Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde

Chapter 28

Chapter 283,999 wordsPublic domain

--Niet verder, mannen! riep hij. Daar komt de hoofdman met de wacht. Zij hebben zwaarden en schilden. Tegen hen zijn wij niet opgewassen. Wij hebben ons flink gehouden; laat ons terugtrekken, de poort uit, terwijl wij nog kunnen.

Langzaam trokken zij af. Gedurig moesten zij over hunne gevallen broeders heenstappen; sommige leefden nog en vraagden kermend om hulp. Maar de gesneuvelden waren niet allen Joden. Dat was een troostrijke gedachte.

De hoofdman riep hen spot- en scheldwoorden na, maar Ben-Hur lachte hem uit en antwoordde in het Latijn: Als wij Joodsche honden zijn, zijt gijlieden Romeinsche jakhalzen. Blijf maar, wij zullen wel terugkeeren!

De Galileërs juichten hem toe en gingen lachend verder. Buiten de poort stond een saamgepakte menigte, straten, daken, berghelling, alles was vol met menschen, die hunne verontwaardiging luide lucht gaven.

De wacht aan de buitenzijde liet de Galileërs ongemoeid door. Toen zij een eindweegs gegaan waren, zeide Ben-Hur tot de Galileërs: Broeders, gij hebt u dapper geweerd. Laat ons nu afscheid nemen, maar komt van avond bij mij in de herberg te Bethanië. Ik heb u een voorstel te doen in het belang van het geheele volk van Israël.

--Wie zijt gij? vraagden zij.

Een zoon van Juda. Zult gij komen?

--Ja, wij zullen komen.

Dit afgesproken zijnde ging ieder zijns weegs.

Op bevel van Pilatus werden de dooden en gewonden weggedragen. Onder het volk was veel geween; maar die getuigen geweest waren van de overwinning der Galileërs onder aanvoering van den onbekenden jongen held, vertelden overal wat er geschied was, en wachtten in spanning, of hij nog van zich zou doen hooren.

Zoo had Ben-Hur den eersten stap gedaan om zich vrienden te maken onder de Galileërs, en zich den weg gebaand tot grootere daden in dienst des Konings, die te komen stond.

Met welk gevolg zullen wij weldra zien.

* * * * *

BOEK VII.

* * * * *

EERSTE HOOFDSTUK.

DE HERAUT.

De samenkomst in de herberg te Bethanië had dienzelfden avond plaats. Van daar begaf Ben-Hur zich met zijne volgelingen naar Galilea, waar men reeds van zijn moedig optreden gehoord had. Nog vóór het einde van den winter had hij drie legioenen bijeen vergaderd en naar Romeinsche wijze ingericht. Hij zou gemakkelijk het dubbele getal hebben kunnen verzamelen, want de krijgsmansgeest was in het dappere volk ontwaakt. Zoowel tegenover Rome als tegenover Herodus Antipas waren echter de grootste voorzichtigheid en geheimhouding noodzakelijk. Zich dus voor het oogenblik tevreden stellende met drie legioenen, spande hij alle krachten in om hen te gewennen aan strenge tucht en gemeenschappelijken arbeid. Tot dat doel bracht hij de hoofdlieden naar de woeste streken van Trachonitis, en onderwees hen in het hanteeren der wapenen, inzonderheid van werpspies en zwaard, en in het aanvoeren van manschappen. Daarop zond hij hen naar huis terug, om op hunne beurt anderen te onderwijzen. Na weinig tijds waren deze oefeningen een geliefkoosde uitspanning onder het volk geworden.

Natuurlijk vereischte deze werkzaamheid veel geduld, beleid, ijver en opoffering, hoedanigheden die onontbeerlijk zijn, zal men anderen kunnen bezielen. Hoe zwoegde hij van den ochtend tot den avond, zichzelf geheel vergetende! Toch zou hij niet geslaagd zijn zonder de hulp van Simonides, die hem van wapenen en geld voorzag, en van Ilderim, die hem proviand bezorgde en overal wachten had uitgezet.

