Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde
Chapter 29
Het volk was te zeer vervuld van het gehoorde om acht te slaan op de nieuw aangekomenen. Deze bleven waar zij waren en zagen gansche gezelschappen langs zich heen trekken. Reeds vreesden zij, dat zij den Nazireër heden niet meer te zien zouden krijgen, toen zij een man zagen naderen, wiens uiterlijk zoo zonderling was, dat zij voor niets anders meer oogen hadden. Lange zwarte lokken omgaven zijn vermagerd, ernstig gelaat, waarin een paar groote fonkelende oogen terstond de aandacht trokken. Hij was gekleed in een kemelharen kleed, met een leeren gordel om de lendenen. In zijne hand hield hij een staf, hoewel hij geen steun behoefde, want zijn gang teekende kracht en vastberadenheid. Vorschend zag hij rond, alsof hij iemand zocht.
De schoone Egyptische zag den zoon der woestijn verbaasd, ja met onwil aan. Zij wenkte Ben-Hur tot zich en vraagde spotachtig: Is dat de heraut van uwen koning?
--Dat is de Nazireër, antwoordde hij, zonder haar aan te zien.
Om de waarheid te zeggen--hijzelf was meer dan teleurgesteld. Hoewel hij dikwijls gehoord had van de asceten, die in Engedi woonden, hunne kleeding, hunne onverschilligheid voor wereldsche gemakken, hunne afgezonderde levenswijze, hunne boetedoeningen kende, en hoewel hij geweten had dat hij een Nazireër zou zien, die zichzelven aankondigde als: eene stem des roependen in de woestijn, had hij toch gehoopt, dat de heraut van den grooten koning eenig uiterlijk kenteeken van macht en aanzien zou vertoonen. Dezen woestijnbewoner met de oogen volgende dacht hij aan de hovelingen in het keizerlijke paleis te Rome, en de vergelijking deed hem beschaamd, verward en verlegen antwoorden: Het is de Nazireër.
Met Balthasar was het geheel anders. Hij wist dat Gods wegen niet zijn als der menschen wegen. Hij had den Verlosser als een kind in de kribbe zien liggen en was dus voorbereid op grooten eenvoud bij het optreden van den godsgezant. Hij verwachtte geen koning. Met gevouwen handen bleef hij zitten en zacht bewogen zich zijne lippen als in een gebed.
Op dit oogenblik naderde iemand van de andere zijde, den Nazireër te gemoet. Nauwelijks had deze hem in het oog gekregen, of hij bleef staan en hief zijn staf op, ten einde de aandacht des volks tot zich te trekken. Groote stilte heerschte op eenmaal onder de bewegelijke schare, en toen de Dooper zag, dat hij zijn doel bereikt had, wees hij met zijn staf op den persoon, die langzaam nader kwam. Ook Ben-Hur en Balthasar volgden de aanwijzing en zagen een rijzig slank gebouwd man, met een gelaat, dat men niet licht vergeten zou. Het lange bruingouden haar was in het midden gescheiden. De groote donkerblauwe oogen straalden met liefelijken glans onder het open voorhoofd, en de uitdrukking van zijn geheele wezen was rustig en edel. Hij droeg een lang wit linnen gewaad met wijde mouwen, en een talith, het daarbij behoorende wit linnen overkleed, onderaan met blauw afgezet. De door de wet aan de rabbijnen voorgeschreven wit en blauwe kwasten versierden zijn kleed. Zijne sandalen waren van de eenvoudigste soort.
Daar riep de Dooper met luide stem: Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt!
