea te plunderen? En gesteld dat het zoo was, op een goeden dag zal de eene of andere Romein dat zeker doen--waarom ik dan niet?

Juda vertraagde zijnen stap.

--Vreemde overheerschers hebben Judea onderdrukt, voordat de Romeinen het onderwierpen, zeide hij op plechtigen toon. Waar zijn zij gebleven, Messala? Judea heeft ze allen overleefd. Wat eenmaal was zal wederom zijn.

Op luchthartigen toon antwoordde Messala: De Parcen hebben nog meer aanhangers behalve de Esseërs. Welkom, Juda, gij zijt een van de haren.

--Neen, Messala, reken mij daar niet toe. Mijn geloof rust op de rots, die de grondslag was van het geloof mijner vaderen--op het verbond van den God van Israël.

--Veel te hartstochtelijk, Juda! Wat zou mijn leermeester zich geërgerd hebben, als ik mij in zijne tegenwoordigheid zoo had durven opwinden! Er waren nog andere dingen, die ik u had willen vertellen; maar nu durf ik niet.

Zwijgend gingen zij een eind verder, toen begon Messala weer: Ik geloof dat gij thans wel weder in staat zijt om naar mij te luisteren, vooral omdat wat ik te zeggen heb uzelven betreft. Ik zou u, mijn schoone Ganymedes, gaarne van dienst zijn. Ik houd van u, zooveel als ik maar kan. Ik zeide u, dat ik van plan ben soldaat te worden. Waarom zoudt gij mijn voorbeeld niet volgen? Waarom zoudt gij niet uit den engen cirkel stappen, waarin uw leven besloten moet zijn, wanneer gij hier blijft?

Juda gaf geen antwoord.

--Wie zijn in onze dagen de wijzen? vervolgde Messala. Niet zij die hun leven doorbrengen in twisten over doode zaken, over Baäls, Jupiters en Jehova's, over wijsbegeerten en godsdiensten. Noem mij één grooten naam, onverschillig waar gij hem vandaan haalt--uit Rome, Egypte, het Oosten, of hier uit Jeruzalem, en Pluto moge mij hebben, als die naam niet toebehoort aan een man, die zijn roem schiep uit het materiaal, dat het tegenwoordige hem verschafte, die iets heilig achtte, dat hem niet diende, en iets verachtte, dat hem zijn doelwit kon helpen bereiken. Hoe was het met Herodes? Hoe met de Makkabeën? Hoe met den eersten en tweeden keizer? Volg hen na. Begin vandaag nog. Rome is even bereidwillig om u te helpen, als den Idumeër Antipater.

De Joodschen knaap trilde van toorn, en daar de poort openstond versnelde hij zijnen stap, om zoo spoedig mogelijk vrij te zijn. O Rome, Rome, mompelde hij.

--Wees wijs! zeide Messala. Geef de dwaasheden van Mozes en de overleveringen op. Beschouw de werkelijkheid zooals zij is. Heb den moed om de Parcen in de oogen te zien en zij zullen u zeggen: Judea is wat Rome wil, dat het zijn zal.

Thans waren zij aan de poort gekomen. Juda stond stil en zag Messala aan, de oogen vol tranen. Ik begrijp u, zeide hij, omdat gij een Romein zijt; gij kunt mij niet begrijpen, omdat ik een Israëliet ben. Gij hebt mij pijn gedaan door mij te doen gevoelen, dat wij nooit meer de vrienden kunnen zijn, die wij vroeger waren--nooit meer. Hier scheiden wij. De vrede van den God mijner vaderen zij met u!

Messala bood hem de hand, maar Juda ging de poort door en verdween. De Romein bleef een oogwenk peinzend staan, toen ging ook hij verder met de woorden: Het zij zoo. Eros is dood, Mars regeert!

* * * * *

DERDE HOOFDSTUK.

JUDA THUIS.

Juda stapte intusschen haastig voort, verscheidene straten door, totdat hij een hecht, vierkant gebouw bereikte, waar hij aanklopte. Toen hem was opengedaan, trad hij een smalle gang in, aan beide zijden van steenen banken voorzien, zwart van ouderdom. Aan het einde van die gang voerde een trap van vijftien treden naar een binnenplaats, aan drie zijden door het huis ingesloten, hetwelk beneden verdeeld was in vakken, terwijl de bovenverdieping van terrassen voorzien was. De bedienden, die af en aan gingen, het geluid van malende molensteenen, de kleedingstukken, die aan de drooglijnen hingen, de kippen en duiven, de geiten, koeien, ezels en paarden in de vakken gestald, een groote waterbak--alles toonde duidelijk aan, dat deze binnenplaats voor huishoudelijke doeleinden gebruikt werd. Aan de oostzijde was een tusschenmuur, waardoor een poort toegang verleende tot een tweede plaats, ruim en vierkant, in een hof herschapen door heesters en klimplanten, bloeiend en frisch gehouden door een fontein in het midden. Hier waren de vakken tot vertrekjes ingericht, hoog, luchtig, en van wit- en roodgestreepte voorhangsels voorzien. Uit dezen hof voerde een trap naar de terrassen op de bovenverdieping, vanwaar een tweede trap naar het platte dak leidde, dat rondom door een borstwering omgeven was. Uit de geheele inrichting van deze woning kon men zien, dat de bewoners lieden van aanzien waren.

