Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde

Chapter 4

Chapter 43,810 wordsPublic domain

Hillel liet den blik rusten op de rol en las: Te Bethlehem in Judea; want alzoo zegt de profeet: En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, die een Heerscher zal zijn in Israël.

Herodes' gelaat betrok. Nadenkend staarde hij op de rol. Ademlooze stilte heerschte in de zaal, niemand waagde te spreken. Eindelijk keerde de Koning zich om en ging heen.

--Broeders, zeide Hillel, de vergadering is gesloten.

Allen stonden op en verwijderden zich in groepen.

--Simeon! riep Hillel.

Een vijftigjarige man, nog krachtig en sterk, voegde zich dadelijk bij hem.

--Neem de heilige rol tot u, mijn zoon, en geleid mij naar den draagstoel.

Liefdevol en eerbiedig voldeed Simeon aan het verzoek zijns vaders, wiens waardige opvolger hij eenmaal zijn zou.

* * * * *

Nog weder later op dienzelfden avond legden de drie wijzen zich in de herberg ter ruste. Door een opening in het dak konden zij de lucht bespieden, en bij het heerlijk stergeflonker dachten zij na over Gods wonderlijke leiding. Maar hoe nu verder? Op welke wijze zou Hij zich thans openbaren? Eindelijk waren zij dan in Jeruzalem; aan de poort hadden zij naar hem gevraagd, dien zij zochten; zij hadden zijne geboorte aangezegd, hun bleef niets over dan hem te vinden, en ook daarin rekenden zij vast op de leiding des Geestes. Die Gods stem beluisteren, of op een teeken des hemels wachten, kunnen niet slapen.

Daar trad iemand op hen toe. Wordt wakker! riep hij, ik heb u iets te zeggen daar haast bij is.

Aanstonds sprongen zij overeind.--Van wien? vraagde de Egyptenaar.

--Van Koning Herodes.

--Zijt gij niet de deurwachter van deze herberg?

--Die ben ik.

--Wat verlangt de Koning van ons?

--Zijn bode wacht buiten. Hij zal u antwoorden.

--Zeg hem dat wij dadelijk zullen komen.

--Gij hadt gelijk, broeder, zeide de Griek, toen de wachter zich verwijderd had.--De vraag tot het volk op den weg en tot den schildwacht aan de poort heeft ons bekend gemaakt. Ik ben vol ongeduld, laat ons gaan.

Haastig bonden zij hunne sandalen aan, sloegen hunne mantels om en gingen naar buiten.

--Weest gegroet, en vergeeft mij zoo ik ongeleegen kom; maar mijn meester, de Koning, zendt mij om u ten paleize te noodigen, waar hij een mondgesprek met u voeren wil, zeide de bode.

Boven den ingang der herberg hing een brandende lamp; en bij haar licht zagen de drie vrienden aan elkanders gelaat, dat de Geest op hen rustte. Toen wenkte de Egyptenaar den deurwachter tot zich en fluisterde hem toe: Gij weet waar onze goederen geborgen zijn op het voorplein en waar onze kameelen rusten. Maak alles gereed terwijl wij weg zijn, opdat wij, zoo het noodig mocht wezen, bij onze terugkomst dadelijk kunnen afreizen.

Ik zal er voor zorgen, ga gerust, antwoordde de wachter.

--Wij zijn gereed, zeide de Egyptenaar daarop tot den bode, breng ons bij den Koning.

De straten van de Heilige stad waren toen even nauw als in onze dagen, maar lang niet zoo vuil en hobbelig; want de vorstelijke bouwheer was zeer gesteld op reinheid en gemak. Zwijgend volgden de drie vrienden hunnen leidsman, totdat zij aan een poort kwamen, waar bij een hoog opvlammend vuur een paar schildwachten op post stonden. Door booggangen en voorhoven, langs hooge trappen en tal van vertrekken bereikten zij eindelijk een hoogen toren. Boven gekomen bleef hun gids staan, wees op een open deur en zeide: Treedt binnen, de Koning wacht u.

Een geur van sandelhout vervulde het koninklijk vertrek, dat met groote weelde was ingericht. Vergulde en gebeeldhouwde zetels, muziekinstrumenten, kostbaar vaatwerk, gouden kandelaars schitterden van licht, in Griekschen stijl beschilderde muren--en te midden van dat alles zat de Koning op zijn troon, gereed om hen te ontvangen.

