Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde

Chapter 3

Chapter 33,948 wordsPublic domain

Op dit feit berustte Jozefs hoop. Baatte dat hem niet, dan was alle verdere moeite tevergeefs, geld noch goede woorden vermochten dan iets uit te werken. Tot den stam van Juda te behooren was reeds veel waard, zich een zoon van David te mogen noemen, gold bij Israëlieten als de hoogste eer, en zeker nergens meer dan in de stad Davids. Ook op den deurwachter maakte het indruk. Hij verrees van zijne zitplaats en zeide beleefd: Rabbi, gedurende de meer dan duizend jaren, waarin deze herberg een toevluchtsoord is geweest voor vreemdelingen, werd nog nimmer aan een goed man den toegang geweigerd, behalve wanneer er geen plaats was. Indien men den vreemdeling zoo welwillend behandelt, hoeveel te meer den zoon van David. Daarom nogmaals: Wees gegroet! en indien gij wilt, ga dan met mij naar binnen, om u met eigen oogen te overtuigen, dat nergens een hoekje vrij is, zelfs niet op het dak. Mag ik vragen wanneer gij aangekomen zijt?

--Zooëven.

De deurwachter glimlachte. De vreemdeling, die in uwe poort is, zal zijn als een ingeborene van het huis en gij zult hem liefhebben als uzelven, leert ons de wet niet alzoo, Rabbi? En als de wet zoo spreekt, kan ik dan tot iemand, die hier reeds eenigen tijd vertoeft, zeggen: Ga gij uws weegs, hier is een ander, die uwe plaats komt innemen?

Jozef zag peinzend voor zich.

--En al mocht ik dat zeggen, aan wien zou dan die plaats toekomen? Zie hoevelen daar staan te wachten, sommigen reeds den ganschen dag.

--Wat brengt al die lieden hierheen?

--Hetzelfde ongetwijfeld wat u brengt, Rabbi; het bevel van den Keizer. Daarenboven is gisteren een karavaan van Damascus naar Arabië en Neder-Egypte aangekomen. Deze mannen hier en die kameelen behooren er toe.

Nog liet Jozef zich niet afwijzen. Het voorplein is ruim, zeide hij.

--Ja, maar volgepakt met balen zijden, en zakken specerijen, en goederen van allerlei aard.

Jozefs gelaat betrok.--Het is niet zoozeer voor mijzelven, dat ik blijf aanhouden, maar ik heb mijne vrouw bij mij. De nachten zijn hier koud, veel kouder dan te Nazareth. Zij kan niet in de open lucht slapen. Zou er in de stad plaats te krijgen zijn?

--Deze menschen, zeide de deurwachter, op een groepje wijzend, hebben allen in de stad een onderkomen gezocht, maar tevergeefs.

Jozef dacht een oogenblik na en zeide: Zij is zoo teer; als zij den nacht onder den blooten hemel moet doorbrengen, zal de kou haar dooden. Misschien hebt gij hare ouders nog gekend: Joachim en Anna. Zij hebben vroeger ook in Bethlehem gewoond en waren evenals ik uit Davids geslacht.

--Zeker heb ik hen gekend. Het waren goede menschen. Ik was toen nog een kind. Maar daar valt mij iets in. Al kan ik u niet in de herberg opnemen, ik kan u toch ook niet wegzenden. Ik zal voor u doen wat ik kan. Gij zult niet buiten overnachten. Roep uwe vrouw. Wij moeten ons haasten, want de zon neigt reeds ten ondergang.

--Niets liever dan dat, zeide Jozef, en keerde terug om zijne vrouw te halen, die niet ver van daar op haren ezel gezeten zijn komst verbeidde. Zij had haren sluier opgeslagen.

--Blauwe oogen en gouden lokken, zeide de deurwachter haar aanziende. Zoo zag de jonge koning er uit toen hij voor Saul op den harp speelde.

