Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde

Chapter 33

Chapter 333,959 wordsPublic domain

--Ja! antwoordde Simonides. Nu ik er die allen bij zie, ben ik overtuigd. Nu staat onomstootelijk bij mij vast, dat de veroordeelde, die daar heengaat met het opschrift om den hals, werkelijk degeen is, waarvoor het opschrift hem uitgeeft: De koning der Joden. Een gewoon mensch, een bedrieger, een misdadiger, werd nimmer zulk een uitgeleide gegeven. Want ziet! hem volgen de volken, Jeruzalem en Israël. Kon ik maar opstaan en hem navolgen!

Ben-Hur luisterde in stomme verbazing toe. Alsof Simonides toen eerst gewaar werd, dat hij zich tegen zijne gewoonte door zijn gevoel had laten meeslepen, zeide hij op ongeduldigen toon: Vraag wat Balthasar er van denkt, bid ik u, en laat ons gaan. Daar komt het gepeupel van Jeruzalem aan.

Toen sprak Esther: Ik zie daar eenige vrouwen, zij loopen te weenen. Wie zijn dat?

Haar vingerwijzing volgend zagen zij vier vrouwen, die bitter bedroefd volgden. Eene van haar leunde op den arm van een man met een zacht en vriendelijk uiterlijk.

Ben-Hur antwoordde: Die man is de discipel, van wien de Meester het meest houdt. De vrouw, die op zijn arm leunt, is Maria, de moeder van den Nazarener; de anderen zijn vriendinnen uit Galilea.

Met oogen vol tranen zag Esther de schreiende vrouwen na, totdat zij uit het gezicht verdwenen waren.

--Kom, zeide Simonides, laat ons verder gaan.

Ben-Hur hoorde hem niet, hij was te zeer getroffen door de tegenstelling: de woeste, bloeddorstige menschenmassa tegenover de zachtmoedigheid van den Nazarener, die het land was doorgegaan goeddoende, zieken genezende, armen weldoende. Plotseling schoot hem door de ziel hoeveel hijzelf aan dien man verplicht was. Hij dacht aan dien morgen, toen hijzelf een gevangene was, in de macht van Romeinsche soldaten, en ook, zooals hij meende, een zekeren, vreeselijken dood tegemoet ging. De verfrisschende dronk water, dien de Nazarener hem gereikt had aan de bron van Nazareth, de goddelijke uitdrukking van zijn gelaat, de wonderlijke genezing van zijne moeder en Tirza op Palmzondag, dat alles stond hem weer zoo helder voor oogen. De gedachte dat hij onmachtig was, om nu op zijne beurt hulp te brengen, deed hem pijn. Heftige zelfbeschuldigingen kwelden hem. Hij had de Galileërs beter moeten bewaken, hun hunne plichten onder 't oog moeten brengen, want nu, ach nu, was het oogenblik van handelen daar! Als hij nu zijn slag kon slaan, zou het gepeupel uiteenstuiven, de Nazarener de vrijheid herkrijgen, Israël te wapen vliegen en de kamp om Israëls vrijheid eindelijk gestreden worden. De kostbare tijd verliep, de gunstige gelegenheid ging voorbij, misschien voor altijd! O God van Abraham! Kon er dan niets gedaan worden? Niets?

Op dat oogenblik werd zijne aandacht getrokken door een troepje Galileërs. Hij baande zich een weg door de menigte en haalde hen in.

--Volgt mij, riep hij. Ik heb u wat te zeggen.

Zij gehoorzaamden en volgden hem naar zijne schuilplaats. Daar sprak hij tot hen: Gijlieden behoort tot degenen, die een zwaard van mij hebt ontvangen. Gij hebt u bereid verklaard om voor de vrijheid, voor den koning, die komen zou, ten strijde te trekken. Gij hebt uwe wapenen bij u. Nu is het tijd om ze te gebruiken. Gaat, roept onze broederen bijeen, en zegt hun, dat ik u allen op Golgotha wacht, om voor den Nazarener in de bres te springen. Haast u! De Nazarener is de koning, en de vrijheid sterft met hem.

