Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde
Chapter 27
Terwijl Amrah nog altijd zit te wachten en uit te kijken, zullen wij zien met welk doel zij daar kwam.
Zij was gewoon 's avonds ter markt te gaan. Onopgemerkt sloop zij dan het huis uit, en begaf zich naar de winkels bij de Vischpoort, in het oosten der stad, waar zij hare inkoopen deed, om daarna weder even geheimzinnig in huis te komen. Hoe gelukkig zij was, dat zij haar jongen meester weer bij zich had, kan men zich voorstellen. Zij kon hem echter niets vertellen van zijne moeder en zuster. Hij trachtte haar over te halen een andere woning te betrekken, maar zij was er niet toe te bewegen. Gaarne zou zij gezien hebben, dat hij zijn oude kamer weer betrokken had, die onveranderd dezelfde gebleven was, maar het gevaar van ontdekt te worden was te groot, en hij wilde zoo min mogelijk de aandacht trekken. Hij bleef dus bij zijn voornemen om in de herberg der wijk Bezetha te overnachten, en beloofde Amrah zoo dikwijls mogelijk bij haar te zullen komen, maar altijd 's avonds laat. Hiermede moest zij zich tevreden stellen, en van nu was zij op niets anders bedacht, dan hoe zij hem genoegen zou kunnen doen. Dat het kind intusschen man geworden was scheen niet bij haar te wegen, en de mogelijkheid dat zijn smaak veranderd kon zijn, kwam niet bij haar op, waarom zij hem als van ouds dacht te bedienen. Zij herinnerde zich nog goed waar hij het meest van gehouden had, en nam zich voor te zorgen dat zij daar altijd genoeg van in huis had. Daarom ging zij de volgenden avond wat vroeger uit dan gewoonlijk, en terwijl zij een winkel binnenging om honig te koopen gebeurde het, dat zij op een groepje menschen stuitte, geschaard rondom een werkman, die hun een verhaal deed.
Wat dat voor een verhaal was, zal de lezer wel begrijpen, als hij verneemt, dat de verteller een der werklieden was, die den commandant van den burcht Antonia bijgelicht hadden, toen hij de gevangenen in cel VI bezocht. Hij vertelde alles wat hij gehoord en gezien had tot in de kleinste bijzonderheden, ook den naam der ongelukkige slachtoffers.
Met welke gevoelens de trouwe Amrah naar die tijding luisterde valt niet te beschrijven. Zij deed hare inkoopen en keerde als in een droom huiswaarts. Welk eene verrassing kon zij den jongen meester nu bereiden! Zij had zijne moeder gevonden!
Thuis gekomen bergde zij het gekochte weg, en lachte en schreide te gelijk. Eensklaps bleef zij onbewegelijk staan en dacht een oogenblik na. Ach, het zou immers zijn dood wezen, als hij hooren moest, dat zijne moeder en zuster melaatsch waren! Zonder twijfel zou hij naar dat oord der verschrikking bij den berg gaan en de besmette spelonken doorzoeken, totdat hij ze gevonden had. Dan zou de ziekte ook hem aantasten en zou hij haar lot moeten deelen. Zij wrong wanhopig de handen. Wat moest zij doen!
Evenals menigeen voor en na haar hielp de liefde haar uit den nood.
De melaatschen, dat wist zij, waren gewoon 's morgens hunne holen te verlaten, om het benoodigde drinkwater uit de bron Rogel te halen. Zij brachten hunne waterkruiken mede, zetten die op den grond, en stonden dan van verre te wachten, totdat zij gevuld waren. De wet was onverbiddelijk en liet geen onderscheid toe tusschen rijken of armen. Hare meesteres en Tirza zouden dit ook moeten doen.
Zoo besloot Amrah dan niets te zeggen van hetgeen zij gehoord had, maar eerst naar de bron te gaan en daar te wachten. Honger en dorst zouden de ongelukkigen derwaarts drijven, en zij geloofde zeker haar op het eerste gezicht te zullen herkennen; zoo niet, dan zouden zij het haar doen.