De drie mannen traden naderbij en bogen eerbiedig. De Koning schelde, waarop een dienaar binnenkwam en drie zetels aanschoof.

--Neem plaats, beval de Koning minzaam.

Toen zij gezeten waren vervolgde hij: Hedenmiddag werd mij van de Noordpoort bericht gezonden, dat drie vreemdelingen waren aangekomen, en naar hun uiterlijk te oordeelen van verre kwamen. Zijt gijlieden dat?

De Egyptenaar boog en antwoordde: Indien wij het niet waren zou de machtige Herodes niet om ons gezonden hebben. Wij zijn die mannen.

--Wie zijt gij? Vanwaar komt gij? vraagde de Koning, en voegde er op veelbeteekenden toon bij: Dat ieder voor zichzelven spreke.

In weinig woorden deelden zij hem beurtelings hun naam en afkomst mede en langs welken weg zij de reis naar Jeruzalem genomen hadden. Eenigszins teleurgesteld vraagde Herodes: Welke vraag hebt gij tot den hoofdman aan de poort gericht?

--Wij vraagden hem: Waar is de geboren koning der Joden?

--Nu begrijp ik waarom het volk zoo opgewonden was. Is er dan een tweede Koning der Joden?

Onbevangen antwoordde de Egyptenaar: Er is een jonggeboren Koning.

Een uitdrukking van smart kwam over het gelaat van den monarch, alsof een pijnlijke herinnering hem kwelde. Dacht hij misschien aan zijne onschuldige, vermoorde kinderen?--Niet hier! Niet bij mij! riep hij.

Een oogenblik later, toen hij zich genoegzaam hersteld had, vraagde hij met vaste stem: Waar is de nieuwe Koning?

--Dat is het juist, o Koning, wat wij wenschen te vernemen.

--Wat gij mij vertelt heeft veel van een sprookje. Op mijn leeftijd is men al even nieuwsgierig als de kinderen. Het zou wreed zijn mij te lang in spanning te laten. Vertelt mij daarom alles en ik zal u eeren, zooals vorsten elkander eeren. Deelt mij alles mede wat gij van den jonggeborene weet, en ik zal u naar hem helpen zoeken. Zoodra wij hem gevonden hebben, zal ik voor hem doen wat ik kan; ik zal hem naar Jeruzalem laten komen en hem een vorstelijke opvoeding geven. Ik zal van mijn invloed bij den Keizer gebruik maken, om hem tot eer en aanzien te brengen. Van ijverzucht zal tusschen ons geen sprake zijn, dat zweer ik u. Maar vertelt mij eerst hoe gijlieden, door zeeën en woestijnen van elkander gescheiden, van zijne geboorte gehoord hebt.

--Dat zal ik u naar waarheid zeggen, o Koning.

--Spreek, zeide Herodes.

Balthasar stond op en sprak: Er is een almachtig God.

Herodes ontstelde zichtbaar.

--Die almachtige God beval ons hierheen te reizen en beloofde ons, dat wij den Verlosser der wereld zouden zien, dat wij hem zouden zien en aanbidden, en van zijne komst getuigen. Tot teeken zagen wij ieder op de plaats waar wij ons bevonden eene ster. Gods Geest geleidde ons; o Koning, Gods Geest op dit oogenblik met ons!

Een wonderlijk gevoel doorstroomde de drie vrienden. De Griek bedwong zich slechts met moeite. Herodes zag van den een naar den ander. Achterdocht en onwil maakten zich van hem meester. Gij wilt mij wat wijsmaken, zeide hij. Wat moet er volgen op de komst van den nieuwen Koning?

De verlossing der menschen.

--Van wat?

--Van zonde.

--Hoe?

--Door Geloof, Liefde en Goede Werken.

--Dan--maar hier zweeg Herodes even, zonder dat één trek op zijn gelaat verried wat in zijne ziel omging--zij gijlieden de herauten van den Messias. Is dat alles?

Balthasar boog toestemmend.

Herodes drukte weder op den schelknop. Een dienaar verscheen.--Breng de geschenken, beval de vorst.

De dienaar ging, maar kwam weldra terug, en bood ieder der bezoekers knielende een prachtig overkleed en een gouden gordel aan, welke geschenken zij met Oostersche plichtplegingen aanvaardden.

--Nog een woord, zeide Herodes, gij hebt gezegd dat gij een ster in het Oosten hebt gezien.

--Ja, antwoordde Balthasar, zijne ster, de ster van den jonggeborene.