Zij zagen hem eerbiedig aan, maar verroerden zich niet.

--Verstaat gij mij niet? vraagde hij ongeduldig.

Toen antwoordde een van hen: Zoon van Juda, gij zijt de bedrogene, niet wij, die van u de wapenen ontvingen. De Nazarener is de koning niet, en heeft ook niet den geest van een koning. Wij waren tegenwoordig bij zijn intocht in Jeruzalem, wij zagen hem in den Tempel, hij is ons en Israël bitter tegengevallen. Bij de Schoone Poort keerde hij God den rug toe en weigerde den troon van David in bezit te nemen. Hij is geen koning en Galilea, volgt hem niet. Hij moet sterven. Maar luister, zoon van Juda. Wij hebben uwe wapenen en zijn bereid het zwaard te trekken om voor de vrijheid te strijden. Laat het zijn voor de vrijheid! Dan scharen wij ons op den kruisheuvel allen rondom u.

Ben-Hur stond op een tweesprong. Had hij dit voorstel aangenomen, den vrijheidsoorlog begonnen, de wereldgeschiedenis zou misschien anders geworden zijn dan zij is; maar dan ook zou zij door menschen, niet door God geregeld zijn--iets dat nooit was, en nooit zijn zal. Hij geraakte een oogenblik in verwarring; een onverklaarbaar gevoel beving hem, hoewel hij het later aan den invloed des Nazareners toeschreef; want toen deze uit den doode was opgestaan, begreep hij dat zijn dood noodig was geweest, om het geloof aan de opstanding te bevestigen, zonder welk geloof de christenheid haar grondslag zou missen. Die oogenblikkelijke verwarring maakte hem ongeschikt om tot een besluit te komen. Hij stond daar hulpeloos, en kon geen woord uitbrengen. Hij sloeg de handen voor zijn gelaat en voelde zijn lichaam schokken door den strijd tusschen zijn wil en een hoogere macht.

--Kom, wij wachten op u! riep Simonides ten vierden male.

Als in een droom volgde hij den stoel en de draagbaar. Esther liep naast hem. Evenals Balthasar en zijne medereizigers in de woestijn werd thans ook hij voortgeleid door een onwederstaanbaren innerlijken drang.

* * * * *

TIENDE HOOFDSTUK.

HET EINDE.

Toen ons gezelschap den kruisheuvel bereikte, ging Ben-Hur hun voor, om hun eene plaats te bezorgen. Hoe het hem mogelijk geweest was zich een weg te banen door de menigte heeft hij nooit geweten, evenmin langs welken weg er kwam, of hoeveel tijd het hem kostte. Als een slaapwandelaar, niets hoorende noch opmerkende, was hij voortgegaan. In zulk een toestand vermocht bij al even weinig als een kind tot verhindering van de vreeselijke misdaad, waarvan hij getuige zou zijn. Gods raadsbesluiten zijn dikwijls raadselachtig, zoo ook de middelen, die Hij kiest, om zijn doel te bereiken.

Op een gegeven oogenblik maakte Ben-Hur halt. Plotseling werd de ban, die hem gevangen hield, verbroken, en kon hij het tooneel rondom zich overzien.

De top van den heuvel Golgotha had den vorm van een schedel. Het was er dor en stoffig, zonder eenigen plantengroei, met uitzondering van enkele armzalige hysopstengels. De voor de kruisiging bestemde plek was afgezet door Romeinsche soldaten, die de steeds aangroeiende menschenmassa het verder voorwaarts dringen moest beletten. Een hoofdman over honderd voerde het bevel over de soldaten. Ben-Hur was tot aan de uiterste grens der voor de toeschouwers bestemde ruimte gekomen, en stond met het gelaat naar het Noordwesten gekeerd. Waarheen hij den blik ook wendde, in het dal of op de omliggende heuvelen, overal menschen en weder menschen, duizenden wier harten in gespannen verwachting klopten, niet voor de twee moordenaars, wier lot hen onverschillig liet, maar voor hetgeen met den Nazarener gebeuren zou. Duizenden harten sloegen sneller, hetzij uit haat, uit vrees, of uit nieuwsgierigheid, nu hij, die hen allen met goddelijke liefde liefhad, voor hen in den dood zou gaan.

