Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde

Chapter 32

Chapter 323,884 wordsPublic domain

Ben-Hur wierp een blik over de borstwering, keerde zich toen om en wandelde toen werktuiglijk naar het zomerhuisje. Laat hen het ergste doen wat zij kunnen, zeide hij langzaam voortgaande. Ik kan den Romein geen vergiffenis schenken. Ik wil mijn fortuin niet met hem deelen, maar evenmin wil ik de stad mijner vaderen ontvluchten. Liever roep ik de Galileërs te hulp en laat ik het zwaard voor mij beslissen. Door dappere daden zal ik de stammen voor mij winnen. Hij, die Mozes verwekte, zal ook ons een aanvoerder toezenden, als ik niet slaag. Blijkt het, dat de Nazarener niet de aangewezen persoon is, dan een ander uit de velen, die hun leven willen laten voor de vrijheid.

Het zomerhuisje was van binnen slechts flauw verlicht, toen Ben-Hur binnentrad. Hij zag den armstoel van Simonides in den hoek geschoven, vanwaar men het beste uitzicht had over de markt.

--De goede man is teruggekeerd, dacht hij. Als hij niet slaapt, zal ik hem even toespreken.

Hij naderde den stoel met zachten tred. Over de hooge rugleuning glurende zag hij, dat Esther in den stoel zat te slapen, half verborgen onder de deken. Hare ademhaling was zacht en regelmatig. Op eens slaakte zij een diepen zucht. Was het de zucht, of de eenzaamheid, waarin hij haar aantrof,--genoeg, hij kreeg den indruk dat deze slaap meer een gevolg was van uitputting na droefheid, dan van vermoeidheid. Met de handen op de rugleuning rustend, dacht hij een oogenblik na.

--Ik zal haar niet wekken. Ik heb haar niets te zeggen, niets, of het moest zijn, dat ik haar liefheb. Zij is eene dochter uit den stam van Juda, schoon en lieftallig, geheel verschillend van de Egyptische. Bij die is alles ijdelheid, bij haar alles waarheid, daar eerzucht, hier plicht, daar zelfzucht, hier zelfverloochening.... Neen, de vraag is niet of ik haar liefheb, maar of zij mij liefheeft! Zij was mij van den beginne genegen. Ik ben dien avond op het terras te Antiochië nog niet vergeten, toen zij mij zoo kinderlijk smeekte Rome niet tot mijn vijandin te maken. Ik heb haar lief. Niemand weet, dat ik moeder en Tirza teruggevonden heb. Hoe zal zij zich met mij verheugen, haar van harte verwelkomen. Voor moeder zal zij eene tweede dochter wezen, in Tirza vindt zij eene zuster. Ik zou haar kunnen wekken en dit alles vertellen, maar eerst moet de Egyptische toovenares weg, en alles vergeten zijn. Ik zal heengaan en een ander, een beter oogenblik afwachten. Ik zal wachten. Slaap zacht, schoone Esther! trouw kind, dochter van Juda!

Hij ging heen, even stil als hij gekomen was.

* * * * *

ACHTSTE HOOFDSTUK.

HET VERRAAD.

De straten waren vol gaanden en komenden. Hier en daar stonden groepjes geschaard rondom de vuren, waar vleesch gebraden, gezongen en feestgevierd werd. De geur van het gebraad, vermengd met den reuk van brandend cederhout, vervulde de lucht; en daar bij deze gelegenheid alle Israëlieten elkander als broeders begroetten en de gastvrijheid geen grenzen kende, werd Ben-Hur bij elken stap begroet, terwijl de groepjes rondom het vuur hem toeriepen: Kom, en eet met ons. Wij zijn broeders in de liefde Gods!--Maar hij dankte hen allen vriendelijk en haastte zich voort, daar hij van plan was zijn paard op te halen aan de herberg, en naar de tenten bij de beek Kedron terug te keeren.