De man nam den ezel bij den toom en zeide tot Jozef: Rabbi, volg mij.

Over het voorplein van de herberg geleidde hij hen naar de achter het huis gelegen omrasterde bewaarplaats voor lastdieren en vee, en vandaar langs een smal en hobbelig pad naar een grauwen kalksteenheuvel.

--Gij brengt ons naar de spelonk, zeide Jozef.

--Ja, antwoordde hun geleider, en zich tot Maria wendende voegde hij er bij: Uw voorvader David heeft meermalen gebruik gemaakt van die spelonk. Als jongeling bracht hij er 's nachts de kudde zijns vaders onder dak en later, als koning, moet hij er dikwijls met zijn gevolg gerust hebben. Dezelfde kribben, waar zijne dieren aan gevoederd werden, zijn er nog. In ieder geval zult gij op de plaats, waar Koning David geslapen heeft, beter rusten, dan in het open veld. Zoo, hier zijn wij er. Zooals gij ziet is voor de spelonk een schuurtje aangebracht, eigenlijk niet meer dan een toegang tot de spelonk. Dit zeggende schoof hij den grendel weg, opende de deur en noodigde hen uit om binnen te treden.

De grot was ongeveer veertig voet lang, negen of tien voet hoog, en veertien voet breed. Het was nog juist licht genoeg om te doen zien, dat in het midden op de grond wat hooi en stroo lag en eenig aardewerk, een duidelijk bewijs, dat ook andere reizigers hier vertoefd hadden. Langs de wanden waren steenen kribben gemetseld, en over het algemeen zag het er zindelijk uit.

--Wat dunkt u hiervan? vraagde de deurwachter aan Maria. Zoudt gij hier kunnen rusten?

--Deze plek is heilig, antwoordde zij.

--Dan kan ik weer naar mijn post terugkeeren. De vrede Gods zij met ulieden.

Zoodra zij alleen waren maakten zij de spelonk bewoonbaar en bereidden zicht een nachtleger van hetgeen zij ter plaatse aanwezig vonden en zelf medegebracht hadden.

* * * * *

Te middernacht, toen om en bij de herberg alles in de diepste rust verkeerde, ontwaakte een der slapers op het dak en keek verschrikt in het rond. Wat is er gebeurd? riep hij: Wat is dat voor een vreemd licht? Wordt wakker, broeders! wordt wakker!

De in hunnen slaap gestoorden richtten zich op en wreven zich in de oogen, maar wat zij zagen bracht hen weldra volkomen tot bezinning. Uit den hemel daalde een straal van licht neder, steeds breeder wordende naarmate hij de aarde naderde, en den ganschen omtrek verlichtende. Zelfs den moedigsten onder de aanwezigen durfde zijne stem verheffen boven een zacht gefluister.

--Hebt ge ooit iets dergelijks gezien? vraagde de een.

--Het schijnt daar juist boven den berg te zijn. Ik begrijp volstrekt niet wat het is, zeide een ander.

--Zou er een ster gebarsten en gevallen zijn? vraagde een derde sidderend.

--Welneen, als een ster valt gaat haar licht uit.

--Ik weet wat het is, riep een jonge man geruststellend. De herders hebben een leeuw gezien en een vuur aangestoken, om hem van de kudden af te houden.

--Ja, dat zal het zijn, zeide een buurman verruimd van hart. Er waren vandaag verscheidene herders in het veld.

--Neen, neen, riep de eerste spreker, al brachten zij al het hout uit de valleien van Judea bijeen, om er een vuur van te maken, het zou niet zulk een hoog en sterk licht verspreiden.

Zwijgend bleven de mannen het geheimzinnig schouwspel gadeslaan, totdat een eerwaardig grijsaard de stilte verbrak met den uitroep: Broeders, wat wij zien is de ladder, die onze vader Jakob in den droom aanschouwde. Geloofd zij de God onzer vaderen!

* * * * *

ACHTSTE HOOFDSTUK.