De indruk, dien deze woorden maakten, was zeer groot, voor Balthasar overweldigend. Het werd hem vergund den Verlosser der menschheid nogmaals te zien. Daar stond Hij, naar wien hij zoo lang smachtend had uitgezien, het ideaal zijner droomen, volmaakt in gestalte, gelaat, houding. Nogmaals riep de Dooper: Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt! Deze is het van welken ik gezegd heb: na mij komt een man, die vóór mij geworden is, want hij was eer dan ik. En ik kende hem niet; maar opdat hij aan Israël geopenbaard zou worden, daarom ben ik gekomen, doopende met water. Ik heb den Geest zien nederdalen uit den hemel, gelijk eene duif, en hij bleef op hem. En ik kende hem niet; maar die mij gezonden heeft om te doopen met water, die had mij gezegd: Op welken gij den Geest zult zien nederdalen, en op hem blijven, deze is het, die met den Heiligen Geest doopt. En ik heb gezien, en heb getuigd, dat deze de Zoon van God is.
--Dat is hij, dat is hij! riep Balthasar, sloeg de oogen naar boven, en viel door aandoening overmand achterover in zijnen zetel.
Met geheel andere gewaarwordingen beschouwde Ben-Hur den vreemdeling. Hij was niet ongevoelig voor de reinheid, den ootmoed, de heiligheid, die zijn gelaat uitdrukte: Wie is hij? En wat is hij? Messias of koning?--Vorstelijk was zijn voorkomen niet. Op dat kalm, vriendelijk gelaat ziende was de gedachte aan oorlog en heerschzucht hem eene ontwijding. Hij voelde dat Balthasar gelijk had, en Simonides ongelijk. Neen, zeide hij tot zichzelven, deze man is niet gekomen om den troon van Salomo weder op te bouwen. Hij heeft noch den aard, noch de gaven van Herodes. Een koning moge hij wezen, maar niet van een rijk, grooter en machtiger dan Rome.
Het gelaat van dien man kwam hem niet onbekend voor ... waar had hij het meer gezien? Hij peinsde en peinsde, en ja, daar zag hij in den geest op eenmaal in het verre verleden het tooneel bij de bron te Nazareth weer. Hij zag zichzelven, neergezonken op den stoffigen weg; hij zag de jonkman met de gevulde waterkruik tot zich komen om hem te laten drinken; hij zag weder die oogen vol liefde en mededoogen op zich gevestigd. Wat de Dooper zeide ging voor hem verloren, alleen de laatste woorden drongen tot hem door: Deze is de Zoon van God!
Ben-Hur sprong van zijn paard om aan de voeten van zijnen weldoener neer te knielen, maar Iras riep hem tot zich: Zoon van Hur, kom hier en help mij! Mijn vader sterft!
Hij bleef staan, keek om, en snelde naar haar toe. Zij gaf hem een beker en hij liep naar de rivier om water te halen. Toen hij terugkwam was de vreemdeling verdwenen.
Zoodra Balthasar bijgekomen was vraagde hij: Waar is hij?
--Wie? vraagde Iras.
--Hij, de Zoon van God, dien ik daareven zag!
--Gelooft gij dat ook? vraagde Iras zacht aan Ben-Hur.
--Het is een tijd van wonderen. Laat ons wachten, luidde zijn antwoord.
Den volgenden dag was op die plaats weer een groote schare bijeen. Ook onze vrienden waren aanwezig.
Midden in zijne rede brak de Dooper af en riep met luide stem: Zie het Lam Gods!
De aanwijzing van den Dooper volgende zagen zij weder den vreemdeling. Toen Ben-Hur zijn heilig gelaat, zoo vol majesteit en mededoogen, aanschouwde, viel hem eensklaps iets in. Ja, dacht hij, Balthasar heeft gelijk, maar Simonides ook. Kan de Messias niet te gelijkertijd koning zijn?
Hij wendde zich tot iemand die naast hem stond en vraagde: Wie is dat?
Met een spottend lachje antwoordde de man: Dat is de zoon van een timmerman uit Nazareth.
* * * * *
BOEK VIII.
* * * * *
EERSTE HOOFDSTUK.
ESTHER EN IRAS.
--Esther! laat mij een beker water brengen!
--Wilt gij niet liever wijn hebben, vader?
--Beide dan.