Voor de Galileërs had hij niets dan lof. Onder dien naam waren de stammen Aser, Zebulon, Issaschar en Nafthali begrepen, die het land bewoonden, hun weleer door Mozes aangewezen. De Joden, die in den omtrek des Tempels geboren waren, verachtten hunne noordelijke broederen, maar zelfs de Talmud leerde: De Galileër bemint de eer, de Jood het geld.

Hun haat tegen Rome was even vurig als hunne liefde voor het vaderland. Bij elken opstand waren zij de eersten om aan te vallen en de laatsten om te wijken. Honderdvijftigduizend Galileesche mannen hebben hun leven gelaten in den laatsten kamp tegen Rome. Voor de groote feesten trokken zij als geordende legerscharen op naar Jeruzalem en kampeerden in het open veld. Toch waren zij zeer vrijzinnig, en zelfs toegevend voor het heidendom. Op de schoone steden door Herodes in Romeinschen trant gebouwd, vooral op Sepphoris en Tiberias, waren zij zeer trotsch en droegen voor den bouw naar vermogen bij. Mannen uit alle oorden der wereld hadden hunnen woonstede onder hen en leefden er in vrede. Tot roem van den Hebreeuwschen naam brachten zij dichters en profeten voort, met name den zanger van het hooglied en Hosea.

Op een volk met zoo rijke verbeelding, zoo hooghartig, dapper en trouw, moest het verhaal van de aanstaande komst des nieuwen konings machtig werken. Dat zijn doel was Rome ten onder te brengen zou reeds voldoende geweest zijn, om hem te winnen voor Ben-Hurs plannen, doch toen men hun daarenboven verzekerde, dat de koning de wereld zou regeeren en een rijk zou stichten, nog machtiger dan dat van Cesar, nog heerlijker dan dat van Salomo, en dat die heerschappij eeuwig zou voortduren, stroomden zij toe, en wijdden zij zich met lichaam en ziel aan 's konings zaak. Zij vraagden Ben-Hur vanwaar hij deze dingen wist--en hij wees hen op de profeten, en vertelde hun van Balthasar, die in Antiochië op de komst des konings wachtte. Dat voldeed hen, want het was de oude Messiasbelofte, naar wier vervulling zij reeds zoo lang hadden uitgezien. De droom zou dus eindelijk verwezenlijkt worden.

De wintermaanden gingen voorbij. De lente kwam, en zoo voortreffelijk was hij met alles geslaagd, dat hij tot zichzelven en zijne volgelingen mocht zeggen: laat de koning nu maar komen. Hij heeft slechts te bevelen waar hij zijnen troon wil opgericht zien--wij zijn gereed om hem op zijnen troon te handhaven.

De Galileërs kenden hunnen aanvoerder alleen als een zoon van Juda. Een anderen naam had hij hun niet opgegeven.

* * * * *

Op zekeren avond zat Ben-Hur in Trachonitis met een paar van zijne Galileesche vrienden voor de spelonk, waar hij zijn hoofdkwartier had opgeslagen, toen een Arabische bode kwam aanrijden en hem een brief overhandigde. Hij verbrak het zegel en las:

Jeruzalem IV Nisan.

Een profeet is opgestaan, van wien men zegt dat hij Elias is. Hij heeft jarenlang in de wildernis geleefd, en in onze oogen is bij een profeet. Zijne taal maakt hem ook als zoodanig openbaar. In zijne prediking wijst bij steeds op één, grooter dan hijzelf, die weldra komen zal. Hij houdt zich op aan den oostelijken oever van den Jordaan. Ik ben hem gaan zien en hooren, en geloof vast dat degeen op wien hij wacht de koning is, dien gij verwacht. Kom en oordeel zelf. Geheel Jeruzalem gaat tot den profeet, en de plaats waar hij vertoeft is zoo vol, als de Olijfberg gedurende de laatste dagen van het Paaschfeest.