In den hof gekomen begaf Juda zich tusschen het bloeiend struikgewas door naar de trap, om het terras te bereiken en zijn eigen kamer op te zoeken. Het zware gordijn oplichtende, dat den toegang afsloot, trad hij binnen en wierp zich voorover op den divan. Zoo bleef hij uren liggen, totdat tegen den avond een vrouw op den drempel verscheen en zijn naam noemde. Op zijn toestemming trad zij binnen. Het avondeten is gebruikt, zeide zij, het is geheel donker. Heeft mijn zoon geen honger?

--Neen.

--Zijt gij ziek?

--Ik heb slaap.

--Uwe moeder heeft naar u gevraagd.

--Waar is zij?

--In het zomerhuisje op het dak.

Juda richtte zich op en zat overeind. Heel goed, breng mij iets te eten.

--Wat zal ik u brengen?

--Wat gij wilt, Amrah. Ik en niet ziek; maar het is mij alles onverschillig. Het leven lacht mij niet meer zoo vriendelijk toe als van morgen. 't Is een nieuwe ziekte, Amrah; en gij, die mij zoo goed kent en mij altijd in alles geholpen hebt, moet nu maar eens iets bedenken, dat te gelijk tot voedsel en medicijn kan dienen. Breng mij dus wat gij noodig oordeelt.

Amrah's vragen en haar zachte sympathieke toon spraken van een innige verhouding tusschen die beiden. Zij legde hare hand op zijn voorhoofd, en verwijderde zich toen zeggende: Ik zal er voor zorgen. Een poosje later kwam zij terug en bracht op een houten blad een beker wijn, een kom melk, een paar sneedjes wittebrood, een stuk gebraden kip, honing en zout, en een bronzen lamp. Nu schoof Amrah een tafeltje aan, zette het blad daar op en knielde naast den divan neder om den knaap te bedienen.

Oogenschijnlijk was zij een vrouw van vijftig jaren, donker van uitzicht, donker van oogen. Een witte tulband bedekte haar hoofd, de oorlapjes echter vrij latende, die het merkteeken droegen van haren stand in de maatschappij.

Zij was een Egyptische slavin, aan wie zelfs het heilige vijftigste jaar niet de vrijheid zou hebben kunnen hergeven, wat zij overigens ook niet begeerde, want de knaap, dien zij verzorgde, was haar lief als haar leven. Zij had hem van zijn vroegste jeugd verpleegd en vond daarin haar geluk.

Hij sprak slechts eenmaal gedurende den maaltijd. Amrah, herinnert gij u Messala nog, die vroeger soms heele dagen bij mij kwam?

--Zeker.

--Hij ging eenige jaren geleden naar Rome en is nu teruggekomen. Ik ben van middag bij hem geweest.

Een beweging van onwil maakte Amrah alles duidelijk. Ik begreep dadelijk dat u iets onaangenaams was overkomen, zeide zij hartelijk. Ik heb nooit van dien Messala gehouden. Vertel mij alles.

Juda verviel echter in een mijmering en antwoordde op haar dringend vragen alleen dit: Hij is zeer veranderd en ik wil niets meer met hem te doen hebben.

Toen Amrah het blad wegnam stond ook Juda op en begaf zich naar het platte dak.

In het oosten wordt het dak van het huis tot allerlei doeleinden gebruikt. De hitte drijft gedurende de middaguren den gemaklievende in de koele, donker gemaakte vertrekken. Zoodra echter de zon ten ondergang neigt, komt hij naar buiten en begeeft zich op het platte dak zijner woning, dat hem en de zijnen tot huiskamer, salon, speelplaats, bidvertrek dient. Worden in kouder klimaat geen kosten gespaard om het inwendige van een huis te verfraaien, in het oosten besteedt men de meeste moeite om het platte dak geriefelijk, zelfs weelderig in te richten. De hangende tuinen van Babylon kunnen ons een denkbeeld geven hoever dat streven eindelijk ging.