Op den heuvel, te midden van de tempelwacht, stond de priesterschaar, trotsch en overmoedig. Nog hoogerop den top, zoodat hij voor ieders oogen zichtbaar was, stond de Nazarener, lijdende, gebogen, stil. Een der soldaten had hem uit spotlust een riet in de hand gegeven, om als schepter dienst te doen. Gelach, gejoel, verwenschingen weerklonken van alle zijden.

Aller oogen waren op den Nazarener gevestigd. Was het uit medelijden, of uit andere oorzaak--in Ben-Hurs gemoed had een ommekeer plaats. Duidelijker en steeds duidelijker zag hij dat er iets beters is, dan het beste van dit leven--iets zooveel beter, dat het een zwakke met kracht kan aangorden, om het hevigste zielelijden, zoowel als de grootste lichaamssmarten te verduren; iets dat den dood met blijdschap kan doen verwachten. Hij moest ten laatste erkennen, dat de Nazarener gekomen was, om allen, die zich willen laten leiden, over de grens van het aardsche te voeren in het rijk, dat hem bereid was door God. Het was hem eensklaps, als hoorde hij weder de woorden van den Nazarener, toenmaals niet begrepen, en bijna vergeten: Ik ben de Opstanding en het Leven.

Telkens en telkens moest hij die woorden herhalen, zij namen vorm aan en leven.

--Wie is het Leven en wie is de Opstanding? herhaalde hij, starende op den lijdenden Meester, en eensklaps was het Ben-Hur, alsof hij antwoordde: Ik!

Terstond daarop daalde een vrede in zijne ziel, zooals hij nog nooit gesmaakt had, een vrede, die een einde maakte aan allen twijfel, aan alle hinken op twee gedachten, en het begin was van geloof en liefde en een vaste overtuiging.

Het geluid van hamerslagen wekte hem uit deze droomerige stemming. Op den heuveltop bemerkte hij, wat hem tot nu ontgaan was, eenige werklieden, die alles voor de kruisiging gereedmaakten. De kuilen waren reeds gegraven, de palen moesten alleen nog ingedreven worden.

Zeg den lieden, dat zij zich haasten, zeide een der priesters tot den hoofdman. De veroordeelden moeten voor zonsondergang dood en begraven zijn, opdat het land niet onrein worde. Dat eischt de Wet.

Een der soldaten trad op den Nazarener toe en bood hem te drinken, maar hij weigerde. Toen kwam een ander bij hem, nam hem het opschrift van den hals, en bevestigde dat aan het bovengedeelte van het kruis. Hiermede waren de voorbereidingen afgeloopen.

De kruisen zijn gereed, zeide de hoofdman tot den priester.

--Laat de godslasteraar het eerst zijne straf ontvangen, antwoordde hij. De Zoon van God moet zichzelven kunnen redden. Wij zullen zien.

De lieden, die de toebereidselen hadden kunnen gadeslaan, en tot op dit oogenblik aan hun ongeduld lucht hadden gegeven door onophoudelijk schreeuwen, zwegen op eenmaal, zoodat een doodelijke stilte ontstond. Het vreeselijk oogenblik was gekomen: de slachtoffers zouden aan het kruis genageld worden. Toen de soldaten den Nazarener aangrepen om hem te kruisigen voer den toeschouwers eene rilling door de leden; zelfs de ruwsten onder hen beefden. Later beweerden sommigen, dat de lucht plotseling afgekoeld was en hen deed huiveren.