Malluch.

Ben-Hurs gelaat werd met een glans van vreugde overtogen. Mijne vrienden, zeide hij, ons wachten is ten einde. De heraut van den koning is verschenen en heeft zijne komst aangekondigd.

Nadat hij hun den brief had voorgelezen, verheugden zij zich allen met groote blijdschap.

--Maakt u dus gereed, vervolgde hij, en keert morgenochtend huiswaarts. Doet al de uwen weten, dat zij zich gereed houden om op te trekken, zoodra ik het sein geef. Ik zal gaan zien, of de komst van den koning werkelijk zoo nabij is en het u doen weten.

Hij ging de spelonk binnen om een brief te schrijven aan Ilderim en aan Simonides, waarin hij hun de zoo even ontvangen tijding mededeelde. De brieven verzond hij door ijlboden. 's Avonds, toen de sterren aan den hemel flonkerden, steeg hij te paard en begaf zich met een Arabischen gids op weg naar den Jordaan. Zijn plan was den weg te volgen tusschen Rabbath Ammon en Damascus, den weg, dien de karavanen gewoonlijk namen.

De gids was vertrouwbaar. Aldebaran was vlug;--tegen middernacht hadden zij het lavagebied reeds achter zich en waren zij op weg naar het Zuiden.

* * * * *

TWEEDE HOOFDSTUK.

EEN VERRASSING.

Ben-Hur had gehoopt met het aanbreken van den dag een veilige rustplaats te zullen bereiken, maar de morgenstond overviel hem in de woestijn, en hij zette de reis voort, daar de gids hem verzekerde, dat zij weldra aan een door hooge rotsen ingesloten dal zouden komen, waar hij een bron, moerbeiboomen en gras in overvloed zou vinden.

Nadat zij eenigen tijd zwijgend hadden doorgereden, vestigde de gids, die aanhoudend rondkeek, zijne aandacht op een gezelschap, dat, hoewel nog verre achter hen, denzelfden weg scheen te volgen.

--Het is een gezadelde kameel, zeide de gids een oogenblik later.

--Zijn er geleiders bij? vraagde Ben-Hur.

--Neen ... of ja, er is een man te paard bij, zeker de drijver.

Een weinig later kon Ben-Hur zelf den kameel onderscheiden. Hij was wit en buitengewoon groot, en herinnerde hem terstond het schoone dier, dat hij bij de Castaliabron gezien had. Geen ander was dien kameel gelijk. Zijne gedachten vlogen terug naar de Egyptische, ongemerkt liet hij zijn paard langzamer gaan. Eindelijk zag hij dat de kameel een overdekte zonnetent droeg, waarin twee personen zaten. Als dat eens Balthasar en Iras waren? Zou hij zich aan hen bekend maken? Maar dat was immers niet mogelijk! Wat zouden zij hier in de woestijn doen, zij alleen?

Terwijl hij de mogelijkheid of onmogelijkheid overdacht, was de kameel hem reeds op zijde gekomen. Hij hoorde het gerinkel der belletjes en zag de rijke versiering, die het volk aan de Castaliabron zoozeer bekoord had; ook den Ethiopiër herkende hij. Toen de kameel het paard had ingehaald hield hij stil, en zag Ben-Hur de verbaasde oogen van Iras op zich gevestigd.

--De zegen van den waren God zij met u, zeide Balthasar.

--En met u en de uwen, antwoordde Ben-Hur.

--Mijne oogen zijn verzwakt door de jaren, zeide Balthasar, maar toch meen ik in u den zoon uit het huis van Hur te herkennen, dien ik onlangs ontmoet heb, als den geëerden gast van Ilderim.

--En gij zijt Balthasar, de wijze Egyptenaar, wiens gesprek over zekere heilige zaken mij nog in de ooren klinkt, te meer daar diezelfde zaak mij de reis door deze wildernis deed aanvaarden. En wat bracht u hier zoo alleen?