Juda stak het dak over naar de torenkamer in den noordwestelijken hoek van het huis. Den voorhang ter zijde schuivende trad hij binnen. Het was er donker; maar daar aan vier zijden boogvormige openingen waren aangebracht, kon men de sterren aan den hemel zien schitteren. In een van die openingen rustte een vrouw in halfliggende houding op een divan. Toen zij hem hoorde naderen liet zij haren waaier op de knie zinken en riep: Juda, mijn zoon!

--Hier ben ik, moeder, antwoordde hij, en knielde voor haar neder, terwijl zij beide armen om zijn hals sloeg en hem teederlijk kuste.

* * * * *

VIERDE HOOFDSTUK.

JUDA'S MOEDER.

De moeder hernam hare gemakkelijke houding en de zoon zette zich op den grond, het hoofd tegen hare knie geleund. Beiden staarden door de opening over de lagere huizen naar de bergen in het westen. Rondom hen heerschte diepe stilte, alleen een zacht windje ruischte door de lucht.

--Amrah heeft mij verteld dat u iets onaangenaams is overkomen, zeide zij zacht.--Toen mijn Juda nog een kind was, mocht hij zich door kleinigheden laten ontstemmen; maar nu hij een man geworden is moet hij niet vergeten, dat hij eenmaal mijn held zal zijn.

Zij sprak in de taal, waarvan men zich slechts zelden meer bediende; maar die bij enkele aanzienlijke familiën in eere gehouden werd, om het onderscheid tusschen Joden en Heidenen scherp af te teekenen, de taal, waarin Rebekka en Rachel hare kinderen in slaap zongen.

Die woorden stemden Juda weder tot nadenken. Na een poosje echter greep hij de hand, waarmede zij hem koelte aanbracht, en zeide: Ja moeder, vandaag is mij allerlei door het hoofd gegaan, waaraan ik nog nooit gedacht heb. Zeg mij allereerst: wat moet ik worden?

--Heb ik het u niet reeds gezegd? Gij moet mijn held worden.

Hij kon haar gelaat niet zien, maar hij wist dat zij scherste. Op ernstigen toon zeide hij: Wat zijt gij toch lief en goed, moeder. Niemand kan ooit zooveel van mij houden als u.

Hij kuste herhaaldelijk hare hand.--Ik begrijp wel waarom u mijne vraag niet dadelijk wilt beantwoorden. Tot nu heeft mijn leven u behoord. Hoe zacht, hoe liefelijk was uwe leiding. Ik wilde dat het altijd zoo kon blijven; maar dat is onmogelijk. Het is des Heeren wil, dat ik eenmaal mijzelven zal toebehooren--een droevige dag, een dag van scheiding wacht ons. Laat ons moedig en ernstig zijn. Ik wil uw held worden; maar u moet mij helpen. U kent de wet--ieder Israëliet moet een bepaalden werkkring hebben. Ik zoo goed als een ander, en daarom vraag ik: Wat zal ik worden? Zal ik de kudden verzorgen? of den akker bebouwen? of de zaag ter hand nemen? of zal ik schrijver of schriftgeleerde worden? Wat zal het zijn? Lieve, goede moeder, help mij het antwoord vinden.

--Gamaliël heeft zeker vandaag een voordracht gehouden, zeide zij op peinzenden toon.

--'t Is mogelijk; maar ik was niet onder zijn gehoor.

--Dan hebt gij gewandeld met Simeon, die, naar men zegt, het talent van zijne familie geërfd heeft.

--Neen, ik heb hem niet gezien. Ik ben in het paleis geweest, niet in den tempel. Ik heb den jongen Messala een bezoek gebracht.

Een zekere verandering in zijn toon trok de aandacht der moeder. Een angstig voorgevoel versnelde haar harteklop. De waaier bleef weder rusten.

--Messala? Wat kon die zeggen om u onrustig te maken?

--Hij is zeer veranderd, moeder.

--Gij bedoelt, dat hij als Romein terugkwam?

--Ja.

--Romein, herhaalde zij half tot zichzelve, dat wil overal zeggen: heerscher. Hoe lang is hij weg geweest?

--Vijf jaar.

Zij hief het hoofd een weinig op en staarde naar buiten.

--Wat Messala zeide, moeder, was op zichzelf scherp genoeg; maar de manier waarop hij het deed was soms overdragelijk.

Ik geloof dat ik u begrijp. Rome, haar dichters, redenaars senatoren, hovelingen, zij zijn allen evenzeer verzot op satire.

--Ik geloof dat alle machtige volken trotsch zijn, zeide Juda, maar de trots van dat volk lijkt nergens naar. Het is tegenwoordig zoo erg, dat hunne goden ternauwernood aan hunnen spot ontkomen.

--De goden! zeide de moeder levendig, meer dan één Romein heeft goddelijke eerbewijzen als zijn recht geëischt.