Intusschen kwam Ben-Hur thuis en had veel met haar te bespreken. Morgen zou Malluch komen, dan zouden zij terstond met het onderzoek beginnen. Hij verlangde er vurig naar. Om zich wat afleiding te bezorgen wilde hij de heilige plaatsen op den tempelberg gaan bezoeken. Het geheim woog de arme Amrah wel zwaar op het hart, maar zij wist zich te beheerschen en zweeg.
Na zijn vertrek zette zij zich aan den arbeid en maakte eenige kostelijke spijzen gereed. Zoodra de sterren verbleekten en de eerste morgenschemering aanbrak pakte zij hare mand vol, nam een waterkruik en sloeg den weg in naar de bron Rogel, waar wij haar zien wachten.
Kort na zonsopgang, toen de bezoekers vele waren en de man de handen vol werk had, toen zelfs een half dozijn emmers te gelijk werd neergelaten, daar iedereen zich haastte om weg te komen, voordat de koele morgen plaats maakte voor de hitte des daags, kwamen ook de arme spelonkbewoners te voorschijn. Zij naderden in groepjes, vrouwen met kruiken op den schouder, oude en zwakke mannen leunende op krukken en stokken, of op den schouder van een jongere, sommige zelfs op draagbaren uitgestrekt, ook enkele kinderen. Van hare zitplaats hield Amrah trouw de wacht. Meer dan eens meende zij haar te zien, dien zij zocht. Dat zij op den berg waren betwijfelde zij niet; dat zij komen moesten en zouden wist zij. Als al de anderen gereed waren zouden zij komen, dat stond bij haar vast.
Aan den voet van den berg was een grafspelonk, die meer dan eens Amrah's opmerkzaamheid getrokken had door haar wijden ingang. Een bijzonder groote steen lag bij de opening. Gedurende het heetst van den dag wierp de zon hare stralen in het oogenschijnlijk onbewoonde en onbewoonbare hol. En zie, juist uit die spelonk zag de geduldige Egyptische tot hare verbazing twee vrouwen komen, waarvan de eene de andere leidde en steunde. Beider haar was wit, beiden schenen reeds oud te zijn, maar hare kleeding was netjes en goed. Zij zagen rondom zich, alsof alles haar vreemd was. Verbeeldde Amrah het zich, of schrikten die twee, toen zij hare deelgenooten in de ellende zagen? 't Waren maar kleinigheden, die zij opmerkte, maar zij deden haar hart sneller kloppen en hare aandacht uitsluitend op die twee vrouwen vestigen.
De twee melaatschen bleven een oogenblik bij den steen staan, en gingen toen langzaam en alsof het loopen haar moeilijk viel naar de bron, waarop verscheidene stemmen haar toeriepen te blijven waar zij waren; maar 't scheen alsof zij het niet begrepen, want zij gingen door. De putbewaarder nam eenige steentjes op om haar daarmede te verdrijven, de omstanders wierpen haar vloeken naar 't hoofd, en de andere melaatschen riepen luid: Onrein! Onrein!
--Ja zeker, dacht Amrah, die twee zijn vreemd en kennen de gebruiken der melaatschen niet.
Zij stond op, ging haar te gemoet met haar mandje en kruik, en terstond hield het rumoer aan de bron op.
--Hoe dwaas, zeide één lachend, zulk goed eten aan de dooden te geven!
--En er nog wel zoo ver voor te komen, zeide een ander. Ik zou ze tenminste aan de poort bescheiden.
Amrah stoorde zich niet aan de praatjes en volgde de inspraak van haar hart. Toch was zij er nog niet geheel zeker van. Als zij zich eens vergiste! De moed ontzonk haar bijna, en hoe dichter zij bij de twee vrouwen kwam, des te meer raakte zij aan het twijfelen. Op een afstand van tien of twaalf voetstappen bleef zij staan. Kon dat de geliefde meesteres zijn, wier edele trekken zij zoo trouw in dankbaar aandenken bewaard had? En kon dat Tirza zijn, die zij van klein af verzorgd had, met wie zij gespeeld had? Dat de lieve, mooie, vroolijke Tirza, de zonnestraal in het groote huis? Onmogelijk. Het aanschouwen dier rampzaligen maakte haar ziek.
