Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde

Chapter 34

Chapter 341,931 wordsPublic domain

--Zet u hier neder, zeide Ben-Hur tot Esther, haar een plaats bereidend aan de voeten haars vaders. Bedek uw gelaat en zie niet op, maar vestig uw vertrouwen op God en op den rechtvaardige, die zoo schandelijk vermoord is.

--Neen, zeide Simonides eerbiedig, laat ons voortaan van hem spreken als van den Christus.

--Zoo zij het, antwoordde Ben-Hur.

Plotseling schudde de heuvel onder hen. Het angstgeschreeuw der twee moordenaars was vreeselijk om aan te hooren. Ofschoon duizelig van den schok had Ben-Hur tijd om naar Balthasar te zien, en zag hem onbewegelijk op den grond liggen. Hij ging naar hem toe en riep hem bij name--geen antwoord. De goede man was dood!

Toen herinnerde Ben-Hur zich, dat hij een luiden kreet gehoord had, alsof hij een terugslag was op het laatste woord van den Nazarener, maar hij had er op dat oogenblik niet verder over nagedacht. Thans begreep hij het: de geest van den Egyptenaar had des Meesters geest begeleid tot over de grenzen van zijn koninkrijk, eene eer hem vergund na het lange leven in geloof, liefde en goede werken.

De bedienden van Balthasar hadden hun meester alleen gelaten, en waren gevlucht, maar toen alles was afgeloopen droegen de twee Galileërs den doode naar de stad terug.

Het was een droevige stoet, die op dien gedenkwaardigen dag de zuidpoort van het paleis Hur tegen zonsondergang binnentrok. Ongeveer op hetzelfde uur werd het lichaam des Heren afgenomen van het kruis.

Het stoffelijk overschot van Balthasar werd in de zaal nedergelegd. Alle bedienden beweenden hem oprecht, want hij bezat de liefde van allen met wie hij verkeerd had; maar toen zij zijn gelaat zagen, zoo tevreden en gelukkig, droogden zij hunne tranen, zeggende: Het is wèl met hem. Hij is nu gelukkiger dan van morgen.

Ben-Hur wilde Iras in eigen persoon den dood haars vaders mededeelen. Hij stelde zich hare droefheid voor; zij was nu alleen in de wereld. Dit was het oogenblik om haar vergiffenis te schenken en te beklagen. Hij herinnerde zich, dat hij verzuimd had te vragen waarom zij zich dien morgen niet bij het gezelschap had gevoegd. Hij had zelfs niet aan haar gedacht. Daarover beschaamd was hij bereid alles goed te maken, te meer nu hij een treurmare had te brengen.

Hij schudde den voorhang van hare deur; de schelletjes rinkelden, maar hij ontving geen antwoord. Hij riep haar bij den naam, riep nogmaals, maar alles bleef stil. Hij schoof het gordijn ter zijde, en ging naar binnen. Zij was er niet. Hij klom haastig naar het platte dak om haar te zoeken, ook daar was zij niet. Hij ondervraagde de bedienden, doch geen van hen had haar dien dag gezien. Nadat hij het geheele huis doorzocht had keerde Ben-Hur terug naar de zaal, nam de plaats naast den doode in, waar zij had behooren te zitten, en overdacht de groote barmhartigheid van Christus voor zijn trouwen dienstknecht. Bij de poort van het Paradijs blijven alle droefheden dezes levens, ook verlatenheid en veronachtzaming terug. Zij bestaan niet meer voor hen, die de rust zijn ingegaan.

Toen de begrafenis was afgeloopen, op den negenden dag na de reiniging zijner moeder en zuster, en de wet vervuld was, bracht Ben-Hur beiden thuis, en van dien dag bogen allen in dat huis zich in aanbidding neder voor God den Vader en zijn Zoon Jezus Christus.

* * * * *

ELFDE HOOFDSTUK.

DE KATAKOMBEN.

Vijf jaren na de kruisiging zat Esther, de echtgenoote van Ben-Hur, in het woonvertrek van de schoone villa bij Misenum, die hij teruggekocht had. Het was middag. De warme Italiaansche zon koesterde de rozen en wingerden in den tuin. De kamer was naar Romeinsche wijze ingericht, doch Esther zelve droeg de kleederen eener Joodsche vrouw. Op een leeuwenhuid, in een hoek uitgespreid, zaten twee kindertjes te spelen met Tirza.

De tijd had Esther vriendelijk behandeld. Zij was schooner dan ooit en straalde van geluk.