--Wat is het benauwend stil, fluisterde Esther haar vader toe.

Hij, zich de folteringen herinnerende, die hijzelf ondergaan had, trok haar tot zich en zeide diep ontroerd: Zie een anderen kant uit, kind, kijk er niet naar. Wie weet of niet allen, die er naar zien, de onschuldigen zoowel als de schuldigen, van nu vervloekt zullen zijn.

Zich tot Ben-Hur keerende, zeide hij met toenemende ontroering: Als onze God zijne hand niet spoedig uitstrekt is Israël verloren, en zijn wij allen verloren.

Ben-Hur antwoordde kalm: Mijn geest is opgetrokken geweest, en heeft vernomen waarom dit geschieden moet. De Nazarener wil het, God wil het. Laat ons stil zijn en bidden.

Toen vestigde hij opnieuw zijne oogen op den heuvel, en het was hem als vernam hij wederom de woorden: Ik ben de Opstanding en het Leven.

Eerbiedig boog hij het hoofd, alsof werkelijk iemand tot hem gesproken had.

Intusschen werd daarboven het werk voortgezet. De wacht ontdeed den veroordeelde van zijne kleeding, zoodat hij naakt stond voor aller oog. Op den rug zag men nog de bloedige sporen der geeselslagen; toch werd hij meedoogenloos uitgestrekt op het kruis--eerst de armen op den dwarsbalk. De nagelen waren scherp, met een paar slagen waren zij door de handpalmen gedreven. De knieën werden opgetrokken, totdat de voetzolen tegen den paal rustten, de eene voet werd op den anderen gelegd, en een nagel door beide gedreven. Dof klonken de hamerslagen. Zij, die 't niet konden hooren, zagen toch den hamer vallen en beefden van vrees. Het slachtoffer van deze gruweldaad liet geen kreet, geen woord van tegenspraak hooren, niets, waarover een vijand kon spotten, of dat een vriend moest bejammeren.

--In welke richting moet hij zien? vraagde een soldaat.

--Met het aangezicht naar den Tempel, antwoordde een der priesters. Stervend moet hij zien, dat het heiligdom niet door hem geleden heeft.

De werklieden namen het kruis op en droegen het naar de plaats, waar het in den grond gezet moest worden. Op een gegeven oogenblik zetten zij het overeind in den daarvoor bestemden kuil. Daar hing dan nu het lichaam van den Nazarener in zijn volle zwaarte aan de bloedende handen. Nog uitte hij geen kreet van smart--alleen een bede kwam over zijne lippen: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.

Met luid gejuich werd het kruis, thans voor ieder zichtbaar en scherp tegen de lucht afgeteekend,begroet, en allen, die het opschrift konden lezen, haastten zich het te ontcijferen. Die het gelezen had, deelde het aan zijn buurman mede, en zoo ging het van mond tot mond, tot groot vermaak der menigte. Van alle kanten hoorde men: Wees gegroet, gij koning der Joden!

De priesters echter, die het gewicht van dit opschrift beter begrepen, verzochten den hoofdman het te verwijderen, maar tevergeefs; en aldus moest de stervende Koning noemen op de stad zijner vaderen, die hem zoo schandelijk ondankbaar had uitgeworpen. Dicht bij het kruis stonden eenige weenende vrouwen, waaronder zijne moeder met den discipel die hij liefhad. Hen ziende, riep hij zijne moeder toe: Vrouw, zie uwen zoon. En tot den discipel: Zie uwe moeder.

