Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde
Chapter 30
--Gij kunt begrijpen, dat al die dingen een diepen indruk op mij gemaakt hebben, zeide Ben-Hur, doch mijne twijfelingen en verbazing zouden nog grooter worden. Mijne Galileërs begonnen langzamerhand ongeduldig te worden, het zwaard brandde hun in de handen, en zij verlangden niets liever dan handelend te mogen optreden. Ik zelf werd ook ongeduldig, want alles was gereed. Daarom wilden wij hem openlijk, desnoods met geweld, tot koning kronen, maar hij verdween uit ons midden. Toen wij hem weer zagen was het in een scheepje op het meer. Wat anderen bekoort: rijkdom, macht, koninklijke eer, dat alles laat hem onbewogen. Wat dunkt u daarvan, Simonides?
Simonides antwoordde niet dadelijk. Eindelijk zeide hij:
--De Heer leeft, evenzoo het woord zijner profeten. Laat ons geduld oefenen.
--Zoo zij het, beaamde Balthasar.
--Ik heb nog meer te vertellen, vervolgde Ben-Hur, nog grootere dingen. Wij waren op weg naar Naïn. Vlak bij de poort kwamen wij een begrafenisstoet tegen. De Nazarener bleef staan om de treurenden te laten voorbijgaan. Eene vrouw volgde bitter schreiende. Ik zag dat hij door medelijden bewogen werd. Hij trad op haar toe, en sprak haar aan. De dragers stonden stil, hij raakte de baar aan en zeide tot den doode: Jongeling, ik zeg u sta op!--En terstond zat de doode overeind en sprak.
--God alleen heeft zoo groote macht! riep Balthasar.
--Alles wat ik u vertel, heb ik zelf gezien, zeide Ben-Hur, en ik kan u nog meer verhalen. In Bethanië was een van zijne vrienden gestorven, Lazarus geheeten. Reeds had hij vier dagen in het graf gelegen toen de Nazarener er bij kwam. Hij liet den steen wegnemen, en wij allen zagen het lijk liggen, dat reeds overging tot ontbinding. Met luide stem hoorde ik hem roepen: Lazarus, kom uit!--Ik kan u niet zeggen wat ik gevoelde, toen de doode, aan die stem gehoorzamend, zich oprichtte en tot ons kwam, in grafdoeken gewikkeld. Ontbindt hem, zeide de Nazarener, en laat hem gaan. En toen de hoofddoek van hem was weggenomen, had zijn gelaat weer de gewone kleur, en was hij volkomen dezelfde als voor zijne ziekte. Hij leeft nog en ontvangt vele bezoeken. Als gij wilt kunt gij er morgen naar toe gaan, en uzelven overtuigen. Maar nu vraag ik u: Wat moet ik denken van dezen man? Is hij niet meer dan een gewoon mensch?
De toon waarop hij dit vraagde was zeer ernstig, en nog lang na middernacht zat het gezelschap bijeen, om de zaak van alle kanten te bezien, want Simonides kon zijne opvatting van de voorspellingen der profeten niet laten varen, terwijl Ben-Hur beweerde dat Balthasar en Simonides beiden gelijk hadden: de Nazarener was ongetwijfeld de Verlosser, zooals de eerste meende, maar ook de toekomstige koning, waarvoor de laatste hem hield.
--Wij zullen het morgen gewaar worden. Vrede zij met u allen. Met deze woorden nam Ben-Hur afscheid.
* * * * *
DERDE HOOFDSTUK.
EEN BLIJDE TIJDING.
Zoodra den volgenden morgen de Schaapspoort geopend werd, ging Amrah met haar mand aan den arm de stad uit. De wachters deden haar geen vragen, daar zij even regelmatig verscheen als de opgaande zon. Men wist dat zij de trouwe dienstmaagd was van den een of ander, en daarmede stelde men zich tevreden.