--Wanneer ongeveer?

--Toen ons bevolen werd hierheen te gaan.

Herodes stond op, ten teeken dat de audiëntie was afgeloopen. Van zijnen troon dalende zeide hij vriendelijk: Indien gij, hooggeschatte mannen, hetgeen ik gaarne geloof, werkelijk de herauten zijt van den jonggeboren Messias, zoo weet dan, dat ik hedenavond de schriftgeleerden ondervraagd heb over deze dingen. Eenparig getuigen zij, dat hij te Bethlehem in Judea moest geboren worden. Daarom raad ik u: Gaat naar Bethlehem en zoekt naarstiglijk totdat gij hem vindt. En als gij hem gevonden hebt, komt dan weder, opdat ook ik moge gaan en hem aanbidden. Gaat in vrede en niemand zal u overlast aandoen. Dit gezegd hebbende liet de Koning hen alleen.

Onmiddellijk daarop kwam 's Konings boodschapper binnen en geleidde de drie mannen weder naar de herberg terug. Daar gekomen riep de Griek vol geestdrift: Laat ons naar Bethlehem gaan, broeders, zooals de Koning ons geraden heeft.

--Ja, riep de Hindoe, de Geest getuigt binnen in mij.

--Het geschiede, zeide Balthasar opgewekt. Onze kameelen staan gereed.

Na den deurwachter voor zijne moeite rijkelijk beloond te hebben stegen zij op, lieten zich den weg wijzen naar de Joppe-poort en vertrokken. Toen zij in het open veld gekomen waren en langs denzelfden weg gingen, dien Jozef en Maria zoo kort geleden begaan hadden, verscheen aan den hemel een licht, in het begin zwak en onduidelijk. Hun hart klopte hoorbaar. Het licht nam toe in kracht, zij sloten de oogen voor dien glans; toen zij ze weer openden,--zie, daar was de ster weder, maar niet onbewegelijk en hoog verheven als de andere sterren, neen, laag aan het firmament en zich zachtkens voortbewegende. Toen vouwden zij de handen en verheugden zich met groote vreugde. God is met ons! riepen zij herhaaldelijk, totdat ten laatste de ster zich verhief en stil bleef staan boven een afdak, gebouwd tegen de helling van een heuvel in de nabijheid der stad.

* * * * *

ELFDE HOOFDSTUK.

HET KINDEKE.

Het was de derde nachtwake. De bergtoppen in het oosten werden reeds flauw verlicht door de opgaande zon; maar in de vallei heerschte nog nachtelijk donker. De wachter op het dak der oude herberg van Bethlehem luisterde huiverend van kou naar de eerste teekenen van ontwakend leven, toen hij eensklaps een licht op den heuvel achter het huis ontwaarde. Eerst meende hij dat het een toorts was, die iemand in de hand droeg, daarna zag hij het voor een meteoor aan; het werd helderder en helderder, en eindelijk zag hij dat het een ster was. Beangst door dat vreemde verschijnsel wekte hij allen die in huis waren. De meesten ijlden naar het platte dak. Het licht kwam steeds nader en wierp zijn schijnsel over rotsen, boomen en wegen; zijn glans werd zoo sterk dat de lieden de oogen moesten afwenden. De vreesachtigen vielen op hun aangezicht ter aarde en baden, de meer stoutmoedigen bedekten wel hunne oogen, maar beproefden toch gedurig naar het licht te kijken.

Het duurde niet lang, of de herberg en hare geheele omgeving werden er door verlicht. Zij, die durfden opzien, bemerkten, dat de ster stil bleef staan boven den ingang der spelonk, waar het kind geboren was. Te midden van de heerschenden onrust kwamen de drie wijzen bij de herberg, stegen van hunne kameelen en begeerden binnengelaten te worden. Toen de deurwachter in zoover van den schrik bekomen was, dat hij aan hun verlangen kon voldoen, trok hij de grendels weg en opende de deur. In dat ongewone licht zagen de kameelen er waarlijk spookachtig uit en het vreemde, opgewonden voorkomen der drie reizigers was niet geschikt om den man gerust te stellen. In plaats van naar buiten te komen trok hij zich schuw terug en kon gedurende eenige minuten niet antwoorden op de hem gedane vraag: Is dit niet Bethlehem in Judea?

Eerst toen de anderen er bij kwamen schepte hij moed en zeide: Neen, dit is slechts de herberg, de stad ligt verder.