--Dit zijn oude vrouwen, zeide zij tot zichzelve. Ik heb ze vroeger nooit gezien; ik zal maar teruggaan.
Zij keerde zich om en ging.
--Amrah! riep een der beide melaatschen.
--Wie roept mij? vraagde Amrah bevend.
--Amrah!
--Wie zijt gij? vraagde zij.
--Wij zijn, die gij zoekt.
Amrah viel op hare knieën.
--O lieve, lieve meesteres! Uw God, die ook de mijne is, zij geloofd en geprezen, dat ik u heb mogen vinden!
De trouwe ziel kroop op de knieën naar haar toe.
--Pas op, Amrah! Kom niet dichterbij. Onrein! Onrein!
Amrah, dus tegengehouden, bedekte haar gelaat met beide handen en snikte zoo luid, dat de menschen bij de bron het hoorden. Eensklaps richtte zij zich op en vraagde: Lieve meesteres, waar is Tirza toch?
--Hier ben ik, Amrah, hier! Zoudt gij mij wat water willen geven?
Amrah sprong op, streek zich het haar uit de oogen, en nam den doek van haar mandje. Zie, sprak zij, ik heb wat brood en vleesch voor u meegebracht.
--Dat is goed van u, Amrah. Wilt gij nu wat water voor ons halen? dan nemen wij het mee naar de spelonk. Meer moogt gij vandaag niet voor ons doen.
De lieden bij de bron, die dit alles van verre hadden gadegeslagen, gingen voor Amrah op zijde, en hielpen haar zelfs de kruik vullen, zoozeer wekte haar zichtbare droefheid hun medelijden op.
--Wie zijn dat? vraagde eene vrouw.
Zacht antwoordde Amrah: Zij zijn goed voor mij geweest.
Toen de kruik gevuld was zette zij die op haar schouder en spoedde zich naar de melaatschen terug. In haren ijver zou zij tot vlak bij haar gegaan zijn, maar de kreet: Onrein! Onrein! hield haar nog intijds tegen. Zij zette de kruik naast het mandje, en ging een paar stappen terug.
--Hartelijk dank, goede Amrah, gij hebt braaf gehandeld.
--Kan ik nog iets voor u doen?
De moeder had de kruik reeds opgenomen en hoewel zij versmachtte van dorst zette zij haar weder op den grond en zeide: Ja. Ik weet dat Juda thuis gekomen is. Ik zag hem eergisteravond op de stoep liggen slapen, en ik zag u, toen gij hem wakker maaktet.
Amrah sloeg de handen ineen en riep: Dat zaagt gij, en kwaamt niet bij ons.
--Dat mocht ik immers niet doen. Ach, Amrah, ik kan mijn zoon nooit meer in de armen nemen, hem nooit meer aan mijn hart drukken. Amrah, ik weet dat gij hem liefhebt, niet waar?
--Ja, ja, ik wil als 't noodig is voor hem sterven, riep de trouwe ziel.
--Welnu, geef mij daar een bewijs van.
--Al wat gij wilt.
--Dan moogt gij hem niet zeggen waar en hoe gij ons gevonden hebt. Anders niet.
--Maar hij zoekt u overal! Hij is van verre gekomen om u te zoeken!
--Hij mag ons niet vinden. Hij mag niet worden wat wij zijn. Luister, Amrah. Blijf ons dagelijks van het noodige voorzien, zooals gij heden deedt. Het zal niet lang noodig zijn, neen, niet lang. Kom 's morgens en 's avonds en vertel ons van hem; maar tegen hem geen woord over ons. Belooft gij mij dat, Amrah? drong de moeder met trillende stem.
--Ach, 't zal mij zoo zwaar vallen te zien hoe hij u overal loopt te zoeken, en hem dan niet te kunnen of te mogen zeggen, dat u nog leeft!