Dit gesprek had plaats in het zomerhuis op het platte dak van het paleis der familie Hur te Jeruzalem, en terwijl Esther zich haastte om aan den wensch van haren vader te voldoen, kwam een bediende de trap op en overhandigde haar een verzegeld pakje.
De lezer moet weten, dat het nu 21 Maart is volgens onze tijdrekening, ongeveer drie jaren na de aankondiging van den Christus te Bethabara. Malluch had voor Ben-Hur, die het verval der ouderlijke woning niet langer kon aanzien, het huis gekocht van Pilatus, en het geheel laten opknappen en verfraaien, zoodat er niets overbleef, dat het droevig tooneel van vroeger kon herinneren. Men meene echter niet dat Ben-Hur openlijk als de eigenaar was opgetreden. Hij meende dat het uur daartoe nog niet geslagen was, evenmin als voor het dragen van zijn vaders naam. Het grootste gedeelte van zijn tijd bracht hij door met in Galilea alles voor te bereiden, opdat hij gereed mocht zijn, als de Nazarener hem noodig zou hebben, de Nazarener, die hem dagelijks onbegrijpelijker toescheen, en hem door de wonderen, die hij deed, in een staat van spanning en twijfel hield, zoowel aangaande zijn karakter, als aangaande zijne zending. Enkele malen kwam hij op naar Jeruzalem, en vertoefde dan in het ouderlijke huis, echter altijd als vreemdeling en gast.
Deze bezoeken waren echter niet alleen om uit te rusten van den arbeid. Balthasar en Iras woonden mede in het paleis, en de bekoorlijkheid der dochter hield hem nog steeds gevangen, terwijl haar vader, hoewel naar het lichaam verzwakt, hem wist te boeien door vurige betoogen over de goddelijkheid van hem, die het land doorging goed doende.
Wat Simonides en Esther betreft, zij waren eerst een drietal dagen geleden uit Antiochië herwaarts gekomen. De reis was zeer vermoeiend geweest voor den koopman, doch eenmaal hier gevoelde hij zich uitermate gelukkig, dat hij weer in zijn vaderland was. Het grootste gedeelte van den dag bracht hij door op het platte dak. Hier zag hij de zon opgaan en ondergaan, hier bracht de wind hem van over de heuvelen nieuwe levenskracht aan.
Daarom vergat hij echter de zaken niet, o neen. Elken dag ontving hij bericht van Sanballat, die het kantoor in Antiochië waarnam, en elken dag zond hij Sanballat de noodige aanwijzingen, zóó uitvoerig, dat zelfs een oningewijde moeilijk zou hebben kunnen dwalen.
Esther ging intusschen naar haar zomerhuisje terug met het pakje in de hand. Zij bezag het zegel, herkende het voor dat van Ben-Hur, en versnelde met blozend gelaat haren stap. Simonides bekeek eveneens het zegel alvorens het pakje te openen, reikte haar toen den brief toe, die er in was, zeggende: Lees, mijn kind.
Hij zag haar aan, terwijl hij sprak, en zijn gelaat betrok.
--Ik zie dat gij reeds weet van wien dit komt, Esther.
--Ja, vader. Van onzen jongen meester.
Hoewel zij langzaam, als met moeite sprak, zagen hare lieve oogen hem trouwhartig aan.
--Gij hebt hem lief, Esther.
--Ja, vader.
--Hebt ge er over nagedacht wat dat zeggen wil?
--Ja, vader. Ik heb mijn best gedaan om niet anders aan hem te denken, dan als aan den meester, dien ik toebehoor. Het heeft mij echter niet veel geholpen.
--Goed kind! Gij lijkt op uwe moeder, Esther. God vergeve mij, maar uwe liefde zou misschien niet ijdel geweest zijn, als ik behouden had wat ik had, zooals ik had kunnen doen. Geld is macht.
--Dan zou ik er veel slechter aan toe zijn, vader. Dan zou ik niet waard zijn, dat hij mij aanzag, en kon ik niet trotsch zijn op u. Zal ik u nu den brief voorlezen?