--Is hier niet een pasgeboren kind?

De omstanders zagen elkander verbaasd aan; maar sommigen antwoordden toch: Ja, ja.

--Breng ons bij hem, riep de Griek ongeduldig.

--Ja, breng ons bij hem, herhaalde Balthasar, want wij hebben zijne ster gezien, dezelfde die gij daar boven het huis ziet, en zijn gekomen om hem te aanbidden.

De Hindoe vouwde de handen en zeide: Waarlijk God leeft! Haast u, haast u! Wij hebben den Verlosser gevonden! Gezegend zijn wij boven alle menschen!

De lieden, die nog op het dak waren, kwamen ook beneden en volgden de vreemdelingen, die door den wachter langs den ons bekenden weg gebracht werden naar de spelonk. Toen zij echter zagen dat het regelrecht op de ster afging, keerden sommigen uit angst terug, maar de overigen gingen mede. Zoodra de drie vreemdelingen de spelonk naderden rees de ster omhoog, al hooger en hooger in de lucht, om toen zij binnentraden uit het gezicht te verdwijnen.

Zij, die getuige waren van wat nu plaats had, moesten weldra erkennen, dat tusschen de vreemdelingen en de ster een goddelijk verband bestond, waar ook de bewoners van den stal in betrokken waren. Die maar eenigszins kon drong mede naar binnen. In de spelonk brandde een lantaarn, die licht genoeg verspreidde, om de drie reizigers den weg te wijzen naar de moeder, die het kind in de armen hield.

--Is dat uw kind? vraagde Balthasar aan Maria.

En zij, die alles wat het kindeke betrof in haar hart bewaarde en overlegde, hief het omhoog zoodat het licht op zijn gelaat viel en zeide: Dat is mijn zoon.

En zij vielen op de knieën en aanbaden hem.

Zij zagen dat het kind volkomen gelijk was aan andere kinderen. Geen stralenkrans of aardsche kroon sierde zijn hoofd. Zijn lippen openden zich niet om te spreken. Hoorde het hunne vreugdebetuigingen, hunne gebeden, het gaf geen teeken hoegenaamd, dat het die begreep; integendeel, het deed wat andere kinderen zouden gedaan hebben--het staarde met alle aandacht naar de vlam.

Toen zij het kindeke hunne hulde gebracht hadden, stonden zij op, gingen naar buiten naar hunne kameelen, en brachten hunne geschenken: goud en wierook en myrrhe, die zij voor het kind nederlegden. Dit was dus de Verlosser, om wien te zien zij van zooverre gekomen waren. Zonder te twijfelen aanbaden zij hem. Waarom? Hun geloof berustte op de teekenen, gegeven door Hem, dien wij als Vader hebben leeren kennen, en zij behoorden tot dezulken voor wie zijne beloften zoo algenoegzaam zijn, dat naar niets anders gevraagd wordt. Er waren slechts weinigen, die het teeken gezien en de belofte vernomen hadden--de Moeder en Jozef, de herders en zijzelven,--en die alle geloofden met een volkomen hart.

* * * * *

BOEK II.

* * * * *

EERSTE HOOFDSTUK.

ROME EN JUDEA.

Wij willen thans over een tijdruimte van 21 jaren heenstappen en staan in het begin der regeering van Valerius Gratus, den vierden keizerlijken gouverneur van Judea; een tijdvak, waarin Jeruzalem verdeeld werd door velerlei staatkundige twisten.

Herodes de Groote was een jaar na de geboorte van het kindeke gestorven--een uiteinde zoo vreeselijk, dat de Christenwereld het misschien niet ten onrechte als een straf der Goddelijke Gerechtigheid beschouwt. Als alle eerzuchtige heerschers droomde hij van een dynastie te grondvesten. Daarom bepaalde hij in zijn testament, dat het rijk verdeeld zou worden onder zijne drie zonen, Antipas, Philippus en Archelaüs, welke laatste tevens den koningstitel moest erven. Dat testament moest natuurlijk door keizer Augustus bekrachtigd worden, die dan ook alle bepalingen goedkeurde, uitgenomen ééne--hij weigerde Archelaüs den titel van koning te verleenen, voordat deze van zijne bekwaamheid en trouw bewijzen zou hebben gegeven. In plaats daarvan gaf hij hem den titel van ethnarch. Als zoodanig heeft hij negen jaar geregeerd en werd toen wegens wangedrag en onbekwaamheid afgezet en naar Gallië verbannen.