Om daar te komen, moest hij de straat oversteken, die weldra door het droevigst tooneel, dat de christenheid kent, vermaard zou worden. Ook daar waren de feestelijkheden in vollen gang. De straat afziende, zag hij een optocht met fakkellicht naderen! Waar zij langs kwamen verstomde het gezang. Zijne verbazing klom, toen hij te midden van rook en vonken speren zag flikkeren, waaruit hij begreep, dat het Romeinsche soldaten waren. Wat deden zij, die vervloekte Romeinen, bij een Joodsche processie? Dat was iets ongehoords, en hij bleef staan om te zien wat dat beteekenen moest.

De maan scheen helder; maar alsof maan en sterren en straatvuren en het licht uit vensters en open deuren niet voldoende waren om alles buiten te verlichten, droegen sommige deelnemers aan den optocht bovendien brandende lantaarns, en daar Ben-Hur begreep, dat er iets bijzonders te doen moest zijn, koos hij een geschikte plaats uit, om elk der voorbijtrekkenden aandachtig op te nemen. De toortsen en lantaarnen werden door bedienden gedragen, die met knuppels of puntige stokken gewapend waren. Hun plicht was allereerst de hoogmogenden onder hen: oudsten, priesters, rabbi's met lange baarden, zware wenkbrauwen en haviksneuzen, bij te lichten op den ongelijken, steenachtigen weg. Wat kon toch het doel van hun tocht zijn? Niet naar den tempel, want daarheen voerde een andere weg. En hun plannen ... als die van vreedzamen aard waren, waartoe dan de soldaten?

Toen de stoet hem voorbijging, werd zijne aandacht voornamelijk getrokken door drie personen, die in de eerste rijen gingen. In den man links herkende hij een hoofdman der tempelwacht, die meest rechts liep was een priester, den middelsten daarentegen herkende hij niet dadelijk, want hij leunde onder het voortgaan zwaar op de beide anderen, en liet het hoofd hangen, als om het gelaat te verbergen. Zijn voorkomen deed aan een boosdoener denken, die den schrik van zijne gevangenneming nog niet te boven was gekomen. Ontegenzeglijk was hij, zoo niet de oorzaak van het optrekken der soldaten, dan toch òf hun gids, òf een onmisbaar getuige. Kon Ben-Hur achter zijn naam komen, dan zou hij het overige misschien wel kunnen raden. Zonder iets te zeggen, trad hij den priester op zijde, en stapte naast hem voort. Als de man nu maar zijn hoofd wilde opheffen! En zie! daar deed hij het, zoodat het licht der lantaarnen op zijn bleek, door vrees vertrokken gelaat viel. Daar Ben-Hur den Nazarener zoo dikwijls op zijne tochten gevolgd was, kende hij de discipelen, zoowel als den meester; en toen hij nu dat verschrikte gelaat zag, riep hij luid: Iskariot!

Langzaam keerde de ongelukkige het hoofd om, keek Ben-Hur aan en bewoog zijne lippen, alsof hij iets wilde zeggen, maar de priester kwam tusschenbeide.

--Wat woudt gij? Ga weg! zeide hij tot Ben-Hur, en duwde hem op zij. De jonkman liet het zich welgevallen, wachtte een betere gelegenheid af, en sloot zich weder bij den stoet aan. Zij gingen tusschen den heuvel Bezetha en den burcht Antonia door, langs het badwater Bethesda naar de Schaapspoort. Overal waren menschen en overal werd feestgevierd. Ter eere van het feest stonden de deuren der poort wijd open. Voorwaarts ging het, altijd voorwaarts, nu het dal in, dat naar de beek Kedron leidde. Aan de andere zijde zag men den Olijfberg met zijn donker geboomte. Dof weerklonken de voetstappen der mannen in de nachtelijke stilte. Nog een klein eindje, en toen sloegen zij links om naar een olijvenhof, die aan den voorkant door een steenen muurtje afgesloten was. Ben-Hur wist dat in dien hof niets was, dan eenige knoestige boomen, wat gras, en een in de rots uitgehouwen trog, die gebruikt werd voor het treden van de olijven. Terwijl hij zich verbaasd afvraagde wat zij in dit uur op eene zoo eenzame plaats te doen konden hebben, stond de troep plotseling stil. In de voorhoede hoorde men luid spreken. Er ontstond een onverklaarbare verwarring; alleen de soldaten hielden stand. In een oogwenk had Ben-Hur zich uit het gedrang weten te redden, om vooruit te snellen. Weldra bevond hij zich voor een poortje zonder deur, dat toegang verleende tot den hof. Hij bleef staan om het tooneel te overzien.