DE GEBOORTE VAN CHRISTUS.

Ongeveer twee mijlen zuidoostelijk van Bethlehem ligt een vlakte, door een heuvelrij van de stad gescheiden. Beschut tegen de noordenwinden, en begroeid met vijgeboomen, dwergeiken en pijnboschjes, was zij een kostelijke weide voor de kudden van zwervende herders. Aan den uitersten rand stond een overoude schaapskooi van buitengewoon groote afmeting. Bij een lang vergeten schermutseling was het gebouw van zijn dak beroofd en half vernield. De daarbij behoorende omheinde ruimte was echter ongedeerd gebleven, en dat was wel de hoofdszaak voor de herders, die er hunne schapen wilden doen overnachten.

Daags vóór de gebeurtenissen, in het vorige hoofdstuk vermeld, was een zevental herders, die nieuwe weiden voor hunne kudden zochten, naar de vlakte afgedaald, had zich 's avonds bij de schaapskooi gelegerd, een groot vuur bij den ingang ontstoken, hun avondeten bereid, en zich daarna ter ruste gelegd, één uitgezonderd, die de wacht moest houden.

Het was een heerlijke nacht. Geen windje bewoog zich, de atmosfeer was rein en zuiver, er heerschte een geheimzinnige stilte. De wachter stapte vóór den ingang op en neder; hij verlangde naar het uur van middernacht, wanneer hij afgelost zou worden. Eindelijk was zijn taak volbracht, nu was het zijne beurt om te gaan rusten. Hij ging naar het vuur--maar wat was dat? Een lichtglans omscheen hem, zacht en wit als het licht der maan. Hij wachtte een oogenblik, het licht werd sterker; voorwerpen, die hij niet had kunnen onderscheiden, werden op eenmaal zichtbaar, hij zag de gansche vlakte en al wat er op was. Een huivering voer door zijne leden, vreeze beving hem. Hij zag naar de lucht, de sterren waren verdwenen; als door een venster viel een breede straal van licht uit den hemel en werd steeds glansrijker. Hevig ontsteld riep hij zijne makkers: Wordt wakker! Wordt wakker!

De honden sloegen aan, de schapen drongen op elkander in, de herders sprongen overeind en grepen naar de wapens.

--Wat is er? riepen zij. Wat gebeurt daar?

--Wat er is? De hemel staat in vuur! antwoordde de wachter.

Plotseling werd het licht zoo verblindend sterk, dat zij hunne oogen met de handen bedekten en van angst en schrik op de knieën vielen. Daar hoorden zij een stem: Vreest niet; want ziet, ik verkondig u groote blijdschap, die al den volke wezen zal.--Die stem, zoo zacht en welluidend, stelde hen gerust. Zij hieven het hoofd op en zagen eerbiedig in de richting, vanwaar de stem kwam. En zie, daar stond, door een stralenden lichtschijn omgeven, een engelengedaante, gekleed in een schitterend wit kleed. Boven zijn voorhoofd blonk een ster met zeldzamen glans. Zegenend strekte hij de handen naar hen uit, zijn gelaat was vriendelijk en van hemelsche schoonheid.

Zij hadden dikwijls van de engelverschijningen in vroeger dagen gehoord, en onder elkander daar wel eens over gesproken. Zij twijfelden dan ook niet, maar zeiden in hun hart: De heerlijkheid Gods is tot ons gekomen, en dit is de engel, dien God voormaals tot den profeet bij de rivier Ulai zond.

De engel vervolgde: Want heden is u geboren de Zaligmaker, welke is Christus, de Heer, in de stad Davids. En dit zal u het teeken zijn: gij zult het Kinderke vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe.

De hemelbode zweeg. Hij had zijne boodschap overgebracht, toch toefde hij nog, en terwijl de herders eerbiedig wachtten, breidde zich het licht, waarvan de engel het middenpunt uitmaakte, meer en meer uit--en was er met den engel een menigte des hemelschen heirlegers, prijzende God en zeggende: Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in menschen een welbehagen.