Daar trad een bediende binnen en zeide: In het atrium staat eene vrouw, die u verlangt te spreken.

--Laat zij binnenkomen. Ik zal haar hier ontvangen.

De vreemde kwam binnen. Esther stond op en wilde haar toespreken, doch aarzelde, verschoot van kleur en week achteruit, zeggende: Ik heb u vroeger meer gezien. Gij zijt....

--Ik ben Iras, de dochter van Balthasar.

Esther overwon haar tegenzin en bood de bezoekster een zetel aan.

--Neen, zeide Iras koel. Ik blijf maar kort.

De twee vrouwen zagen elkander onderzoekend aan. De arme Iras was zeer vervallen. Nog bezat de slanke gestalte haar vroegere gratie, maar haar wezen droeg den stempel van een in zonde doorgebracht leven. De uitdrukking van haar gelaat was brutaal, de groote oogen somber, de wangen kleurloos. Een harde trek lag om haar mond, en een algeheele verwaarloozing maakte haar oud voor haar tijd.

--Zijn dat uwe kinderen? met deze vraag verbrak zij het stilzwijgen.

Esther wendde den blik naar hen en glimlachte. Ja, wilt gij ze niet zien?

--Ik zou ze maar verschrikken.

Toen kwam zij dichter bij Esther, en daar deze onwillekeurig terugweek, zeide zij : Wees niet bang. Ik heb een boodschap voor uw man. Zeg hem, dat zijn vijand dood is, dat ikzelf hem gedood heb, om de matelooze ellende, die hij over mij gebracht heeft.

--Zijn vijand?

--Ja, Messala. Zeg uw man verder, dat ik voor het nadeel, dat ik hem heb willen berokkenen, zoo zwaar gestraft ben, dat zelfs hij mij beklagen zou.

De tranen kwamen Esther in de oogen; zij wilde spreken.

--Neen, zeide Iras, ik vraag geen tranen of medelijden. Zeg hem ten slotte, dat volgens mijne ondervinding een Romein geen mensch is maar een beest. Vaarwel!

Zij keerde zich om en wilde heengaan, Esther volgde haar.

--Blijf nog wat, en wacht totdat mijn man thuis komt. Hij is niet boos op u. Hij heeft overal naar u gezocht. Hij zal uw vriend wezen, ik zal uwe vriendin zijn. Wij zijn christenen.

Maar de andere wilde niet.

--Neen, zeide zij, wat ik ben werd ik door eigen keus. Het zal niet lang meer duren.

--Maar, zeide Esther aarzelend, kunnen wij dan niets voor u doen? Kan ik niets....

Het gelaat der Egyptische verzachtte, een flauwe glimlach speelde om haren mond. Zij zag naar den grond. Ja, zeide zij, ik zou....

Esther Volgde haar blik, en begrijpende wat in haar omging, zeide zij: Doe het maar.

Iras ging tot hen en kuste beiden. Toen ging zij zwijgend naar de deur en was verdwenen, voordat Esther haar kon tegenhouden.

Toen Ben-Hur dit bezoek vernam, werd hem zekerheid wat hij reeds lang vermoed had, namelijk dat Iras op den dag der kruisiging haar vader verlaten had om Messala te volgen. Hij ging terstond op weg en deed overal onderzoek naar haar. Tevergeefs. Zij zagen of hoorden nooit meer van haar. De blauwe wateren, stralende in den zonneschijn, hebben hunne geheimen. Konden zij spreken, misschien zouden zij ons vertellen waar de Egyptische gebleven was.

Simonides leefde nog verscheidene jaren. In het tiende jaar van Nero's regeering legde hij zijne betrekking als hoofd van het handelshuis te Antiochië neer. Tot het laatst was zijn hoofd helder gebleven en zijn hart goed, en had bij voorspoed gehad bij al wat hij ondernam.

Op zekeren avond van datzelfde jaar zat hij in zijn rolstoel op het welbekende terras te Antiochïe, met zijn kinderen en kleinkinderen. Het laatste van zijne schepen lag voor anker, al de anderen waren verkocht. In de vervlogen jaren hadden zij slechts eenmaal droefheid gekend, en dat was, toen de moeder van Ben-Hur stierf. Hun christelijk geloof had hen die smart stil doen dragen en op een blijde hereeniging leeren hopen.

Het zooeven besproken schip was den vorigen dag aangekomen, en had droevige berichten medegebracht over de vervolging der Christenen door Nero te Rome. Het gezelschap zat de zaak te bespreken, toen Malluch, de oude getrouwe, boven kwam, en Ben-Hur een pakket brieven overhandigde.