In de poort stond een man met witte kleederen bekleed, blootshoofds, de handen op de borst gevouwen, een gedaante hem maar al te goed bekend ... de Nazarener! Zijne discipelen stonden achter hem geschaard; zij zagen er ontsteld uit, de meester zelf stond daar als een toonbeeld van verheven rust.

Tegenover deze vreedzame gestalte hield de bende stil, onthutst, gereed om op een machtwoord uit zijnen mond uiteen te stuiven en weg te loopen. Ben-Hur wierp een vluchtigen blik op hem, op de menigte, op Judas Iskariot, en nu begreep hij het doel van den tocht. Hier stond de verrader, daar de verradene. De lieden met knuppels en stokken gewapend en de soldaten waren gekomen om hem gevangen te nemen.

Niemand kan met zekerheid zeggen wat hij doen zal, voordat het oogenblik van handelen daar is. Ben-Hur stond voor iets, waarop hij zich jarenlang had voorbereid. De man, voor wiens veiligheid hij moest waken, op wiens leven hij al zijne hoop gebouwd had, verkeerde in lijfsgevaar,--en toch deed hij niets. De menschelijke natuur is vol van zulke tegenstrijdigheden. De groote kalmte echter, waarmede de geheimnisvolle Nazarener de menigte te gemoet trad, hield hem tegen, want hij verwachtte dat de meester gebruik zou maken van zijne wondermacht, om zich uit dit dreigend gevaar te redden. Vrede, liefde en vergevensgezindheid waren de grondtonen geweest van zijn leer; zou hij zijne prediking in praktijk brengen? Hij was Heer over leven en dood. Welk gebruik zou hij nu van die macht maken? Zichzelven verdedigen? En hoe dan? Eén woord, één wenk, ééne gedachte was voldoende. Dat een wonder, iets bovennatuurlijks gebeuren zou, geloofde Ben-Hur vast, en in dat geloof wachtte hij. Maar hij mat den Nazarener naar zichzelven af, naar den menschelijken maatstaf.

Daar weerklonk des Meesters heldere stem.

--Wien zoekt gij?

--Jezus den Nazarener, antwoordde de priester.

--Ik ben het.

Op het hooren van deze zeer eenvoudige woorden weken de aanvallers eenige schreden achteruit, de vreesachtigen vielen ter aarde.

Zij zouden hem waarschijnlijk alleen gelaten hebben en weggegaan zijn, indien niet Judas naar voren gekomen was en gezegd had: Wees gegroet, Meester.

Dit zeggende kuste Judas hem.

--Judas, zeide de Nazarener zacht, verraadt gij den Zoon des Menschen met een kus? Waarom zijt gij hier gekomen?

Daar hij geen antwoord kreeg, wendde de Meester zich weder tot de schare.

--Wien zoekt gij?

--Jezus van Nazareth.

--Ik heb u gezegd, dat ik het ben. Indien gij dan mij zoekt laat dezen henengaan.

De rabbi's traden op hem toe, en hun voornemen radende kwamen sommigen zijner discipelen, voor wie hij in de bres gesprongen was, naderbij. Een van hen hief zijn zwaard op en sloeg een man zijn oor af, maar zonder te kunnen verhinderen dat de Meester gevangen werd genomen.