Zij sloeg den weg in naar de vallei ten oosten der stad gelegen. De donkergroene helling van den Olijfberg was bezaaid met witte tenten, de tijdelijke woningen van de feestgangers. 't Was echter nog te vroeg voor de vreemdelingen om buiten te zijn: alles sliep nog gerust. Eerst kwam zij aan Gethsemané, toen langs de graven bij den kruisweg naar Bethanië, vervolgens aan het dorp Siloam. Zij scheen ongewone haast te hebben, maar haar ijver was grooter dan hare krachten, die haar bijwijlen schenen te begeven.
Hoe vroeg het nog was, toch zat haar ongelukkige meesteres reeds buiten voor de grot. Tirza sliep nog. Vreeselijk was de vordering, die de ziekte in die drie jaren gemaakt had. Wetende hoe zij er uitzag, bleef zij altijd zorgvuldig gesluierd. Zelfs Tirza mocht haar bijna nooit aanschouwen. Thans echter, in de eerste morgenschemering, had zij het hoofd ontbloot, om de frissche lucht in te ademen, want zij wist, dat geen sterveling haar zien kon. Sneeuwwit was het lange haar. Oogleden, neus, lippen, wangen waren weggeteerd, de hals was akelig ontstoken. Eene van hare handen rustte op haren schoot. De nagels waren afgevallen, de vingers gedeeltelijk ontvleesd, gedeeltelijk dik opgezwollen. Zoo was zij over het geheele lichaam. Geen wonder, dat de vroeger zoo statige vrouw zich gemakkelijk aan alle nasporingen van haren zoon had kunnen onttrekken. Zij was gewoon, dat Amrah bij de bron verscheen vóór alle anderen, om dan op een steen halfweg bron en heuvel, het voedsel en de waterkruik neer te zetten.
Dit korte bezoek was nog de eenige lichtstraal op haar pad. Dan vraagde zij naar haren zoon, en Amrah vertelde haar wat zij wist van zijn werk en bezigheden, en van de vluchtige bezoeken, die hij aan zijn vaders huis bracht. Op zulke dagen zat de arme moeder den ganschen dag onbewegelijk voor hare spelonk, met de oogen gericht op het dak van den Tempel, waarachter haar huis lag, het geliefde huis, waarin haar zoon nu vertoefde. Niets bond haar meer aan het leven. Tirza was reeds zoo goed als dood, en zijzelve smachtte naar het einde. De natuur rondom haar was niet geschikt om haar op te beuren; insecten en vogels vermeden de streek, alsof zij ook bang waren voor besmetting. Van plantengroei was niet veel te bemerken; de weinige struiken, ja zelfs de dunne grassprietjes, verdorden onder den adem der winden, die langs de berghelling streken. Waarheen zij den blik ook wendde zag zij grafsteden en nogmaals grafsteden, die te meer de aandacht trokken, omdat zij alle opnieuw gewit waren, ten einde de van buiten gekomen feestgangers te waarschuwen.
Terwijl zij zoo in de morgenschemering zat te peinzen, zag zij plotseling een vrouw den heuvel beklimmen. Weldra herkende zij Amrah. In plaats van hare mand zooals gewoonlijk neer te zetten, kwam zij regelrecht op de spelonk af. De weduwe verrees van hare zitplaats en deed de gewone waarschuwing hooren, maar Amrah stoorde er zich niet aan, en eer zij er op bedacht was lag Amrah aan de voeten van hare meesteres en kuste onder hartstochtelijke snikken den zoom van haar kleed. Tevergeefs beproefde de melaatsche zich van haar los te maken, en toen zij zag, dat het onmogelijk was, riep zij op smartelijken toon: Hoe kunt ge zoo doen? Is dit de manier, waarop gij ons uwe liefde bewijst? Nu zijt gij ook verloren, en moogt nooit meer naar huis teruggaan. Wie zal ons nu voortaan eten brengen? O Amrah! Nu zijn wij allen te zamen verloren!
--Wees toch niet boos op mij, snikte de trouwe ziel, het hoofd nog dieper buigende.
--Ach, Amrah, vervolgde de weduwe, was de vloek die op ons rust, niet reeds zwaar genoeg om te dragen, dat gij ons het eenige, dat wij nog hadden, moet ontnemen? vraagde zij.