--Hij, die op God vertrouwt, is nooit alleen, en God is overal, zeide Balthasar ernstig. Maar in antwoord op uwe vraag diene, dat een karavaan, op weg naar Alexandrië, ons op korten afstand volgt, en daar zij Jeruzalem denkt aan te doen, dacht het mij goed gebruik te maken van haar geleide tot aan de Heilige Stad, waarheen ik op reis ben. Zij gaat mij echter te langzaam, daarom reden wij hedenmorgen vooruit. Voor roovers op den weg zijn wij niet bang, want wij hebben een geleibrief van Sheik Ilderim, en tegen roofdieren is God onze beschutting.

--De geleibrief van den Sheik is van kracht zoover de woestijn zich uitstrekt, en de leeuw, die dezen vorst der kameelen inhaalt, moet zeker nog geboren worden, zeide Ben-Hur, het dier op den hals kloppende.

--Ja, zeide Iras, maar ook hij verlangt naar het verbreken van zijn vasten. Koningen voelen daar ook wel de gevolgen van. Indien gij werkelijk de Ben-Hur zijt, dien ik het genoegen heb gehad reeds vroeger te ontmoeten, zal het u zeker een genoegen zijn ons den weg te wijzen naar een bron, want wij verlangen naar een teug frisch water.

--Schoone Egyptische, antwoordde hij, ik kan met u gevoelen. Kunt gij nog vijf minuten geduld oefenen, dan zal ik u bij eene bron brengen, wier water niet onderdoet voor dat van de beroemde Castaliabron.

Dit gezegd hebbende reed Ben-Hur vooruit met den gids, daar het gesprek onder het rijden toch niet kon worden voortgezet. Na een korten rit kwam het gezelschap aan een _wady_. Hare bedding was zeer week door de regens van de laatste dagen en voerde vrij steil naar beneden. Weldra echter werd zij breeder en verliep ten slotte in een vruchtbare vallei, die, na de zandige eentonige vlakte, den indruk maakte van een paradijs. Eenige bloeiende oleanders, wier schitterend roode bloemen dadelijk de aandacht tot zich trokken, waren het sieraad van dit liefelijk oord. Een statige palmboom verhief zijn kruin ten hemel en bood den reizigers rust en koelte aan onder zijn breede takken. Een moerbeziënboschje ter linkerzijde gaf de plaats aan waar de bron te vinden was.

Het water stroomde uit een rotsspleet, die door een zorgende hand verbreed was, en waarboven in groote letters het woord GOD in het Hebreeuwsch gegraveerd stond. Zonder twijfel had hij, die de letters in den steen gegrift had, hier dagen lang getoefd, en op deze wijze zijne dankbaarheid geuit.

Ben-Hur en de gids stegen af, de Ethiopiër deed den kameel nederknielen, zoodat Balthasar en Iras de tent konden verlaten.

De Egyptenaar keerde zijn gelaat naar het Oosten, vouwde de handen eerbiedig en bad.

--Geef mij een beker, beval Iras ongeduldig, en toen de Ethiopiër haar onhandig een kristallen beker had gebracht, zeide zij tot Ben-Hur: Ik zal u bedienen.

Te zamen wandelden zij naar de bron. Hij wilde water voor haar scheppen, maar zij stond het hem niet toe, knielde neder, vulde zelve den beker en bood hem dien aan.

--Neen, neen, zeide hij, het is aan mij u dezen dienst te bewijzen.

Zij bleef echter aandringen, er bijvoegende: Wij, Egyptenaren, zoon van Hur, hebben een spreekwoord: Beter de schenker te zijn van den gelukkige, dan raadsman van een koning.

Nu voegde Balthasar zich bij hen.

--Wij zijn u zeer verplicht, zeide hij, deze vallei is liefelijk; het gras, de boomen, de schaduw noodigen ons tot een rustig verblijf. De bron fonkelt in den zonneschijn en spreekt tot mij van een God vol liefde. Blijf bij ons en zit met ons aan.