De keizer liet het daar niet bij. Hij trof de bewoners van Jeruzalem op een wijze, die hun hoogmoed pijnlijk kwetste. Judea werd namelijk een Romeinsche provincie verklaard en bij prefectuur van Syrië gevoegd. In plaats dus dat een koning met vorstelijke praal in het paleis op den berg Sion troonde, werd de stad bestuurd door een beambte van den tweeden rang, onder den titel van procurator, die, om de vernedering nog grievender te maken, niet eens te Jeruzalem mocht wonen, maar te Cesarea verblijf moest houden. Maar wat hun het meest van alles moest krenken was dat Samaria, het zoo diep verachte Samaria, aan Judea werd toegevoegd om te zamen ééne provincie te vormen.

Eén troost bleef het volk echter nog over en wel deze, dat de hoogepriester het koninklijke paleis bewonen mocht en in schijn althans de vierschaar spande. Veel te beteekenen had het niet, want de uitspraak van een vonnis, de beslissing over leven en dood, berustten bij den procurator. Het recht werd uitgeoefend in den naam en volgens de wetten van Rome, en het paleis zelf werd behalve door den hoogepriester bewoond door den Romeinschen beambte met al zijne trawanten. Toch was voor het volk, dat van betere tijden droomde, eene zekere voldoening in het feit, dat de hoogst aanwezige in het paleis een Jood was. Zijne tegenwoordigheid herinnerde hun de beloften der profeten en den tijd, toen Jehova de stammen regeerde door de zonen van Aäron; het strekte hun ten teeken dat God hen niet verlaten had, en leerde hen met geduld wachten op de komst van den zoon uit Judea's stam, die over Israël heerschen zou.

Ruim tachtig jaren was Judea een provincie geweest van het Romeinsche rijk, lang genoeg voor de keizers om te weten, dat de Jood met al zijn trots gemakkelijk kon geregeerd worden, zoo men zijn godsdienst maar eerbiedigde. Hierop acht gevende hadden Gratus' voorgangers zich zorgvuldig onthouden van eenige bemoeiing met de heilige gebruiken hunner onderdanen. Gratus sloeg echter een anderen weg in. Een van zijn eerste openbare handelingen was de ontzetting van den hoogepriester Annas, en de verheffing van Ismaël, den zoon van Fabus. Deze daad, hetzij op bevel van Augustus gepleegd, of uit eigen beweging, wekte groote ontevredenheid. Wij zullen den lezer niet vermoeien met een uitvoerig verslag van de Joodsche politiek dier tijden, maar moeten er toch tot beter begrip van ons verhaal met een enkel woord van gewagen.

In die dagen waren in Judea twee partijen, die der aanzienlijken en die des volks. Na Herodes' dood vereenigden die beide zich tegen Archelaüs, en bestreden hem nu eens door list, dan door geweld van wapenen. Meer dan eens weerklonken de heilige hallen op Moria van krijgsgeschreeuw. Schoon uiterlijk vereenigd hielden de bondgenooten ieder hun eigen belangen in het oog. De edelen haatten Joazar den hoogepriester, het volk daarentegen hing hem van harte aan. Toen Archelaüs viel sleepte hij Joazar mede in zijnen val. Annas werd door de edelen tot hoogepriester gekozen. Dat gaf het sein tot scheiding, en van nu stonden de vroegere bondgenoten vijandig tegenover elkander. Gedurende den strijd met den ongelukkigen Archelaüs had de partij der edelen raadzaam geacht zich met Rome te verbroederen, en van hen ging het plan uit om Judea tot een Romeinsche provincie te maken. Nieuwe reden tot haat voor de volkspartij, en toen Samaria aan Judea werd toegevoegd, geraakte de partij der edelen verre in de minderheid en bleven zij zonder anderen steun dan het keizerlijke hof en het prestige van hun rang en rijkdom.

In weerwil daarvan wisten zij zich toch nog vijftien jaren lang, tot aan de komst van Valerius Gratus, te handhaven in het paleis en in den tempel. Annas, de door hen verkozen hoogepriester, had zijne macht trouw gebruikt ten voordeele van zijn keizerlijken heer. Een Romeinsch garnizoen bezette den burcht Antonia, een Romeinsche wacht bewaakte de poorten van het paleis, een Romeinsch rechter deed uitspraak in de beide rechten, een Romeinsch belastingssysteem, met groote gestrengheid toegepast, drukte stad en land. Dagelijks werd het volk op duizenderlei wijze gekweld en moest het zijne afhankelijkheid gevoelen.