Op dit oogenblik verscheen Tirza, door het luide spreken gewekt, in de opening der spelonk.
--Wat is er moeder? Is dat Amrah? vraagde zij. De arme was nagenoeg blind.
Nu stond Amrah op en zeide met onvaste stem: O lieve meesteres! Ik heb niets misdaan. Ik breng u goede tijding!
--Van Juda?
--Ja. Hij kent een man, die de macht heeft u te genezen. Hij spreekt slechts één woord, en de zieken worden gezond, zelfs de dooden worden levend. Ik kom u halen om u bij hem te brengen.
--Arme Amrah! zeide Tirza meewarig.
--Neen, neen, riep Amrah, die zeer goed begreep wat die uitroep bedoelde, zoo waar de God van Israël leeft, ik spreek de waarheid. Kom maar mee; wij hebben geen tijd te verliezen. Hij komt hier langs op zijn weg naar de stad. Eet gauw wat en laat ons gaan.
De moeder luisterde aandachtig. Misschien had zij reeds iets aangaande hem gehoord, want zijne wonderdaden waren door het geheele land bekend geworden. Wie is hij? vraagde zij. En hoe weet gij het?
--Juda vertelde het gisterenavond.
--Is Juda dan thuis?
--Ja.
--Heeft hij gezegd, dat gij het ons moest komen vertellen?
--Neen; hij denkt dat gij dood zijt.
--In vroeger jaren heeft een profeet eens een melaatsche genezen, zeide de moeder tot Tirza, maar die was door God gezonden. Zeg mij, Amrah, hoe weet Juda dat deze man die macht bezit?
--Hij volgde hem op zijne reizen en hoorde de melaatschen tot hem roepen, en zag ze hersteld weggaan. Den eersten keer was het één melaatsche, later tien te gelijk, en zij werden allen hersteld.
De moeder aarzelde niet langer. Zij vroeg niet naar het hoe en wat, zij geloofde de feiten en zeide tot Tirza: Kind, dat moet de Messias zijn. Ik herinner mij, dat Jeruzalem jaren geleden in opschudding kwam, omdat er gezegd werd, dat hij geboren was. Hoe lang het geleden is weet ik niet meer, maar hij zou nu reeds volwassen moeten zijn. Ja, het kan niet anders ... hij is het. Laat ons wat eten, en dan zoo spoedig mogelijk met Amrah meegaan.
Het ontbijt was weldra afgeloopen, en het drietal begaf zich op weg. Nu stuitten zij echter op een moeilijkheid. Amrah had gezegd, dat de Nazarener van Bethanië moest komen, maar vandaar leidden drie wegen naar Jeruzalem. Een over den Olijfberg, een tweede langs zijn voet, en de derde langs den Berg der Ergernis. Deze drie waren nu wel niet ver van elkander verwijderd, maar toch ver genoeg om den Nazarener mis te loopen, indien zij niet denzelfden weg kozen, welken hij nam.
Na een korte beraadslaging besloten zij eerst naar Bethfagé te gaan, om zich verder door de omstandigheden te laten leiden.
Zij daalden dus den berg af in de richting van den Koningstuin en bleven even staan om te rusten.
--Ik durf dezen weg niet vervolgen, zeide de moeder. Het zal hier druk worden. Wij doen beter met de menschen te ontwijken en over den Berg der Ergernis te gaan.
Toen Tirza dit hoorde ontzonk haar de moed. Daar hare voeten zeer gezwollen waren kostte het loopen haar groote moeite.
--Die berg is steil, moeder. Ik kan onmogelijk klimmen.
--'t Is om ons leven en onze gezondheid te doen mijn kind. Zie, daar komen reeds vrouwen om water te scheppen. Zij zullen ons steenigen, als wij hier blijven. Kom, wees sterk, mijn kind.