En nog steeds stond Ben-Hur stil!

Terwijl men de touwen bracht om hem te binden, verrichtte de Nazarener eene liefdedaad, die meer nog dan eenige andere zijne oneindige liefde en zachtmoedigheid deed zien.

--Laat ze tot hiertoe geworden, zeide hij, raakte het oor van den gewonden dienstknecht aan, en heelde het.

Vrienden en vijanden beiden stonden verbaasd, laatstgenoemden daarover, dat hij zoo iets kon doen, de eersten, dat hij het wilde doen.

Neen, neen! Hij zal niet toelaten, dat zij hem binden! dacht Ben-Hur.

--Steek uw zwaard in de scheede. De beker, dien mij de Vader gegeven heeft, zou ik dien niet drinken?

Van den voorbarigen discipel keerde de Nazarener zich tot zijne vijanden: Zijt gij gekomen als tot een dief, met zwaarden en stokken om mij gevangen te nemen? Dagelijks was ik bij u in den Tempel en gij hebt mij niet gegrepen, maar dit is uwe ure en de macht der duisternis.

De bende vatte moed en omringde hem. Toen Ben-Hur rondzag naar de discipelen waren zij weg, niet één was gebleven.

De Nazarener werd gebonden,--hij die zijne vijanden met een ademtocht zou hebben kunnen vernietigen. Waarom wilde hij zichzelven niet redden? Wat was die drinkbeker, dien zijn vader hem gegeven had te drinken? En wie was die vader? Altemaal geheimen, die alleen de Nazarener onthullen kon.

Nu maakte de bende zich gereed om naar de stad terug te keeren, de soldaten voorop. Ben-Hur werd beangst. Hij was niet met zichzelf tevreden. Hij wist waar de Nazarener te vinden was,--daar, waar de meeste flambouwen waren. Op eens nam hij een besluit. Hij moest hem nog eenmaal zien, hem ééne vraag voorleggen. Haastig ontdeed hij zich van zijn overkleed en hoofddoek, wierp ze op het muurtje, en vloog de bende achterna.

Het gelukte hem na eenig dringen den man te bereiken, die de einden van het touw vasthield, waarmede de gevangene behouden was.

De Nazarener liep langzaam, met gebogen hoofd, de handen op den rug gebonden, en alsof hij niets merkte van hetgeen rondom hem voorviel. Voor hem uit gingen priesters en oudsten, in drukke gesprekken verdiept, en telkens naar hunne prooi omziende. Toen zij de brug genaderd waren, nam Ben-Hur den bewaker het touw uit de hand, en trad den gevangene op zijde.

--Meester, sprak hij zacht en snel, hoort gij mij, Meester? Eén woord slechts. Zeg mij.... De man, wien hij het touw ontnomen had, wilde het terug hebben.

--Meester, zeg mij, ging Ben-Hur voort, gaat gij vrijwillig mede?

De menigte sloot zich meer aaneen en vraagde hem dreigend: Mensch, wie zijt gij?

--Ach, Meester, zeide Ben-Hur haastig, zijn stem scherp door angst, ik ben uw vriend. Zeg mij, ik smeek het u, wilt gij, dat ik u te hulp kom?

De Nazarener zag niet op, en gaf niet het minste teeken van herkenning.

Maar nu drongen de wachters op hem in. Van alle kanten werd geroepen: Hij is een van hen. Grijpt hem! Slaat hem dood! Met een wanhopige krachtsinspanning rukte Ben-Hur zich los, keerde zich, links en rechts slaande, om, en brak door den kring heen, die hem dreigde in te sluiten. Zijn kleed moest hij in handen laten van een wachter, die hem reeds gegrepen had, zoodat hij naakt van hen moest vlieden. Gelukkig kon hij zich in de donkere kloof voor iedere oog verbergen.