--Kunt ge hem zeggen dat gij ons gezond en wel hebt aangetroffen, Amrah?
Amrah snikte.
--Neen, vervolgde de moeder, en daarom moet gij zwijgen. Ga nu, en kom van avond terug, dan zien wij naar u uit. Tot zoolang, vaarwel!
Amrah bleef geknield liggen, totdat moeder en dochter in de spelonk verdwenen waren. Toen keerde zij bedroefd huiswaarts. Dienzelfden avond kwam zij terug en deed dat voortaan dag aan dag, zoodat het de uitgestootenen aan niets ontbrak. De spelonk, hoe eenzaam en verlaten ook, was toch niet zoo somber, als de cel in den burcht. Het daglicht stroomde naar binnen, zij waren in de vrije natuur, en het valt gemakkelijker geloovig den dood te verbeiden onder de open lucht, dan in een onderaardschen kerker.
* * * * *
ZESDE HOOFDSTUK.
DE KAMPVECHTER.
Aan den morgen van den eersten dag der zevende maand Tishri in 't Hebreeuwsch, October bij ons, verrees Ben-Hur van zijne legerstede in de herberg,--ontevreden met de geheele wereld.
Na de aankomst van Malluch, nu anderhalve maand geleden, waren zij dadelijk aan het werk getogen. Malluch begaf zich allereerst naar den burcht Antonia, en wendde zich rechtstreeks tot den commandant, wien hij een omstandig verhaal deed aangaande het gebeurde met de familie Hur, en duidelijk deed uitkomen, dat bij het ongeluk aan Gratus overkomen geen sprake kon zijn van boosaardig opzet. Het doel van zijne nasporingen was, zeide hij, ingeval de ongelukkigen nog leefden, den keizer een smeekschrift aan te bieden, met verzoek om herstel van eer, rechten en goederen. Zulk een smeekschrift zou, daar twijfelde hij niet aan, een nauwkeurig onderzoek ten gevolge hebben, een onderzoek, waarvoor de vrienden der familie volstrekt niet vreesden.
Tot antwoord deelde de commandant hem mede, dat de vrouwen in cel VI gevonden waren, en gaf hem de memorie ter inzage, die hijzelf opgesteld had, ja, stond zelfs toe dat Malluch er een afschrift van nam.
Daarop haastte deze zich terug naar Ben-Hur.
De jonkman was verplet hij het hooren van de vreeselijke tijding. Zijne smart was te groot om in tranen of hartstochtelijke uitbarstingen van woede verluchting te kunnen vinden. Doodsbleek bleef hij langen tijd voor zich uit staren, nu en dan bij zichzelven herhalende: Melaatsch! Zij--, moeder en Tirza--zij melaatsch! Hoe lang, o God, hoe lang?
Het eene oogenblik was hij vol van deernis, het volgende smachtte hij er naar wraak te nemen. Eindelijk stond hij op.
--Ik moet ze gaan zoeken, Malluch! Misschien zijn zij stervend!
--Waar wilt gij zoeken? vraagde deze.
--Er is maar ééne plaats, waarheen zij hebben kunnen gaan.
Malluch trachtte het hem te ontraden, en slaagde er eindelijk in hem te overtuigen van de noodzakelijkheid er zich persoonlijk buiten te houden en alles aan hem, Malluch, over te laten. Te zamen gingen zij naar de poort tegenover den Berg van den Slechten Raad, sinds onheugelijke tijden de plaats, waar de melaatschen aan den weg zaten te bedelen. Daar bleven zij den ganschen dag, deelden aalmoezen uit, vraagden overal of men de twee vrouwen ook gezien had, en beloofden een rijke belooning aan ieder, die hare verblijfplaats kon aanwijzen. Dat hielden zij anderhalve maand lang dagelijks vol. De melaatschen, voor wie de uitgeloofde belooning een machtige drijfveer was, doorzochten ijverig den omtrek, maar tevergeefs. Ook de bewoonsters van de groote spelonk bij de bron werden meer dan eens ondervraagd, maar zij wisten haar geheim te bewaren.