Zoo trachtte de moeder, die zelve bijna niet voort kon, hare dochter te bemoedigen, en nu kwam Amrah haar te hulp. Na de eerste opwelling had zij de zieken niet aangeraakt, thans echter ging de trouwe ziel naar Tirza en zeide: Leun op mij. Ik ben wel oud, maar sterk genoeg, en het is niet ver meer. Zoo; ziet gij wel, nu gaat het al veel beter.
De weg was moeilijk, maar toen zij eenmaal boven waren en staan bleven om adem te scheppen hadden zij een heerlijk gezicht op den Tempel met zijne terrassen, en op Sion met zijne vele witte torens, die in het zonlicht schitterden.
--O hoe mooi! riep de weduwe. Zie toch, Tirza, zie eens naar het gouden beslag van de Schoone Poort! Wat glinstert dat in de zon! Weet gij nog wel, hoe dikwijls wij er onder door zijn gegaan? Zal het niet heerlijk zijn dat weder te kunnen doen? En ons huis is er niet ver vandaan! Daar wacht Juda ons!
Nu begonnen zij den berg aan de andere zijde af te dalen. Hoewel Amrah al hare krachten inspande, om Tirza te ondersteunen, kermde de arme toch bij elken stap, ja meermalen moest zij luide aan hare smarten lucht geven. Aan den voet des bergs gekomen zeeg zij uitgeput neder.
--Ga maar alleen verder met Amrah, moeder, ik kan niet meer.
--Neen, kind. Wat zou het mij baten, zoo ik alleen gezond werd, en gij niet? En wat zou ik Juda moeten antwoorden, als hij naar u vraagt?
--Zeg hem, dat ik hem liefgehad heb.
De arme moeder wist niet wat te doen. Zij dacht er niet aan haar kind te verlaten, maar de hoop op redding te moeten laten varen, nu die zoo nabij scheen, deed den beker overloopen. Maar zie, in dat oogenblik van grooten nood zag zij van den tegenovergestelden kant een wandelaar aankomen.
--Moed gevat, Tirza! zeide zij. Daar komt iemand aan, die ons zeggen kan waar de Nazarener op 't oogenblik is.
Amrah richtte Tirza een weinig op, en zoo wachtten zij den vreemdeling af.
--Ach, moeder, gij vergeet wat wij zijn. De man zal zich uit de voeten maken, en ons misschien eerst nog een steen naar het hoofd werpen.
--Wij zullen zien, luidde het antwoord.
Ja, de moeder wist zelve maar al te goed welke behandeling uitgeworpenen als zij te wachten hadden.
De melaatschen stonden aan den rand van een smallen weg, zoodat de wandelaar haar rakelings voorbij moest gaan. Zoodra hij binnen het bereik harer stem was deed de weduwe het waarschuwende: Onrein! Onrein! hooren. Tot hare verbazing liep hij door.
Wat zoekt gij? vraagde hij, toen hij vlak bij haar was.
--Wees voorzichtig, zeide de weduwe met waardigheid. Ik heb u gewaarschuwd.
Vrouw, ik ben een volgeling van hem, die slechts één woord behoeft te spreken tot dezulken als gij, en zij zijn genezen. Ik ben niet bevreesd.
--Gij bedoelt den Rabbi uit Nazareth?
--Den beloofden Messias.
--Is het waar, dat hij vandaag naar de stad gaat?
--Ja. Hij is nu te Bethfagé.
--Langs welken weg zal hij komen?
--Langs dezen.
De weduwe vouwde de handen en sloeg de oogen dankend naar den hemel op.
--Voor wien houdt gij hem? vraagde de man bewogen.
--Voor den Zoon van God! antwoordde zij.
--Blijf dan niet hier, want daar een groote schare hem volgt, staat gij beter bij dat rotsblok onder gindschen boom. Roep hem aan zoodra hij nadert, roept beiden en weest niet bevreesd. Hij zal u hooren. Ik ga naar de stad, om het volk te waarschuwen dat hij komt. Vrede zij met u en de uwen!
Hebt gij het gehoord, Tirza? De Nazarener komt langs dezen weg, en hij zal ons helpen. Kom nu mee, een paar stappen maar!