--Wacht nog even, kind. Om uw zelfswil moet ik u het ergste zeggen. 't Is misschien minder zwaar voor u, als wij het samen onder de oogen zien. Hij heeft een ander lief, mijn kind.
--Ik weet het, zeide zij ernstig.
--De Egyptische heeft hem in hare netten gevangen, vervolgde hij. Zij is zeer geslepen en daarenboven schoon, maar zij heeft geen hart. De dochter, die haren vader veracht, zal haren echtgenoot ongelukkig maken.
--Veracht zij haar vader?
--Ja. Haar vader is een wijs man, en, voor een heiden, op bijzondere wijze begenadigd. Zijn geloof strekt hem tot eer, maar zij lacht er mee. Gisteren hoorde ik haar zeggen: De dwaasheden der jeugd zijn vergefelijk. Den ouderdom betaamt wijsheid. Heeft een grijsaard die verloren, dan wordt het tijd dat hij sterft.--Dat zeide zij met het oog op haren vader. Wreede woorden, die men uit den mond van een Romein kon verwachten. Gij, mijn kind, zult, wat er ook van mij worde, nooit zeggen: het wordt tijd dat hij sterft. Neen, want uwe moeder was eene dochter Israëls.
Met tranen in de oogen kuste zij zijne hand en zeide: En ik ben het kind van mijne moeder.
--Ach, mijn kind, hernam haar vader na een kort zwijgen, als hij eenmaal de Egyptische getrouwd heeft, zal hij met wroeging aan u terug denken, want dan zal hij bemerken, dat zij hem slechts gebruiken zal om hare eerzucht te dienen. Rome is het middelpunt van hare droomen. Voor haar is hij de zoon van Arrius den duumvir, niet de zoon van Hur, vorst van Jeruzalem.
--Red hem, vader, smeekte zij, red hem, het is nog niet te laat.
Met een twijfelachtig lachje antwoordde hij: Een verdrinkende laat zich redden, een verliefde niet.
--U hebt toch invloed op hem. Hij staat zoo alleen in de wereld! Toon hem het gevaar, waarin hij verkeert. Zeg hem hoe gevaarlijk de Egyptische is!
--Dat zou hem uit hare handen kunnen redden, maar zou het hem aan u geven? Ach neen. Ik zou toch niet kunnen zeggen: mijne dochter heeft u lief....
--Maar vader, viel zij hem in de rede, dat bedoel ik immers niet! Ik dacht alleen aan hem, niet aan mijzelve. Zal ik u nu den brief voorlezen?
--Ja, doe dat.
Zij begon dadelijk, blijde dat zij dit onderwerp kon laten rusten.
Nisan, den 8sten dag.
Op den weg van Galilea naar Jeruzalem.
De Nazarener bevindt zich ook op dezen weg. Zonder dat hij het weet volg ik met een legioen. Een tweede legioen volgt ons op korten afstand. Het Paaschfeest is de dekmantel voor het groote getal Galileërs. Toen de Nazarener zich op weg begaf zeide hij: Wij gaan op naar Jeruzalem en het zal alles volbracht worden aan den Zoon des menschen wat geschreven is door de profeten.
Ons wachten spoedt ten einde. Vrede zij u, Simonides.
In haast.
BEN-HUR.
Esther gaf den brief aan haren vader terug. Het kostte haar moeite hare tranen te bedwingen. In den brief stond geen enkel woord aan haar, zelfs aan den groet had zij geen deel. En hoe gemakkelijk had hij kunnen schrijven: Vrede zij u en de uwen. Voor het eerst in haar leven gevoelde zij den prikkel der ijverzucht.
--Den achtsten dag, zeide Simonides, en wat hebben wij vandaag?
--Den negenden, antwoordde Esther.
--Zoo, dan zijn zij nu wellicht te Bethanië.
--Dan zullen wij hem dus misschien van avond zien, zeide zij.
--Best mogelijk, want morgen is het feest der ongezuurde brooden, en hij zal het willen vieren, evenals de Nazarener. Misschien zullen wij hen beiden zien, Esther.