--Laat ik u dan eerst met een dronk mogen verkwikken, zeide de jonkman, hem een vollen beker aanbiedende.

Intusschen had de slaaf de tent opgeslagen en alles voor het ontbijt in gereedheid gebracht, waaraan door de reizigers alle eer bewezen werd.

* * * * *

DERDE HOOFDSTUK.

ONSTERFELIJKHEID.

De koele atmosfeer, de schoone bloemen, de sabbatsstilte, alleen verbroken door het zachte ruischen van het water en het gonzen der insecten, brachten den Egyptenaar in een opgewekte stemming.

--Toen wij u inhaalden, zoon van Hur, zeide hij, was uw gelaat naar Jeruzalem gekeerd. Mag ik u vragen of dat het doel uwer reis is?

--Ja, ik ben op weg naar de Heilige Stad.

--Wij ook, en daar ik mijne krachten sparen moet wensch ik er zoo spoedig mogelijk te zijn. Kunt gij mij ook zeggen, of er een korter weg is, dan die over Rabbath Ammon?

--Ik ga over Gerasa, en Rabbath Gilead, dat is veel korter, maar ook vermoeiender.

--Ik verlang naar het einde van de reis, zeide Balthasar. In den laatsten tijd droomde ik telkens denzelfden droom. Herhaaldelijk hoorde ik een stem, die mij toeriep: Haast u, maak u op! Hij, dien gij zoolang verwacht hebt, staat te komen.

--Gij bedoelt hem, die de koning der Joden zal worden? vraagde Ben-Hur verbaasd.

--Juist.

--Hebt gij dus nog niets van hem gehoord?

--Niets, behalve die woorden van mijn droom.

--Ziehier dan een tijding, die u zal verheugen.

Uit de plooien van zijn gewaad haalde Ben-Hur den brief van Malluch te voorschijn. Balthasar strekte er de hand naar uit en las hem hardop. Toen hief hij zijne oogen dankend op naar den hemel. Hij deed geen vragen, maar twijfelde ook niet.

--Hoe goed zijt gij voor mij geweest, o God, zeide hij. Vergun mij, bid ik u, den Messias te zien, opdat ik hem moge aanbidden, en laat uw dienstknecht heengaan in vrede.

De eenvoudige, vertrouwelijke bede maakte diepen indruk op Ben-Hur. Nooit had hij zoo Gods tegenwoordigheid gevoeld. Het was hem, alsof God hier persoonlijk bij hem was, een vriend, wien zij alles konden vragen, een vader, die al zijne kinderen evenzeer liefhad, een vader voor den zoon van Israël, zoowel als voor den heiden, een vader voor allen, wien allen naderen mochten zonder tusschenkomst van priesters of leeraars. De gedachte, dat zulk een God de menschheid een Verlosser zou kunnen zenden in plaats van een koning, kwam hem niet meer zoo vreemd voor, de vraag kwam zelfs bij hem op, of het niet veel meer overeenkomstig was met het wezen Gods. Daarom zeide hij: Denkt gij nu nog dat hij als Verlosser zal optreden en niet als koning?

--Wat zal ik daarop zeggen? antwoordde Balthasar. De geest, die mij weleer geleidde, is mij niet meer verschenen sinds ik u ontmoette in de tent van den goeden Sheik; ten minste niet op de vroegere wijze. Maar ik geloof dat die geest nu in mijne droomen tot mij spreekt. Een andere openbaring heb ik niet.

--Ja maar, zeide Ben-Hur, gij dacht dat hij een koning zou zijn, hoewel niet als de vorsten der aarde. Gij dacht dat zijne heerschappij geestelijk zou zijn, niet van deze wereld.

--O ja, luidde het antwoord, en dat geloof ik nog. Ik zie dat er verschil is in onze verwachting. Gij gaat om een koning van menschen te ontmoeten, ik ga om een behouder van zielen te zien.

Hij hield even op, alsof hij naar de juiste woorden zocht om zijne meening duidelijk te maken.