Dus aangemoedigd liet Tirza zich door Amrah overeind helpen.
--Wacht even; zeide Amrah, de vreemdeling komt terug.
--Ik bedenk, goede vrouw, zeide hij, dat de zon hoog aan den hemel zal staan, voordat de Nazarener komt. Ik kan in de stad het noodige krijgen, en daarom wilde ik u mijn waterflesch geven. Gij zult er meer behoefte aan hebben dan ik. Neem haar en heb goeden moed. Roep luide tot hem.
Dit zeggende bood hij de weduwe zijn gevulde waterflesch aan. In plaats van ze op den grond te leggen, gaf hij ze haar in de hand.
--Zijt gij een Jood? vraagde zij verbaasd.
--Ja; maar beter nog; ik ben een volgeling van den Christus, die ons dagelijks door woorden en voorbeeld leert wat ik nu doe. De wereld kende reeds lang het woord liefde, zonder het echter te verstaan. Vaarwel!
Langzaam begaven de vrouwen zich naar het door hem aangewezen punt, waar zij door ieder, die voorbijging, gezien en gehoord konden worden. Zij zetten zich onder den boom neder, en dronken van het water. Weldra viel Tirza in slaap, en om haar niet te storen zwegen de beide anderen.
* * * * *
VIERDE HOOFDSTUK.
GENEZEN.
Langzamerhand werd de weg meer en meer bevolkt door menschen, die zich naar Bethfagé spoedden. Tegen de vierde ure van den dag kwam een groote schare over den Olijfberg, en toen zij naderbij kwamen zagen de vrouwen, dat allen een palmtak in de hand hielden. Terwijl zij het ongewone schouwspel gadesloegen, werd hare aandacht getrokken door een verwijderd gedruisch van stemmen en zagen zij een menigte menschen van den anderen kant komen. Nu wekte de moeder Tirza, zeggende: Hij komt! Deze menschen vóór ons komen uit de stad om hem te begroeten, en die anderen zijn zijne vrienden die hem begeleiden. Het zou mij niet verwonderen zoo de twee groepen hier op dit punt samentroffen.
--Ik vrees, dat hij ons dan niet zal kunnen hooren, moeder.
Diezelfde gedachte was ook reeds bij de weduwe opgerezen. Amrah, zeide zij, heeft Juda ook gezegd wat die tien melaatschen tot den Nazarener riepen?
--Zij riepen: Heer, ontferm u over ons. Of: Meester, ontferm u over ons.
--Dat alleen?
--Ja, dat alleen, voor zooveel ik weet.
--En toch was het voldoende, zeide de weduwe zacht.
--Ja, antwoordde Amrah. Juda zei, dat hij hen geheel hersteld zag weggaan.
Intusschen naderde de schare langzaam. Toen de voorsten in 't gezicht waren, werd de aandacht der vrouwen allereerst getroffen door een man, die te midden van een naar het scheen uitgelezen gezelschap reed. Hij was blootshoofds en geheel in 't wit gekleed. Hij staarde voor zich uit en deelde volstrekt niet in de opgewondenheid zijner volgelingen. Het gejubel vermocht de droefgeestige uitdrukking van zijn gelaat niet te verdrijven. Zijn golvende lokken, door het zonlicht beschenen, vormden een gouden stralenkrans om het edelgevormde hoofd. De juichende schare achter hem strekte zich tot in het oneindige uit. Niemand behoefde den melaatschen te zeggen, dat dit de Nazarener, de wonderdoener was.
--Tirza, daar is hij! Daar is hij! Kom, mijn kind! riep de moeder, en knielde naast de rots op den weg neder. Tirza en Amrah voegden zich terstond bij haar.
Op ditzelfde oogenblik hielden de stedelingen stand, en begonnen met hunne palmtakken te wuiven en te roepen: Hosanna den Zone Davids! Gezegend is hij die komt in den naam des Heeren. Hosanna in de hoogste hemelen!