Nu werden ook de twee moordenaars gekruisigd, een ter rechterzijde en een ter linkerzijde van den Koning der Joden. Het volk intusschen spotte en riep: Ha, als gij de koning der Joden zijt, verlos dan uzelven, en kom af van het kruis!--Ja, zeide een priester, als hij dat doet, zullen wij in hem gelooven.--Anderen schudden het hoofd, zeggende: Hij wilde den Tempel afbreken en in drie dagen weder opbouwen, maar zichzelven kan hij niet verlossen.--En verder anderen: Hij heeft zichzelven den Zoon van God genoemd; laat ons zien, of God hem zal redden!--Zoo beschimpte en hoonde hem het volk, en ook de oversten en de soldaten bespotten hem en riepen: Indien gij de koning der Joden zijt, zoo verlos uzelven!--Zelfs een der boosdoeners, die gekruisigd waren, lasterde hem en zeide: Indien gij de Christus zijt, verlos uzelven en ons!

De omstanders lachten en juichten hen toe, en toen zij zich stilhielden, om te hooren of er antwoord komen zou, zeide de andere moordenaar: Vreest gij ook God niet? Wij ontvangen straf naar wat wij gedaan hebben; maar deze heeft niets onbehoorlijks gedaan. De toehoorders waren verbaasd, maar hunne verbazing zou nog grooter worden; want de moordenaar zeide tot den Nazarener: Heer, gedenk mijner, wanneer gij in uw koninkrijk komt.

Simonides ontstelde hevig. Wanneer gij in uw koninkrijk komt!... dat was het punt van verschil tusschen Balthasar en hem, waar zij zoo dikwijls over gesproken hadden, waar zij het nooit eens over konden worden.

--Hebt gij dat gehoord? vraagde Ben-Hur hem. Het koninkrijk kan dus niet van deze wereld zijn. Die man getuigt, dat de koning zoo aanstonds zijn koninkrijk zal binnengaan ... dat is hetzelfde wat ik in mijn droom hoorde.

--Stil! zeide Simonides, stil, bid ik u! Misschien antwoordt de Nazarener daar op.

Het antwoord kwam werkelijk. Met luide, heldere stem zeide de koning: Voorwaar, voorwaar zeg ik u, heden zult gij met mij zijn in het paradijs!

Simonides luisterde ademloos toe, of er nog wat op volgen zou. Toen vouwde hij de handen en zeide: 't is genoeg, o Heer, 't is genoeg! De nevel is opgetrokken. Ik zie met andere oogen, met oogen des geloofs, zooals Balthasar.

De trouwe dienstknecht had ten laatste zijn loon ontvangen. Werd zijn verbrijzeld lichaam ook niet geheeld, werd de herinnering van het doorgestane lijden, van de jaren in bitterheid des gemoeds doorgebracht, niet van hem genomen--een nieuw licht was voor hem opgegaan, een nieuw leven had hij leeren kennen, een leven na dit tijdelijke. Paradijs heette het! Daar zou hij het koninkrijk vinden, waarvan hij gedroomd had--en den koning. Een volkomen vrede daalde neder in zijn hart.

Onder de priesters echter heerschten verbazing en schrik. Hoe nu? Zij hadden den Nazarener aan het kruis doen nagelen, omdat hij zich voor den Messias uitgegeven had; en zie, aan het kruis hield hij niet alleen die bewering vol, maar beloofde daarenboven nog het Paradijs aan een misdadiger!... Huns ondanks verbleekten zij. Vanwaar had deze mensch zijn vertrouwen, zoo hij niet in de Waarheid stond? En de Waarheid--was dat niet God? Er behoefde niet veel bij te komen om hen allen op de vlucht te jagen.

De zon had de middaghoogte bereikt. De tempel, de paleizen, de torens groot en klein, straalden in ongeëvenaarden glans. Eensklaps werd de lucht verduisterd. In den beginne nauw merkbaar nam de schemering toe en trok ieders aandacht. Het lachen en spotten verstomde, men zag elkander vragend aan, men hief de oogen op naar den hemel, men zocht de zonneschijf, men staarde naar de bergen--overal hetzelfde vreemde verschijnsel.

--Het is slechts een mist, of een voorbijtrekkende wolk, zeide Simonides, om Esther gerust te stellen. Het zal dadelijk voorbij zijn.