Toen ontplooide de engel zachtkens zijne vleugelen, verhief zich langzaam en statig in de lucht, en verdween weldra uit hunne oogen, het licht met zich voerende; maar nog geruimen tijd klonk het liefelijk engelenlied kun in de ooren.

Toen de herders tot bezinning waren gekomen staarden zij elkander sprakeloos aan, totdat een van allen zeide: Dat was Gabriël, Gods bode bij de menschen.

Niemand antwoordde.

--Christus, de Heer, is geboren, zeide hij dat niet?

--Ja, antwoordde een ander.

--En zeide hij ook niet dat hij geboren is in de stad Davids? dat is dan toch Bethlehem, daar ginds. En dat wij hem zouden vinden in doeken gewonden?

De herder, die het eerst gesproken had, staarde een oogenblik nadenkend in het vuur, en zeide toen op beslisten toon: Er is slechts één plaats in Bethlehem waar kribben zijn, slechts één, en dat is in de spelonk bij de oude herberg. Broeders, laat ons gaan en zien wat er geschied is. De priesters en schriftgeleerden verwachten den Messias reeds geruimen tijd. Nu is hij geboren, en de Heer heeft ons een teeken gegeven, waaraan wij hem kunnen kennen. Laat ons gaan en hem aanbidden.

--Maar de kudden....

--Daar zal de Heer voor zorgen. Laat ons zoo snel mogelijk gaan.

Toen maakten zij zich op en sloegen den weg naar Bethlehem in. De weg voerde achter den berg om door de stad, totdat zij voor de deur der herberg kwamen, waar een man de wacht hield.

--Wat is uw verlangen? vraagde deze.

--Wij hebben van nacht groote dingen gezien en gehoord, antwoordden zij.

--Nu, wij ook hebben groote dingen gezien, maar gehoord hebben wij niets. Wat hebt gij gehoord?

--Breng ons eerst naar de spelonk achter de omtuining, opdat wij zekerheid mogen verkrijgen, dan zullen wij u alles vertellen.

--Noodelooze moeite.

--Neen, de Christus is geboren.

--De Christus! Hoe weet gij dat?

Breng ons bij de spelonk, dan kunt gij het zelf zien.

De wachter lachte spotachtig.--De Christus, zegt gij? En hoe zult gij weten dat hij het is?

--Ons is gezegd, dat hij in dezen nacht geboren is en nu in een kribbe ligt, en er is slechts ééne plaats in Bethlehem, waar kribben zijn.

--De spelonk?

--Ja, breng er ons, opdat wij het met onze oogen mogen zien.

Zij gingen over het voorplein, zonder dat iemand op hen lette, hoewel sommigen het nog druk genoeg hadden over het wondervolle licht. De deur van de spelonk stond open. Er brandde licht en zij traden zonder omslag binnen.

--Vrede zij u! zeide de wachter tot Jozef. Hier zijn eenige lieden, die een jonggeborene zoeken, in doeken gewonden en liggende in een krib.

Jozef ontroerde, en op de kribbe wijzende zeide hij: Daar is het kind.

De herders kwamen behoedzaam nader en beschouwden het slapende kindeke met stille aandacht. Dat is de Christus, zeide een van hen ten laatste.

--De Christus! herhaalden allen, in aanbidding neerknielende.

--Het is de Heer, en zijn lof is boven aarde en hemel verheven, juichte de eerste spreker.

De eenvoudige lieden, in wier hart geen plaats was voor twijfel, kusten den zoom van Maria's gewaad, en gingen heen met vroolijke aangezichten. In de herberg vertelden zij aan ieder, die het hooren wilde, wat hun wedervaren was, en op hunnen terugweg naar de vallei zongen zij het engelenlied: Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in menschen een welbehagen.