--Wie brengt dat? vraagde hij na het vluchtig ingezien te hebben.

--Een Arabier.

--Waar is hij?

--Hij vertrok onmiddellijk.

--Luister, zeide Ben-Hur tot Simonides, en las het volgende:

Ik, Ilderim, zoon van Ilderim den Edelmoedige, en Sheik van den stam van Ilderim, aan Juda, den zoon van Hur.

Weet, o vriend mijn vaders, hoe mijn vader u liefhad. Lees wat ik u hierbij zend, en gij zult het weten. Zijn wil is mijn wil, daarom is datgene wat hij u schonk het uwe. Alles wat de Parthen hem ontnomen hebben in den grooten slag, waarin zij hem overwonnen, heb ik hun weder ontnomen: inliggend geschrift met andere zaken, en de nakomelingschap van Myra, die tijdens zijn leven de moeder was van zoovele sterren.

Vrede zij u en al de uwen.

Deze stem uit de woestijn is de stem van ILDERIM, Sheik.

Vervolgens ontrolde Ben-Hur een papyrusrol, geel van ouderdom. Hij las:

Ilderim, bijgenaamd de Edelmoedige, Sheik van den stam van Ilderim, aan den zoon die mij opvolgt.

Alles wat ik heb, mijn zoon, zal het uwe zijn ten dage van uwe opvolging, behalve de bezitting bij Antiochië, bekend onder den naam van het Palmbosch. Dat schenk ik aan den zoon van Hur, die ons zooveel roem deed behalen in den circus--aan hem en aan de zijnen voor altijd.

Eerbiedig deze beschikking van uwen vader.

ILDERIM, de Edelmoedige, Sheik.

--Wat zegt gij daarvan? riep Ben-Hur verbaasd.

Esther nam de brieven en las ze nog eens vergenoegd over. Simonides bleef zwijgen. Zijne oogen rustten op het schip, hij dacht na. Eindelijk zeide hij:

--Zoon van Hur, de God onzer vaderen heeft u zeer gezegend in de laatste jaren. Gij hebt veel reden tot dankbaarheid. Wordt het niet eindelijk tijd te overleggen wat God wil, dat gij doen zult met zijn goede gaven--uw groot fortuin, dat nog steeds toeneemt?

--Al wat ik bezit heb ik bestemd voor den dienst van den gever; niet slechts een gedeelte, maar alles. De vraag is alleen nog: Hoe kan ik mijn geld het best dienstbaar maken voor zijne zaak? Geef gij mij daarop het antwoord.

Simonides antwoordde: Ik weet dat gij hier in Antiochïe veel hebt besteed voor de gemeente des Heeren. Heden komt te gelijk met het geschenk van onzen ouden vriend het bericht van de vervolging onzer broederen in Rome. Dat opent ons een nieuw veld. Het licht moet in de hoofdstad niet uitgebluscht worden.

--Zeg mij hoe ik het kan onderhouden.

--Dat zal ik u zeggen. De Romeinen, zelfs deze Nero, houden twee dingen heilig--ik weet geen andere daaraan gelijk--dat is: de asch hunner dooden, en alle begraafplaatsen. Kunt gij voor den dienst onzes Heeren geen tempels bouwen boven den grond, bouw ze dan onder den grond, en breng er, om ze voor ontheiliging te bewaren, de lichamen van allen, die in het christelijk geloof ontslapen.

Ben-Hur stond haastig op en zeide: Dat is een grootsche gedachte. Ik zal er dadelijk mee beginnen. De tijd dringt tot spoed. Het schip dat de tijding bracht van het lijden onzer broederen, zal mij naar Rome voeren. Ik ga morgen.

Zich tot Malluch wendende zei hij: Zorg dat het schip gereed zij, gij zult met mij gaan.

--Dat is goed, zeide Simonides.

--En wat zegt Esther? vraagde Ben-Hur.

Haar antwoord luidde: Zoo zult gij den Heer het best dienen. Laat ik u geen beletsel zijn, maar met u gaan en u helpen.

* * * * *

Mochten mijne lezers ooit het voorrecht smaken van Rome te bezoeken, dat zij dan niet verzuimen de Katakomben van S. Calixtus te gaan zien; die van ouderen datum zijn dan die van S. Sebastiano, om met eigen oogen te aanschouwen wat het vermogen van Ben-Hur heeft gewrocht. Uit dat groote graf verspreidde zich het Christendom, om het heidendom in Rome van den troon te stooten.