--Waar kunnen zij toch gebleven zijn? vraagde Ben-Hur eindelijk ontmoedigd, om er dan in bitterheid des gemoeds op te laten volgen: Ach, zij zijn zeker dood; weggegaan--de wildernis in, en daar omgekomen. Moeder dood--Tirza dood--ik alleen overgebleven. En waarvoor? Hoe lang, o Heer, God mijner vaderen, hoe lang zal Rome mogen blijven bestaan?
Toornig, hopeloos, wraakzuchtig trad hij den voorhof van de herberg in, en vond dien vol met menschen, welke gedurende den nacht waren aangekomen. Terwijl hij zijn ontbijt gebruikte luisterde hij naar hunne gesprekken. Eén gezelschap trok hem vooral aan. Het bestond uit sterk gebouwde, geharde jonge mannen, wier manieren en spraak verrieden, dat zij uit de provincie kwamen. Uit hun oogopslag, uit de houding van hun hoofd sprak een geest, dien men niet bij de mindere klasse van Jeruzalem opmerkte, de geest, die een gevolg is van het vrije gezonde leven in een bergachtige streek. Weldra vernam hij, dat zij uit Galilea kwamen, en hoofdzakelijk naar Jeruzalem gekomen waren om deel te nemen aan het feest der Trompetten, dat op dien dag zou gevierd worden. Nu werd zijne belangstelling nog grooter, want in Galilea hoopte hij allereerst hulp te vinden voor het werk, dat hij weldra moest aanvaarden.
Terwijl hij hen gadesloeg en naging wat hij met een legioen van zulke mannen, gedrild naar de strenge Romeinsche wetten, al niet zou kunnen uitrichten, kwam een man de herberg binnenloopen met gloeiend gelaat en schitterende oogen.
--Wat doet gij hier? vraagde hij de Galileërs. De rabbijnen en Oudsten gaan juist uit den Tempel naar Pilatus. Haast u en komt mee, dan sluiten wij ons bij hen aan.
In een oogwenk had hij de Galileërs rondom zich.
Naar Pilatus? Waarvoor?
--Zij hebben eene samenzwering ontdekt. Pilatus wil zijne nieuwe waterleiding betalen met geld uit den Tempelschat.
--Wat? Met het heilige geld? riepen verscheidene mannen met vlammende blikken. Het is geld van God. Laat hij probeeren er een penning van te nemen, als hij durft!
--Komt dan! riep de boodschapper. De stoet is al over de brug; geheel Jeruzalem is uitgeloopen en volgt hen. Wij zijn misschien noodig. Maak voort!
Snel wierpen de mannen hun overtollige bovenkleeren af, en stonden daar blootshoofds en in de korte tunica zonder mouwen, die zij gewoon waren te dragen bij den veldarbeid, of bij de visscherij, de kleedij, waarin zij de kudden weidden op de bergen en de rijpe druiven plukten in den wijngaard.
--Wij zijn gereed, zeiden zij, hun gordels vaster aantrekkende.
Toen sprak Ben-Hur hen aan. Mannen van Galilea, zeide hij, ik ben een zoon van Juda. Mag ik met u gaan?
--Het zal misschien tot een gevecht moeten komen.
--Welnu, in dat geval zal ik niet de eerste zijn, die op de vlucht gaat.
Zij zagen hem lachend aan en de bode zeide: Gij ziet er sterk genoeg uit. Kom mee!
Ben-Hur wierp zijn opperkleed af. Gij denkt dus dat er gevochten zal worden? vraagde bij koeltjes.
--Ja.
--Met wie?
--Met de wacht.
--Legioenen?
--Op wie anders kunnen de Romeinen zich verlaten?
--Welke wapenen hebt gij?
Niemand antwoordde.
--Nu, zeide hij, wij zullen ons zoo goed mogelijk moeten verweren. Maar zou het niet verstandig zijn, als wij een aanvoerder kozen? De legioenen hebben er ook altijd een, en handelen daardoor eenparig.