Ben-Hur was van een ander gevoelen. Het is niet een mist of voorbijtrekkende wolk, zeide hij. De geesten in de lucht, de profeten en heiligen verduisteren de zon, opdat de natuur en zijzelven niet langer het akelig schouwspel zouden zien. Ik zeg u, Simonides, zoo waarachtig de Heer onze God leeft, hij die daar hangt is de Zoon van God!

Dit gezegd hebbende wendde hij zich tot Balthasar, die op de knieën lag, en legde de hand op zijnen schouder. Wijze Egyptenaar, hoor mij! Gij alleen hadt gelijk--de Nazarener is waarlijk Gods Zoon.

Balthasar trok hem tot zich en antwoordde met zwakke stem: Ik zag hem als een kind in de kribbe liggen, het is dus niet vreemd, dat ik hem eerder kende dan gij! maar o! dat ik dezen dag beleven moet! Ach, dat ik met mijne broeders gestorven ware! Gelukkige Melchior! Gelukkige Caspar!

--Wees getroost, zeide Ben-Hur. Misschien zijn zij hier ook tegenwoordig!

De tijd verliep, maar er kwam geen verandering in het geheimzinnig duister.

--Laat ons naar huis gaan, bad Esther ten tweeden en ten derden male. God toont ons zijn ongenoegen, vader. Ik ben bang, en wie weet wat er nog verder gebeuren zal.

Maar Simonides wilde niet; integendeel, toen hij bemerkte, dat vele menschen heengingen, drong hij er op aan, dat Balthasar en Ben-Hur hem tot dichter bij het kruis zouden volgen.

De soldaten, die de wacht hielden, gevoelden zich ook niet op hun gemak. Gedurig zagen zij naar dien éénen kruiseling--een bijgeloovige vrees beving hen. De priesters en schriftgeleerden stonden dicht opeen geschaard. Het vreemde natuurverschijnsel bracht een geduchten stoot toe aan hun zelfvertrouwen. Verscheidene van hen waren goed onderwezen in de sterrenkunde, en vertrouwd met veel wat de groote massa in die dagen schrik aanjoeg. Toen het zonnelicht begon te verflauwen toonden zij zich uitermate verbaasd, en overlegden met elkander wat het wezen kon. Niet een zonsverduistering, meenden zij, want het was volle maan. En daar geen van hen een antwoord had op de vraag die aller hart vervulde, daar geen van hen de duisternis op dat uur verklaren kon, verbonden zij haar in het diepst hunner ziel met den Nazarener.

Hoe langer het natuurverschijnsel duurde, hoe angstiger zij werden. Geen enkele beweging van den Nazarener ontging hun oog; niet dan fluisterend durfden zij met elkander spreken. Als hij eens werkelijk de Messias was, wat dan?

Bevend wachtten zij op de dingen, die komen zouden.

Ben-Hur bad, dat het einde verhaast mocht worden. Hij merkte dat Esther zich aan haren vader vastklemde, haar angst onderdrukkende om hem niet te hinderen.

--Wees niet bang, hoorde hij Simonides zeggen. Blijf, en wacht met mij. Al wordt gij tweemaal zoo oud als ik, gij zult nimmer iets zien, dat van zoo groot gewicht is voor de menschenwereld, en er kunnen nog meer openbaringen komen. Laat ons tot het einde blijven.

Twee en een half uur waren verstreken. De ademhaling van den Nazarener werd zwaarder; het einde naderde. Zoo kort nog maar aan het kruis, en nu reeds stervende? De tijding ging van mond tot mond, toen werd alles stil. De wind ging liggen, een verstikkende damp vervulde de lucht, bij de duisternis kwam nog die benauwende hitte. Daar hoorde men op eens van het kruis de droeve, ach, zoo droeve klacht: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?

De stem schrikte allen op, die haar hoorden. Eén vooral sneed zij door de ziel. Bij de soldaten stond een vat, gevuld met wijn en water. Gevoelden zij zich uit medelijden opgewekt om een der lijders een lafenis te brengen, dan konden zij met een spons de lippen der ongelukkigen bevochtigen.