De duizenden, die den Nazarener vergezelden, namen den jubeltoon over, zoodat het door de lucht weergalmde. Het geroep der arme melaatschen ging er geheel door verloren. Maar voor haar was het: nu of nooit. Ging deze gelegenheid voorbij, dan moesten zij voor altijd de hoop laten varen.
--Dichterbij, Tirza! Dichterbij! Hij kan ons niet hooren, zeide de moeder.
Zij stond op en trad bevend naar voren, hief de handen smeekend omhoog, en riep zoo hard zij kon. De lieden zagen haar, en verstomden, door ontzetting en afschuw bevangen. Tirza, die achter hare moeder stond, zonk van zwakte en angst ineen.
--Melaatschen! Melaatschen!
--Steenig ze!
--Sla ze dood! die van God vervloekten!
Deze en dergelijke kreten vermengden zich met de hosanna's dergenen, die te veraf waren om de oorzaak der stoornis te onderscheiden. Zij, die in de onmiddellijke nabijheid van den Rabbi waren, en zijn goddelijk mededoogen kenden, zagen hem zwijgend aan, wel wetende wat hij doen zou, en maakten ruimbaan voor hem, toen hij op de vrouw toereed. Zij zag hem in het vriendelijk gelaat en schepte troost uit zijn bemoedigenden glimlach.
--Meester, Meester! riep zij, gij ziet onze ellende, gij kunt ons reinigen. Erbarm u over ons!
--Gelooft gij, dat ik dat doen kan?
--Ja, Heer. Gij zijt degeen, van wien de profeten gesproken hebben, gij zijt de Messias!
--Vrouw, groot is uw geloof, u geschiede gelijk gij wilt.
Een oogenblik nog toefde hij, de schare rondom zich vergetende, één oogenblik, toen reed hij verder, terwijl de geredde met een van dank overvloeiend hart luide riep: Eere zij God in den hooge! Gezegend zij de Zone Davids!
Terstond daarop omgaf hem de schare met haar vreugdebetoon en onttrok hem aan haar oog. In dankbare verrukking drukte de moeder Tirza aan haar hart, juichende: Wij zijn gered! Hij is waarlijk de Messias.
Zij bleven geknield liggen, totdat de menschenmassa langzaam achter den berg verdween. Toen het gezang en gejuich in de verte zich verloor, werd het wonder in de melaatschen gewrocht.
Eerst gevoelden zij, dat haar bloed als vernieuwd door de aderen stroomde, sterker en sneller, zoodat het verzwakte lichaam een onbeschrijfelijk weldadig gevoel van terugkeerende kracht gewaarwerd. Zij voelden de plaag letterlijk wijken. Haar vleesch keerde weder, de verduisterde oogen straalden met den ouden glans--gereinigd waren zij van hare afzichtelijke krankte. Nu voelden zij zich ook naar den geest herleven, nameloos geluk doortrilde haar.
Van deze genezing was, behalve Amrah, nog iemand anders getuige. Zooals wij weten was Ben-Hur den Nazarener zooveel mogelijk gevolgd, en die zich de gesprekken van den vorigen avond herinnert, zal zich niet verwonderen, dat hij bij den stoet was, die den Rabbi begeleidde. Hij was getuige van de bede der melaatsche, hij zag de vreeselijke sporen der ziekte op haar gelaat, hij hoorde het antwoord, dat zij ontving, en hoewel hij reeds meer dan eens tegenwoordig geweest was bij zulke genezingen, hadden zij nog niets van hare belangwekkendheid voor hem verloren. Daarenboven was de strijd in zijn binnenste met betrekking tot de zending van den Nazarener nog altijd niet beslist. Daarom liet hij den stroom voorbij gaan, en zette zich op een steen aan den weg neder, om te zien hoe de genezing in haar werk zou gaan.
Van zijne plaats wierp hij dezen en genen een blik van verstandhouding toe, Galileërs, die onder hunne lange gewaden het korte zwaard verborgen droegen. Toen allen voorbij waren naderde hem een Arabier met twee paarden.