De Galileërs staarden hem verbaasd aan, alsof zij van zoo iets nooit gehoord hadden.
--Laat ons ten minste afspreken bij elkander te blijven, zeide hij. Ik ben gereed. Gijlieden ook?
--Ja, laat ons gaan.
De herberg, het zij hier even herinnerd, stond te Bezetha, de nieuwe stad, en om naar het Praetorium te gaan, zooals de Romeinen hoogdravend het paleis van Herodes op den berg Sion noemden, moesten onze vrienden de laaglanden ten noorden en westen van den Tempel oversteken. Na den heuvel Akra te zijn omgetrokken, bereikten zij den toren Mariamne. Vandaar was men in een paar minuten bij de groote poort van het paleis. Overal ontmoetten zij op hun weg lieden, die zich met hetzelfde doel hadden opgemaakt. Toen zij ten laatste de poort van het Praetorium bereikten, was de stoet van rabbijnen en Oudsten juist naar binnen gegaan met een groot gevolg achter zich, terwijl een nog grootere, luidruchtige menigte buiten wachtte.
Een centurio bewaakte met een goed gewapende wacht den ingang. De zon wierp haar gloeiende stralen op de helmen en schilden der soldaten, maar bleven onbewegelijk staan, even onverschillig voor het oogenverblindend geflikker, als voor het gejoel der menigte. Door de openstaande bronzen poorten stroomden tal van burgers naar binnen, terwijl een veel kleiner getal er uit kwam.
--Wat is er aan de hand? vraagde een Galileër aan een man, die naar buiten kwam.
--Niets, antwoordde deze. De rabbi's staan voor de deur van het paleis en verlangen Pilatus te zien. Hij heeft geweigerd naar buiten te komen. Nu hebben zij hem doen weten, dat zij niet weg zullen gaan, voordat hij hen gehoord heeft. Zij wachten nog.
--Laat ons naar binnen gaan, zeide Ben-Hur bedaard, want hij zag wat zijne eenvoudige makkers waarschijnlijk niet zagen--dat men hier niet alleen met een verschil tusschen de rabbi's en den procurator te doen had, maar dat het eene zaak was, waar een beslissing op moest volgen, en dat nu maar de vraag was wie zijn zin zou krijgen.
Zij traden binnen en kwamen in een voorhof, aan weerszijden met boomen beplant en van banken voorzien. Zich rechts keerend ging het gezelschap naar een ruime vierkante plaats, aan wier westzijde de woning van den procurator lag. Daar bewoog zich een opgewonden menigte. De oogen van allen waren op eene in een breeden doorgang aangebrachte deur gericht, die gesloten was. Onder dien doorgang was een tweede wacht geschaard.
Het gedrang was zoo groot dat onze vrienden, al wilden zij nog zoo gaarne, niet vooruit konden komen. Zij bleven dus waar zij waren en gaven nauwlettend acht op wat er gebeurde. In de voorste rijen konden zij de hooge tulbanden der rabbijnen zien, wier ongeduld zich telkens openbaarde in den kreet: Pilatus, als gij procurator wilt zijn, kom dan naar buiten!
Eenmaal kwam een der voorsten terug en baande zich een weg door de menigte; zijn gelaat gloeide van toorn. Israël wordt hier niet geteld, riep hij met luide stem. Op dezen gewijden grond behandelt men ons, alsof wij Romeinsche honden waren.
--Zal hij niet buiten komen, denkt gij?
--Buiten komen? Heeft hij niet reeds driemaal geweigerd?
--Wat zullen de rabbijnen doen?
--Wat zij te Cesarea deden: hier blijven wachten, totdat hij naar hen luistert.
--Hij zal toch den Tempelschat niet durven aanraken, denkt gij wel? vraagde een der Galileërs.
--Wie zal het zeggen! Heeft niet een Romein het heilige der heiligen ontreinigd? Is iets heilig voor een Romein?