Het verhaal deed de rondte, en nog verscheidene dagen lang werd de spelonk bezocht door tal van nieuwsgierigen, van wie sommigen geloofden; maar het grootste gedeelte lachte en spotte.

* * * * *

NEGENDE HOOFDSTUK.

HET BEZOEK VAN DE DRIE WIJZEN.

Elf dagen na de geboorte van het kindeke vinden wij de drie wijzen in de nabijheid van Jeruzalem. Na de beek Kedron te zijn overgegaan ontmoetten zij tal van lieden, die hen zonder uitzondering met nieuwsgierigen blikken nazagen. Hoewel de handelsweg van het oosten naar het zuiden over Judea voerde, en men bijgevolg, behalve in Rome, nergens zoovele vreemdelingen van allerlei natiën aantrof als in Jeruzalem, trokken deze drie mannen toch aller aandacht.

Tegenover de graven der koningen zaten eenige vrouwen aan den weg. Zij hadden een kind bij zich, en zoodra het de reizigers zag, klapte het in de handjes en riep: Kijk, kijk, wat mooie belletjes! Wat groote kameelen!

De belletjes waren van zilver, de kameelen, zooals wij weten, buitengewoon groot en wit. Aan het tuig kon men zien, dat het gezelschap een verre reis achter zich had, maar ook dat de eigenaars mannen van aanzien waren. Bij de vrouwen gekomen hield het drietal stil, en vraagde Balthasar, zich een weinig voorover buigende: Zeg mij, zijn wij nog ver van Jeruzalem?

--Neen, antwoordde eene der vrouwen, als de boomen op gindschen heuvel wat lager waren zoudt gij de torens op de markt kunnen zien.

De Egyptenaar zag zijne tochtgenooten veelbeteekend aan, en wendde zich toen weder tot de vrouw met de vraag: Kunt gij mij ook zeggen waar de geboren Koning der Joden is?

De vrouwen keken elkander verwonderd aan, maar gaven geen antwoord.

--Weet gij dat niet? herhaalde de Egyptenaar.

--Neen, heer.

--Nu, vertel dan maar aan iedereen, dat wij zijne ster gezien hebben in het Oosten en gekomen zijn om hem te aanbidden.

Dit gezegd hebbende reden zij verder.

Anderen, die zij tegenkwamen, deden zij dezelfde vraag, maar met gelijke uitkomst. Zoo vervuld waren zij van het doel hunner reis, dat zij geen oog hadden voor het heerlijk panorama, dat zich voor hen ontplooide, toen zij Jeruzalem naderden. Eindelijk waren zij bij de Damascuspoort, die door een Romeinschen schildwacht bewaakt werd. Langzamerhand hadden zich eenige nieuwsgierigen bij hen aangesloten, zoodat toen de Egyptenaar stilhield, om bij den schildwacht inlichtingen te vragen, onze reizigers het middelpunt werden van eene steeds aangroeiende menigte.

--Vrede zij u! zeide de Egyptenaar den schildwacht groetende, die den groet onbeantwoord liet.

--Wij zijn van verre gekomen om den geboren Koning der Joden te zien. Kunt gij ons ook zeggen waar hij is?

De soldaat lichtte zijn helmvizier op en riep iemand uit het wachthuis. Uit de gang trad een hoofdman te voorschijn.--Uit den weg! riep hij de menigte toe, die hem den weg versperde, en toen zij niet gauw genoeg gehoorzaamde, maakte hij zich, links en rechts met zijn speer zwaaiende, ruim baan.

--Wat is er van uw verlangen? vraagde hij aan Balthasar.

--Ik wilde weten waar de geboren Koning der Joden is.

--Herodes? vraagde de hoofdman verwonderd.

--Herodes werd door den Keizer tot Koning aangesteld, hem moeten wij dus niet hebben.

--Er is geen andere Koning der Joden.

--Jawel, want wij hebben zijne ster gezien en zijn gekomen om hem te aanbidden.