--Blijf hier staan, zeide Ben-Hur, hem tot zich wenkend. Aldebaran zal mij straks met verdubbelden spoed naar de stad brengen.
Hij liefkoosde het schoone dier en keerde zich toen om, ten einde de twee vrouwen te gaan toespreken, in wie hij het grootste belang stelde, als toonbeelden eener bovenaardsche wondermacht. Voortgaande keek hij toevallig naar de witte rots en zag een welbekende gedaante staan, het gelaat in de handen verborgen.
--Wat! zeide hij, staat Amrah daar?--en liep regelrecht op haar toe. Amrah! wat doet gij hier?
Daar zag de oude vrouw op, viel voor hem neer op de knieën, verblind door tranen, bijna sprakeloos door diepe ontroering.
--O, meester, hoe goed is God!
Een onverklaarbaar voorgevoel zeide hem, dat hare tegenwoordigheid op de eene of andere wijze met die der beide vrouwen in verband stond. Hij keerde zich haastig om, en bleef als aan den grond genageld staan. Het was alsof zijn hart ophield te kloppen, hij kon geen woord uitbrengen.
De vrouw, die hij met den Nazarener had zien spreken, stond daar met gevouwen handen, terwijl de tranen haar over de wangen stroomden. De verandering, die zij ondergaan had, zou op zichzelf reeds zijne verbazing gerechtvaardigd hebben, maar er was nog een andere reden. Was het een zinsbegoocheling? of was er een treffende gelijkenis tusschen die vrouw en zijne moeder? Zóó had zij er uitgezien op dien morgen, toen de Romein haar uit zijne armen rukte! Alleen het haar begon hier en daar te grijzen, maar dat liet zich hierdoor verklaren, dat de macht, welke het wonder gewrocht had, de verloopen jaren in aanmerking had genomen.
En die andere naast haar? Tirza? Schoon en liefelijk, alleen wat ouder dan op dien laatsten morgen, toen zij voor hem zong. Hij had beiden reeds lang dood gewaand, en de tijd had zijne smart gelenigd. Hij betreurde haar nog altijd, maar zij waren uit zijne droomen en plannen voor de toekomst weggevallen.
Zijne oogen niet geloovende, greep hij Amrah bij den arm en riep: Zeg mij toch of ik goed zie!
--Ja, ja, spreek maar tot haar!
Nu aarzelde hij niet langer, maar vloog naar haar toe met den kreet: Moeder, beste moeder, hier ben ik!
In het volgend oogenblik waren de zoo wreed gescheiden weer vereenigd, en omhelsden elkander innig.
Toen de eerste vreugde bedaard was, zeide de moeder: Kinderen, laat ons God danken! Laat ons het nieuwe leven beginnen met erkenning van Hem, die ons dit geluk bereidt.
Zij knielden neder, Amrah volgde hun voorbeeld, en als een jubelpsalm rees het gebed der begenadigde vrouw omhoog.
Daarna vraagde zij: Wat nu, mijn zoon? Waar zullen wij naar toe gaan?
--Ja, zeide Juda, tot de werkelijkheid teruggeroepen, wij hebben nog een plicht te vervullen.
Hoezeer hij ook verlangde haar naar huis te brengen, en hare geschiedenis te hooren, hij bedwong zijn ongeduld, en herinnerde haar hetgeen de Wet van herstelde melaatschen eischte. Toen riep hij den Arabier tot zich, en beval hem de paarden naar de poort van Bethesda te brengen en daar op hem te wachten. Vervolgens begaven zij zich gezamenlijk op weg naar den Berg der Ergernis; maar o! hoe anders was de wandeling ditmaal. Zij konden zich snel en gemakkelijk bewegen, en bereikten weldra een nieuw uitgehouwen graf naast dat van Absalom. Daar het leeg was, namen de vrouwen er bezit van, terwijl Ben-Hur verder ging om zoo spoedig mogelijk de noodige maatregelen te treffen.
* * * * *
VIJFDE HOOFDSTUK.
ONGEDULD.