Een uur ging voorbij, en ofschoon Pilatus hen geen antwoord waardig keurde, hielden de rabbijnen stand. Zoo ook de scharen. Tegen den middag begon het te regenen, hetgeen niet verhinderde, dat de menigte aangroeide en steeds rumoeriger en ontevredener werd. Kom naar buiten! Kom buiten! klonk het onophoudelijk.
Intusschen hield Ben-Hur zijne Galileesche vrienden bijeen. Hij vermoedde dat de hoogmoed den Romein weldra zijn voorzichtigheid zou doen vergeten en het einde spoedig daar zou zijn. Pilatus wachtte slechts totdat het volk zelf hem een voorwendsel zou geven, om tot geweld zijn toevlucht te nemen.
Het einde kwam dan ook werkelijk spoedig genoeg.
Eensklaps hoorde men dat er slagen vielen, gevolgd door luide kreten van pijn en woede. Alles geraakte in beweging. De eerwaardige mannen voor de portiek keken verschrikt om. Het volk in de achterhoede drong vooruit, die in het midden stonden trachtten achteruit te wijken, en gedurende een oogenblik was de drukking van twee kanten verschrikkelijk. Duizenden stemmen vraagden wat er gebeurd was, maar niemand kon het antwoord geven.
Ben-Hur behield zijne bedaardheid. Kunt gij zien wat daar geschiedt? vraagde hij een der zijnen.
--Neen.
--Ik zal u optillen.
Hij greep den man met beide handen om het middel en tilde hem van den grond.
--Wat ziet ge?
--Mannen met knuppels gewapend. Zij slaan op het volk in. Zij zijn als Joden gekleed.
--Wie zijn het?
--Romeinen! vermomde Romeinen! Zij slaan er duchtig op los. Daar slaan zij een rabbi neer,--een oud man! Zij sparen niemand.
Ben-Hur zette hem weer op den grond.
--Mannen van Galilea, zeide hij, het is een list van Pilatus. Als gij doen wilt wat ik zeg, zullen wij eens gauw met die knuppelaars afrekenen.
--Ja, ja! riepen zij eenstemmig.
--Laat ons dan teruggaan naar de boomen bij de poort, die zullen ons van dienst kunnen zijn. Komt!
Zij liepen zoo hard zij konden terug, en met vereende krachten braken zij de dikste takken van de boomen. In korten tijd waren ook zij gewapend. Juist wilden zij optrekken, toen de menigte als razend op de vlucht sloeg en hun den weg dreigde af te snijden. Het was een geweldig rumoer: schreeuwen, kermen, vloeken.
--Langs den muur! beval Ben-Hur. Langs den muur! Laat den hoop voorbijgaan!
Zij gehoorzaamden, drukten zich tegen den muur aan hunne rechterzijde, ontkwamen op die wijze het gevaar van te worden meegesleurd door den machtigen stroom, en drongen stap voor stap vooruit, totdat ten laatste de voorplaats bereikt was.
--Blijft nu bijeen, en volgt mij! riep Ben-Hur.
Zijn meesterschap was ten volle erkend, en toen hij zich tusschen de woedende menigte wierp, volgden zij hem als een eenig man.
Toen nu de Romeinen, die nog steeds met hunne knuppels zwaaiden en zich vroolijk maakten, als zij eenigen van het volk neersloegen, handgemeen werden met de Galileërs, vlug van leden, vurig van geest, en eveneens gewapend, waren zij op hunne beurt verrast. Het tieren en razen werd heftiger, de slagen volgden elkander sneller en moorddadiger. Ben-Hur verrichtte wonderen van dapperheid. Zijn geoefende sterke hand miste nooit haar doel. Hij was te gelijk strijder en aanvoerder, altijd vooraan, altijd in 't heetst van het gevecht. In zijn krijgsgeschreeuw was iets dat zijne volgers bezielde en zijne vijanden met bezorgdheid vervulde. Weldra begonnen de Romeinen te wijken, eindelijk sloegen zij op de vlucht. De Galileërs zouden hen tot aan de portiek hebben willen vervolgen, maar Ben-Hur hield hen wijselijk tegen.