De Romein begreep er niets van.--Ik ben geen Jood en kan u dus niet helpen. Gaat naar de schriftgeleerden in den tempel, of naar Annas den Hoogepriester, of beter nog naar Herodes zelf, en vraag het hem. Als er een andere Koning der Joden is zal hij hem wel weten te vinden.

Daarop joeg hij de omstanders uiteen, opdat de vreemdelingen door de poort konden trekken. Zoodra zij echter in de stad waren zeide Balthasar: Wij zullen goed doen met naar de herberg te gaan; het doel onzer komst is bekend en vóór middernacht zal de geheele stad over ons spreken.

* * * * *

Dienzelfden avond waren eenige vrouwen bezig met wasschen op de breede trap, die naar den vijver Siloam voerde. Ieder had een aarden bak voor zich. Op de onderste trede stond een meisje, dat onder het zingen van een vroolijk liedje de vrouwen beurtelings van water voorzag.

Terwijl zij daarmee bezig waren kwamen twee andere vrouwen naderbij, beiden een ledigen waterkruik op den schouder dragende.

--Vrede zij u! zeide eene van haar.

De waschvrouwen staakten even den arbeid, sloegen hare handen droog en beantwoordden den groet.

--Het is reeds laat in den avond, het wordt tijd om uit te scheiden, zeide een der laatst gekomenen.

--Er is nog werk genoeg, was het antwoord.

--Ja, maar er is een tijd om te rusten, en....

--Om nieuwtjes te hooren vertellen.

--Wat voor nieuwtjes hebt gij?

--Weet gij het dan nog niet?

--Wat?

--Zij zeggen, dat de Messias geboren is.

--De Messias?! riepen de wasschende vrouwen in de hoogste verbazing.

De beide anderen zetten hare watervaten neder en gingen er op zitten. Ja, zeiden zij, dat wordt ten minste verteld.

--Door wie?

--Door iedereen. De geheele stad spreekt er van.

--En wordt het geloofd?

--Van middag zijn drie vreemde mannen gekomen over de beek Kedron. Zij reden alle drie op witte kameelen, zoo groot als wij ze hier in Jeruzalem nog nooit gezien hebben. Men kon wel zien dat het rijke menschen zijn, want hun tentjes zijn van zijde, en de gespen en franje aan de zadels en hoofdstellen van goud. De schelletjes zijn van zilver en maken echte muziek. Niemand kent ze; zij zien er uit alsof zij van het einde der wereld komen. Een van de drie deed telkens het woord en vroeg aan iedereen onderweg, zelfs aan vrouwen en kinderen: Waar is de geboren Koning der Joden? Niemand kon hem daarom antwoord geven; niemand begreep wat zij bedoelden. Maar zij hielden vol: Wij hebben zijne ster gezien in het Oosten en zijn gekomen om hem te aanbidden. Bij de poort hebben zij het gevraagd aan den schildwacht, maar die wist het evenmin, en heeft hun gezegd, dat zij het best deden met het aan Herodes te gaan vragen.

--Waar zijn zij nu?

--In de herberg. Ieder gaat er naar toe om hen te zien.

--Waar komen zij vandaan?

--Dat weet niemand. Ik denk dat het Perzen zijn. Het zijn in ieder geval wijze mannen, die met de sterren praten, zoo iets als profeten, misschien wel als Elia of Jeremia.

--Maar gij zegt, dat zij naar den Koning der Joden vragen, wien zouden zij daarmee bedoelen?

--Den Messias natuurlijk, die pas geboren moet zijn.

Een van de vrouwen lachte en hervatte haar werk met de woorden: Komaan, ik zal 't gelooven als ik hem zie.

Een tweede volgde haar voorbeeld en zeide: Ik--ja, ik zal 't gelooven, als ik hem dooden weer levend zie maken.