Toen alles stil geworden was, keerde hij naar den olijvenhof terug, om zijn overkleed te halen, begaf zich van daar naar de herberg, besteeg zijn paard en reed spoorslags naar de tenten zijner moeder bij de graven der Koningen. Onder het voortrijden nam hij het besluit den volgenden dag den Nazarener te bezoeken, weinig vermoedende, dat deze nog dienzelfden avond naar het huis van Annas gebracht was, om terstond verhoord te worden.

Met een bezwaard hart ging de jonkman ter ruste. Moedeloos wierp hij zich op zijn leger om en om, aan slapen viel voor hem niet te denken, want het leed geen twijfel: het Joodsche koninkrijk, waar hij van gedroomd had, loste zich op in wat het was--een droom.

* * * * *

NEGENDE HOOFDSTUK.

NAAR DEN KRUISHEUVEL.

Den volgenden morgen tegen de tweede ure reden twee mannen in galop naar Ben-Hurs tent, stapten af, en vraagden hem te zien.

Hij was nog niet opgestaan, doch beval dat men hen binnen zou laten.

--Vrede zij u, broeders, zeide hij, want het waren twee vertrouwde hoofdlieden van het Galileesche legioen. Neemt plaats!

--Neen, antwoordde de oudste kortaf. Zitten en rusten wil zooveel zeggen als den Nazarener te laten sterven. Sta op, zoon van Juda, en ga met ons. Het oordeel is uitgesproken, de kruispaal wordt opgericht.

Ben-Hur staarde den spreker ontsteld aan. Het kruis! was alles wat hij zeggen kon.

--Zij hebben hem van nacht gevangengenomen en gevonnist, vervolgde de man. Met het aanbreken van den dag brachten zij hem voor Pilatus. Tweemaal verklaarde de Romein hem voor niet schuldig; tweemaal weigerde hij hem over te leveren. Eindelijk waschte hij zijne handen, en zeide: Ik ben onschuldig aan het bloed van dezen rechtvaardige! en zij antwoordden....

--Wie antwoordde?

--De priesters en het volk! Zij antwoordden: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen.

--Heilige vader Abraham! riep Ben-Hur. Moet een Romein welwillender zijn voor een Israëliet, dan zijn stamgenooten! En als--o, als hij werkelijk de Zoon Gods is, wie zal dan ooit die bloedschuld afwasschen? Het mag niet gebeuren,--ten strijde, broeders, ten strijde!

Hij klapte in de handen.

--De paarden voor, vlug! beval hij den binnentredenden Arabier. Laat Amrah mij schoone kleederen geven en breng gij mijn zwaard!... De tijd is gekomen om voor Israël te sterven, vrienden! Wacht mij buiten, ik kom aanstonds.

Hij at een stuk brood, dronk een beker wijn, en reed weldra weg.

--Waarheen? vraagde de hoofdman.

--De legioenen bijeenroepen.

--Helaas! riep de man, zijne handen omhoogheffend.

--Waarom helaas?

--Ach, heer, zeide de man beschaamd, mijn vriend en ik zijn u alleen getrouw gebleven. Al de anderen loopen de priesters na.

--Wat willen zij dan? vraagde Ben-Hur en hield zijn paard in.

--Hem dooden.

--Toch niet den Nazarener?

--Gij hebt het gezegd.

Ben-Hur zag nu den een, dan den ander aan. In den geest hoorde hij weder de woorden van den vorige avond: den drinkbeker, dien mij de Vader gegeven heeft, zal ik dien niet drinken?

Hij hoorde weer zijn eigen vraag: wilt gij dat ik u te hulp kom?--Neen, zeide hij tot zichzelf: Zijn dood kan niet afgewend worden. Hij heeft er van den beginne alles van geweten. Die dood wordt hem opgelegd door een wil, hooger dan de zijne: van wien anders dan van God? Als hij er in toestemt, als hij vrijwillig gaat, wat zal dan een gewoon mensch doen?