--Laat mij trachten, zoon van Hur, u een juist begrip te geven van mijn geloof. Als ik u gezegd zal hebben waarom de geestelijke heerschappij, die hij zal uitoefenen, in ieder opzicht uitnemender is, dan enkel koninklijke pracht, zult gij mij beter begrijpen. Ik kan niet met zekerheid zeggen wanneer het denkbeeld, dat ieder mensch eene ziel heeft, ontstaan is. Waarschijnlijk brachten de eerste menschen het mede uit den hof in Eden. Dat het nooit geheel verloren ging weten wij allen. Waarom zou ieder mensch eene ziel hebben? Laat ons daar eens even bij stilstaan. Zich neder te leggen en te sterven, op te houden te bestaan werd nooit door eenig mensch begeerd. Allen zonder onderscheid zullen in het diepst hunner ziel wel op iets beters gehoopt hebben. De monumenten der volken zijn zoovele protesten tegen de vernietiging na den dood, evenzoo hunne standbeelden en opschriften, evenzoo de geschiedenis. De grootste onzer Egyptische koningen liet zijne beeltenis in een rots uithouwen. Dagelijks ging hij er met zijn gevolg heen om het werk te zien. Eindelijk was het gereed, de gelijkenis was treffend. Mogen wij ons nu niet voorstellen, dat hij, voor dat kunstwerk staande, gedacht heeft: Laat de dood vrij komen, ik leef in de toekomst voort!... Hij heeft zijn wensch gehad. Het beeld staat er nog.

Maar waar bestaat het voortleven in, dat hij zich dus verzekerde? Alleen in de herinnering der menschen--een roem, vergankelijk als het schijnsel der maan op het groote beeld. En wat is intusschen van den koning geworden? In de koninklijke graven ligt een gebalsemd lichaam, dat eenmaal het zijne was. Maar waar, zoon van Hur, is de koning zelf? Is hij in het niet verzonken? Tweeduizend jaren zijn verloopen sedert hij op deze aarde leefde, als gij en ik. Was met zijn laatste ademtocht alles voor hem afgedaan? Zeggen wij ja, dan brengen wij eene beschuldiging in tegen God. Wij nemen daarom een beter en werkelijk leven na den dood aan, iets wat meer is dan een voortleven in de herinnering. Daarom gaf God ons bij de geboorte eene ziel, die onsterfelijk is. Denk nu eens aan het genot, dat in de gedachte ligt: Wij hebben een ziel. Deze gedachte ontneemt den dood zijne verschrikking, door het sterven te maken tot een verandering voor beter, en het begraven tot het zaaien van een zaad, waaruit een nieuw leven zal ontspruiten. Zie mij, oude man, aan, verzwakt naar het lichaam. Weldra zal het graf mij ontvangen, maar dan ook openen zich voor mij de onzichtbare deuren van Gods heerlijk huis, om mij, dat is mijne bevrijde onsterfelijke ziel, op te nemen. O, had ik woorden om dat heerlijke leven te schetsen! Zeg niets, dat ik er niets met zekerheid van weet. Dit weet ik, en dat is mij genoeg: een ziel te bezitten sluit in deel te hebben aan een goddelijke eigenschap. Zulk een verloste ziel heeft niets meer met het stof, met het onreine te maken; zij leeft in volkomen reinheid. Zal ik, dit geloovende, dan nog met mijzelven of met u gaan redeneeren over de bijomstandigheden? Over den vorm van mijne ziel, of over de behoefte aan spijs en drank, of hoe mijne ziel bekleed zal zijn? Neen, dat laat ik gerust aan God over. Het schoone in deze wereld komt alles uit zijne hand. Hij bekleedt de lelie, Hij geeft de roos haar kleurenpracht, Hij roept den dauwdroppel te voorschijn. De harmonie in de natuur is door Hem ontstaan. Hij maakt ons voor dit leven geschikt en stelde zijne voorwaarden vast. Zij zijn van dien aard, dat ik met volle gerustheid mijne ziel en het leven na den dood in zijne handen stel. Ik weet dat Hij mij liefheeft.