Het gesprek werd afgebroken door de komst van den bediende met wijn en water, en even daarna kwam ook Iras boven.
Nog nooit had Esther de Egyptische zoo schoon gezien als hedenavond. Als in een wolk van gaas gehuld, voorhoofd, hals en armen met juweelen versierd, zweefde zij naderbij. Een glans van genoegen lag op haar gelaat. Esther drong zich onwillekeurig dichter tegen haar vader aan.
--Vrede zij u, Simonides, en u, lieftallige Esther, zeide Iras. Gij herinnert mij, goede vriend, als ik het zeggen mag zonder u te beleedigen, de priesters in Perzië, die 's avonds op het dak van hunne tempels stijgen, om de ondergaande zon hunne gebeden na te zenden. Als die godsdienst u misschien niet bekend is, wil ik mijnen vader roepen, om u in te lichten. Hij stamt van de Magiërs af.
--Schoone Egyptische, antwoordde de koopman ernstig, uw vader is een goed man, die het mij niet kwalijk zal nemen, als ik u zeg, dat zijne Perzische wetenschap het minste deel van zijne wijsheid uitmaakt.
Iras fronste de wenkbrauwen. Om ook philosophisch te spreken, zeide zij, bij minste behoort meeste. Mag ik vragen, wat het grootste deel is van die zeldzame eigenschap, wijsheid, die gij hem toeschrijft?
Simonides zag haar doordringend aan. De ware wijsheid, zeide hij, streeft omhoog naar God, de hoogste wijsheid is de kennis van God, en van allen, die ik ken, bezit niemand die in zoo hooge mate, als mijn goede vriend Balthasar.
Om een eind aan het gesprek te maken dronk hij langzaam zijn beker leeg. Iras keerde zich ontstemd tot Esther, zeggende: Een man, die millioenen bezit en geheele vloten op zee heeft, kan niet begrijpen wat vrouwen vermaakt. Kom, ga met mij naar de borstwering, dan kunnen wij ongestoord praten.
Esther deed wat haar verzocht werd en zij gingen naar dezelfde plek, waar jaren geleden Ben-Hur met zijn zuster gestaan had, om naar de soldaten te kijken.
--Zijt gij wel eens te Rome geweest? vraagde zij.
--Neen.
--Hebt gij nooit verlangd er heen te gaan?
--Neen.
--Och, wat hebt gij nog weinig van het leven genoten! riep zij meewarig, maar 't volgende oogenblik lachte zij luid en zeide: O, mijn lief onnoozel duifje, de vogeltjes, die hun nestje bouwen in het oor van de sphinx bij Memphis, zijn al even wijs, als gij!
Ziende dat Esther verlegen werd, vervolgde zij op vertrouwelijken toon: Vergeef het mij, ik zeide het maar uit gekheid. Laat ik een pleistertje leggen op de wond, en u vertellen wat ik aan niemand anders zou vertellen.
Zij lachte vriendelijk, maar zag Esther tegelijkertijd onderzoekend aan en zeide: De koning komt.
Esther zag verwonderd op.
--De Nazarener, vervolgde Iras, over wien uw vader en de mijne het zoo druk hebben, voor wien Ben-Hur al die moeite doet. De Nazarener komt morgen in de stad, en Ben-Hur komt van avond.
Esther trachtte zich goed te houden, maar het gelukte haar niet. Iras bracht lachend een brief uit haar gordel te voorschijn en zeide: Hier heb ik zijn belofte. Luister!
Daar weerklonken haastige stappen in de straat. Zij boog zich over den rand der borstwering om te zien, en sloeg in blijde verrukking de handen in elkaar. Gezegend zij Isis! riep zij, hij is het! Ben-Hur in eigen persoon! Dat is een goed voorteeken! Hij komt terwijl ik aan hem denk! Kom, Esther, geef mij een kus!