Ben-Hur zag de plannen in duigen vallen, die hij gebouwd had op de getrouwheid der Galileërs. Hun afval maakte inderdaad aan alles een einde. Maar hoe zonderling dat het juist hedenmorgen moest gebeuren! Een bange vrees bekroop hem. Kon het zijn dat zijn plannenmaken, zijn werk, de wijze, waarop hij zijn geld besteed had, slechts verzet geweest was tegen Gods raadsbesluiten?

--Laat ons naar Golgotha gaan, zeide hij op doffen toon.

Zij reden te midden van een opgewonden menigte, die in dezelfde richting ging, als zijzelve. De geheele streek ten noorden der stad scheen op de been te zijn.

Hoorende dat de wacht met den veroordeelde ongeveer bij de groote witte torens van Herodes moest zijn, reden de drie vrienden daarheen. In de vallei bij den vijver van Hiskia werd het onmogelijk tegen den stroom van menschen in te gaan, zoodat zij verplicht waren af te stijgen en achter een huis een gunstiger oogenblik af te wachten. Een half uur, een uur vloog voorbij, nog steeds ging de stroom onverminderd langs onze vrienden. Aan het einde van dien tijd had hij kunnen zeggen: Ik heb alle standen van Jeruzalem vertegenwoordigd gezien, al de sekten van Judea, al de stammen Israëls, en al de nationaliteiten der aarde. De Libysche Jood, de Jood uit Egypte, de Jood van den Rijn; in één woord: de Joden van alle oostersche en westersche landen en van alle bekende eilanden trokken langs hem heen, te voet, te paard, of op kameelen gezeten, in draagstoelen, in wagens, gekleed in alle mogelijke kleederdrachten, maar met de zonderlinge overeenkomst in gelaatstrekken, die nog heden ten dage de kinderen Israëls kenmerkt, al hebben zij ook veel geleden door verandering van levenswijze. Die allen drongen voorwaarts om een armen Nazarener te zien sterven, een misdadiger tusschen misdadigers.

Behalve die duizenden Joden, waren er nog duizenden anderen, die de Joden haatten en verachtten: Grieken, Romeinen, Arabieren, Syriërs, Afrikanen, Egyptenaren, zoodat de geheele wereld bij de kruisiging tegenwoordig scheen te zullen zijn.

In weerwil van de ontzettende menschenmassa heerschte een akelige stilte, die alleen nu en dan verbroken werd door een hoefslag op den steenachtigen bodem, het geratel van wielen, of een uitroep van verbazing. Daaruit begreep Ben-Hur, dat het vreemdelingen waren, in de stad gekomen om het Paaschfeest te vieren, die dus geen aandeel hadden in de veroordeeling des Nazareners.

Eindelijk hoorde hij in de richting der groote torens een verward gedruisch van stemmen.

--Hoor, daar komen zij! zeide een der twee Galileesche hoofdlieden.

De voorbijgaanden bleven staan om te luisteren; toen het rumoer echter naderkwam, zagen zij elkander aan en gingen huiverend verder. Het woest getier nam toe ... daar zag Ben-Hur de bedienden van Simonides naderen. Esther ging naast haar vaders draagstoel, een gesloten draagstoel volgde hen.

--Vrede zij u, Simonides; en u, Esther, zeide Ben-Hur hun te gemoet tredende. Als gij op weg zijt naar Golgotha, blijft dan hier, totdat de stoet voorbij is, dan vergezel ik u. Hier achter het huis is plaats genoeg.

De koopman hief het hoofd op en zeide: Vraag het Balthasar. Wat hij wil is mij goed. Hij zit in den draagstoel.

Ben-Hur schoof het gordijn open. De Egyptenaar lag achterover; zijn vermagerd gelaat was zeer vervallen, hij geleek een doode. Ben-Hur herhaalde zijn voorstel.

--Kunnen wij hem zien? vraagde Balthasar.