Een derde zeide nadenkend: Men heeft hem lang verwacht. Voor mij zal het genoeg zijn als ik hem een melaatsche zie genezen.

* * * * *

TIENDE HOOFDSTUK.

HERODES EN DE WIJZEN.

Eenige uren later in den avond, tegen den tijd der eerste nachtwake, vinden wij in het paleis op den berg Sion een vijftigtal mannen, bijeengeroepen door Koning Herodes: hoogepriesters, schriftgeleerden, de hoofden der verschillende godsdienstige partijen: Farizeën, Sadduceën en Esseën. De zaal, waar de vergadering plaats had, was zeer ruim, en volgens Romeinsche gewoonte ingericht. De vloer bestond uit marmerblokken van verschillende kleur, de wanden, niet door vensters onderbroken, waren saffraangeel beschilderd; een divan, in den vorm van de letter U en van gele kussens voorzien, stond in het midden, de opening naar de deur gekeerd. Aan het boveneinde van dien divan, dus in de buiging, stond een bronzen drievoet. Daarboven hing een luchter met zeven armen, die ieder een brandende lamp droegen. De divan en de luchter waren zuiver Joodsch.

De vergadering bestond hoofdzakelijk uit mannen van leeftijd, mannen met lange baarden, vurige oogen, zware wenkbrauwen. Hunne kleeding was behalve wat de kleur betreft volmaakt dezelfde. Hun uiterlijk was ernstig, deftig, bijna patriarchaal. Aan het hoofdeneinde, achter den drievoet, zat de voorzitter, rechts en links zijne medegenooten.

In zijne jeugd groot en forsch van statuur, was de thans 106-jarige Hillel, de Babyloniër, de eerwaardige voorzitter van den Grooten Raad, uitwendig niet meer dan de schim van hetgeen hij vroeger was; maar zijn helderheid van hoofd liet niets te wenschen over. Op den drievoet vóór hem lag een met Hebreeuwsche letters beschreven perkamenten rol, achter hem stond een rijkgekleede knaap op zijne bevelen te wachten. Het geleerde gezelschap heeft een levendige woordenwisseling gevoerd, maar is zooëven tot een besluit gekomen. Hunnen houding is rustig en de eerwaardige Hillel roept den knaap tot zich. Eerbiedig treedt hij voor zijnen meester.

Ga den Koning melden, dat wij gereed zijn om op zijne vraag te antwoorden, beveelt de grijsaard.

De jongen snelt heen.

Weinige oogenblikken later traden twee hoofdmannen binnen en plaatsten zich naast de beide deurposten. Hen volgde op den voet een merkwaardige persoonlijkheid: een oud man, bekleed met een purperen kleed, om het middel bevestigd door een fijnbewerkten gouden gordel; een diadeem omgaf het hoofd, de sandalen waren met kostbare edelsteenen versierd, in den gordel stak een fraaie dolk. Zijn gang was moeilijk en hij leunde zwaar op zijn staf. Niet voordat hij den divan bereikt had stond hij stil en overzag de vergadering met hooghartigen blik, donker en dreigend, alsof hij zich onder vijanden bevond. Het was Herodes de Groote--het lichaam ondermijnd door kwalen, het geweten bezwaard door misdaden. Een waardig gezel der Romeinsche Cesars, was hij op 67-jarigen leeftijd een ijverzuchtig despoot, altijd vreezende dat iemand hem in zijne rechten wilde treden.

Nadat alle aanwezigen hem begroet hadden, ging Herodes rechtstreeks op Hillel toe en zeide op meesterachtigen toon: Het antwoord!

De patriarch hief het hoofd op, zag hem welwillend aan en zeide: De vrede van den God Abrahams, Izaäks en Jakobs zij met u, o Koning!--Gij hebt ons gevraagd waar de Messias geboren moet worden. (De Koning boog toestemmend, de oogen onafgewend op den spreker gevestigd.) Nu dan, o Koning, naar ons aller meening te Bethlehem in Judea.