Balthasar zweeg. Ben-Hur, ja zelfs Iras, was aangedaan. Voor den eerste ging een licht op. Hij begon in te zien, dat een geestelijk koningschap voor de menschheid van nog grooter belang kon zijn, dan een aardsch koninkrijk, en dat een Verlosser, meer dan de machtigste koning, een Gode waardige gave zou zijn.

Na eenigen tijd verbrak Balthasar het stilzwijgen en zeide: Het wordt tijd dat wij opbreken en onze reis vervolgen. Ik brand van verlangen om hem te zien, die mijne gedachten geheel vervult. Laat dat verlangen mijne verontschuldiging zijn, zoon van Hur, als ik u tot spoed aanzet.

Terwijl de Ethiopiër alles weer opbergde bracht de Arabische gids de paarden voor, en weldra was het gezelschap op weg om de karavaan in te halen, die hen naar alle waarschijnlijkheid reeds vooruit gekomen was.

* * * * *

VIERDE HOOFDSTUK.

DE HERAUT EN ZIJN KONING.

Op den derden dag van de reis nam het gezelschap tegen den middag een weinig rust bij de beek Jabbok. Zij troffen daar ruim honderd mannen aan, grootendeels uit Perea, die hier met hetzelfde doel als zij vertoefden. Nauwelijks waren zij afgestapt, of een man trad op hen toe met een kruik water en bood hun een frisschen dronk aan, van welk aanbod zij gaarne gebruik maakten. De man bekeek intusschen den kameel en zeide: Wat een prachtig dier! Ik kom juist van den Jordaan, waar het dezer dagen druk bezocht is door reizigers van nabij en van verre, maar geen van hunne kameelen kan in de schaduw staan van dezen. Mag ik vragen van welk ras hij is?

Balthasar bevredigde zijne nieuwsgierigheid en ging toen wat rusten, maar Ben-Hur vraagde: Waar is het zoo druk?

--Te Bethabara.

--Daar placht het vroeger heel eenzaam te zijn, zeide Ben-Hur, hoe komt het daar nu zoo vol?

--O, ik zie het al, zeide de vreemdeling, gij komt ook van buitenaf en hebt het goede nieuws nog niet gehoord.

--Welk goed nieuws?

--Er is een man uit de woestijn gekomen, een heilig man, die een nieuwe leer predikt. Hij noemt zich Johannes, den zoon van Zacharia, en hij zegt, dat hij de voorlooper is van den Messias. Men verhaalt van hem, dat hij van jongsaf gewoond heeft in een spelonk bij Engedi, en zijn tijd doorbracht met bidden en vasten. Geheele scharen gaan uit om hem te hooren. Ik ben er ook geweest.

--En deze mannen? Komen die er ook vandaan?

--Verscheidene, maar de meesten moeten nog gaan.

--Wat predikt hij?

--Een nieuwe leer, zooals nog nooit in Israël verkondigd werd, zegt men. Hij spreekt over bekeering en over den doop. De rabbi's weten niet wat zij van hem denken moeten. Sommigen vraagden hem of hij de Christus is, of Elia, maar hij antwoordt allen, die hem zulke vragen doen: Ik ben de stem des roependen in de woestijn, maakt den weg des Heeren recht!

Op dit oogenblik werd hij weggeroepen. Kort daarna maakten Balthasar en Ben-Hur zich weder op, zoodat zij den volgenden dag het doel hunner reis bereikten.

Een levendig tafereel trof hun oog. Een menigte tenten was langs de rivier opgeslagen, terwijl de beide oevers zwart van menschen waren. Toen ons gezelschap aankwam ontstond er beweging onder de schare, waaruit zij opmaakten, dat de spreker zijn rede geëindigd had.

--'t Beste wat wij kunnen doen is, dat wij hier blijven staan, zeide Ben-Hur, misschien komt de Nazireër dezen weg langs.