Fier hief het Joodsche meisje het hoofd op. Hare wangen gloeiden, hare oogen fonkelden. Haar zacht gemoed was diep gegriefd. Voor haar zelfs geen groet in zijn schrijven aan Simonides, en deze Egyptische had een eigenhandig geschreven brief van hem! Zij vraagde: hebt gij hemzelf lief, of hebt gij Rome nog liever?
Iras ging een stap achteruit, en vraagde scherp: Wat gaat u dat aan, dochter van Simonides?
Esther begon bevend: Hij is mijn....
Zij had willen zeggen: mijn meester, maar zij veranderde dit snel in: mijn vaders vriend.
--Niets meer? Nu, gij moogt uw kussen houden. Andere en betere wachten mij.
Zij keerde zich af, om weg te gaan, maar fluisterde nog even over haar schouder: Ik ga ze halen!
Esther zag haar na en barstte in tranen uit, tranen van schaamte en gekwetste liefde.
Reeds fonkelden de sterren aan den nachtelijken hemel, voordat zij hare zelfbeheersching teruggekregen had, en kalm genoeg was om naar haar vader terug te gaan, en hare plaats aan zijne zijde in te nemen. Dat was haar plicht, daar moest zij haar leven aan wijden, en om der waarheid getrouw te zijn, nu de hartstochtelijkheid harer droefheid voorbij was, nam zij blijmoedig hare taak weer op.
* * * * *
TWEEDE HOOFDSTUK.
BEN-HURS MEDELIJDEN.
Ongeveer een uur later kwamen Ben-Hur en Iras te zamen in de groote zaal, waar zij Balthasar, Simonides en Esther reeds bijeen vonden. Nadat de jonkman Balthasar gegroet had keerde hij zich tot Simonides, maar bleef, Esther ziende, verbaasd staan. Dat zij zich tot zulk een volmaakte schoonheid ontwikkelen zou had hij drie jaren geleden niet gedacht. Hij herstelde zich echter spoedig en zeide: Vrede zij u, lieftallige Esther, en u, Simonides. De zegen des Heeren zij uw deel, al was het alleen omdat gij een vader voor den vaderlooze geweest zijt.
--Wees welkom in uw vaders huis, zeide Simonides hartelijk. Zet u neder, en vertel ons van uwe reizen en van uw werk en van den leeraar uit Nazareth. Ga toch zitten, bid ik u, dan luisteren wij allen.
--Ja, antwoordde Ben-Hur, ik heb u veel van hem te vertellen. Ik heb hem gedurende verscheidene dagen nauwlettend gadegeslagen. Ik heb hem in moeilijke, zeer moeilijke omstandigheden gezien, en moet getuigen dat hij, hoewel hij een mensch is als ik, toch ook meer dan een mensch is.
Hier werd hij gestoord door het binnentreden van eene dienstmaagd. Hij keek om en riep blijde: Daar is Amrah! Goede, lieve Amrah!
De trouwe dienstmaagd kuste zijne handen, en op zijne vraag: Hebt ge nog niets van haar gehoord, niets? sprongen haar de tranen in de oogen.
--Gods wil geschiede! zeide hij treurig.
Na een oogenblik van stilte, waarin hij zijne aandoening meester trachtte te worden, zeide hij: Ga zitten, Amrah,--hier. Niet? Dan aan mijne voeten, want ik heb mijne vrienden veel te vertellen van den Nazarener. Ik zal beginnen met u te verhalen wat ik hem heb zien doen. Morgen komt hij in de stad om op te gaan naar den Tempel, dien hij zijn vaders huis noemt en waar hij, zooals algemeen verwacht wordt, den beslissenden stap zal doen. Morgen zullen wij dus zien wie gelijk heeft, gij, Balthasar, of Simonides.
Balthasar wreef zich in de handen en vraagde: Waar zal ik hem kunnen zien?
--Het gedrang zal groot zijn, antwoordde de jonkman. Ik denk dat gij niet beter doen kunt, dan met u allen naar het dak van den Voorhof van Salomo te gaan.
--Kunt gij ons begeleiden?