--Den Nazarener? Ja, hij moet hier langs komen.

--O God, riep de oude man bewogen, nog eenmaal moet ik hem zien! Welk een vreeselijke dag is dit voor de wereld.

Een oogenblik later stond het geheele gezelschap in de schaduw van het huis. Zij spraken weinig, waarschijnlijk waren zij bevreesd elkander hunne gedachten mede te deelen. Eindelijk kwam de stoet in 't gezicht.

--Zie, zeide Ben-Hur op bitteren toon, die nu komen zijn Jeruzalemmers.

De voorhoede bestond uit een hoop kwajongens, die luid schreeuwden: De koning der Joden! Plaats voor den koning der Joden!

Simonides sloeg den joelenden troep een oogenblik gade en zeide ernstig: Als dezen tot hunne erfenis ingaan, dan, wee de schoone stad van Salomo!

Een afdeeling soldaten in volle wapenrusting volgde, in koele onverschilligheid rechts noch links ziende.

Toen kwam de Nazarener.

Hij scheen den dood nabij te zijn. Telkens dreigde hij neer te zinken. Zijne bloote voeten lieten bloederige sporen achter op de straatsteenen. Een houten plankje met opschrift was hem om den hals gebonden. Een kroon, van doornen gevlochten, was hem diep op het hoofd gedrukt, en uit de daardoor veroorzaakte wonden druppelde bloed. Zijn handen waren saamgebonden. Even buiten de stad was hij uitgeput neergevallen, bezweken onder den last van het zware kruishout, dat een ter dood veroordeelde verplicht was zelf te dragen naar de plaats der terechtstelling.

Thans droeg een man uit het volk het voor hem. Vier soldaten gingen naast den gevangene, om hem te beveiligen tegen de menigte, die niettegenstaande dat toch bij tijd en wijle wist door te breken, om hem met stokken te slaan en te bespuwen. Geen geluid ontsnapte aan zijnen mond, geen berisping of klacht liet hij hooren; ook zag hij niet op, totdat hij bij het huis kwam, waar Ben-Hur en zijne vrienden stonden te wachten.

Esther drukte zich tegen haren vader aan, en hij, de man zoo gewoon zich te beheerschen, beefde sterk van ontroering. Balthasar viel sprakeloos achterover. Zelfs Ben-Hur riep in zielsangst uit: O Heere God!

Alsof de Nazarener hunne gevoelens raadde, of den uitroep hoorde, keerde hij zijn lijdend gelaat naar het gezelschap, en zag hen aan, ieder afzonderlijk. Die blik bleef hun levenslang bij. Zij gevoelden, dat hij aan hen dacht, niet aan zichzelf, dat de brekende oogen hun den zegen toebaden, dien hij niet vermocht uit te spreken.

--Waar zijn uwe legioenen, zoon van Hur? vraagde Simonides plotseling opwakend.

--Daar kan Annas u beter op antwoorden dan ik.

--Wat! Zijn zij u afgevallen?

--Op deze twee na.

--Dan is alles verloren! Dan moet deze rechtvaardigen mensch sterven.

Het gelaat van Simonides werd zenuwachtig vertrokken, terwijl hij sprak. Hij liet het hoofd zinken. Met al zijne kracht had hij Ben-Hur gesteund in zijne onderneming, dezelfde hoop had hem daarbij gedragen--nu werd haar voorgoed de bodem ingedrukt.

Op den Nazarener volgden twee mannen, die insgelijks een kruis droegen.

--Wie zijn dat? vraagde Ben-Hur aan de Galileërs.

--Twee moordenaars, die veroordeeld zijn om met den Nazarener te sterven.

Vooraan in de volgende afdeeling ging de tempelwacht, dan volgden naar rang de leden van het Sanhedrin, voorts een groote menigte priesters in lange witte gewaden, met breede kleurrijke gordels.

--Zie eens hoeveel priesters! zeide Ben-Hur.