Terwijl Ben-Hur die mogelijkheid overdacht, en zich daarbij herinnerde hoe de Nazarener hem bij de bron te Nazareth verkwikt had, riep deze: Mij dorst!

Nu bedacht Ben-Hur zich niet langer. Haastig de spons en den daarbij behoorenden rietstok grijpende, doopte hij de spons in den wijn en snelde naar het kruis.

--Houd op! riepen de omstanders. Houd op!

Zonder op hen te letten liep hij door en bracht de spons aan de lippen van zijnen Heer. Nu kon hij duidelijk het gelaat van den stervende zien. Door bloed bevlekt blonk het niettemin met een bovenaardschen glans. De oogen waren wijd geopend en gevestigd op iets voor hem alleen zichtbaar in de verre hemelen. Voldoening, ja triomf, spraken uit het woord, dat het slachtoffer nu deed hooren: Het is volbracht!

Zoo sterft een held, na het volbrengen van een groote daad, met een juichtoon op de lippen.

Reeds begonnen de oogen te breken; langzaam zonk het gekroonde hoofd op de hijgende borst. Ben-Hur dacht, dat de strijd volstreden was, maar de scheidende ziel spande zich nog eenmaal in, en de omstanders hoorden deze woorden: Vader, in uwe handen beveel ik mijnen geest.

Eene rilling voer den stervende door de leden, een luide smartkreet ontsnapte de beknelde borst ... toen was het werk, het aardsche leven, afgeloopen.

Ben-Hur keerde tot zijne vrienden terug en zeide eenvoudig: Het is gedaan, hij is dood.

In een ongelooflijk korten tijd wisten alle aanwezigen het. Het volk had zijn zin, de Nazarener was dood; toch zagen zij elkander ontzet aan. Zijn bloed was over hen gekomen! En terwijl zij elkander aanstaarden begon de grond te beven. Een ieder greep zijn buurman aan om staande te blijven. In een oogwenk was de duisternis verdwenen en kwam de zon weder te voorschijn. Voor de oogen der beangsten was het, alsof het middelste kruis op den heuveltop zich al hooger en hooger in de blauwe lucht verhief en met zijn last tot aan den hemel reikte. En ieder die den Nazarener bespot had, ieder, die hem geslagen had, die ingestemd had met den kreet: kruis hem! kruis hem!--ieder, die in den stoet had meegeloopen, ieder, die hem in zijn hart dood gewenscht had, kreeg een gevoel, alsof hijzelf meer dan iemand anders schuld had aan het gebeurde, en hij zich, als zijn leven hem lief was, zoo spoedig mogelijk uit de voeten moest maken. Zij haastten zich om weg te komen. Zij sloegen op de vlucht, te paard, te voet, in wagens. Maar de aardbeving vervolgde hen, alsof zij vertoornd was over hetgeen zij gedaan hadden, en opkwam voor de zaak van den onschuldig ter dood gebrachte. Zij wierp hen terneer, en deed het bloed in hunne aderen stollen door het onheilspellend gekraak en gerommel onder hunne voeten. Zij sloegen op hunne borst en schreeuwden van vrees. Zijn bloed was op hen gekomen! De geboren Jeruzalemmer, de vreemdeling, priester, leek, Sadduceër en Farizeër, allen tuimelden over en door elkander. Riepen zij tot God, zoo antwoordde de verwoede aarde in toorn en behandelde hen allen gelijkelijk,--het bloed van den Nazarener was over hen allen gekomen!

Toen de rust wedergekeerd was op den kruisheuvel, zag men daar alleen nog den discipel, dien Jezus liefhad, de vrouwen die Hem gevolgd waren van uit Galilea, den hoofdman en zijne soldaten, en Ben-Hur met zijne vrienden. Deze laatsten hadden geen tijd om de vluchtelingen na te zien: zij hadden zelf genoeg te doen.