--Neen, mijne vrienden zullen mij noodig hebben bij den optocht.
--Optocht! riep Simonides. Komt hij dan met gevolg?
--Dat niet precies. Hij heeft twaalf mannen bij zich, allen uit den minderen stand. Zij reizen te voet, onverschillig voor wind, regen, of zonneschijn. Als zij vermoeid zijn zetten zij zich aan den weg neder om te rusten, en doen aan alles eerder denken, dan aan edellieden en vorsten. Slechts wanneer de leeraar het hoofd ontbloot ziet men dat hij de aanvoerder is, hun leermeester, hun meerdere, maar tevens hun vriend. Maar wat zoudt gij zeggen van een man, die rijk kon zijn door de steenen aan den weg in goud te veranderen, en die toch arm is uit vrije keus?
--De Grieken zouden hem een philosoof noemen, zeide Iras.
--Neen, dochter, antwoordde Balthasar, de philosofen hadden nooit de macht om zoo iets te doen.
--Hoe weet gij, dat deze mensch die macht wel heeft?
--Ik heb hem water in wijn zien veranderen, zeide Ben-Hur.
--Hoe wonderlijk! riep Simonides. Maar dat schijnt mij nog niet zoo vreemd toe als dat hij arm wil leven, terwijl hij rijk zou kunnen zijn. Is hij werkelijk zoo arm?
--Hij bezit niets, en benijdt niemand zijn rijkdom. Hij beklaagt veeleer de rijken. Dat echter daargelaten, wat zegt gij hiervan: ik zag hem zeven brooden en twee visschen vermenigvuldigen tot een voorraad zóó groot, dat er spijs was voor vijfduizend menschen en er nog manden vol overbleven. Dat heb ik den Nazarener zien doen.
--Hebt gij hem dat zien doen?
--Ja, en ik heb meegegeten van den visch en van het brood. Maar nog wonderlijker dingen heb ik gezien. Wat dunkt u van iemand die zoo groote genezende kracht bezit, dat de zieken slechts den zoom van zijn kleed behoeven aan te raken, om gezond te worden, ja dat het zelfs voldoende is van verre tot hem te roepen? Dat heb ik meer dan eens bijgewoond. Toen wij uit Jericho kwamen riepen twee blinden tot hem om hulp, hij raakte hunne oogen aan en zij konden zien. Een anderen keer brachten zij een verlamde tot hem en hij zeide alleen: Ga heen naar uw huis,--en ik zag den man gezond wegwandelen. Wat zegt gij daar wel van?
Simonides kon geen woorden vinden.
--Sommigen zeiden, dat dit duivelskunsten waren, gelooft gij dat soms ook? Ik zal u nog grooter dingen vertellen, die ik hem ook heb zien doen. Denk aan die vreeselijke ziekte, waarvan alleen de dood verlossen kan: de melaatschheid.
Hier werd Amrah onrustig en luisterde met gespannen aandacht.
--Ja, vervolgde Ben-Hur met toenemenden ernst, ja, luistert naar wat ik nu ga vertellen. Toen ik met hem in Galilea was kwam een melaatsche tot hem en riep: Heer, indien gij wilt, gij kunt mij reinigen!--Hij hoorde de smeekbede, raakte den verworpeling aan met de hand en zeide: Ik wil, word gereinigd.--En terstond was hij geheel gezond, zoo gezond als wij allen. Een anderen keer kwamen tien melaatschen tot hem en vielen voor hem neer, roepende: Meester, meester, ontferm u over ons!--Ik was er bij en hoorde hem antwoorden: Gaat heen, en vertoont uzelven den priester.
--En waren zij beter?
--Ja, zij waren nog niet lang op weg, of de ziekte was geheel van hen geweken.
--Nog nooit heb ik van zulke dingen gehoord; nog nooit, zeide Simonides zacht.
Het gezelschap verviel na deze mededeelingen in diep stilzwijgen. Ongemerkt stond Amrah op en verwijderde zich onhoorbaar.