Toch vermocht Annas hen betrekkelijk rustig te houden. Rome bezat géén trouwer vriend, en bij zijn aftreden werd zijn gemis diep gevoeld. Zoodra Ismaël in zijne plaats het hoogepriesterlijk kleed had aangedaan, verruilde Annas de tempelhoven met de raadzaal der volkspartij en wijdde zich voortaan aan hare belangen. Het vuur, dat vijftien jaren gesmeuld had, dreigde met vernieuwde kracht op te vlammen. Een maand na Ismaëls verheffing tot hoogepriester achtte Gratus, de procurator, noodig hem te Jeruzalem te bezoeken. Toen de Joden, die hem van de wallen uitfloten, zagen, dat zijne wacht door de Noordpoort Jeruzalem binnentrok en naar den burcht Antonis marcheerde, begrepen zij het ware doel zijner komst: een gansche cohorte van Romeinsche legioenen werd aan het reeds aanwezige garnizoen toegevoegd, en de strop om hun hals nauwer aangehaald. Wee den overtreder, als de procurator soms noodig mocht achter een voorbeeld te stellen.

* * * * *

TWEEDE HOOFDSTUK.

MESSALA EN JUDA.

Op de hoogte van den stand van zaken, kunnen wij thans den lezer verzoeken, ons in den geest te volgen naar een der tuinen van het paleis op den berg Sion. Het is een warme namiddag in de maand Juli. De tuin is aan alle zijden omgeven door gebouwen, van veranda's en galerijen voorzien, en door open kolonnaden met elkander verbonden, zoodat de wandelaar, indien er een windje waait, in de gelegenheid wordt gesteld er zijn voordeel mede te doen.

De aanleg van den hof is streelend voor het oog. Lanen, grasperken, sierlijke heesters, enkele hooge boomen, bieden rijke afwisseling. In het midden een springfontein, wier heldere waterstraal de naaste omgeving koel houdt.

Niet ver van die fontein zaten twee knapen van negentien en zeventien jaar in ernstige gesprekken verdiept. Bij den eersten aanblik zou men hen voor broeders gehouden hebben. Beiden waren zwart van haar en oogen, beider gelaat was door de zon verbrand. De oudste zat blootshoofds. Een ruime tunica, tot aan de knie reikend, was zijn eenig bekleedsel, zijn lichtblauwe mantel strekte hem tot zitkussen. De tunica van fijne, grijze wollen stof, met rood omboord en om het midden bevestigd met een zilveren koord, maakt den Romein kenbaar, en, indien hij onder het spreken wel eens uit de hoogte neerziet op zijn makker en hem als zijn mindere behandelt, wie, die weet dat hij tot een der voornaamste geslachten van Rome, het geslacht Messala, behoort, zal het hem euvel duiden?

In de bloedige oorlogen tusschen den eersten keizer en zijn groote tegenstanders was een Messala de vriend geweest van Brutus. Later, toen Octavianus om de kroon streed, ondersteunde Messala hem. Octavianus, keizer Augustus geworden zijnde, gedacht zijne diensten en overlaadde zijn geslacht met eerbewijzen. Toen Judea een provincie van het Romeinsche rijk geworden was, zond hij den zoon van zijn ouden vriend als ontvanger der belasting naar Jeruzalem, in welke hoedanigheid hij met den hoogepriester het paleis bewoonde. De jongeling met wien wij zooeven kennis maakten was zijn zoon, en die jeugdige Messala was er niet weinig trotsch op, dat zijn grootvader in zoo nauwe betrekking gestaan had tot de edelsten onder de Romeinen.

De andere knaap was tengerder van gestalte. Zijn kleeding was van fijn wit linnen, zooals men ze gewoonlijk in Jeruzalem droeg, en een laag in den nek neerhangende doek beschermde zijn hoofd tegen de zonnestralen. Zijn gelaat was van het zuiver Joodsche type. Was de schoonheid van den Romein streng en klassiek, die van de Joodschen knaap was weelderig en aanvallig.

--Zeidet gij niet dat de nieuwe procurator morgen komt? vraagde de jongste der knapen in het Grieksch, de taal die toen, vreemd genoeg, in Judea overal gebruikelijk was onder het beschaafd publiek.

--Ja, morgen, antwoordde Messala.

--Wie heeft het u verteld?